Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1. LEESWIJZER

Het werkterrein van het Ministerie van Financiën

De Minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a)  het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;
  • b)  het begrotingsbeleid en een doelmatig beheer van de Rijksfinanciën;
  • c)  het financieringsbeleid;
  • d)  het fiscale beleid;
  • e)  het heffen, controleren en innen van de belastingen.

Het algemeen financieel-economische beleid en het begrotingsbeleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota en komen slechts beknopt aan de orde in de beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden voornamelijk toegelicht in de Miljoenennota. Het fiscale beleid komt op hoofdlijnen aan bod; in het Belastingplan wordt gedetailleerd ingegaan op de veranderingen in het fiscale beleid.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

Indeling van de begroting

De begroting IX is opgebouwd uit acht beleidsartikelen met uiteenlopende beleidsterreinen en twee niet-beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 1.  Belastingen
  • 2.  Financiële markten
  • 3.  Financieringsactiviteiten publiek-private sector
  • 4.  Internationale financiële betrekkingen
  • 5.  Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen
  • 6.  BTW-compensatiefonds

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 8.  Centraal apparaat
  • 10.  Nominaal en onvoorzien

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn:

  • 11.  Financiering staatsschuld (transactiebasis)
  • 12.  Kasbeheer (transactiebasis)

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat onder meer de beleidsagenda, de belangrijkste beleidsmatige mutaties en een overzicht van de beleidsdoorlichtingen. Daarna volgen de beleidsartikelen (hoofdstuk 3 en 5) en niet-beleidsartikelen (hoofdstuk 4). Artikel 7 is met ingang van deze begroting opgeheven (zie Groeiparagraaf). Artikel 9 wordt niet meer genoemd omdat dit artikel, net als voorgaande jaren, niet meer in gebruik is. De budgettaire mutaties worden per artikel toegelicht in de verdiepingsbijlage (hoofdstuk 6). Daarnaast zijn bijlagen opgenomen zoals het overzicht van Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), het overzicht met moties en toezeggingen en het overzicht met evaluatie- en overig onderzoek.

Via een bijlage bij de Miljoenennota wordt een overzicht gegeven van alle met de krediet- en Eurocrisis verband houdende interventies.

Financiële instrumenten

Bij het indelen van de uitgaven naar financieel instrument wordt aansluiting gezocht bij de rol en verantwoordelijkheid van de Minister. Hierdoor wordt de wijze waarop de uitgaven het ministerie verlaten leidend voor de indeling naar financiële instrumenten. Het Ministerie van Financiën maakt, naast de standaard financiële instrumenten zoals opdrachten, subsidies en garanties, ook gebruik van drie eigen instrumenten: rente, rekening-courant en deposito’s, en financiering.

Het instrument rente komt onder meer terug op de artikelen 11 en 12 over de financiering van de staatsschuld en het kasbeheer. Bij artikel 11 en 12 wordt daarnaast gebruik gemaakt van het instrument leningen. In tegenstelling tot de meeste leningen op de Rijksbegroting gaat het daar om leningen die aan de Staat verstrekt worden voor de financiering van de staatsschuld. Op artikel 12 is ook het instrument rekening-courant en deposito’s opgenomen. Het gaat hier om de bankrekeningen waarop geldstromen van andere (lagere) overheden, de sociale fondsen en andere aan de rijksoverheid gelieerde instellingen in- en uitvloeien.

Het instrument financiering wordt gebruikt op artikel 3 bij onder meer kapitaalinjecties in staatsdeelnemingen. De definitie van financiering is als volgt: «van een financiering wordt gesproken, indien een financiële bijdrage aan een wederpartij wordt verstrekt als kapitaalverschaffing voor een investeringsgoed of als algemene vermogensverschaffing voor die wederpartij (een instelling, bedrijf of onderneming). Als een financiële bijdrage wordt verstrekt in de exploitatiesfeer, wordt gesproken van bekostiging. Bij een financiering voert de organisatie die de financiering ontvangt, de kapitaalverstrekking als kapitaalontvangst op de balans op». Van een staatsdeelneming is sprake als de Staat aandelen bezit in een privaat bedrijf.

Financiering staatsschuld en kasbeheer

Sinds 2013 behandelt begroting IX tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen, en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het Ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in het artikel Financiering staatsschuld behandeld (artikel 11). Het geïntegreerd middelen beheer wordt behandeld in het artikel Kasbeheer (artikel 12). Beide artikelen worden middels een aparte begrotingstaat vastgesteld.

De begroting van Nationale Schuld (artikel 11 en 12) heeft twee specifieke eigenschappen die zijn vastgelegd in de Comptabiliteitswet (CW). De eerste eigenschap is dat beide artikelen geen verplichting kennen om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen (kas = verplichtingen). Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12). De tweede eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten van artikel 11 en artikel 12 in deze begroting niet op kasbasis, maar op transactiebasis worden verantwoord. Alle andere onderdelen van de Rijksbegroting worden op kasbasis verantwoord. Dit is wettelijk vastgelegd in artikel 3, eerste lid van de Comptabiliteitswet. Er wordt bij artikel 11 en 12 dus niet gekeken naar de geldelijke betalingen en ontvangsten in het jaar (kasbasis), maar naar de rentekosten en renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend. Hiermee wordt voldaan aan de Europese voorschriften van het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR) 2010.

Interventies ten behoeve van de financiële sector en maatregelen financiële stabiliteit Europa

Als gevolg van de kredietcrisis is door de Minister van Financiën een aantal maatregelen getroffen om het vertrouwen in de financiële sector en de reële economie te herstellen. In artikel 2 (paragraaf 3.2) wordt dieper ingegaan op het beleidsterrein financiële markten. Het beleid met betrekking tot ABN AMRO, a.s.r. en SNS REAAL wordt toegelicht in artikel 3 (paragraaf 3.3). In artikel 4 (paragraaf 3.4) zijn de verstrekte garanties voor het stabiliteitsmechanisme en de lening aan Griekenland verwerkt. De effecten van de maatregelen met betrekking tot de kredietcrisis op de staatsschuld zijn verwerkt in artikel 11 (paragraaf 5.1).

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2017 heeft een wijziging plaatsgevonden in artikel 5 (Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen). Artikel 5 is aangepast conform de toezeggingen van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer1:
  • •  Artikel 5 is vereenvoudigd door niet meer separaat te rapporteren over Exportkredietverzekering (ekv) en Regeling Investeringsverzekeringen (RIV); hierdoor wordt niet langer ingegaan op niet of nauwelijks gebruikte instrumenten. De subartikelen die betrekking hebben op de RIV zijn vanaf 2018 geschaard onder de ekv.
  • •  Het Memorandum of Understanding met het Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) is beëindigd. De MIGA-faciliteit is nooit gebruikt, dus er staan geen verplichtingen uit. Het subartikel voor het MIGA vervalt onder de garantieverplichtingen van artikel 5.
Artikel 7 (Beheer materiële activa) is met ingang van deze begroting geschrapt, aangezien er geen/nauwelijks middelen meer op verantwoord worden2.
  • •  Conform het Regeerakkoord Rutte II zijn de middelen die betrekking hadden op rijksvastgoed (inclusief het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf) overgeheveld van de begroting van Financiën naar de begroting van Wonen en Rijksdienst. Deze herverkaveling heeft zijn budgettaire beslag gekregen in de nota van wijziging 20123.
  • •  Recent zijn naar aanleiding van wijzigingen in artikel 16 van het Besluit Inbeslaggenomen Voorwerpen (BIV), ontvangsten en uitgaven inzake in beslag genomen goederen overgeheveld van de begroting van Financiën naar de begroting van Veiligheid en Justitie. Budgettair heeft deze overheveling voor 2016 zijn beslag gekregen in de 2e suppletoire begroting 20164 en structureel in de 1e suppletoire begroting 20175.
  • •  De opbrengsten uit verkoop van overtolligheden worden grotendeels afgedekt door middelenafspraken met de afstotende departementen. Op grond van deze middelenafspraken komen verkoopopbrengsten toe aan de afstotende departementen. Concreet betekent dit dat de afgelopen jaren nauwelijks tot geen verkoopopbrengsten op artikel 7 zijn verantwoord. In de begroting 2017 zijn al geen verkoopopbrengsten uit overtolligheden meer geraamd.

Als in 2018 en latere jaren opbrengsten uit verkoop van overtolligheden worden gerealiseerd, die niet onder een middelenafspraak vallen, dan worden deze middelen verantwoord op artikel 8 van deze begroting (Centraal apparaat), onder het kopje «ontvangsten».

Noot 1: Kamerstukken II 2016–2017, 31 935, nr. 32.

Noot 2: Kamerstukken II 2016–2017, 34 550 IX, nr. 28.

Noot 3: Kamerstukken II 2012–2013, 33 400 IX, nr. 8.

Noot 4: Kamerstukken II 2016–2017, 34 620 IX, nr. 2.

Noot 5: Kamerstukken II 2016–2017, 34 730 IX, nr. 2.