Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2018
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.1 Inleiding

De Nederlandse economie trekt aan. De economie blijft groeien en de werkloosheid is snel gedaald, doordat het aantal banen toeneemt. De gunstige economische ontwikkelingen zorgen voor een verbetering van het begrotingssaldo en een lagere schuld.

De positieve economische ontwikkeling vertaalt zich voor veel Nederlandse huishoudens nog maar mondjesmaat in een stijgend besteedbaar inkomen. De koopkracht groeit langzamer dan de economie. Paragraaf 2.2 laat echter zien dat de koopkrachtontwikkeling maar een beperkt beeld geeft van de totale bestedingsmogelijkheden van huishoudens. Zo houden koopkrachtcijfers geen rekening met belangrijke levensgebeurtenissen, zoals wijzigingen in de gezinssamenstelling, pensionering of het vinden van een (nieuwe) baan. Hierdoor is het effect van bijvoorbeeld de aantrekkende arbeidsmarkt niet volledig zichtbaar in de koopkrachtcijfers. Daarnaast leggen collectief gefinancierde consumptievormen, vooral collectieve zorg, een steeds groter beslag op het bruto binnenlands product (bbp). Deze tendens matigt de ontwikkeling van de koopkracht, al profiteren huishoudens wel van (extra) zorg die zij gebruiken. Paragraaf 2.3 onderzoekt waarom de ontwikkeling van de reële lonen gematigd is in verhouding tot de economische groei. Een van de oorzaken is dat de krapte op de arbeidsmarkt – die uiteindelijk een impuls moet geven aan de loonontwikkeling – op dit moment nog beperkter is dan het lage werkloosheidscijfer doet vermoeden. Maar ook structurele factoren hebben mogelijk een matigend effect op de loonontwikkeling. Voorbeelden daarvan zijn de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de sterke groei van het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers).

Nederland is een sparende economie, met al sinds de jaren 80 een overschot op de lopende rekening. Paragraaf 2.4 laat zien dat grote bedrijven het belangrijkste deel van de besparingen voor hun rekening nemen. Internationale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Europese Commissie wijzen erop dat grote lopenderekeningonevenwichtigheden risico’s met zich meebrengen voor de economie en de financiële stabiliteit. In de Nederlandse situatie is niet evident dat er economische verstoringen ten grondslag liggen aan het overschot. Als de loongroei zou aantrekken, zou dat wel leiden tot meer consumptie, meer import en een verlaging van het overschot op de lopende rekening.

De effecten van globalisering zijn op het niveau van de macro-economie positief, maar niet iedereen profiteert automatisch. Paragraaf 2.5 beschrijft hoe overheidsbeleid eraan kan bijdragen dat de baten van globalisering zo breed mogelijk neerslaan. Het gaat dan om overheidsbeleid dat gericht is op breed toegankelijk onderwijs, een arbeidsmarktbeleid dat flexibiliteit én zekerheid biedt en een activerende sociale zekerheid. Dergelijk beleid ondersteunt bovendien een relatief evenwichtige en stabiele inkomensverdeling.

De overheid moet erop bedacht zijn dat de capaciteit van mensen om weloverwogen beslissingen te nemen in bepaalde situaties onder druk kan komen te staan. Door inzichten uit gedragswetenschappen toe te passen kan de overheid burgers bij (financiële) beslissingen ondersteunen, zonder hun keuzevrijheid in te perken. Dit kan bijvoorbeeld door de burger een bepaalde «standaardoptie» voor te leggen of door een (sociale) norm te stellen. Paragraaf 2.6 geeft hiervan een aantal voorbeelden en betoogt dat meer kennis over de werking van zulke technieken overheidsbeleid effectiever kan maken.

Een belangrijke uitdaging voor Nederland is de transitie naar een CO2-arme economie. Financiële prikkels stimuleren uitstoters om hun CO2-emissies op een kostenefficiënte manier te verlagen, zoals paragraaf 2.7 beschrijft. Voorbeelden van die financiële prikkels zijn beprijzing van CO2-uitstoot via belastingen of het Europese systeem van verhandelbare CO2-rechten. De energietransitie vergt ook grootschalige investeringen in (energie)netwerken. Doordat zich verschillende vormen van marktfalen voordoen, is het noodzakelijk dat bedrijven en de overheid hierbij samenwerken.