Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2019

35026 13 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Vergaderjaar 2018-2019

Nr. 13

Ontvangen 26 oktober 2018

Inhoudsopgave

I.

ALGEMEEN

2

1.

Inleiding

2

2.

Samenstelling pakket Belastingplan 2019

6

3.

Inkomensbeleid

8

4.

Wet inkomstenbelasting 2001

15

4.1.

Inleiding pakket box 1: lagere lasten op arbeid

15

4.2.

Invoeren tweeschijvenstelsel

21

4.3.

Bevriezen en in de toekomst minder verhogen van beginpunt van de hoogste tariefschijf

26

4.4.

Tariefmaatregel grondslagverminderende posten

28

4.5.

Versoberen voorwaartse verliesverrekening box 2

37

4.6.

Verhogen maximum algemene heffingskorting

38

4.7.

Maatregelen arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting

40

4.8.

Gevolgen pakket box 1 voor de gemiddelde en marginale belasting- en premiedruk

41

4.9.

Correctie box 2-tarief

43

4.10.

Toepassing heffingskortingen in de inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen

43

4.11.

ZW-uitkering telt niet langer mee voor hoogte arbeidskorting en IACK voor zieken zonder werk

44

4.12.

Conserverende aanslag lijfrente en pensioen

49

5.

Wet op de loonbelasting 1964

51

5.1.

Verkorten maximale looptijd 30%-regeling

51

5.2.

Verhogen maxima vrijwilligersregeling

51

6.

Wet op de omzetbelasting

53

6.1.

Verhogen verlaagde btw-tarief

53

6.2.

Verruimen Nederlandse sportvrijstelling

58

7.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

62

7.1.

Aanpassing van de regeling belastingrente voor de inkomstenbelasting en de erfbelasting

62

8.

Compensatie (ex-)ondernemers Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

63

9.

Structureel verlagen tarieven algemene bestedingsbelasting Saba en Sint Eustatius

64

10.

Budgettaire aspecten

65

10.1.

Budgettaire gevolgen pakket Belastingplan 2019

65

10.1.1.

Budgettaire gevolgen wetsvoorstel Belastingplan 2019

67

11.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

68

12.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

69

13.

Advies en consultatie

69

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

69

14.

Overig

69

Bijlage I

83

Bijlage II

89

Bijlage III

95

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA, D66, GroenLinks, de SP, de PvdA, de ChristenUnie, de PvdD, 50PLUS, de SGP, en DENK.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

De leden van een aantal fracties hebben vragen gesteld die geen directe relatie hebben met het pakket Belastingplan 2019 zoals dat nu voorligt. Het kabinet heeft geprobeerd zoveel mogelijk vragen die geen directe relatie hebben met het pakket Belastingplan 2019 toch van een antwoord te voorzien. De vragen die nog niet beantwoord zijn, worden door middel van een afzonderlijke brief beantwoord. Het ligt voor de hand deze brief na afronding van het parlementaire traject van het pakket Belastingplan 2019, begin 2019 aan uw Kamer te sturen.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA en de SP vragen om te reageren op de commentaren van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en het Register Belastingadviseurs (RB). Deze reactie vindt zo veel mogelijk plaats waar dat onderwerp in deze nota aan bod komt. Op commentaar dat geen directe relatie heeft met de maatregelen uit het onderhavige wetsvoorstel wordt niet ingegaan.

De leden van de fractie van D66 vragen welke drie maatregelen uit het Belastingplan 2019 volgens het kabinet het meest bijdragen aan een eenvoudiger belastingstelsel en op welke wijze de schuif naar een bredere belastinggrondslag bijdraagt aan vereenvoudiging. De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de keuze van het kabinet om geld aan een lastenverlichting uit te geven zonder dat het stelsel daarmee structureel verbetert. De complexiteit van het belastingstelsel wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door fiscale faciliteiten zoals aftrekposten die de belastinggrondslag versmallen. Dit soort fiscale faciliteiten maakt het stelsel lastiger uitvoerbaar voor de Belastingdienst en minder transparant voor burgers. Bovendien leiden deze fiscale faciliteiten tot hogere tarieven waardoor het stelsel ook economisch meer verstorend werkt. Grondslagverbreding in combinatie met tariefsverlaging leidt dus tot een beter uitvoerbaar, transparanter en economisch minder verstorend belastingstelsel. Keerzijde is dat het afschaffen dan wel beperken van fiscale faciliteiten vaak leidt tot negatieve (inkomens)effecten voor de groep belastingplichtigen die gebruikmaakt van de betreffende regeling. Om die reden is het in de praktijk vaak lastig om vereenvoudiging langs deze weg te bewerkstelligen. De lastenverlichting van het kabinet zorgt ervoor dat burgers er ondanks de beperking van de aftrekposten toch nog op vooruitgaan. De introductie van een tweeschijvenstelsel en de aanpassingen in de belastingrente voor de erfbelasting en de inkomstenbelasting leveren een bijdrage aan complexiteitsreductie voor burgers.

De leden van de fractie van D66 vragen of een belastingstelsel met minder aftrekposten de administratieve lasten voor burgers en het bedrijfsleven verlaagt. Aftrekposten werken complexiteitsverhogend voor het belastingstelsel. Aftrekposten betekenen dat belastingplichtigen extra handelingen moeten verrichten. Aangezien deze handelingen tijd in beslag nemen zou het afschaffen van aftrekposten een complexiteitsreductie voor het belastingstelsel betekenen.

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet de opvatting deelt dat de mate waarin belastingen verstorend zijn niet alleen samenhangt met economische groei en consumptie maar ook met de kosten voor het klimaat. Deze leden vragen welke belastingen het meest verstorend zijn voor het milieu.

Het kabinet erkent dat het belastingstelsel niet alleen verstorend kan zijn vanuit economisch perspectief maar ook vanuit klimaatperspectief. In algemene zin zorgen milieubelastingen voor economisch efficiëntere keuzes en milieuwinst. Door via milieubelastingen een prijskaart aan vervuiling te hangen, worden consumenten en bedrijven gestimuleerd om in hun keuzes meer rekening te houden met de maatschappelijke kosten van vervuiling die niet tot uiting komen in de marktprijzen. Dat neem niet weg dat er binnen de milieubelastingen vanuit milieuoogpunt suboptimale prikkels kunnen bestaan. Bijvoorbeeld het feit dat in de eerste schijf van de energiebelasting aardgas ten opzichte van elektriciteit relatief te laag is belast in verhouding tot de CO2-uitstoot, of het feit dat de energiebelasting met het oog op de internationale concurrentiepositie een tariefstructuur kent waarbij het grootverbruik lager wordt belast.

De leden van de fractie van D66 ondersteunen de schuif van belasting op arbeid naar belasting op consumptie en vragen of het bestaande hoogste tarief in de inkomstenbelasting in economische termen suboptimaal was. De mate waarin een stelsel in economische termen optimaal is, hangt af van randvoorwaarden zoals budgettaire ruimte en preferenties over bijvoorbeeld de inkomensverdeling. Gegeven de huidige budgettaire ruimte en de beoogde evenwichtige inkomensverdeling acht het kabinet het stelsel na de schuif inderdaad dichter bij het optimum te liggen dan voor de schuif. Het toptarief komt ook dichterbij het volgens het Centraal Plan bureau (CPB) opbrengstmaximaliserende toptarief van ongeveer 49% te liggen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de schuif van belastingen op arbeid naar belastingen op consumptie leidt tot een hogere economische groei. Het klopt dat een budgettair neutrale verschuiving van een relatief verstorende belasting zoals op arbeid naar een minder verstorende belasting zoals op consumptie, per saldo leidt tot minder verstoring en dus tot gunstigere economische uitkomsten.

De leden van de fractie van D66 vragen welke maatregelen in het voorliggende pakket zorgen voor een gunstiger systeem voor huishoudens met slechts één werkende partner. In het wetsvoorstel is met name de vlakkere tariefstructuur van belang voor zogenoemde eenverdieners. Door de vlakkere tariefstructuur maakt het minder uit of een inkomen door twee partners of door één partner wordt verdiend.

De leden van de fractie van GroenLinks geven aan dat de Afdeling advisering van de Raad van State opmerkt dat fiscale wetgeving op belangrijke punten met een soms veel te hoge frequentie wijzigt, hetgeen de voorspelbaarheid van de fiscale wetgeving aantast en vaak tot complexe wetgeving leidt. Deze leden vragen hoe het kabinet deze opmerking heeft meegenomen bij het huidige belastingplan en hoe het kabinet dit de komende jaren gaat meenemen. Zoals blijkt uit de fiscale beleidsagenda streeft het kabinet naar voorspelbare wetgeving die leidt tot minder complexiteit.1 Hierbij dient het volgende te worden opgemerkt. Voor een belangrijk deel heeft het kabinet zelf in de hand welke maatregelen het treft. Een groot deel van de maatregelen in het voorliggende pakket Belastingplan 2019 volgt bijvoorbeeld uit het regeerakkoord. Voor een ander deel is daarvan geen sprake. Zo is vaak wijziging van regelgeving noodzakelijk door gewezen rechtspraak of de noodzaak tot implementatie van een richtlijn van de Europese Unie (EU). Ook hebben evaluaties tot het inzicht geleid dat wetswijziging moet volgen. Vanwege het belang van complexiteitsreductie, worden alle maatregelen bij de uitwerking door middel van een uitvoeringstoets ook getoetst op complexiteit en uitvoerbaarheid. Indien een maatregel leidt tot meer complexiteit voor de Belastingdienst, volgt dit uit de uitvoeringstoets.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de wens om tot een eenvoudiger (inkomsten)belastingstelsel te komen zich verhoudt tot instrumentalisme en daarmee samenhangend, de steeds ingewikkelder wordende inkomstenbelasting. Tevens vragen deze leden welke vervolgstappen het kabinet noodzakelijk acht om tot vereenvoudiging te komen en of het kabinet nog kansen tot vereenvoudiging ziet binnen deze kabinetsperiode. De leden van de fractie van D66 vragen om bij de inventarisatie van verbeteringen van het belastingstelsel te beschouwen hoe een belastingstelsel zowel eenvoudig als gericht kan zijn. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet de analyse van de Afdeling advisering van de Raad van State deelt dat het nu een goed moment is om het belastingstelsel te herzien en dat de urgentie voor een herziening is toegenomen. Ook vragen deze leden of het kabinet de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State deelt dat de voorgestelde maatregelen geen stelselherziening inhouden en er geen sprake is van vereenvoudiging. Tot slot willen de leden van de fractie van GroenLinks weten hoe het kabinet deze opmerking in toekomstig beleid meeneemt. Zoals in de fiscale beleidsagenda2 vermeld, is het belastingstelsel als gevolg van maatschappelijke veranderingen, politieke wensen, internationale verplichtingen en de soms bestaande noodzaak om (budgettair) in te grijpen steeds complexer en ondoorzichtiger geworden. Het kabinet deelt de mening van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het belastingstelsel niet af is en dat er gewerkt moet blijven worden aan verbeteringen en vereenvoudigingen. Dit kabinet neemt dan ook een flink aantal fiscale maatregelen. Er wordt gewerkt aan een stevige aanpak van (internationale) belastingontwijking en belastingontduiking, een concurrerend fiscaal vestigingsklimaat voor reële economische activiteiten, lastenverlichting voor burgers en een verdere vergroening van het belastingstelsel. Er bestaat geen eenduidige definitie van een stelselherziening. Het is daarom moeilijk te zeggen of dit hele pakket als stelselherziening betiteld kan worden. Wel is het kabinet van mening dat met dit pakket een grote stap wordt gezet naar een verbetering van het belastingstelsel.
In de zogenoemde motie- en toezeggingenbrief3 is toegezegd om verdere verbeteringen van het belastingstelsel te inventariseren en bouwstenen klaar te leggen voor een volgend kabinet. Hierin wordt het thema vereenvoudiging vanzelfsprekend meegenomen. De komende maanden wordt bekeken welke informatie hiervoor nodig is. In zijn algemeenheid bestaat er een zekere spanning tussen een eenvoudig belastingstelsel met brede grondslagen en het gericht bedienen van specifieke groepen. Dit wordt meegenomen bij de inventarisatie. Begin 2019 zal uw Kamer nader worden geïnformeerd. Daarbij is de verandercapaciteit van de Belastingdienst op de middellange termijn een belangrijk aandachtspunt. Ook vereenvoudigende maatregelen leiden in de implementatiefase vrijwel altijd in eerste instantie tot meer complexiteit bij de Belastingdienst, terwijl de Belastingdienst dat er niet of nauwelijks bij kan hebben gegeven de reeds bestaande wetgevingsagenda en de noodzaak de organisatie beheerst te vernieuwen. Dat neemt echter niet weg dat het denken niet stil mag blijven staan. Ook in de lopende kabinetsperiode blijft het nodig om waar mogelijk vereenvoudigende maatregelen door te voeren. Tevens is het voornemen van het kabinet om bij nieuwe wetgeving altijd voor de meest uitvoerbare en minst complicerende variant te kiezen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat het kabinet precies bedoelt met «lastenverlichting op arbeid» en waarom het fiscale beleid zo dominant wordt benaderd vanuit werkenden en niet ook voor ouderen en uitkeringsgerechtigden de lasten worden verlaagd. Met lastenverlichting op arbeid bedoelt het kabinet dat het voor huishoudens – waaronder huishoudens met slechts één werkende – aantrekkelijker wordt om nu (meer) te gaan werken. De maatregelen uit het wetsvoorstel grijpen aan op verschillende huishoudens, niet alleen op werkenden. Het kabinet wil namelijk dat alle groepen meeprofiteren van de economische groei. Daarom verlaagt het kabinet ook de lasten van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Zo profiteren ook die groepen van de verhoging van de algemene heffingskorting en hebben gepensioneerden ook baat bij de invoering van het tweeschijvenstelsel en de verhoging van de ouderenkorting. Zowel werkenden, uitkeringsgerechtigden als gepensioneerden zien hun koopkracht in 2019 stijgen. Het kabinet is van mening dat met het pakket aan maatregelen een evenwichtig koopkrachtbeeld wordt bereikt. Hiernaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS of het kabinet erkent dat de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) geen onderscheid tussen inkomen uit tegenwoordige en vroegere arbeid maakt. De Wet LB 1964 maakt wel degelijk onderscheid tussen loon uit tegenwoordige arbeid en loon uit vroegere arbeid. Het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige arbeid en loon uit vroegere arbeid is bijvoorbeeld van belang voor de bepaling of de arbeidskorting van toepassing is.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel banen in het midden- en kleinbedrijf (mkb) de verhoging van het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (btw-tarief) kost. Dat is niet exact bekend. De opbrengst van het verhogen van het verlaagde btw-tarief wordt gebruikt om de lasten op arbeid te verlagen. Dat maakt het lonender om te werken, en dat zorgt voor een impuls van het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State over het burgerperspectief bij wijzigingen serieus neemt en wat eraan wordt gedaan om te voorkomen dat deze opmerking volgend jaar weer gemaakt wordt. Het kabinet vindt het met de Afdeling advisering van de Raad van State belangrijk dat het burgerperspectief voldoende aandacht krijgt bij het opstellen van wet- en regelgeving. Op verschillende manieren wordt daarom op dit moment al aandacht besteed aan het burgerperspectief. Zo heeft het kabinet het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) aangevuld. Bij voorgenomen beleid, uit te werken in wet- en regelgeving, wordt voortaan vooraf getoetst of de regeling «doenlijk» is voor burgers. Hiernaast is de interactie met belastingplichtigen en toeslaggerechtigden een vast onderdeel van alle uitvoeringstoetsen van de Belastingdienst. Deze uitvoeringstoetsen zijn als bijlage bij het pakket Belastingplan 2019 gevoegd. Tevens wordt voor alle wet- en regelgeving onderzocht wat de gevolgen hiervan zijn op de administratieve regeldruk voor burgers en bedrijven. Hierbij geldt dat de administratieve lasten in ieder geval in kwalitatieve zin in beeld worden gebracht en (indien substantieel) ook gekwantificeerd worden. Tot slot worden de geïnventariseerde administratieve lasteneffecten door het Adviescollege Toetsing regeldruk (ATR) getoetst, waarna het ATR hierover een advies uitbrengt. Met de uitkomsten van het advies wordt tot slot rekening gehouden bij het opstellen van de administratievelastenparagraaf in de memorie van toelichting bij elk wetsvoorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het kabinet gaat compenseren voor de hogere energielasten die het gevolg zijn van toekomstig klimaatbeleid, die volgens deze leden bovendien fors denivellerende effecten kunnen hebben. De onderhandelingen voor het klimaatakkoord zijn nog gaande. Wanneer duidelijk is wat de invulling is van het akkoord met concrete maatregelen zal worden bekeken wat dit betekent voor de lasten van zowel burgers als bedrijven. Het kabinet heeft hierbij oog voor een evenwichtige lastenverdeling tussen verschillende inkomensgroepen.

De leden van de fractie van de SP vragen welk nut het verlagen van het tarief voor de hoogste inkomens van 52% naar 49,5% heeft. Het kabinet neemt verschillende maatregelen die anders uitpakken voor verschillende inkomensgroepen. Uiteindelijk is het totaalbeeld van belang. Zo betekent het verlagen van het hoogste schijftarief voor hogere inkomens een lastenverlichting, maar hebben zij juist weer last van andere maatregelen, zoals de (versnelde) afbouw van het aftrektarief van een aantal grondslagverminderende posten. Uit de koopkrachtramingen blijkt dat alle inkomensgroepen er komend jaar in doorsnee op vooruitgaan.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de inkomensgevolgen van de voorgestelde maatregelen op het gebied van de inkomstenbelasting voor een alleenstaand individu met een inkomen van € 40.000, € 60.000 en € 80.000. De effecten zijn berekend voor een werkende, jonger dan de AOW-leeftijd in 2021. Het voordeel van de maatregelen in de inkomstenbelasting is dan circa € 1.190 voor een alleenstaand individu met een inkomen van € 40.000, € 1.210 bij een inkomen van € 60.000 en € 767 bij een inkomen van € 80.000.

2. Samenstelling pakket Belastingplan 2019

De leden van de fracties van DENK en van de SP vragen waarom het kabinet gekozen heeft voor deze clustering van wetsvoorstellen. De leden van de fractie van DENK vragen waarom het kabinet zich niet aan de motie-Hoekstra c.s.4 houdt. De leden van de fractie van het CDA vragen aandacht voor de spreiding van de indiening van wetsvoorstellen gedurende het jaar. Zij vragen ook om te reflecteren op het dilemma dat ontstaat doordat maatregelen niet onnodig in eenzelfde wetsvoorstel ingepast moeten worden, maar het ook onwenselijk is om maatregelen met budgettaire samenhang over verschillende wetsvoorstellen te verdelen. Dit zou als gevolg kunnen hebben dat een wetsvoorstel met dekkingsmaatregelen wordt verworpen, terwijl een afzonderlijk wetsvoorstel met maatregelen die de uitgaven betreffen van die dekking, wordt aangenomen. Het kabinet herkent het door deze leden geschetste dilemma. Bij de gemaakte keuzes qua indeling van de maatregelen in de verscheidene wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2019 is zowel acht geslagen op inhoudelijke als budgettaire samenhang. Daarbij zijn maatregelen met budgettaire samenhang zo veel mogelijk samengevoegd met inachtneming van het feit dat tussen sommige maatregelen een dusdanige inhoudelijke samenhang bestaat, dat deze samenhang opneming in hetzelfde wetsvoorstel rechtvaardigt. Het resultaat van deze weging is als pakket Belastingplan 2019 bij uw Kamer aanhangig gemaakt. Het kabinet is dan ook van mening dat bij de indeling van het pakket Belastingplan 2019 conform de motie-Hoekstra c.s. wordt gehandeld.
De leden van de fractie van DENK vragen of de Afdeling advisering van de Raad van State heeft aangegeven dat de omvang van het pakket «geen recht doet aan een zorgvuldige behandeling van de wetsvoorstellen». Verder vragen deze leden of een deel van de wetsvoorstellen al in het voorjaar ingediend hadden kunnen worden. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft in het advies bij het wetsvoorstel Belastingplan 2019 aangegeven dat onder andere de omvang van het pakket geen recht doet aan een zorgvuldige behandeling van wetsvoorstellen. Het uitgangspunt is om, indien mogelijk, separate fiscale wetsvoorstellen gespreid over het jaar in te dienen, zodat er voor alle betrokkenen zo veel mogelijk tijd is om een wetsvoorstel te behandelen. De ervaring leert dat dit vanwege verschillende redenen niet altijd lukt, bijvoorbeeld omdat een wetsvoorstel niet eerder gereed kan zijn of omdat een wetsvoorstel in verband met de augustusbesluitvorming later ingediend is.5 Daarbij moet bedacht worden dat het maken van wetgeving vele aspecten kent die zoveel als mogelijk parallel lopen, maar vaak ook volgtijdelijk plaatsvinden. Een internetconsultatie en de uitvoeringstoetsen en bepaling van administratieve lasten zijn daar voorbeelden van. Gelet op de uiterste datum van inwerkingtreding van de maatregelen in de wetsvoorstellen bestaat geen andere mogelijkheid dan deze op te nemen in het pakket Belastingplan 2019. Dit laat onverlet dat het kabinet ernaar blijft streven om (fiscale) wetsvoorstellen tijdig en gespreid over het jaar bij uw Kamer aanhangig te maken.
De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet kan ingaan op de criteria, bedoeld in de notitie verzamelwetgeving.6 Daarnaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS wat de toegevoegde waarde is van de opmerking dat er sprake is van budgettaire samenhang en van de opmerking dat de opbrengst van bepaalde maatregelen wordt gebruikt als dekking voor andere maatregelen. Deze leden vragen verder of deze criteria volgens het kabinet toe zijn aan evaluatie en heroverweging en zo nee, waarom niet. In de genoemde nota wordt het rijksbrede toetsingskader voor verzamelwetgeving uiteengezet. Het betreft richtsnoeren om zo veel mogelijk een goede parlementaire behandeling te borgen. Een verzamelwet dient – met name om geen afbreuk te doen aan de constitutionele positie van de Eerste Kamer – aan een aantal criteria te voldoen, zoals (inhoudelijke) samenhang, omvang en omstredenheid. De verschillende onderdelen dienen dus inhoudelijke samenhang te hebben en niet van een omvang en complexiteit te zijn die een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen en het dient niet op voorhand de verwachting te zijn dat een van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een zorgvuldige parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.7 De inhoudelijke samenhang wordt getoetst aan de hand van vier criteria, te weten (1) inhoudelijke samenhang, (2) budgettaire samenhang, (3) thematische samenhang en (4) uitvoeringstechnische samenhang. Onder budgettaire samenhang wordt, in antwoord op de vraag daarover van de leden van de fractie van 50PLUS, de situatie verstaan waarbij de opbrengst van bepaalde maatregelen wordt gebruikt als dekking voor andere maatregelen. Anders dan de leden van de fractie van 50PLUS veronderstellen bevat niet ieder wetsvoorstel maatregelen met budgettaire consequenties en is in zoverre dus ook niet altijd sprake van budgettaire samenhang. Na de voorgenomen maatregelen te hebben getoetst aan de overige hiervoor omschreven criteria is het kabinet van oordeel dat aan alle criteria wordt voldaan. Zo is sprake van thematische samenhang en is sprake van uitvoeringstechnische samenhang. Hoewel het toepassen van criteria altijd een element van politieke weging heeft, is het kabinet van mening dat de criteria in de praktijk goed werkbaar zijn.

De leden van de fractie van DENK vragen op welke manier de € 100 miljoen voor het mkb wordt ingezet. Per 2020 is een reservering getroffen van € 100 miljoen structureel om de lasten op arbeid voor het mkb extra te verlichten. Bij de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat is vanaf 2021 een bedrag van € 200 miljoen structureel gereserveerd om de werkgeverslasten op arbeid te kunnen verlagen. Over de concrete invulling wordt uw Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

3. Inkomensbeleid

De leden van de fractie van de VVD vragen of de marginale en de gemiddelde druk voor en na het kabinetsbeleid gegeven kan worden. De plaatjes met de marginale en gemiddelde druk staan in de memorie van toelichting, figuur 6 en figuur 8.

De leden van de fractie van de VVD vragen of aangegeven kan worden welke maatregelen een effect hebben op de marginale druk en of dit effect gekwantificeerd kan worden. Bij beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een alleenstaande, jonger dan de AOW-leeftijd. De maatregelen in tabel 1 hebben effect op de marginale druk in 2021.

Tabel 1: Effect maatregelen op marginale druk in 2021

Maatregel

Inkomen vanaf

Inkomen t/m

Mutatie marginale druk

Tarief huidige eerste schijf naar 37,05%

€ 0

€ 21.167

+0,5%

Tarief huidige tweede schijf naar 37,05%

€ 21.168

€ 35.286

– 3,85%

Tarief huidige derde schijf naar 37,05%

€ 35.287

€ 68.507

– 3,85%

Tarief huidige vierde schijf naar 49,5%

€ 68.507

– 

– 2,3%

Beginpunt hoogste tariefschijf bevriezen: belastingtarief

€ 68.507

€ 71.9941

+8,6%

Beginpunt hoogste tariefschijf bevriezen: afbouw algemene heffingskorting vervalt

€ 68.507

€ 71.994

– 4,4%

Beginpunt hoogste tariefschijf bevriezen: afbouw algemene heffingskorting steiler

€ 35.287

€ 68.507

+0,6%

Verhogen algemene heffingskorting

€ 35.287

€ 68.507

+0,4%

Introduceren extra opbouwtraject arbeidskorting

€ 22.200

€ 36.368

– 2,6%

Arbeidskorting steiler afbouwen

€ 36.369

€ 102.651

+2,4%

Arbeidskorting steiler afbouwen

€ 102.652

€ 131.451

– 3,6%

Noot 1: schatting op basis van dezelfde indexatie als eerste schijfgrens.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat het effect was geweest op het tarief indien de extra verhoging van de algemene heffingskorting gebruikt was voor verlaging van het tarief in de basisschijf. De algemene heffingskorting wordt op grond van de augustusbesluitvorming met € 44 extra verhoogd in 2019. Het budgettaire beslag van deze extra verhoging is € 408 miljoen. Met dit bedrag had het tarief in de eerste schijf met circa 0,2%-punt verlaagd kunnen worden. Als het gaat om een aanpassing van het tarief in de huidige eerste drie schijven, dan was een verlaging van circa 0,1%-punt mogelijk geweest.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de netto-inkomenspositie is voor een bijstandsgezin met twee kinderen wanneer beide ouders samenleven en wanneer beide ouders van elkaar scheiden. Tabel 2 toont het netto-inkomen (exclusief toeslagen) en het besteedbare inkomen (inclusief toeslagen) bij diverse huishoudens op bijstandsniveau. Hierbij is verondersteld dat er sprake is van twee kinderen van de leeftijden 6 en 11. De bedragen gelden voor de situatie in 2019, volgens de raming die gepresenteerd is in de Macro Economische Verkenning 2019 (MEV-raming) van het CPB. In situatie 1 wordt uitgegaan van een gezin in de bijstand met twee kinderen. In situatie 2 draagt één ouder na de scheiding de zorg voor beide kinderen. In situatie 3 dragen beide ouders zorg voor 1 kind en is gecorrigeerd voor de kinderbijslag (voor één kind in plaats van twee kinderen) en het kindgebonden budget (voor één kind in plaats van twee kinderen). Het inkomen is in situatie 2 en 3 hoger dan in situatie 1. Hier staan ook hogere kosten, zoals huurkosten, tegenover.

Tabel 2: Netto-inkomen en besteedbaar inkomen bij diverse huishoudens op bijstandsniveau

In euro

 

Ouder 1

Ouder 2

Totaal

Situatie 1: Gezin met 2 kinderen

Netto

17.629

 

17.629

 

Besteedbaar

20.948

 

20.948

Situatie 2: Alleenstaande ouder met 2 kinderen (ouder 1) + alleenstaande zonder kinderen (ouder 2)

Netto

12.340

12.340

24.680

 

Besteedbaar

19.320

11.883

31.203

Situatie 3: Alleenstaande ouder met 1 kind (ouder 1) + alleenstaande ouder met 1 kind (ouder 2)

Netto

12.340

12.340

24.680

 

Besteedbaar

17.259

17.259

34.518

Bron: berekeningen Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) o.b.v. MEV 2019

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet oog heeft voor de koopkrachtontwikkeling van eenverdieners, ook in latere jaren. Het kabinet neemt ook maatregelen die juist relatief gunstig zijn voor de koopkracht van eenverdieners. Zo komt door het vlakkere tarief in het tweeschijvenstelsel de fiscale behandeling tussen een- en tweeverdieners meer in evenwicht en hebben eenverdieners ook profijt van het verhogen van de afbouwgrens in het kindgebonden budget voor paren en het verhogen van de zorgtoeslag voor paren. Het CPB heeft geen nieuwe raming gemaakt van de koopkrachtontwikkeling voor na 2019. Voor 2019 raamt het CPB in doorsnee een koopkrachtverbetering van 1,7% voor eenverdieners, wat hoger is dan de koopkrachtontwikkeling van tweeverdieners (+1,6%) en alleenstaanden (+1,4%). Het kabinet zal de financiële positie van eenverdieners in de gaten blijven houden.

De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie hebben zorgen over de ontwikkeling van het tarief van de eerste schijf en vragen of het klopt dat deze stijging verband houdt met de stijging van de zorgkosten. Door de lastendekkende financiering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) vertalen lagere (hogere) zorgkosten zich (op de lange termijn) in een lagere (hogere) nominale premie. Een eventuele lagere raming van de zorgpremie dan eerder voorzien moet voor wat betreft het niet-incidentele deel volgens de begrotingsregels binnen het inkomstenkader gecompenseerd worden met een lastenverzwaring elders. Het is de gebruikelijke systematiek om een verandering in de raming van de zorgpremie voor burgers te compenseren via het tarief van de nieuwe eerste schijf. Reden hiervoor is dat een verandering in de zorgpremie en een verandering in het tarief van de nieuwe eerste schijf maatregelen zijn die het meest dezelfde huishoudens raken. Daarmee is het de meest efficiënte manier van compenseren. Het is overigens niet zo dat het per definitie om een verhoging van het tarief gaat. Indien de zorgpremie in eerste instantie hoger wordt geraamd, is juist ruimte voor een lastenverlichting. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarnaast of er mogelijkheden zijn om het basistarief weer duidelijk onder de 37% te brengen. Er is binnen het inkomstenkader op dit moment geen budgettaire ruimte om het basistarief te verlagen naar onder de 37%.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een meer trefzekere beschouwing dan het kabinet heeft gegeven op de kritiek van Afdeling advisering van de Raad van State ten aanzien van het draagkrachtbeginsel. Het kabinet heeft geen nieuwe inzichten gekregen die aanleiding geven om de reactie op de opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State ten aanzien van het draagkrachtbeginsel te wijzigen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen mede in het kader van de reactie op de kritiek van de Afdeling advisering van de Raad van State ook welke beleidsmatige consequenties de inzichten in het proefschrift8 van Nicole Bosch hebben en hoe deze zich verhouden tot in het microsimulatiemodel (MICSIM) verwerkte arbeidsaanbodelasticiteit van vrouwen met (jonge) kinderen en hun «gewerkte-uren-per-weekbeslissing». Het is belangrijk om hier onderscheid te maken tussen de gedragsreactie aan de extensieve marge (de participatiebeslissing) en de gedragsreactie aan de intensieve marge (gewerkte-uren-per-weekbeslissing). Uit empirisch onderzoek met MICSIM blijkt dat de arbeidsparticipatie van moeders met jonge kinderen, zowel alleenstaande moeders als moeders in samenwonende stellen, relatief gevoelig is voor financiële prikkels. Hier blijkt echter wel dat vooral het beïnvloeden van de keuze om al dan niet te werken effectief is (extensieve marge). Financiële prikkels hebben maar beperkt invloed op de keuze voor het aantal uren of dagen werk per week (intensieve marge). Daarnaast bevat het achtergronddocument «MICSIM – A behavioural microsimulation model for the analysis of tax-benefit reform in the Netherlands » ook een vergelijking tussen de beide onderzoeksmethoden en laat die vergelijking zien dat beide onderzoeksmethoden resulteren in vergelijkbare gedragsreacties aan de intensieve marge van vrouwen met jonge kinderen. De bevindingen van Nicole Bosch in haar proefschrift wijken dan ook niet af van de gedragsreacties in MICSIM en vormen dan ook geen aanleiding om MICSIM te herijken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom er in tijden van economische voorspoed niet voor is gekozen om binnen de groep minima, gepensioneerden en huurders net zoals alle huishoudens 96% erop vooruit te laten gaan. In de koopkrachtraming gaat 97% van de gepensioneerden erop vooruit. Het beeld dat zij achterblijven in vergelijking met alle huishoudens herkent het kabinet daarom niet. De koopkrachtontwikkeling naar woonsituatie is geen standaardonderdeel van de koopkrachtpresentatie en is om die reden nu niet geraamd. Het klopt dat volgens de koopkrachtraming het aandeel uitkeringsgerechtigden dat erop vooruit gaat lager is dan het aandeel binnen alle huishoudens. Dit komt onder andere doordat een deel van deze huishoudens al relatief weinig of geen belasting betaalt. Met kabinetsbeleid kan de belasting daarom niet verder omlaag gebracht worden. Ook kan het komen doordat de geraamde rente stijgt en lenen daardoor duurder wordt. Het is niet mogelijk om met fiscale instrumenten en toeslagen alle huishoudens te bereiken. Het is overigens wel een expliciete doelstelling van het kabinet om (meer) werken lonender te maken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet een overzicht kan geven wat de maatregelen in de energiebelasting betekenen voor de koopkracht van verschillende inkomensgroepen. De koopkrachteffecten van alleen deze maatregelen zijn niet berekend. Een verandering in energielasten werkt door in het algehele inflatiecijfer en beïnvloedt op die manier de berekende koopkrachtontwikkeling van verschillende inkomensgroepen op dezelfde manier. Voor het energiebeleid geldt dat het CPB in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2018 heeft laten zien dat het koopkrachteffect voor lage inkomens circa 0,2%-punt lager is dan gemiddeld. Tijdens de afgelopen Algemene Financiële Beschouwingen is toegezegd om in samenspraak met het CPB te bezien wat de mogelijkheden zijn voor de manier waarop energielasten worden meegenomen in de koopkrachtberekeningen. Uw Kamer wordt te zijner tijd geïnformeerd over de uitkomst van dit gesprek

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom in de tekst over de verhoging van de algemene heffingskorting de gepensioneerden niet worden genoemd en of daar geen kwetsbare groepen bij zitten. Het kabinet heeft geen specifieke reden om in de tekst over de algemene heffingskorting gepensioneerden niet te noemen. Gepensioneerden hebben namelijk wel degelijk profijt van de algemene heffingskorting. Voor gepensioneerden is onder meer van belang dat een verhoging van de algemene heffingskorting doorwerkt in de AOW-uitkering. Het kabinet neemt verschillende maatregelen waarvan huishoudens met een lager inkomen profiteren, ongeacht de inkomensbron. Gepensioneerden profiteren daarnaast ook van de verhoging en het langere afbouwtraject van de ouderenkorting.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet de koopkrachteffecten van het verlagen van het afbouwpercentage van de ouderenkorting kan weergeven voor de relevante inkomensgroepen. Onderstaande figuur laat zien dat inkomens tussen € 36.000 en € 68.000 zouden profiteren wanneer het afbouwpercentage naar 5% zou gaan.

Figuur 1: vormgeving ouderenkorting bij afbouw van 5% en 15%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet kan aangeven wat het kost om de ouderenkorting voor hoge inkomens, boven het afbouwtraject, te handhaven. Hierbij gaat het kabinet er in de berekening van uit dat in 2019 weer een ouderenkorting geïntroduceerd wordt van € 72 voor hoge inkomens (na het afbouwtraject van de ouderenkorting). De kosten van deze maatregel zouden € 22 miljoen bedragen. Overigens zou een dergelijke wijziging per 2019 in de uitvoering een structuuraanpassing zijn die niet meer tijdig in de voorlopige aanslagen 2019 kan worden verwerkt.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen welk deel van de ouderenkorting niet verzilverbaar is in 2018 en 2019. In 2018 is circa 12% van het totale bedrag waarop ouderen recht hebben aan ouderenkorting niet verzilverbaar; in 2019 is dat circa 14%.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet kan aangeven welke groepen het vaakst hun ouderenkorting niet volledig kunnen verzilveren en wat de koopkrachteffecten zouden zijn van het geheel verzilverbaar maken van de ouderenkorting. De groep die het vaakst hun ouderenkorting niet volledig kan verzilveren bestaat uit ouderen met een laag inkomen, al dan niet als gevolg van hoge aftrekposten. Daarnaast komt het niet volledig kunnen verzilveren van heffingskortingen vaker voor bij alleenstaande ouderen, omdat zij ook recht hebben op alleenstaande ouderenkorting en daarbij niet de mogelijkheid hebben om een deel van hun heffingskortingen op basis van het inkomen van hun partner te verzilveren. De effecten op de koopkracht van het geheel verzilverbaar maken van de ouderenkorting zijn dus niet eenduidig. Het ligt voor de hand dat vooral ouderen in de laagste inkomensklasse profiteren, maar ook ouderen met hogere inkomens én hoge aftrekposten zouden profiteren van deze maatregel.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet de afbouwtrajecten van de ouderenkorting, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting in een tabel kan weergeven. Onderstaande tabel geeft deze afbouwtrajecten, inclusief de bijbehorende afbouwpercentages voor 2019 weer. In de laatste kolom van deze tabel 3 staan de afbouwpercentages voor belastingplichtigen boven de AOW-leeftijd tussen haakjes.

Tabel 3: Afbouwtrajecten heffingskortingen 2019

Korting

Startpunt afbouw

Eindpunt afbouw

Afbouwpercentage

Algemene heffingskorting

€ 20.384

€ 68.507

5,147% (2,633%)

Arbeidskorting

€ 34.060

€ 90.710

6,0% (3,069%)

Ouderenkorting

€ 36.783

€ 47.423

n.v.t. (15%)

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de maatregelen die zijn genomen tussen de cMEV-raming en MEV-raming en vragen om de koopkrachteffecten hiervan, uitgesplitst naar inkomensbron. Het kabinet heeft in augustus besloten om de algemene heffingskorting met € 44 meer te verhogen dan eerder al was beoogd. Daarnaast is een deel van gefaseerde overgang naar het tweeschijvenstelsel naar voren gehaald, nadat de lagere raming van de zorgpremie via de gebruikelijke systematiek was gecompenseerd met een verhoging van het tarief van de eerste schijf (en de Arbeidsongeschiktheidsfondspremie (Aof-premie)). Het koopkrachtbeeld weerspiegelt het resultaat van beleid maar ook factoren waar de overheid geen of slechts beperkt invloed op heeft zoals de geraamde contractloonstijging, inflatie of indexatie van aanvullende pensioenen. Koopkracht laat zich daarom niet goed gebruiken om het effect van individuele maatregelen in kaart te brengen. Onderstaande tabel toont het koopkrachtbeeld voor 2019 uitgesplitst naar inkomensbron conform cMEV-raming en MEV-raming. Het verschil tussen de cMEV-raming en MEV-raming geeft een indicatie van het effect van de augustusbesluitvorming op het koopkrachtbeeld.

Tabel 4: Koopkracht 2019

Inkomensgroep

cMEV

MEV

Werkenden

1,4%

1,6%

Uitkeringsgerechtigden

0,5%

0,9%

Gepensioneerden

1,2%

1,5%

Bron: berekeningen SZW.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat het kost als de afbouw van de ouderenkorting wordt vertraagd van 15% naar 5%. Het verlagen van het afbouwpercentage van de ouderenkorting zou € 222 miljoen kosten in 2019.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet kan aangeven wat het effect is voor de schatkist van de volgende maatregelen in 2021: de afbouw van de arbeidskorting, de afbouw van de algemene heffingskorting, de beperking van het aftrektarief van hypotheekrente, de afbouw van het aftrektarief voor de andere grondslagverminderende posten en de bevriezing van het beginpunt van de hoogste tariefschijf. De algemene heffingskorting bouwt af naar € 0 tussen het eindpunt van de eerste schijf en het eindpunt van de derde schijf. Het afbouwpercentage gaat door deze wettelijke koppeling automatisch omhoog doordat het kabinet de algemene heffingskorting verhoogt en het eindpunt van de derde schijf bevriest. Het kabinet voert geen direct beleid op het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting. Voor de overige maatregelen staan de effecten in tabel 5.

Tabel 5: Effecten van maatregelen in 2021

Maatregel

Effect in 2021

Afbouw arbeidskorting

€ 1.550 miljoen

Beperken aftrektarief aftrekbare kosten eigen woning

€ 323 miljoen

Beperken aftrektarief overige grondslagverminderende posten

€ 363 miljoen

Bevriezing beginpunt van de hoogste tariefschijf

€ 1.365 miljoen

Totaal

€ 3.601 miljoen

Tegenover deze lastenverzwaringen staan overigens ook lastenverlichtende maatregelen, zoals het verhogen van de maximale algemene heffingskorting en arbeidskorting en het invoeren van het tweeschijvenstelsel. Per saldo resulteren de lastenverlichtende en -verzwarende maatregelen in een lastenverlichting voor huishoudens.

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat een eenverdiener die € 40.000 verdient, zes keer zo veel belasting betaalt als twee tweeverdieners die ieder € 20.000 verdienen en wat de reden van het verschil is.

Een huishouden met een eenverdiener die € 40.000 verdient betaalt in 2019 € 9.774 aan belasting en premie volksverzekeringen. Een huishouden waarin beide partners werken en allebei € 20.000 verdienen, betaalt in 2019 € 3.448. Hierbij gaat het kabinet uit van huishoudens zonder kinderen en zonder aftrekposten. Toeslagen worden in deze berekening ook niet meegenomen. Het huishouden met een eenverdiener betaalt dus 2,8 keer zoveel belasting en premie volksverzekeringen als het huishouden waarin beide partners werken.

Meerdere factoren verklaren dit verschil. Ten eerste kan de eenverdiener slechts één keer gebruikmaken van de arbeidskorting van ruim € 3.000. De tweeverdieners hebben allebei recht op een arbeidskorting van ruim € 3.000. Ten tweede is het belastingstelsel in 2019 nog progressief in de eerste drie schijven. De eenverdiener valt daardoor deels in een hogere tariefschijf dan de tweeverdieners. Ten derde kan de partner van de eenverdiener de algemene heffingskorting slechts gedeeltelijk verzilveren op basis van partnerinkomen.

De hiervoor genoemde verklaringen komen voort uit het feit dat Nederland al sinds de jaren zeventig een individueel belastingstelsel kent. Dit stimuleert arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid. Om die reden gaat de vergelijking van de genoemde huishoudens niet helemaal op. Een gevolg van het individuele stelsel is dat bij de vergelijking van de belastingdruk tussen huishoudens, gekeken moet worden naar huishoudens waarbij de individuen hetzelfde inkomen hebben in plaats van waarbij het huishoudinkomen hetzelfde is.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe groot de groep is die netto geen profijt heeft van de lastenverlichting in de inkomstenbelasting. Over de gehele kabinetsperiode gaat door alleen de maatregelen in de inkomstenbelasting van dit kabinet naar schatting 85% van de mensen er netto op vooruit, terwijl 3% van de mensen er door de maatregelen netto op achteruitgaat. Circa 12% merkt netto geen effect van de maatregelen. Deze cijfers zijn niet vergelijkbaar met de koopkrachtcijfers van het CPB, omdat daar ook loon- en inflatieontwikkelingen in zitten en maatregelen op het gebied van bijvoorbeeld de kinderopvangtoeslag. Deze cijfers geven alleen de effecten van de maatregelen in de inkomstenbelasting uit het Belastingplan 2019.

De leden van de fractie van DENK vragen bij welk niveau van de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek de belastingdruk voor werknemers en ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers) gelijk zou zijn. De vergelijking van de belasting- en premiedruk tussen werknemers en IB-ondernemers is niet eenduidig omdat beide groepen op meer punten verschillen dan alleen de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Zo zijn er andere verschillen doordat werknemers in het algemeen verzekerd zijn voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid en de ondernemer zelf voor verzekering dan wel reservering moet zorgdragen. In bijlage I bij deze nota naar aanleiding van het verslag is een aantal berekeningen opgenomen waarin met deze verschillen rekening is gehouden. Uit die berekening blijkt dat IB-ondernemers met een winstniveau gelijk aan de loonkosten voor een werknemer netto meer overhouden dan werknemers. De verschillen zijn mede afhankelijk van de hoogte van het inkomen en van de veronderstelling over de mate van reservering en vrijwillige verzekering van de IB-ondernemer. Het is daarom niet mogelijk de vraag van de leden van de fractie van DENK eenduidig te beantwoorden.

De leden van de fractie van DENK vragen welke ondernemers IB-ondernemers zijn voor box 1, welke ondernemers IB-ondernemers zijn voor box 2, en welke ondernemers vennootschapsbelasting en dividendbelasting betalen. Het onderscheid tussen de genoemde verschillende categorieën ondernemers is afhankelijk van de vraag of zij een onderneming drijven voor eigen rekening en risico, of een onderneming drijven via een vennootschap (bijvoorbeeld een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv)). Indien een natuurlijk persoon een onderneming voor eigen rekening en risico drijft, is hij IB-ondernemer voor box 1. Indien een natuurlijk persoon een onderneming drijft door middel van een vennootschap (zoals een bv) waarin hij – kort gezegd – voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandelen houdt, is hij een zogenoemde aanmerkelijkbelanghouder. Deze aanmerkelijkbelanghouder wordt in box 2 in de inkomstenbelastingheffing betrokken voor de uitdelingen van winst (dividend) uit die vennootschap (bv) en voor eventuele voordelen uit de vervreemding van de aandelen in die bv (overdrachtsprijs minus verkrijgingsprijs). Als de aanmerkelijkbelanghouder als werknemer bij die bv loon ontvangt (zoals bij een directeur-grootaandeelhouder (dga)), is dat loon gewoon in box 1 belast. De vennootschap (bv) zelf wordt met betrekking tot haar winsten in de vennootschapsbelasting betrokken. Voor wat betreft winstuitdelingen is de vennootschap (bv) inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. De door de vennootschap (bv) ingehouden dividendbelasting kan door de aandeelhouder (als aanmerkelijkbelanghouder) met de inkomstenbelasting in box 2 worden verrekend.

4. Wet inkomstenbelasting 2001

4.1. Inleiding pakket box 1: lagere lasten op arbeid

De leden van de fractie van de VVD vragen wat voor effect het teruggaan naar een basisschijf en een toptarief heeft op de progressiviteit van het stelsel in de inkomstenbelasting. Invoering van het tweeschijvenstelsel zorgt op zichzelf beschouwd voor een minder progressief en juist meer proportionele inkomstenbelasting. Wanneer echter het totaal aan maatregelen in ogenschouw wordt genomen dan zorgt het kabinet juist voor een lagere inkomensongelijkheid. Volgens het CPB komt door de maatregelen van het kabinet de Gini-coëfficiënt 2,7% lager te liggen ten opzichte van het basispad.

De leden van de fractie van de SP vragen wat de keuze rechtvaardigt om de lastenverlichting op arbeid niet te bekostigen uit kapitaal, maar uit consumptie. Het kabinet kiest voor een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op consumptie omdat hierdoor het stelsel als geheel minder verstorend wordt. Er zijn verschillende belastingen op vermogen en op inkomsten uit vermogen zowel bij burgers als bij bedrijven. Het kabinet heeft inderdaad niet de keuze gemaakt om deze te verhogen om met de opbrengst daarvan de lasten op arbeid te verlagen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet in het kader van de marginale druk het verstandig acht om de inkomensafhankelijke heffingskortingen steeds verder te verhogen en of de inkomenseffecten voor lage inkomens niet beter kunnen worden gedempt via de sociale zekerheid en het stelsel van toeslagen. Het doel van inkomensafhankelijke heffingskortingen en het verlagen van tariefschijven is om de marginale druk op bepaalde inkomenstrajecten te verlagen. Hiermee wordt (meer) werken lonender, wat arbeidsparticipatie stimuleert. Hoewel het afbouwen van heffingskortingen de marginale druk verhoogt, draagt dit bij aan de betaalbaarheid. Het doel van inkomensondersteuning via bijvoorbeeld toeslagen is om de laagste inkomensgroepen gericht financieel te ondersteunen. Het kabinet streeft zowel naar een evenwichtige inkomensverdeling als naar het bevorderen van arbeidsparticipatie en kent hiervoor verschillende instrumenten. Er zal altijd een balans gezocht moeten worden tussen deze doelen. Dit geldt bijvoorbeeld bij de (verdere) verhoging van de algemene heffingskorting. Deze maatregel verhoogt voor bepaalde inkomens inderdaad licht de marginale druk, maar heeft als doel de koopkracht van lage inkomens te stimuleren. Het kabinet is van mening dat er een goede balans tussen de verschillende doelen met de voorgestelde maatregelen is gevonden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar een aantal grafieken over de marginale druk:

  • –  voor een werknemer met aftrekposten ter grootte van ? 10.000;
  • –  voor een werknemer die minstverdienende partner is;
  • –  voor een zelfstandige zonder personeel (zzp?er);
  • –  voor een zzp’er die minstverdienende partner is.

Deze grafieken worden weergegeven in de hiernavolgende figuren. Aangezien een significant verschil qua marginale druk (exclusief toeslagen) tussen minst- en meestverdieners ontstaat door de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), is voor de grafieken over minstverdieners aangenomen dat deze persoon een inwonend kind onder 12 jaar heeft. Voor de zzp’er is uitgegaan van een IB-ondernemer die recht heeft op zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling.

Figuur 2: Marginale belasting- en premiedruk voor werknemer met € 10.000 aftrekposten (excl. toeslagen) (2021)
Figuur 3: Marginale belasting- en premiedruk voor minstverdienende partner zonder aftrekposten, met kind onder 12 jaar (excl. toeslagen) (2021)
Figuur 4: Marginale belasting- en premiedruk voor zzp’er (excl. toeslagen) (2021)
Figuur 5: Marginale belasting- en premiedruk voor minstverdienende zzp’er, met kind onder 12 jaar (excl. toeslagen) (2021)
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar een tabel met informatie over de ontwikkeling van de marginale druk inclusief toeslagen. De maatregelen uit het regeerakkoord die van invloed zijn op de marginale druk (inclusief toeslagen) zijn pas in 2021 volledig van kracht, zoals het wegnemen van de harde afbouwgrens in de huurtoeslag. Deze tabellen zijn specifiek voor eenverdieners vorig jaar naar de Eerste Kamer gestuurd voor de jaren 2016, 2018 en 2021.9 Omdat het CPB geen nieuwe raming heeft gemaakt van de koopkracht-inputs voor de jaren na 2019 en in de tussentijd het kabinet wel nieuwe maatregelen heeft genomen tijdens de augustusbesluitvorming, is het helaas op dit moment niet mogelijk om de ontwikkeling van de marginale druk (inclusief toeslagen) van verschillende voorbeeldhuishoudens te tonen.

De leden van de fractie van de SGP vragen naar een update van de gepresenteerde tabellen bij de nota naar aanleiding van het verslag van het Belastingplan 2018. In bijlage II worden de gevraagde tabellen weergegeven. Hierbij is voor de tabellen over marginale druk uitgegaan van een huishouden van niet-AOW’ers die recht hebben op algemene heffingskorting, arbeidskorting en IACK. In deze situatie heeft de meestverdienende partner geen recht op de IACK, de minstverdienende partner wel. Met toeslagen kan in deze tabellen geen rekening worden gehouden. De marginale druk is 0% voor zeer lage inkomens, wat verklaard kan worden doordat bij deze inkomens de kortingen nog niet volledig verzilverd kunnen worden. Hierdoor levert extra inkomen alleen extra verzilvering op, geen extra belastingdruk.

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom de onderdelen G en H van artikel I niet overeenkomen met de memorie van toelichting en waarom ervoor is gekozen de correctiefactor niet rechtstreeks te verwerken in de wettekst. Ook vragen deze leden of de correctiefactor op een later moment aangepast kan worden. De beleidsmatige verhoging van het maximumbedrag van de algemene heffingskorting bedraagt per 2019 € 184 – dit is het bedrag dat is genoemd in artikel I, onderdeel G – en wordt gedurende de kabinetsperiode in totaal verhoogd met € 358, hetgeen is opgenomen in paragraaf 5.6 van de memorie van toelichting. In tabel 4 in de memorie van toelichting wordt rekening gehouden met zowel de beleidsmatige verhoging als de verwachte indexatie. Uit die tabel volgt een totale verwachte verhoging van de algemene heffingskorting met € 488.

Artikel I, onderdeel H, bevat de verhoging voor het jaar 2019 van het maximumbedrag van de arbeidskorting. Dit maximumbedrag wordt verhoogd met € 111. De totale beleidsmatige verhoging van het maximumbedrag van de arbeidskorting in de jaren 2019 tot en met 2021 bedraagt afgerond € 180, zoals genoemd in de memorie van toelichting. Omdat de inflatie over verschillende jaren niet exact te voorspellen is, is de inflatiecorrectie (de correctiefactor) niet opgenomen in het wetsvoorstel. De inflatiecorrectie vindt vervolgens steeds op basis van de feitelijke inflatie plaats door middel van de zogenoemde bijstellingsregeling.

De leden van de fractie van de SGP vragen of de figuren 1 tot en met 5 uit de memorie van toelichting weergegeven kunnen worden voor het jaar 2019. Deze figuren worden hieronder weergegeven.

Figuur 6: Gecombineerd tarief belasting en premie volksverzekeringen (2019)
Figuur 7: Gecombineerd tarief belasting en premie volksverzekeringen AOW-gerechtigden (2019)
Figuur 8: Algemene heffingskorting (2019)
Figuur 9: Arbeidskorting (2019)
Figuur 10: Inkomensafhankelijke combinatiekorting

4.2. Invoeren tweeschijvenstelsel

De leden van de fractie van de VVD vragen of het effect van de vlakkere tariefstructuur voor eenverdieners kan worden geïllustreerd door middel van een voorbeeldberekening. De vlakkere tariefstructuur pakt voor eenverdieners gunstig uit ten opzichte van tweeverdieners. De voorbeelden in tabel 6 zijn voor het jaar 2021 en voor werkenden jonger dan de AOW-leeftijd. De voorbeelden geven alleen de effecten van het tweeschijvenstelsel en dus niet van de andere maatregelen uit het pakket maatregelen in de inkomstenbelasting. Het bevriezen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf is wel meegenomen in de rekenvoorbeelden.

Tabel 6: Effect tweeschijvenstelsel op te betalen belastingen in 2021

Huishoudinkomen

Eenverdiener

Tweeverdiener (50%-50%)

€ 40.000

– € 617

+€ 200

€ 60.000

– € 1.370

– € 470

€ 80.000

– € 1.260

– € 1.230

De leden van de fractie van het CDA vragen met het oog op de voorgestelde aanpassingen van de tariefbepalingen tot en met het belastingjaar 2031 en de aanpassing van overgangsrecht dat effect zal hebben in de belastingjaren 2044 tot en met 2046 hoe deze maatregelen door de wetgever geadministreerd kunnen worden alsmede door de belastingplichtigen en hun adviseurs over deze periode gevolgd kunnen worden. De genoemde leden vragen of er in de toekomst een risico bestaat op het vaststellen van onjuiste tarieven of op het verliezen van data in de loop der jaren en of de fiscale wetgeving consistent genoeg is om wijzigingen die zullen werken tot en met 2046 nu al te regelen. De voorgestelde wijzigingen van de tariefbepalingen tot en met het belastingjaar 2031 vloeien voort uit de politieke besluiten die het kabinet voor deze lange termijn heeft genomen. Daarbij is – juist ten behoeve van de inzichtelijkheid – de keuze gemaakt om de voor de komende jaren geplande wijzigingen nu al in de wet vast te leggen. Inherent aan de gemaakte keuze is dat in het onderhavige wetsvoorstel nu al de tariefbepalingen tot en met 2031 worden gewijzigd.

Het Ministerie van Financiën administreert al deze wijzigingen doorlopend in een database die bijvoorbeeld ook jaarlijks wordt gecontroleerd bij het opstellen van de zogenoemde bijstellingsregeling.10 Deze database wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de wetswijzigingen die in dat jaar door het parlement zijn besloten. Ook zijn de wijzigingen vindbaar op de website van de overheid (www.overheid.nl), ook die voor de lange termijn. Daardoor is het risico op het verlies van data of op het vaststellen van onjuiste tarieven zo veel mogelijk beperkt. Het op de website van de overheid opgenomen overzicht is uiteraard ook toegankelijk voor belastingplichtigen en hun adviseurs.

De zorgen van de leden van de fractie van het CDA over de consistentie van de fiscale wetgeving met het oog op de aanpassingen die gericht zijn op de belastingjaren 2044 tot en met 2046 begrijpt het kabinet. Juist daarom stelt het deze wijziging voor. Het gaat namelijk om een overgangsregeling inzake startersleningen waarvoor in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II was bepaald dat deze per 1 januari 2044 in hoofdstuk 10A van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zal worden opgenomen. Met de voorgestelde aanpassing van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II wordt voorkomen dat de invoeging van een overgangsbepaling in hoofdstuk 10A Wet IB 2001 in de periode tot 2044 telkens ook tot technische wijzigingen van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II moet leiden. De voorgestelde opname van de betreffende overgangsregeling in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II in plaats van in de Wet IB 2001 beperkt, gelet op de looptijd van het betreffende overgangsrecht, juist het risico op het ontstaan van inconsistenties in de fiscale wetgeving.

De leden van de fractie van D66 vragen of de prikkel tot arbeidsparticipatie duidelijk genoeg is in het nieuwe systeem. Het kabinet verlaagt de lasten op arbeid door onder meer de invoering van een tweeschijvenstelsel en een verhoging van de algemene heffingskorting en arbeidskorting. Hierdoor wordt het lonender om (meer) te werken, vooral voor werkenden met een middeninkomen. Daarnaast verlaagt het kabinet gericht extremen in de marginale druk tussen het minimumloon en modaal via onder andere de arbeidskorting, het minder snel afbouwen van de huurtoeslag en het laten afbouwen vanaf een hoger inkomen van het kindgebonden budget voor paren. Het kabinet is van mening dat met de aangekondigde maatregelen de prikkel tot arbeidsparticipatie wordt verhoogd.

De leden van de fractie van D66, de SP en de ChristenUnie vragen of het voor mensen inzichtelijk is wat hun marginale of totale belastingdruk is en wat zij overhouden van een dag meer werken. Het kabinet erkent dat voor mensen die recht hebben op verschillende toeslagen, heffingskortingen of tegemoetkomingen het ingewikkeld kan zijn in te schatten hoeveel zij erop vooruit gaan wanneer zij meer gaan werken. De marginale druk is bovendien erg afhankelijk van de specifieke huishoudsituatie, zoals of je huurder of koper bent of dat je wel of geen kinderen hebt. In de figuren 7 en 8 van de memorie van toelichting is de marginale belastingdruk exclusief aftrekposten en toeslagen weergeven. Het Ministerie van SZW presenteert daarnaast jaarlijks in zijn begroting de werkloosheidsval, doorgroeival, armoedeval en deeltijdval.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de optimale hoogte van het toptarief is en hoe die optimale hoogte zich verhoudt tot het draagkrachtprincipe waar de Afdeling advisering van de Raad van State over schrijft. Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State is het draagkrachtbeginsel onder druk komen te staan, door bijvoorbeeld het inkomensafhankelijk maken van de arbeidskorting. Op zichzelf beschouwd zorgt de verlaging van het toptarief ervoor dat het stelsel minder progressief wordt. Het effect van maatregelen op de progressiviteit van het belastingstelsel moet echter in samenhang worden bezien. Het CPB heeft berekend dat per saldo de maatregelen van dit kabinet zorgen voor een daling van de inkomensongelijkheid. Bovendien komt door de verlaging van het toptarief naar 49,5% dit tarief dichterbij het volgens het CPB opbrengstmaximaliserende toptarief van 49% te liggen.

De leden van de fractie van D66 vragen welk tarief in het nieuwe stelsel van toepassing zal zijn voor bijzondere beloningen en bijvoorbeeld de vakantiebijslag. De verwachte tabel bijzondere beloningen voor binnenlandse belastingplichtigen onder de AOW-leeftijd met inkomen uit tegenwoordige arbeid wordt weergegeven in tabel 7. Deze tabel wordt pas definitief vastgesteld na de behandeling van het Belastingplan 2019.

Tabel 7: Witte tabel bijzondere beloningen 2019 voor binnenlandse belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd

Jaarloon

Zonder loonheffingskorting

Met loonheffingskorting

Standaardtarief

Verrekeningspercentage loonheffingskorting

– 

36,65%

0,00%

0,00%

7.099

36,65%

36,65%

– 1,75%

10.470

36,65%

36,65%

– 28,71%

19.390

36,65%

36,65%

0,00%

20.385

38,10%

38,10%

5,15%

34.061

38,10%

38,10%

11,15%

68.508

51,75%

51,75%

6,00%

97.967

51,75%

51,75%

0,00%

De leden van de fracties van de PVV, de PvdA, 50PLUS, GroenLinks en de PvdD vragen waarom het kabinet een tweeschijvenstelsel met aanvullende inkomensafhankelijke regelingen een vlaktaks noemt en wat hier precies sociaal aan is. Het is waar dat er geen sprake is van een «zuivere» vlaktaks. Zo is er voor de hoge inkomens een toptarief en zijn heffingskortingen inkomensafhankelijk. Het is ook maar de vraag of een «zuivere» vlaktaks wenselijk is, aangezien dat niet goed samengaat met een progressief belastingstelsel en het stimuleren van arbeidsparticipatie. Het tweeschijvenstelsel11 is wel een stap richting een «sociale» vlaktaks. Hierdoor nemen de besteedbare inkomens van iedereen in de huidige tweede, derde en vierde schijf toe. Ook wordt in het huidige belastingstelsel minder van belang of inkomen in een huishouden met één of twee personen wordt verdiend.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel iemand die € 10.000, € 100.000 of € 1.000.000 verdient, profiteert van de invoering van het tweeschijvenstelsel. Deze leden vragen ook of het klopt dat hogere inkomens meer profiteren van de invoering van het tweeschijvenstelsel.

Tabel 8 geeft het effect van de invoering van het tweeschijvenstelsel op de verschuldigde belasting voor de verschillende inkomens, zonder rekening te houden met de verschillende heffingskortingen. De laatste kolom geeft het effect waarbij wel rekening is gehouden met heffingskortingen. Het kabinet gaat hierbij uit van een alleenstaande werkende, in 2021 jonger dan de AOW-leeftijd.

Tabel 8: Mutatie totale belastingen door tweeschijvenstelsel (2021)

Inkomen

Mutatie belasting en premie volksverzekeringen

Mutatie totaal verschuldigde belasting

€ 10.000

+ € 50

– € 308

€ 100.000

– € 1.725

– € 747

€ 1.000.000

– € 22.425

– € 22.425

Het klopt dus dat hogere inkomens (in euro’s uitgedrukt) meer profiteren van het invoeren van het tweeschijvenstelsel. Andere maatregelen in het Belastingplan 2019 zijn meer gericht op lage- en middeninkomens, zoals de aanpassing van de arbeidskorting en de verhoging van de algemene heffingskorting. Uiteindelijk gaat het om het effect van het totale pakket aan maatregelen.

De leden van de fractie van DENK en de PvdA hebben gevraagd of er in 2019 sprake is van een lastenverzwaring van € 800 miljoen, zoals het CPB stelt in de MEV2019, of juist sprake is van een lastenverlichting. Het kabinet boekt in het inkomstenkader de beleidsmatige lastenontwikkeling. Hierover rapporteert het kabinet onder andere in bijlage 3 («het Inkomstenkader») van de Miljoenennota. De maatregelen van het kabinet zorgen volgens deze definitie in 2019 voor een lastenverlichting voor burgers van circa € 2 miljard. Maatregelen van vorige kabinetten en stijgende zorgpremies zorgen echter voor een lastenverzwaring in het basispad. Per saldo is daarom sprake van een lichte lastenverzwaring voor burgers van € 100 miljoen in 2019.

De beleidsmatige lastenontwikkeling voor burgers neemt volgens de MEV2019 van het CPB in 2019 met € 800 miljoen toe. Het CPB hanteert hierbij een andere definitie en methodiek dan de lastenontwikkeling van het kabinet en licht deze verschillen in een recente studie toe.12 Zo komen anticipatie-effecten van beleid wel tot uitdrukking in de lastenontwikkeling van het CPB, maar niet in het inkomstenkader. Een ander verschil is dat maatregelen ten aanzien van de zorgtoeslag wel meetellen in het inkomstenkader van het kabinet, maar niet in de lastenontwikkeling van het CPB.

Overigens zijn in de beleidsmatige lastenontwikkeling van de MEV2019 door het CPB nieuwe maatregelen sinds Prinsjesdag (de aanpassingen naar aanleiding van heroverweging van het pakket bronbelasting) niet meegenomen.

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat boven de AOW-leeftijd in feite sprake is van een drieschijvenstelsel en vragen wat de inkomensgrenzen boven de AOW-leeftijd zullen zijn. In diezelfde lijn vragen de leden van de fractie van de VVD wat er gebeurt met de schijven en tarieven voor ouderen. Tot slot vragen de leden van de fractie van de PvdA hoe de verschillen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen en gepensioneerden en niet-gepensioneerden zich verhouden tot de vlaktaks. Er is inderdaad sprake van een verschil in tarief tussen AOW-gerechtigden en belastingplichtigen die nog wel AOW-premie zijn verschuldigd. AOW-gerechtigden kennen een lagere gecombineerde belasting- en premiedruk omdat zij – in tegenstelling tot de meeste belastingplichtigen, die nog niet de AOW-leeftijd hebben bereikt – geen AOW-premie zijn verschuldigd. Voor belastingplichtigen die niet voor alle volksverzekeringen verzekerd zijn, zoals AOW-gerechtigden en bepaalde buitenlands belastingplichtigen, geldt daarom tot een bepaald inkomen een lager tarief dan 37,05%. Voor een AOW-gerechtigde zoals hiervoor bedoeld, luidt de voorgestelde tarieftabel als volgt:

Tabel 9: Schijfgrenzen en tarieven voor AOW-gerechtigden geboren op of na voor 1 januari 1946

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting en premie volksverzekeringen het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

– 

€ 35.286

– 

19,15%

€ 36.153

€ 68.507

€ 6.757

37,05%

€ 68.507

– 

€ 19.065

49,50%

Tabel 10: Schijfgrenzen en tarieven voor AOW-gerechtigden geboren voor 1 januari 1946

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting en premie volksverzekeringen het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat.

I

II

III

IV

– 

€ 36.153

– 

19,15%

€ 36.153

€ 68.507

€ 6.923

37,05%

€ 68.507

– 

€ 18.910

49,50%

De leden van de fractie van de SP vragen in het kader van de invoering van het tweeschijvenstel of het kabinet kan aangeven welke reden er is om mensen met lage inkomens een hoger, en mensen met hoge inkomens een lager belastingtarief te gunnen. Ook vragen deze leden wat het doel is van het verhogen van het basistarief in de augustusbesluitvorming. De invoering van het tweeschijvenstelsel zorgt ervoor dat het besteedbare inkomen van mensen in de huidige tweede, derde en vierde schijf toeneemt. Om ook lage inkomens mee te laten profiteren van de economische groei wordt het maximum van de algemene heffingskorting gedurende de kabinetsperiode geleidelijk met € 358 verhoogd. De verhoging van het tarief van de eerste schijf hangt samen met de lagere raming van de zorgpremies. Conform de begrotingsregels moeten lagere zorgpremies binnen het inkomstenkader worden gecompenseerd met een lastenverzwaring elders. Zo blijft de totale lastenontwikkeling in lijn met wat bij het regeerakkoord werd beoogd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen welk deel van het budgettaire belang van de invoering van het tweeschijvenstelsel terechtkomt bij welke inkomensgroepen. Specifiek vragen deze leden welk deel naar de hoogste 50%, 25%, 10%, 5% en 1% van de inkomens gaat. Vanzelfsprekend komt het voordeel van alleen deze maatregel niet bij de laagste inkomens terecht, aangezien het tarief van de huidige eerste schijf door het tweeschijvenstelsel juist licht stijgt. De mediaan van het totale belastbare inkomen (dus na aftrekposten) bedraagt circa € 23.000. In deze groep zijn alle inkomens meegerekend: ook die van niet-werkende partners, mensen die in deeltijd werken en mensen die een

(AOW-)uitkering ontvangen. Het budgettaire belang van deze maatregel komt volledig terecht bij mensen met een belastbaar inkomen groter dan € 23.000. Het budgettair belang voor de groep met de 25% hoogste belastbare inkomens (meer dan circa € 40.000) komt uit op € 4,8 miljard, voor de hoogste 10% inkomens op € 2,7 miljard, voor de hoogste 5% inkomens op € 1,6 miljard en voor de hoogste 1% inkomens op € 0,5 miljard.

Dit overzicht geeft slechts een partieel beeld. De hoogste inkomens (vanaf € 68.507) ondervinden bijvoorbeeld geen voordeel van de verhoging van de algemene heffingskorting (budgettair belang € 3,2 miljard) en ondervinden juist een nadeel door het bevriezen van het beginpunt van het toptarief (€ 1,4 miljard), door de tariefmaatregel grondslagverminderende posten (€ 0,6 miljard) en de steilere afbouw van de arbeidskorting (€ 1,6 miljard). Per saldo stijgt voor alle groepen de koopkracht. Het kabinet is van mening dat met het pakket aan maatregelen een evenwichtig koopkrachtbeeld wordt bereikt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat het zou opleveren als voor het nieuwe toptarief hetzelfde percentage zou gelden als voor het huidige toptarief. Het kabinet gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de situatie in 2021. In 2021 gaat het toptarief naar 49,5%. Het huidige toptarief is 51,95%. Het invoeren van een toptarief van 51,95% in 2021 levert circa € 610 miljoen op.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat de combinatie van het niet invoeren van het tweeschijvenstelsel en het niet verhogen van de btw gezamenlijk een nivellerend effect heeft. Dit is voor deze twee specifieke maatregelen inderdaad het geval. Zoals gebruikelijk in een pakket van maatregelen, zitten ook in dit Belastingplan maatregelen die op zichzelf beschouwd een denivellerend effect hebben. Het kabinet heeft echter oog voor de ongelijkheid en heeft in de samenstelling van het regeerakkoord ervoor gezorgd dat onderaan de streep de ongelijkheid afneemt.

4.3. Bevriezen en in de toekomst minder verhogen van beginpunt van de hoogste tariefschijf

De leden van de fracties van het CDA, de SGP en DENK vragen hoeveel procent van de belastingplichtigen nu en in 2021 in de hoogste tariefschijf valt. In 2018 valt 5,5% van de belastingplichtigen onder het hoogste tarief, in 2021 loopt dit naar verwachting op tot 7%.

De leden van de fractie van D66 vragen wat een andere ontwikkeling van de indexatie van het schijvenstelsel zou kunnen betekenen voor de opbrengsten van het bevriezen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf. Deze leden vragen ook wat de mogelijke afwijking van de geraamde opbrengst van € 1,4 miljard zou zijn als de inflatie anders uitpakt dan nu geraamd. Zonder het bevriezen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf zou het eindpunt van de derde schijf jaarlijks geïndexeerd worden met de tabelcorrectiefactor. Voor de raming van de opbrengst van de maatregel gaat het kabinet uit van de door het CPB geraamde tabelcorrectiefactor. De raming van het regeerakkoord is geactualiseerd voor het Belastingplan 2019, zodat een zo actueel mogelijk beeld ontstaat. Mocht de tabelcorrectiefactor hoger uitvallen dan nu geraamd, dan zal de daadwerkelijke opbrengst van de maatregel hoger uitvallen. Als de tabelcorrectiefactor lager uitvalt dan de huidige raming, dan is de opbrengst van de maatregel lager.

Indien die opbrengst hoger of lager uitvalt is dit overigens niet inkomstenkaderrelevant omdat het niet een beleidsmatige aanpassing betreft. De eventueel hoger of lager dan geraamde opbrengst komt in dat geval conform de begrotingsregels ten gunste, onderscheidenlijk ten laste van het saldo.

De leden van de fracties van GroenLinks en de SP vragen wat het op zou leveren als het beginpunt van de hoogste tariefschijf ook structureel wordt bevroren. Bij het beantwoorden van deze vraag gaat het kabinet ervan uit dat de voorgenomen beleidsmatige verhogingen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf na 2021 volledig worden teruggedraaid. In het Belastingplan 2019 draait het kabinet € 2.813 van deze verhogingen terug. Dit levert structureel € 668 miljoen op. Als de resterende beleidsmatige verhoging van in totaal € 5.981 ook teruggedraaid wordt, dan levert dit circa € 1,63 miljard extra op.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel belastingvoordeel personen met een inkomen van € 100.000, € 250.000 en € 500.000 hebben door het verhogen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf. Het kabinet bevriest het beginpunt van de hoogste tariefschijf. Daarmee gaat dit punt omlaag ten opzichte van het basispad zonder maatregelen. Personen met genoemde inkomens gaan meer belasting betalen als gevolg van deze maatregel, omdat een groter gedeelte van hun inkomen tegen het toptarief belast wordt.

De leden van de fractie van de SP vragen hoeveel belastingvoordeel personen met een inkomen van € 100.000, € 250.000 en € 500.000 hebben door het verlagen van de hoogste tariefschijf. Deze leden vragen ook aan te geven wat de inkomenseffecten in absolute bedragen zijn van alle maatregelen in box 1 voor een aantal inkomensgroepen. Voor het beantwoorden van deze vragen gaat het kabinet uit van een eenverdienende werknemer, onder de AOW-leeftijd en zonder aftrekposten. Tabel 11 geeft de effecten van het tweeschijvenstelsel, inclusief het bevriezen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf en het totale effect van alle maatregelen in box 1. Het effect is berekend voor 2021, omdat dan alle maatregelen zijn ingegroeid.

Tabel 11: mutatie totale belastingen door tweeschijvenstelsel en door pakket IB-maatregelen (2021)

Inkomen

Mutatie door tweeschijvenstelsel

Mutatie door pakket IB-maatregelen

€ 10.000

+€ 50

– € 308

€ 30.000

– € 237

– € 864

€ 50.000

– € 997

– € 1.200

€ 70.000

– € 1.571

– € 1.120

€ 90.000

– € 1.495

– € 757

€ 100.000

– € 1.725

– € 747

€ 250.000

– € 5.175

– € 5.175

€ 500.000

– € 10.925

– € 10.925

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat het effect is op het houdbaarheidssaldo als de hoogste tariefschijf ook structureel wordt bevroren. De omvang van dit effect is niet beschikbaar. In zijn houdbaarheidsstudies berekent het CPB een houdbaarheidssaldo dat afhankelijk is van de totale inkomsten en uitgaven van de overheid op lange termijn. Dit is moeilijk terug te rekenen naar één maatregel. Het (theoretische) effect van een maatregel hangt namelijk af van het budgettaire effect op de korte en lange termijn, maar ook van andere macro-economische effecten, zoals het effect op de structurele werkgelegenheid.

De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het bevriezen en in de toekomst minder verhogen van het beginpunt van de hoogste tariefschijf zich verhoudt tot het idee van een sociale vlaktaks. Het kabinet zet een stap richting een «sociale vlaktaks» door de hoogte van de belastingtarieven. De maatregel waarbij het beginpunt van de hoogste tariefschijf wordt gewijzigd grijpt aan op de lengte van de belastingschijven. Het belastbare inkomen valt hierdoor iets eerder in het hoge tarief, maar dit doet niets af aan het principe dat er een stap wordt gezet richting een «sociale vlaktaks».

De leden van de fractie van de SGP vragen wat de marginale belastingdruk is bij een inkomen van € 70.000 en of het klopt dat de marginale belastingdruk voor inkomens boven de € 120.000 lager is dan voornoemde groep.

De marginale belastingdruk bij een inkomen van € 70.000 is in 2021 55,5% (toptarief van 49,5% + afbouw arbeidskorting van 6%). De marginale druk bij een inkomen van € 120.000 is in 2021 gelijk aan het toptarief van 49,5%. Het klopt dus dat de marginale druk lager is bij inkomens van € 120.000, omdat zij geen arbeidskorting meer ontvangen. De gemiddelde druk is wel hoger bij een inkomen van € 120.000. Dit voorbeeld laat zien dat een hogere marginale druk heel goed samengaat met een lagere totale belastingdruk als gevolg van tegemoetkomingen.

4.4. Tariefmaatregel grondslagverminderende posten

De leden van de fractie van D66 vragen of de afbouw van het tarief waartegen een aantal grondslagverminderende posten in aanmerking worden genomen ook gevolgen heeft voor de mogelijke aanspraak op toeslagen, wat het te verwachten budgettaire effect hiervan is en wat het netto-effect op het beperken van de aftrekmogelijkheden is. De maatregel die de aftrek van een aantal grondslagverminderende posten stapsgewijs beperkt tot uiteindelijk het tarief van de basisschijf is een tariefmaatregel en geen grondslagmaatregel. De aftrekposten komen nog steeds voor het volledige bedrag in aftrek voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Het toetsingsinkomen voor mogelijke aanspraken op toeslagen wijzigt derhalve niet als gevolg van de maatregel. Er zijn daarom ook geen budgettaire effecten of netto-effecten op het gebied van de toeslagen.

De leden van de fractie van D66 vragen of aftrekposten minder verzilverd kunnen worden als zij slechts tegen het laagste tarief afgetrokken mogen worden. Dit is niet het geval. De maatregel die het aftrektarief beperkt treft alleen belastingplichtigen met een belastbaar inkomen uit werk en woning dat zonder de betreffende aftrekposten hoger is of zou zijn dan € 68.507. Bij een dergelijk inkomen is het niet volledig verzilveren van aftrekposten vrijwel alleen aan de orde indien sprake is van een zeer hoog totaalbedrag aan aftrekposten. Verder wordt de mogelijkheid om aftrekposten te verzilveren als gevolg van de tariefmaatregel grondslagverminderende posten niet kleiner maar juist groter. De verschuldigde belasting wordt als gevolg van de maatregel hoger en daardoor is er minder snel sprake van het niet kunnen verzilveren van aftrekposten.

De leden van de fractie van D66 vragen of de bruto-netto-trajecten van werknemers en zzp’ers geüpdatet zouden kunnen worden aan de hand van de voorbeelden uit het IBO ZZP. In tabellen in bijlage I is op verzoek van de leden van de fractie van D66 een bijgewerkte versie van de bruto-netto-trajecten van werknemers, IB-ondernemers en dga’s opgenomen voor de jaren 2018, 2019 en 2020. Genoemde leden vragen ook naar de betekenis van de wijzigingen in 2019 en 2020 voor deze trajecten. In 2020 zijn nog niet alle maatregelen uit dit Belastingplan volledig in werking. Wel zijn de gevolgen van de introductie van het tweeschijventarief en de eerste stap van de beperking van het aftrektarief voor grondslagverminderende posten in 2020 merkbaar. Behalve de wijzigingen in het belastingstelsel zijn ook verwachte wijzigingen in de hoogte van het minimumloon en het loonniveau van de modale werknemer in de tabellen verwerkt. In de memorie van toelichting is aangegeven dat door de maatregelen in het pakket Belastingplan 2019 het verschil in gemiddelde belasting- en premiedruk tussen de werknemer, de dga en de IB-ondernemer kleiner wordt.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe groot het budgettaire belang zal zijn van de aftrekbare kosten eigen woning van 2019 tot en met 2023. Tevens vragen zij hoeveel dit zou zijn geweest zonder versnelde afbouw van het aftrektarief van de aftrekbare kosten eigen woning. Daarnaast wordt dit ook gevraagd voor de overdrachtsbelasting, het eigenwoningforfait (EWF), de zogenoemde regeling Hillen13 en de schenkingsvrijstelling eigen woning. In de bijlage bij de Miljoenennota 2019 is het volgende budgettaire belang in 2019 voor deze fiscale regelingen geraamd, zoals getoond in tabel 12.
Tabel 12: Ramingen fiscale regelingen, Miljoenennota 2019

Fiscale regeling

Budgettair belang 2019,

€ x miljoen

Aftrekbare kosten eigen woning

9.806

EWF

– 3.366

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (regeling Hillen)

626

Schenkbelasting eenmalige vrijstelling eigen woning

190

Overdrachtsbelasting

1.845

De fiscale regelingen zullen vervolgens in 2020–2023 muteren met onder meer de woningprijsontwikkeling, het aantal transacties, de renteontwikkelingen, (extra) aflossingen en schenkingen. De beleidsmaatregelen op het gebied van de hypotheekrenteaftrek, het EWF en de regeling Hillen zijn voor 2020–2023 geraamd op de volgende bedragen, zoals getoond in onderstaande tabel 13. Het budgettaire belang zou zonder die maatregelen dus met dat bedrag naar verwachting lager dan wel hoger zijn uitgevallen. De overdrachtsbelasting en de voor de schenkbelasting geldende eenmalige vrijstelling eigen woning worden overigens niet door het Belastingplan 2019 gewijzigd.

Tabel 13: Ramingen budgettaire effecten maatregelen kabinet (-=saldoverbeterend, € x mln)

Fiscale regeling

2019

2020

2021

2022

2023

Versnelde afbouw tarief aftrekbare kosten eigen woning

0

– 166

– 323

– 476

– 631

Verlaging EWF

0

204

432

440

663

Uitfasering Hillen

– 24

– 52

– 76

– 103

– 131

De leden van de fracties van de VVD en de SGP vragen of het kabinet een uitsplitsing kan geven van de budgettaire opbrengst van de tariefmaatregel grondslagverminderende posten. Daarbij vragen deze leden wat de verklaring is voor de daling van de structurele opbrengst na 2021. De leden van de fractie van de SGP vragen daarnaast nog een verdere uitsplitsing voor de posten die vallen onder de persoonsgebonden aftrek. Tabel 14 geeft een opsplitsing van de budgettaire opbrengst van de tariefmaatregel grondslagverminderende posten in 2021 en structureel. Aangezien de uitkomst van de opsplitsing afhangt van de volgorde waarin aftrekposten toegepast worden, is ervoor gekozen om het budgettaire belang van de verschillende aftrekposten pro rata toe te rekenen.

Tabel 14: Opsplitsing budgettaire opbrengst tariefmaatregel (in miljoenen)

Onderdeel

2021

Structureel

Aftrekbare kosten eigen woning

53%

9%

Aftrekposten ondernemers

38%

80%

Persoonsgebonden aftrekposten

9%

11%

Totaal

€ 685

€ 588

Van de overige aftrekposten, met een budgettair belang van ongeveer € 60 miljoen in 2021, bestaat circa 64% uit onderhoudsverplichtingen en circa 33% uit giften. De resterende 3% betreft overige persoonsgebonden aftrekposten. Vanwege de (voorgenomen) afschaffing van de aftrek monumenten en de aftrek scholingsuitgaven, zijn deze geen onderdeel van het budgettaire beslag.

De structurele opbrengst van de tariefmaatregel grondslagverminderende posten is lager dan de opbrengst in 2021. Dit heeft vooral te maken met de aftrekbare kosten eigen woning. In het basispad was al voorzien dat deze kosten nog maximaal aftrekbaar zouden zijn tegen een tarief van 37,65%.

De leden van de fractie van de SGP vragen welk deel van de giftenaftrek in 2017 in de vierde schijf viel en wat de verwachte gedragseffecten van de tariefmaatregel zullen zijn voor het geven van giften. In 2016, het meest recente jaar waarover voldoende aangiftegegevens beschikbaar zijn, viel ruim 18% van de giftenaftrek (€ 173 miljoen) in de vierde schijf (die in dat jaar een tarief van 52% kent). Uit de evaluatie van de giftenaftrek blijkt dat de giftenaftrek voor circa 50% van de gevers er niet toe leidt dat zij meer gaan schenken.14Verder wordt in de evaluatie aangegeven dat de elasticiteit circa 40% bedraagt. Dit betekent dat indien er bij een aftrektarief van 49,5% (hoge tarief in 2023) € 1.000 zou worden gegeven, dit bedrag zou dalen met € 50 bij een aftrektarief van 37,05% (verwachte basistarief in 2023). De verwachting is derhalve dat het in aanmerking nemen van de giftenaftrek tegen het basistarief een beperkte invloed zal hebben op de omvang van giften. Bovendien is er ook nog sprake van een inkomenseffect: als gevolg van de maatregelen uit het Belastingplan 2019 stijgt het netto-inkomen per saldo, waardoor belastingplichtigen in potentie meer giften kunnen doen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de omvang van de groep die zijn aftrekposten niet volledig kan verzilveren. Het aantal belastingplichtigen dat in 2016 hun persoonsgebonden aftrekposten niet of slechts gedeeltelijk kon verzilveren, bedroeg ongeveer 350.000.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om enkele voorbeelden waarbij inkomensgevolgen bij samenloop van de beperking van het aftrektarief voor grondslagverminderende posten worden getoond. Specifiek vragen deze leden naar een voorbeeldberekening van de effecten van het beperken van het aftrektarief voor een zelfstandig ondernemer met een eigen woning, een alimentatieplicht en met inkomsten uit ter beschikking stelling. De inkomenseffecten van deze maatregel kunnen niet eenduidig getoond worden, omdat zij zeer afhankelijk zijn van de aftrekposten die iemand heeft, de hoogte ervan, de hoogte van het inkomen en het jaar waarvoor de inkomenseffecten berekend worden. De beperking van het aftrektarief raakt alleen mensen met een inkomen dat (vóór aftrekposten) hoger is dan het beginpunt van de hoogste tariefschijf (meer dan € 68.507 in de kabinetsperiode). Deze belastingplichtigen ondervinden nadeel door deze maatregel, maar profiteren het meest van de invoering van het tweeschijvenstelsel en van de verlaging van het toptarief naar 49,5%.

Het inkomenseffect kan berekend worden door het totaal aan aftrekposten dat door deze maatregel getroffen wordt, voor zover dit in de hoogste schijf valt, te vermenigvuldigen met het verschil tussen het in dat jaar van toepassing zijnde toptarief en het maximale aftrektarief. In 2021 bedraagt dit verschil 6,5% en dit loopt op tot 12,45% in 2023.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het niet handiger was geweest om het aftrekpercentage meer geleidelijk af te bouwen in zowel 2019 als 2020, in plaats van een grotere stap in 2020. De beperking van het aftrekpercentage vergt een systeemaanpassing voor de inkomstenbelasting die de Belastingdienst onder meer moet verwerken in de voorlopige aanslagregeling. Het is daarom niet mogelijk het aftrekpercentage al per 2019 te verlagen.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een bevestiging dat de tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten niet geldt voor lijfrenten en of er dus een onderscheid wordt gemaakt in aftrekposten die wel en niet onder de tariefmaatregel vallen. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar het onderscheid tussen persoonsgebonden aftrekposten zoals alimentatieverplichtingen en giften en aftrekbare uitgaven voor lijfrenten en reserveringen voor de fiscale oudedagsreserve (FOR). De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar een eventuele uitbreiding van het toepassingsbereik van de tariefmaatregel. Het klopt dat de voorgestelde tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten niet ziet op uitgaven voor inkomensvoorzieningen zoals lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en de reservering voor de opbouw van een FOR. Vanaf 2020 gaat de tariefmaatregel die nu al geldt voor de aftrekbare kosten eigen woning ook gelden voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de terbeschikkingstellingsvrijstelling en de persoonsgebonden aftrekposten. Het invoeren van een tariefmaatregel voor de hiervoor genoemde posten is een van de maatregelen waarmee de voorgestelde verlagingen van de belasting op inkomen mogelijk worden gemaakt. Het kabinet heeft niet het voornemen om het toepassingsbereik van de tariefmaatregel naar andere posten uit te breiden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of er een bepaalde volgorde geldt bij het in aanmerking nemen van aftrekposten bij toepassing van de tariefmaatregel en vragen hoe de uitwerking is bij het voorbeeld van een belastingplichtige met een inkomen van € 80.000, € 10.000 aftrek van lijfrentepremies en een persoonsgebonden aftrek (pga) van eveneens € 10.000. De tariefmaatregel is alleen van toepassing op belastingplichtigen die als geen rekening zou worden gehouden met de posten die onder de tariefmaatregel vallen een belastbaar inkomen uit werk en woning hebben of zouden hebben dat wordt belast in de hoogste schijf (in 2020 een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan € 68.507). De belastingplichtige in het voorbeeld heeft een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.000. Zonder rekening te houden met de pga is het belastbaar inkomen uit werk en woning € 70.000. Omdat dit hoger is dan de genoemde € 68.507 is de tariefmaatregel van toepassing. Op een bedrag van € 70.000 – € 68.507 = € 1.493 wordt de tariefmaatregel toegepast.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom in een tweeschijvenstelsel aftrekposten in aftrek worden gebracht tegen het laagste van de twee tarieven terwijl de inkomsten worden belast tegen het lagere en het hogere tarief. Daarnaast vragen deze leden of dit als een principiële inbreuk op het draagkrachtbeginsel dat uitgaat van het inkomen als een «saldo begrip» wordt erkend en wat de onderbouwing hiervoor is. Het Belastingplan 2019 bevat een pakket maatregelen in box 1 van de inkomstenbelasting dat per saldo bijdraagt aan de verbetering van de koopkracht voor alle groepen en het lonender maakt om (meer) te werken, vooral voor werkenden met een middeninkomen. Het invoeren van een tariefmaatregel voor een aantal grondslagverminderende posten is een van de maatregelen waarmee verlagingen van de belasting op inkomen mogelijk worden gemaakt. De tariefmaatregel is dus geen gevolg van de keuze om over te stappen op een sociale vlaktaks met twee schijven, maar de budgettaire opbrengst van de maatregel maakt een tweeschijvenstelsel met een lager maximumtarief wel mogelijk.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel het EWF jaarlijks oplevert. Deze leden vragen verder hoeveel huishoudens hier daadwerkelijk aan bijdragen zonder het te kunnen verrekenen en of de omstandigheden van deze huishoudens nader kunnen worden gespecificeerd. In bijlage 9 bij de Miljoenennota 2019 is voor het EWF in 2019 een opbrengst geraamd van € 3,4 miljard. Voor 2018 bedroeg de geraamde opbrengst € 3,3 miljard. Het totaal aantal huishoudens dat in 2016 bijdroeg aan het EWF (laatst beschikbare jaar van aangiftegegevens) was in totaal 4,4 miljoen. Er waren echter in 2016 circa 1 miljoen gebruikers van de regeling Hillen met geen of een geringe eigenwoningschuld. Deze groep draagt voor het deel van het EWF dat wegvalt tegen de aftrek Hillen, per saldo niet bij aan de opbrengst van het EWF. De resterende groep betreft in totaal circa 3,4 miljoen huishoudens. Deze groep draagt geheel bij aan de opbrengst van het EWF. Het EWF vermindert immers de aftrekbare kosten eigen woning waardoor deze aftrek voor dat deel per saldo niet tot een belastingteruggave leidt.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet erkent dat de eigenwoningregeling een grote invloed heeft op het besteedbare inkomen van betrokkenen en op de woningmarkt als zodanig. Daarnaast vragen deze leden naar het effect van de bijstellingen van de eigenwoningregeling in de afgelopen jaren op het vertrouwen van belastingbetalers in de overheid. De versnelling van de tariefmaatregel voor de aftrekbare kosten eigen woning maakt deel uit van een breder pakket aan maatregelen, dat onder andere ook een stapsgewijze verlaging van het EWF bevat. Dit pakket bevat voor het grootste deel van de belastingplichtigen, waaronder eigenwoningbezitters, per saldo een lastenverlichting. De versnelling van de tariefmaatregel voor de aftrekbare kosten eigen woning draagt tevens bij aan het verlagen van de schulden van burgers en het verbeteren van de financierbaarheid van de Nederlandse hypotheekportefeuille. Hoewel de versnelling van de tariefmaatregel, ook als rekening wordt gehouden met de terugsluis en de overige lastenverlichtende maatregelen in dit pakket, in individuele gevallen financiële effecten kan hebben waar betrokkenen bij het aangaan van de verplichtingen geen rekening mee hebben gehouden, acht het kabinet het gewenst om in deze kabinetsperiode een forse impuls te geven aan het hiervoor genoemde doel.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoe de versnelde afbouw van het aftrektarief voor de aftrekbare kosten eigen woning, die beoogt om het aflossen van schulden te bevorderen, zich verhoudt tot de uitfasering van de zogenoemde regeling Hillen.15 Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing via de regeling Hillen niet meer noodzakelijk. Door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling. Hierdoor zou het budgettaire belang van de regeling op termijn fors toenemen. Dit is tijdens de behandeling van het voorstel tot het geleidelijk uitfaseren van de regeling Hillen toegelicht.16 Voorgaande neemt niet weg dat het kabinet het nog steeds van belang vindt om de schuldpositie van burgers te verlagen.

De leden van de fractie van D66 vragen of het verschil in de fiscale behandeling van vermogen in box 1 (eigen woning) en box 3 kleiner wordt. Daarbij noemen deze leden het voorbeeld van een woning met een waarde van € 300.000 met een annuïtaire hypotheek en vragen naar het verschil in de te betalen belasting tussen een eigen woning en een tweede woning in zowel het huidige stelsel als over de komende 30 jaar. Door de diverse maatregelen die op het gebied van de eigenwoningregeling zijn genomen, neemt de totale subsidiëring van de eigen woning af waardoor de belastingdruk op woningen in box 1 dichter bij die op woningen in box 3 (waaronder tweede woningen) zal komen. Omdat de belastingdruk zowel in box 1 als in box 3 sterk afhangt van de persoonlijke situatie van belastingplichtigen, is het niet mogelijk om de vraag over het verschil in belastingdruk op een woning met een waarde van € 300.000 eenduidig te beantwoorden. Dit geldt zowel voor het huidige stelsel als voor de komende 30 jaar.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel de versnelde afbouw van het aftrektarief van de hypotheekrente kost voor een gezin met inkomen van twee keer modaal en een hypotheek van € 200.000 of € 300.000 met een rentepercentage van 4 of 5%. De versnelde afbouw van het aftrektarief van de aftrekbare kosten eigen woning heeft voor een gezin met een twee keer modaal inkomen en een hypotheek van € 200.000 of € 300.000 geen effect. Immers, de versnelde afbouw is alleen van invloed op belastingplichtigen met een belastbaar inkomen in het toptarief, en dat is niet het geval voor een gezin waarbij beide partners een modaal inkomen verdienen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat er jaarlijks € 4 miljard fiscaal wordt gestimuleerd aan koopwoningen en of dit bedrag nader kan worden onderbouwd. De structurele budgettaire effecten van de fiscale regelingen in de koopwoningmarkt staan in onderstaande tabel. Het gaat hier om structurele bedragen, dus na de periode van infasering van de maatregelen van het kabinet Rutte III en de kabinetten daarvoor. Het totale structurele effect wordt pas in 2048 bereikt.

Tabel 15: Geschatte structurele budgettaire belang per regeling

Fiscale regeling

(in miljoen euro)

Aftrekbare kosten eigen woning

– 9100

Schenkingsvrijstelling ten behoeve van de eigen woning

– 190

Hillen

0

EWF

3100

Overdrachtsbelasting

1845

   

Netto

– 4,3 miljard

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat dit kabinet het aftrektarief voor hypotheekrente veel sneller afbouwt dan het vorige kabinet. Deze leden vragen welk bedrag is gemoeid met de versnelde afbouw van het aftrektarief en welk bedrag is gemoeid met de verlaging van het EWF. Het kabinet versnelt inderdaad de afbouw van het aftrektarief. De opbrengst van deze maatregel wordt teruggesluisd naar eigenwoningbezitters door het EWF stapsgewijs te verlagen. In tabel 16 is het geraamde budgettaire effect van beide maatregelen opgenomen.

Tabel 16: Ramingen budgettaire effecten maatregelen kabinet –/– =saldoverbeterend, € x mln

Fiscale regeling

2019

2020

2021

2022

2023

Versnelde afbouw tarief HRA

0

– 166

– 323

– 476

– 631

Verlaging EWF

0

204

432

440

663

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet van plan is om met een visie op en einddoel van de fiscale behandeling van de eigen woning te komen. Het kabinet heeft met het regeerakkoord invulling gegeven aan de ambities op het gebied van fiscaliteit waaronder ook de eigenwoningregeling. Dit kabinet heeft toegezegd om in 2019 de fiscale eigenwoningregeling te evalueren, en wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze evaluatie.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het klopt dat het beperken van het aftrektarief puur nivellerende maatregelen zijn en voor individuele betrokkenen tot forse koopkrachtachteruitgang kan leiden juist omdat de opbrengst wordt gebruikt voor een generieke tariefsverlaging. De tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten is alleen van toepassing op belastingplichtigen die als geen rekening zou worden gehouden met de aftrekposten die onder deze maatregel vallen in 2020 een belastbaar inkomen uit werk en woning hebben of zouden hebben van meer dan € 68.507. Het klopt dat de tariefmaatregel op zichzelf beschouwd een nivellerend effect heeft. Wat mensen uiteindelijk merken is het effect van het geheel aan maatregelen. Uit de koopkrachtberekeningen van het CPB, waarin het beperken van het aftrektarief is meegenomen, blijkt dat alle inkomensgroepen er in doorsnee op vooruitgaan. Andere lastenverlichtende maatregelen compenseren gemiddeld ruimschoots de tariefmaatregel.

De leden van de fractie van de SP vragen in hoeverre de totale hypotheekschuld wordt teruggebracht door middel van het versnellen van de afbouw van het aftrektarief voor de aftrekbare kosten eigen woning. Omdat er meerdere maatregelen tegelijk worden genomen op de koopwoningmarkt, en het effect over een lange periode materialiseert, is geen precieze raming beschikbaar van het effect op de hypotheekschuld. In het algemeen wordt bij het aangaan van een hypotheek voor het bepalen van de leencapaciteit rekening gehouden met de fiscale facilitering en wijzigingen daarin. Door het versnellen van de afbouw van het aftrektarief zal het fiscale voordeel van de renteaftrek afnemen. Dit kan in bepaalde gevallen leiden tot minder leencapaciteit en daardoor naar verwachting een verlagend effect hebben op de totale hypotheekschuld.

De leden van de fractie van 50PLUS geven aan het net als de NOB onrechtvaardig te vinden dat ontvangen en betaalde partneralimentatie als gevolg van de tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten niet tegen eenzelfde belastingtarief belast en aftrekbaar zijn en vraagt dit te heroverwegen.

Ook binnen de huidige tariefstructuur vindt de aftrek van partneralimentatie al niet per definitie tegen hetzelfde tarief plaats als het tarief waartegen de alimentatie wordt belast. Het is op dit moment eerder regel dan uitzondering dat de heffing over ontvangen partneralimentatie niet tegen eenzelfde tarief plaatsvindt als de aftrek van betaalde alimentatie. Daarbij vindt de heffing over ontvangen partneralimentatie veelal tegen een lager tarief plaats dan waar de aftrek van betaalde partneralimentatie tegen plaatsvindt. Zo werd in 2016 circa 49% van de aftrek van partneralimentatie verzilverd tegen het hoogste tarief terwijl slechts circa 7% van de ontvangen partneralimentatie werd belast tegen het hoogste tarief. Door de tariefmaatregel zal de heffing over ontvangen partneralimentatie en de aftrek van betaalde partneralimentatie juist vaker tegen hetzelfde tarief plaatsvinden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de beperking van het aftrektarief juridisch houdbaar wordt geacht voor zover het gaat om inkomensoverdrachten zoals bij alimentatieverplichtingen waarbij de alimentatiegerechtigde onder het basistarief valt en de alimentatieplichtige onder het toptarief. Er is geen reden te veronderstellen dat het verschil in tarief voor de aftrek van betaalde partneralimentatie en het tarief voor de heffing over ontvangen partneralimentatie niet juridisch houdbaar zou zijn. De tariefmaatregel voor overige grondslagverminderende posten, waaronder de aftrek van partneralimentatie, heeft als doel om budgettaire opbrengst te realiseren om de verlaging van de belasting op inkomen in box 1 mogelijk te maken. Hierbij is er onder meer voor gekozen om alle persoonsgebonden aftrekposten in de maatregel te betrekken dus ook partneralimentatie. De wetgever heeft een ruime bevoegdheid om dergelijke beleidskeuzes te maken mits deze voldoende zijn onderbouwd. Naar verwachting is de maatregel dan ook juridisch houdbaar. Overigens is het zoals gezegd op dit moment eerder regel dan uitzondering dat de heffing over ontvangen alimentatie tegen een ander tarief plaatsvindt dan de aftrek van betaalde alimentatie.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de tariefmaatregel gevolgen heeft voor de gemiddelde hoogte van alimentatieverplichtingen nu er voor alimentatieplichtigen in de hoogste tariefschijf sprake is van een lagere draagkracht. Verder vragen deze leden of er standaardafspraken gemaakt worden met betrekking tot de alimentatienormen of dat individuele alimentatieplichtigen naar de rechter moeten om herziening te verzoeken. De leden van de fractie van de VVD vragen naar de positie van alimentatieplichtigen die een achteruitgang zien in hun inkomen. Voorts vragen deze leden hoeveel personen door de tariefmaatregel worden geraakt en wie daarbij het meest worden getroffen en hoe zij worden gecompenseerd. De leden van de fractie van de PVV vragen of de invoering van het fiscale tweeschijvenstelsel invloed kan hebben op de hoogte van bestaande alimentatieregelingen en of de versnelde afbouw van het aftrektarief van hypotheekrente leidt tot nieuwe afspraken bij bestaande alimentatieregelingen.

Bij de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige voor vaststelling van te betalen partneralimentatie wordt rekening gehouden met het fiscale voordeel van de aftrekpost voor partneralimentatie. Omdat het fiscale voordeel van de aftrekpost voor alimentatieplichtigen die in de hoogste tariefschijf vallen vermindert, leidt dit inderdaad tot een lagere draagkracht voor de alimentatieplicht. De Expertgroep Alimentatienormen heeft aangegeven hier rekening mee te houden bij het vaststellen van de alimentatienormen die gaan gelden voor de jaren 2020 en later. Voor nieuw vast te stellen alimentatieverplichtingen wordt dus rekening gehouden met deze en andere fiscale wijzigingen. Voor bestaande alimentatieverplichtingen komen geen standaardafspraken. In 2016 ging het om 21.000 van de 80.000 alimentatieplichtigen waarbij de aftrek geheel of gedeeltelijk in de vierde schijf viel. In welke mate men door de tariefmaatregel geraakt wordt en in hoeverre compensatie aan de orde zal zijn, is afhankelijk van het al dan niet aanpassen van de bestaande alimentatieverplichting. Een eventuele aanpassing is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Fiscale wijzigingen kunnen reden zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Hierbij gaat het niet alleen om de tariefmaatregel, maar ook om andere wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de behoefte van de alimentatieplichtige aan het ontvangen van partneralimentatie en de draagkracht van de alimentatiegerechtigde om partneralimentatie te betalen. Wijzigingen zoals de invoering van lagere belastingtarieven alsmede de wijzigingen binnen de heffingskortingen of de eigenwoningregeling kunnen eveneens van invloed zijn. Ook worden bij een heroverweging van een eerder vastgestelde alimentatieverplichting alle aspecten die meewegen bij de vaststelling van de hiervoor benoemde behoefte en draagkracht opnieuw bezien. Dit geldt dus bijvoorbeeld ook voor aspecten als een nieuwe partner voor een of beide ex-echtgenoten, het verliezen of starten van een dienstbetrekking of wijzigingen in inkomen. Ook kunnen dit soort aspecten al los van de fiscaliteit aanleiding zijn om een eerder vastgestelde alimentatieverplichting te heroverwegen. Standaardafspraken passen niet in een dergelijke integrale heroverweging. Partijen kunnen in onderling overleg, via een mediator of advocaat of via de rechter tot herziening overgaan. Het onderhavige wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak heeft geen aanleiding gezien opmerkingen te maken over specifiek dit onderwerp.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het voorkomt dat de alimentatiegerechtigde in de hoogste tariefschijf valt. Deze situatie doet zich zeer beperkt voor. Zo werd in 2016 bij slechts 4% van de alimentatiegerechtigden circa 7% van de ontvangen partneralimentatie belast tegen het hoogste tarief.

De leden van de fractie van D66 vragen of een gewenste uitkomst van de tariefmaatregel voor alimentatieverplichtingen is dat er per saldo belasting verschuldigd kan zijn bij het afkopen van een alimentatieverplichting.

De fiscale behandeling van partneralimentatie bij de alimentatieplichtige is erop gericht rekening te houden met de omstandigheid dat alimentatiebetaling tot draagkrachtvermindering leidt. Bij de alimentatiegerechtigde is sprake van een belaste periodieke uitkering. De tariefmaatregel verandert niets aan de mogelijkheid om bij afkoop van een alimentatieverplichting de aftrek toe te rekenen aan de alimentatiegerechtigde in gevallen waarin de afkoop plaatsvindt in het jaar waarin de ex-partners er nog voor kunnen kiezen om het gehele kalenderjaar als fiscaal partner te worden aangemerkt. De tariefmaatregel kan ook in die situatie echter wel tot gevolg hebben dat meer belasting verschuldigd is dan zonder de tariefmaatregel het geval zou zijn. Dat is echter juist het doel van de tariefmaatregel.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar de gevolgen voor zowel de alimentatieplichtige als de alimentatiegerechtigde door de beperking van het aftrektarief tot 37,05% in 2023. De fiscale gevolgen van de tariefmaatregel op partneralimentatie zijn afhankelijk van de omvang van de aftrek van partneralimentatie en de hoogte van het inkomen. Als het gehele bedrag onder de tariefmaatregel valt gaat het om een bijtelling bij de alimentatieplichtige van extra verschuldigde belasting van (49,5% -37,05% =) 12,45% vanaf 2023. Voor de alimentatiegerechtigde zijn er geen fiscale gevolgen omdat de tariefmaatregel niet van toepassing is op te belasten partneralimentatie. Deze wordt en blijft belast tegen het marginale tarief. Zoals hiervoor al is aangegeven kunnen wijzigingen in de fiscaliteit wel een rol spelen bij de vaststelling van de hoogte van partneralimentatie. Omdat het fiscale voordeel van de aftrek van partneralimentatie lager wordt, kan dit betekenen dat de partneralimentatie op een lager bedrag wordt vastgesteld. In dat geval ondervindt de alimentatiegerechtigde indirect een nadeel van de tariefmaatregel. Daar staat het fiscale voordeel tegenover van het als gevolg van onderhavig wetsvoorstel tegen lagere inkomstenbelastingtarieven belasten van ontvangen partneralimentatie (en eventueel ander inkomen) bij de alimentatiegerechtigde.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen bevestiging dat over een bedrag aan partneralimentatie dubbele afdracht van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (bijdrage Zvw) plaatsvindt en als dat het geval is, of dit in het Belastingplan 2019 wordt gerepareerd. Voor de bijdrage Zvw geldt ingevolge de Zorgverzekeringswet een brede grondslag. Uitgangspunt is dat alle inkomensbestanddelen die als inkomen uit werk bij de inkomstenbelasting in box 1 worden betrokken tot de heffingsgrondslag voor de bijdrage Zvw worden gerekend. Het betreft onder andere loon, pensioen, AOW-uitkeringen, partneralimentatie en lijfrente-uitkeringen. Voor de bepaling van het bijdrage-inkomen wordt geen rekening gehouden met aftrekposten zoals aftrekbare kosten eigen woning, partneralimentatie of lijfrentepremies. In het door de leden van de fractie van 50PLUS aangehaalde voorbeeld dat een gepensioneerde partneralimentatie betaalt aan een gepensioneerde ex-partner leidt de betaling van de partneralimentatie dus niet tot een verlaging van het inkomen waarover de bijdrage Zvw is verschuldigd, maar behoort de partneralimentatie tot het inkomen waarover de bijdrage Zvw is verschuldigd. Deze keuze is destijds door de wetgever welbewust zo gemaakt en hierover is door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (tot wiens verantwoordelijkheid dit onderwerp behoort) verschillende keren met uw Kamer van gedachten gewisseld.17

4.5. Versoberen voorwaartse verliesverrekening box 2

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel belastingplichtigen in box 2 verliezen hebben en welk percentage daarvan na zes jaar deze verliezen nog niet heeft verrekend. De leden van de fractie van D66 vragen in welke mate op dit moment gebruik wordt gemaakt van de maximale periode van negen jaar waarbinnen verliezen uit aanmerkelijk belang voorwaarts kunnen worden verrekend. Uit de beschikbare aangiftegegevens voor de jaren 2012 tot en met 2016 kan worden afgeleid dat gemiddeld jaarlijks ruim 7300 belastingplichtigen een verlies uit aanmerkelijk belang aangeven. Uit deze gegevens kan niet worden afgeleid welk deel daarvan deze verliezen na zes jaar nog niet volledig heeft verrekend dan wel gebruikmaakt van de maximale verliesverrekeningsperiode van negen jaar.

Deze leden vragen voorts of andere landen een vergelijkbare termijn hebben als maximale periode waarin verliezen voorwaarts kunnen worden verrekend. Andere landen hebben geen of een zeer lastig met het Nederlandse regime te vergelijken aanmerkelijkbelangregime. Een vergelijking van andere landen met Nederland is daarom niet mogelijk.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet in te gaan op de gevolgen van de versobering van de voorwaartse verliesverrekening in box 2 en met name op de vraag of er gevolgen zijn voor IB-ondernemers. Volgens de voorgenomen wijziging kunnen verliezen uit aanmerkelijk belang voortaan alleen nog worden verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en de zes volgende kalenderjaren. Deze maatregel heeft uitsluitend gevolgen voor de verrekening van verliezen uit aanmerkelijk belang. De termijnen voor de verliesverrekening in box 1 voor IB-ondernemers blijven ongewijzigd; de maatregel heeft derhalve geen gevolgen voor IB-ondernemers. IB-ondernemers behouden de mogelijkheid om verliezen drie jaar achterwaarts en negen jaar voorwaarts te verrekenen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de rekeningcourantschulden van meer dan € 500.000 belast worden ingeval er verrekenbare verliezen zijn van meer dan zes jaar geleden. Ook willen zij weten hoe de rekeningcourantschulden van meer dan € 500.000 worden belast ingeval er verrekenbare verliezen zijn van minder dan zes jaar geleden. De in dit Belastingplan voorgestelde beperking van de termijn voor verliesverrekening in box 2 van negen naar zes jaar zal na aanname door het parlement met ingang van 1 januari 2019 in werking treden. Verliezen uit aanmerkelijk belang die ontstaan in 2019 of latere jaren mogen alleen nog met de inkomens uit aanmerkelijk belang van de zes daaropvolgende jaren verrekend worden. Voor verliezen uit aanmerkelijk belang die zijn ontstaan in 2018 of eerdere jaren blijft gelden dat deze verrekenbaar zijn met de inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande jaar en de negen volgende kalenderjaren. In beginsel bestaat hierdoor de mogelijkheid dat een «jonger» verlies (geleden in 2019 of 2020) eerder verdampt dan een «ouder» verlies (geleden in 2017 of 2018). Om dit effect weg te nemen, wordt tevens overgangsrecht voorgesteld. Dit overgangsrecht regelt dat:

  • –  het verlies geleden in 2019 wordt verrekend vóór verliezen geleden in 2017 en 2018;
  • –  het verlies geleden in 2020 wordt verrekend vóór een verlies geleden in 2018.

De op Prinsjesdag aangekondigde uitwerking door het kabinet van de rekeningcourantmaatregel zal naar verwachting in het voorjaar 2019 aan uw Kamer worden aangeboden en het uitgangspunt is dat deze maatregel in 2022 in werking treedt. Indien in de aanslag inkomstenbelasting 2022 door toepassing van de rekeningcourantmaatregel box 2-belasting verschuldigd is en er zijn verrekenbare verliezen dan vindt de verliesverrekening in beginsel plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan, dat wil zeggen dat het oudste verlies eerst wordt verrekend. Op deze hoofdregel wordt bovengenoemde uitzondering gemaakt, zodat het verlies dat als eerste verdampt, als eerste wordt verrekend.

4.6. Verhogen maximum algemene heffingskorting

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de opbrengst is van het sneller afbouwen van de algemene heffingskorting. Voor de afbouw van de algemene heffingskorting bestaat een wettelijke koppeling: de afbouw begint bij het eindpunt van de huidige eerste schijf en eindigt bij het eindpunt van de huidige derde schijf. Doordat het kabinet de algemene heffingskorting verhoogt en het eindpunt van de huidige derde schijf bevriest, gaat het afbouwpercentage automatisch omhoog. Het is dan ook niet zo dat het kabinet het afbouwpercentage actief verhoogt en dat daar – naast de opbrengst die is begrepen in de opbrengst van het bevriezen van het eindpunt van de huidige derde schijf – een opbrengst mee gemoeid is.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet een overzicht kan geven van het aantal belastingplichtigen dat zijn heffingskortingen niet kan verzilveren. Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks of het kabinet een geactualiseerde tabel kan geven met niet-verzilverde kortingen in 2017, 2018 en een schatting voor 2019. Onderstaande tabellen geven een overzicht van de gevraagde cijfers die betrekking hebben op het niet-verzilveren van heffingskortingen.

Tabel 17: Aantal huishoudens dat heffingskortingen (deels) niet kan verzilveren als percentages van het aantal huishoudens dat recht heeft op de heffingskorting
 

2017

2018

2019

Algemene heffingskorting

18,9%

18,9%

15,8%

Arbeidskorting

8,3%

7,0%

16,4%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

5,8%

4,5%

12,5%

Ouderenkorting

22,0%

23,4%

29,1%

Alleenstaande ouderenkorting

19,0%

21,5%

26,8%

Tabel 18: Aantal huishoudens dat (deels) niet kan verzilveren in duizenden
 

2017

2018

2019

Algemene heffingskorting

2556

2585

2166

Arbeidskorting

805

704

1597

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

59

47

129

Ouderenkorting

676

725

814

Alleenstaande ouderenkorting

245

280

352

Tabel 19: Niet verzilverde bedrag als percentage van het totale recht op heffingskortingen
 

2017

2018

2019

Algemene heffingskorting

14,0%

14,3%

14,0%

Arbeidskorting

0,7%

0,5%

1,6%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

4,8%

3,7%

3,5%

Ouderenkorting

11,4%

12,3%

14,3%

Alleenstaande ouderenkorting

10,0%

13,2%

19,9%

Tabel 20: Niet verzilverde bedrag in miljoenen €
 

2017

2018

2019

Algemene heffingskorting

3219

3320

3513

Arbeidskorting

126

104

293

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

47

38

65

Ouderenkorting

382

456

615

Alleenstaande ouderenkorting

57

73

112

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan aangeven wat het effect is van het verhogen van de algemene heffingskorting op de afbouw van de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting. Deze twee maatregelen staan los van elkaar. Het pad van de beperking van de verzilvering van de algemene heffingskorting via het inkomen van de partner blijft onveranderd, dat wil zeggen het uitbetaald krijgen van een deel van de algemene heffingskorting op basis van de door de andere partner verschuldigde belasting. Door de stijging van de algemene heffingskorting zal in de meeste gevallen een iets groter bedrag van de algemene heffingskorting uitbetaald kunnen worden op basis van het inkomen van de partner.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom de € 3,3 miljard die wordt gestoken in het verhogen van de algemene heffingskorting niet wordt gestoken in een tariefsverlaging van de eerste schijf. Er moet altijd een afweging gemaakt worden tussen een evenwichtige inkomensverdeling en de betaalbaarheid van het stelsel. Het verhogen van algemene heffingskorting is een efficiëntere manier om te zorgen voor koopkrachtverbetering van de lagere inkomens dan een verlaging van het tarief van de eerste schijf.

De leden van de fractie van de SGP vragen wat de budgettaire consequenties zijn van het wijzigen van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de IACK voor het jaar 2019. Het budgettaire effect van het verhogen van de algemene heffingskorting is in 2019 € 1.721 miljoen (saldoverslechterend). Het budgettaire effect van het verhogen en sneller afbouwen van de arbeidskorting in 2019 is € 766 miljoen (saldoverbeterend). Merk hierbij op dat het verhogen van de maximale arbeidskorting bij het afbouwpunt pas in 2020 ingaat. Het budgettaire effect van de aanpassingen aan de IACK is € 193 miljoen in 2019 (saldo verbeterend). Zie ook tabel 8 uit de memorie van toelichting.

4.7. Maatregelen arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting

De leden van de fractie van de VVD vragen of de budgettaire effecten van de maatregelen in de arbeidskorting en de IACK uitgesplitst gegeven kunnen worden. De budgettaire effecten van deze maatregelen zijn opgenomen in tabel 8 van de memorie van toelichting. Voor 2021 gaat het om € 370 miljoen voor het verhogen en steiler afbouwen van de arbeidskorting, – € 1.571 miljoen voor het verhogen van de maximale arbeidskorting bij het afbouwpunt en € 193 miljoen voor de IACK.

De leden van de fracties van D66, de VVD en de SP vragen wat de aanpassingen in de arbeidskorting en IACK betekenen voor de prikkel om te gaan werken of om meer te gaan werken. Het verloop van de arbeidskorting wordt, zoals toegelicht in de memorie van toelichting, op een aantal plaatsen aangepast. Zo wordt bijvoorbeeld de maximale arbeidskorting bij het afbouwpunt verhoogd. De maatregel is erop gericht de marginale druk op het inkomenstraject tussen het minimumloon en een modaal inkomen te verlagen waardoor (meer) werken voor de mensen op dat inkomenstraject aantrekkelijker wordt. De leden van de fractie van de SP vragen daarnaast welke invloed de arbeidskorting heeft op de arbeidsparticipatie van verschillende inkomensgroepen. Uit het CPB-onderzoek «Kansrijk arbeidsmarktbeleid» blijkt dat een verhoging van de arbeidskorting gericht op lage inkomens effectiever is dan een generieke verhoging (van hetzelfde bedrag) van de arbeidskorting in termen van het stimuleren van werkgelegenheid. De aanpassing van de arbeidskorting sluit hier dus op aan. De opbouw van de IACK verloopt in 2018 vanaf het drempelinkomen geleidelijk vanaf nihil in plaats van een vast bedrag, waardoor het opbouwpercentage bij een gelijkblijvende maximale IACK stijgt naar 11,45%. Het hogere opbouwpercentage vergroot de prikkel om meer uren te gaan werken. Doordat de IACK niet meer opbouwt vanaf een vast bedrag gaat de IACK voor een aantal huishoudens juist omlaag. In termen van het stimuleren van arbeidsparticipatie kan echter beter over een langer inkomenstraject participatie worden gestimuleerd dan dat bij één inkomensniveau ineens een sterke stimulans wordt gegeven.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet waarom de IACK-maatregel € 74 miljoen minder oplevert dan in het regeerakkoord was geraamd. Voor het ramen van het budgettaire effect van deze maatregel maakt het kabinet gebruik van het door het CPB ontwikkelde microsimulatiemodel MIMOSI. In dit model heeft recent een technische verbetering plaatsgevonden. Deze bijstelling heeft ertoe geleid dat in het basispad al minder IACK verzilverd kon worden op basis van het partnerinkomen, waardoor het beperken van de IACK een kleiner budgettair effect heeft.

4.8. Gevolgen pakket box 1 voor de gemiddelde en marginale belasting- en premiedruk

De leden van de fractie van de VVD en het CDA vragen welke pijnpunten het kabinet nog ziet in de marginale druk en hoe die ontstaan, welke stappen worden gezet om deze weg te nemen en of er nog onderzoek wordt gedaan naar hoe de marginale druk verder verlaagd kan worden. Zoals figuur 8 van de memorie van toelichting ook laat zien daalt de marginale belasting- en premiedruk deze kabinetsperiode. Dit is ook een van de doelstellingen van het kabinet: het lonender maken van (meer) werken. Vooral de marginale belasting- en premiedruk van inkomens tussen € 20.000 en ruim € 35.000 daalt. Voor de mensen in deze groep is dit extra belangrijk omdat zij door een hoger inkomen soms aanzienlijk minder toeslagen ontvangen, waardoor meer werken in de huidige situatie voor hen nog te weinig lonend is. Er zijn nog steeds pieken en dalen in de marginale druk te zien, die samenhangen met de afbouw van inkomensondersteuning of heffingskortingen. Samen met de Minister van SZW zal onderzocht worden welke mogelijkheden er op lange termijn zijn om de nog resterende pijnpunten in de marginale druk, bijvoorbeeld voor eenverdieners, te beperken.

De leden van de fractie van D66 vragen of gegevens beschikbaar zijn over de elasticiteit over de inkomensverdeling en of de marginale druk het hoogste is waar deze elasticiteit het laagste is. Het kabinet heeft geen gegevens beschikbaar met betrekking tot de elasticiteit over de inkomensverdeling. Uit empirisch onderzoek van het CPB18 is wel gebleken dat bijvoorbeeld een verhoging van de arbeidskorting gericht op de lage inkomens effectiever is dan een generieke verhoging van de arbeidskorting in termen van het stimuleren van de werkgelegenheid. Het verhogen van de arbeidskorting aan de onderkant is effectiever omdat de participatiebeslissing (extensieve marge) met name daar relevant is.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke manier de beperking van het aftrektarief van aftrekposten zou kunnen doorwerken in de marginale druk. Indien het belastbaar inkomen uit werk en woning zonder rekening te houden met aftrekposten die onder de tariefmaatregel vallen niet meer bedraagt dan € 68.507, is belasting verschuldigd tegen het basistarief van het tweeschijvenstelsel en verandert er niets. Aftrekposten blijven, net als in de huidige situatie, aftrekbaar tegen het geldende belastingtarief. Indien inkomen daarentegen belast wordt tegen het toptarief verandert de marginale druk wel. Als een belastingplichtige een extra euro gaat verdienen en daardoor in het toptarief terechtkomt, dan kan hij de eerste euro van de aftrekposten die onder de tariefmaatregel vallen niet langer aftrekken tegen het toptarief. Hierdoor stijgt de marginale druk vanaf het beginpunt van de schijf waar het toptarief geldt.

De leden van de fracties VVD en D66 vragen hoe de figuur met de marginale druk eruit ziet inclusief toeslagen. Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden, omdat toeslagen sterk afhankelijk zijn van de huishoudsamenstelling en het huishoudinkomen. In figuur 11 is een voorbeeld gegeven hoe de marginale druk eruit ziet voor een alleenstaande, met een kind van 6 jaar, die € 600 per maand betaalt aan huur. Deze persoon heeft, afhankelijk van het inkomen, recht op huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. Eventuele kosten voor kinderopvang en kinderopvangtoeslag zijn in deze figuur niet meegenomen.

Figuur 11: Marginale druk inclusief toeslagen voor een alleenstaande met een kind van 6 jaar en huur van € 600

D66 33 en D66-

De leden van de fractie van D66 vragen of er rekening gehouden wordt met toeslagen bij de berekening van de in de SZW-begroting gepresenteerde werkloosheidsval, doorgroeival, herintredersval en deeltijdval en hoe deze eruitzien voor 2020. Bij de in de SZW-begroting gepresenteerde berekeningen wordt rekening gehouden met toeslagen. De werkloosheidsval, doorgroeival, herintredersval en deeltijdval kunnen op dit moment niet voor 2020 gegeven worden omdat dit koopkrachtjaar niet is meegenomen in de laatste raming van het CPB.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet het verschil in gemiddelde belasting- en premiedruk tussen de werknemer, de dga en de IB-ondernemer klein genoeg vindt. Daarnaast vragen deze leden de visie van het kabinet op dit terrein voor de komende jaren en de wijze waarop het kabinet dit gaat bewerkstelligen. In het IBO-zzp is aanbevolen om het verschil in gemiddelde belasting- en premiedruk tussen de werknemer, de dga en IB-ondernemer te verkleinen. Het kabinet stelt een onafhankelijke commissie in die onder andere onderzoek gaat doen naar de arbeidsmarkt, waarbij het voor de hand ligt om behalve het arbeidsrecht en de sociale zekerheid, ook de fiscaliteit mee te nemen omdat deze een rol speelt bij de keuzes die worden gemaakt op de arbeidsmarkt.19 Dit najaar zal de Minister van SZW mede namens de overige betrokken bewindspersonen (de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de Staatssecretaris van Financiën en de Minister voor Rechtsbescherming) uw Kamer nader informeren over de opzet en taakopdracht van deze commissie.

De leden van de fractie van DENK vragen waarom de marginale druk in sommige gevallen hoger is dan 50%. Marginale druk is het deel van de stijging van de bruto-inkomsten dat niet resulteert in een toename van het besteedbare inkomen. Een hoge marginale druk, bijvoorbeeld een marginale druk groter dan het hoogste schijftarief, ontstaat als gevolg van gerichte inkomensondersteuning en heffingskortingen op bepaalde inkomenstrajecten. Om de inkomensondersteuning betaalbaar te houden wordt deze voor hogere inkomens namelijk geleidelijk afgebouwd. Als gevolg van deze afbouwpaden is het mogelijk dat de marginale druk boven de 50% uitkomt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar aanleiding van figuur 8 uit de memorie van toelichting waarom het kabinet er, naar de mening van deze leden, juist voor zorgt dat inkomens boven € 100.000 er zoveel op vooruitgaan. Verder vragen deze leden hoe dit aansluit bij de boodschap van het kabinet om vooral op te komen voor «de gewone Nederlander». Tot slot vragen deze leden of deze mensen meer uren gaan werken en welke andere positieve effecten er zijn.

Figuur 8 uit de memorie van toelichting laat de marginale belasting- en premiedruk zien voor een werknemer zonder aftrekposten. Na de maatregelen daalt de marginale druk voor inkomens boven € 100.000. Dit heeft te maken met het steiler afbouwen van de arbeidskorting. In de uitgangssituatie van voor het regeerakkoord hadden werknemers met een inkomen tot ongeveer € 130.000 recht op arbeidskorting. De marginale druk was toen ruim 55% en bestond uit het toptarief van (bijna) 52% en het afbouwpercentage van de arbeidskorting van 3,6%. Het afbouwpercentage van de arbeidskorting gaat naar 6%, waardoor werknemers die meer dan € 100.000 verdienen geen arbeidskorting meer krijgen. Hierdoor is de marginale druk gelijk aan het toptarief van 49,5%.

Het voorgaande maakt duidelijk dat het plaatje met de marginale druk niet per definitie laat zien of een werknemer erop voor- of achteruitgaat. In de huidige situatie is de marginale druk weliswaar hoger, maar krijgt een werknemer die meer dan € 100.000 verdient nog wel arbeidskorting. Figuur 6 uit de memorie van toelichting presenteert de gemiddelde druk van een werknemer zonder aftrekposten en geeft een beter beeld van welke groepen erop voor- of achteruitgaan door de maatregelen in de inkomstenbelasting. Uit deze figuur blijkt dat alle inkomensgroepen erop vooruitgaan en dat de grootste verschillen optreden bij de inkomens tussen € 30.000 en € 70.000.

De leden van de fractie van de SP merken op dat de ouderenkorting de komende jaren oploopt van € 1.418 maximaal in 2018 naar € 1.645 maximaal in 2021. Deze leden vragen wat dit betekent voor het niet kunnen verzilveren van heffingskortingen. Het aantal huishoudens dat de ouderenkorting niet volledig kan verzilveren stijgt in 2019 van 23,4% naar 29,1%. Het niet verzilverde bedrag van de ouderenkorting stijgt in 2019 van 12,3% naar 14,3%. In de jaren 2020 en 2021 blijven deze percentages naar verwachting vrijwel constant.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet of in de koopkrachtplaatjes rekening is gehouden met het feit dat veel ouderen de ouderenkorting niet kunnen verzilveren. Dit is inderdaad het geval.

4.9. Correctie box 2-tarief

De inbrengdatum voor dit onderdeel is uitgesteld.

4.10. Toepassing heffingskortingen in de inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de maatregel die ziet op de toepassing van de heffingskorting in de inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen vorig jaar niet noodzakelijk werd geacht, maar nu wel is opgenomen in het Belastingplan 2019. In het pakket Belastingplan 2018 is geregeld dat buitenlandse belastingplichtigen met ingang van 2019 het belastingdeel van de heffingskortingen – met uitzondering van de arbeidskorting voor inwoners van de landenkring20 – niet meer via de loonbelasting ontvangen. Opname van die maatregel in het pakket Belastingplan 2018 was nodig om de Belastingdienst en de softwareleveranciers voldoende tijd te geven om hun systemen dan wel loonpakketten voor 1 januari 2019 aan te kunnen passen. In het wetsvoorstel Belastingplan 2019 is de inkomstenbelastingmaatregel opgenomen. Omdat de arbeidskorting en de IACK in de inkomstenbelasting al op basis van het Europese recht (EU-recht) aan buitenlandse belastingplichtigen wordt verleend, was er geen onmiddellijke noodzaak dat mee te nemen in het pakket Belastingplan 2018. Dit neemt niet weg dat de wetgeving in overeenstemming met het EU-recht dient te worden gebracht. Dat wordt nu meegenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2019 waarbij de maatregel in de inkomstenbelasting op dat punt meteen in overeenstemming wordt gebracht met de loonbelastingmaatregel. De leden van de fractie van het CDA vragen verder welke belastingplichtigen na de inkomstenbelastingmaatregel geen recht hebben op het belastingdeel van de IACK en de arbeidskorting. Alleen buitenlandse belastingplichtigen van buiten de landenkring krijgen hiermee vanaf 2019 te maken.

4.11. ZW-uitkering telt niet langer mee voor hoogte arbeidskorting en IACK voor zieken zonder werk

Door de leden van verschillende fracties zijn vragen gesteld over de maatregel om de Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) van zieken zonder werk niet langer te laten meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. In algemene zin merkt het kabinet daarover op dat de arbeidskorting een fiscale tegemoetkoming voor mensen met inkomen uit werk is. Daarom geldt de arbeidskorting momenteel al niet ter zake van de Werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) van mensen. Nu is het zo dat er zowel personen met werk als personen zonder werk met een ZW-uitkering zijn. Momenteel telt de ZW-uitkering voor beide groepen mee voor de hoogte van de arbeidskorting. De voorgestelde maatregel betekent het gelijktrekken van de fiscale behandeling van zieke en niet-zieke personen zonder werk. Gevolg is dat in beide gevallen noch de WW-uitkering noch de ZW-uitkering van niet-werkenden meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting. Dit zal op grond van het wetsvoorstel plaatsvinden per 1 januari 2020 waarbij overgangsrecht geldt voor bestaande gevallen.

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks is de voorgestelde maatregel aangekondigd in het regeerakkoord.21 De maatregel in het regeerakkoord is een van de geschetste beleidsopties in het IBO «Geschikt voor de arbeidsmarkt; mogelijkheden om de arbeidsparticipatie in de WIA te bevorderen» dat 26 april 2017 aan uw Kamer is aangeboden.22

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de omvang van de substantiële inkomenseffecten die in de huidige systematiek kunnen optreden bij de overgang van een WW-uitkering naar een ZW-uitkering (en vice versa). Deze netto-inkomenseffecten zijn zeer afhankelijk van de individuele omstandigheden. De arbeidskorting bedraagt maximaal circa € 3.250 en de IACK maximaal circa € 2.800 per kalenderjaar. Deze bovengrenzen van de inkomensmutaties kunnen in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde zijn. Gemiddeld genomen geldt dat de inkomensmutatie op jaarbasis circa € 800 arbeidskorting en circa € 100 IACK bedraagt. Bij dit laatste dient te worden bedacht dat veel werkenden sowieso geen aanspraak kunnen maken op IACK. Voor hen is het inkomenseffect uit hoofde van de IACK nihil; voor de groep die wel voor IACK in aanmerking komt, is het inkomenseffect gemiddeld circa € 640 op jaarbasis. Twee voorbeelden ter toelichting. Als een minstverdiener met een jong kind die een WW-uitkering heeft van € 20.000 per jaar het gehele kalenderjaar in de ZW verblijft, krijgt diegene hierdoor recht op circa € 3.250 arbeidskorting en circa € 2.290 IACK. Een alleenstaande met een WW-uitkering van € 20.000 per jaar die in een kalenderjaar 3 maanden een ZW-uitkering geniet, krijgt hierdoor recht op circa € 90 arbeidskorting, maar geen IACK.

Vervolgens vragen de leden van de fractie van de VVD of deze situatie een prikkel voor mensen met een WW-uitkering was om minder aan het werk te gaan. In het verlengde stellen de leden van de fractie van de SP de vraag in hoeverre de getroffenen invloed hebben op deze negatieve netto-inkomenswijziging.

Uit het bovengenoemde IBO blijkt dat ZW-gerechtigden zonder werkgever in de praktijk weinig werkhervattingspogingen ondernemen, minder vaak en minder snel re-integreren en uiteindelijk vaker naar een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) gaan dan op grond van hun gezondheidskenmerken mag worden verwacht. Volgens het IBO zorgt het feit dat ZW-gerechtigden zonder werk wel arbeidskorting en IACK krijgen en WW-gerechtigden niet, voor een financiële prikkel die mensen ervan kan weerhouden zich beter te melden en zo snel mogelijk een werkhervattingspoging te doen. Het IBO concludeert dat het noch vanuit het oogpunt van inkomensbescherming noch vanuit het oogpunt van werkhervattingsprikkels logisch is dat de overgang van WW naar ZW leidt tot een hogere netto-uitkering en vice versa. Het kabinet onderschrijft deze analyse.

De enige socialezekerheidsregelingen waarbij de uitkering meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK zijn de Ziektewet en de Wet arbeid en zorg. Voor alle andere socialezekerheidsregelingen zoals de WW, WIA en Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geldt dat de uitkering niet meetelt. Dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 daarnaar.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een uitgebreide motivering waarom het verschil tussen mensen met een ZW-uitkering en mensen met een WW-uitkering in dit opzicht een probleem is en of het verschil niet op te lossen is door de positie van mensen met een WW-uitkering te verbeteren. Deze leden wijzen erop dat dan ook geen verschil wordt gecreëerd tussen mensen met een ZW-uitkering die werk hebben en de mensen die dat niet hebben. Deze leden vragen met klem deze maatregel te heroverwegen. Het kabinet is van mening dat de huidige WW-regeling een adequate (tijdelijke) inkomensvoorziening biedt aan werknemers die hun werk verliezen. De arbeidskorting en de IACK zijn bedoeld voor mensen die werken. WW-gerechtigden hebben dan ook geen aanspraak op deze fiscale kortingen. ZW-gerechtigden hebben dat momenteel wel, terwijl een groot deel van hen geen werk heeft, en dus in dat opzicht vergelijkbaar is met WW-gerechtigden. Het kabinet wil deze groepen, en mensen die in een vergelijkbare positie verkeren, gelijk behandelen. Het kabinet vindt het ongewenst dat ZW-gerechtigden zonder werk een netto-inkomensachteruitgang ervaren als zij zich beter melden en (weer) overgaan naar de WW (en omgekeerd). Het kabinet wil dat werken loont. Tegelijk wil het kabinet financiële prikkels die ziekmelden aantrekkelijk maken, wegnemen. Dat wordt met deze maatregel bewerkstelligd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of uitkeringsgerechtigden die ziek worden meer worden belast door deze maatregel en zo ja, waarom dit rechtvaardig is. Het kabinet wil met deze maatregel ongewenste fiscale voordelen wegnemen. De arbeidskorting is bedoeld voor personen met werk. Dat is ook de reden dat bij een persoon met een WW-uitkering die WW-uitkering niet meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting. Het kabinet vindt het dan ook niet goed uit te leggen dat als een persoon met een WW-uitkering vanwege ziekte een ZW-uitkering ontvangt, die uitkering wel meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting. Het kabinet vindt het evenmin goed uit te leggen dat als iemand zonder WW-uitkering en zonder werk een ZW-uitkering ontvangt, die uitkering wel meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat deze maatregel een verschil introduceert tussen werknemers die ziek worden en waarbij de werkgever het loon doorbetaalt en werknemers die geen werkgever hebben, voornamelijk uitzendkrachten, en vernemen graag van het kabinet of dit onderscheid gerechtvaardigd is en wat het objectieve criterium is om onderscheid te maken tussen deze twee groepen. Het antwoord op deze vragen is dat de maatregel geen verschil introduceert tussen verschillende werknemers. Zowel voor de werknemer waarvan de werkgever het loon doorbetaalt tijdens ziekte, als de werknemer die gedurende zijn dienstbetrekking een ZW-uitkering geniet omdat hij zijn werk wegens ziekte niet kan verrichten, blijft het loon respectievelijk de ZW-uitkering meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting en IACK. De maatregel brengt daarentegen juist een onderscheid aan tussen zieken met werk en zieken zonder werk. Dit geldt ook voor de door deze leden genoemde uitzendkrachten. Voor uitzendkrachten zonder uitzendbeding geldt dat er tijdens ziekte sprake is van een loondoorbetalingsverplichting; het loon telt gewoon mee voor de arbeidskorting en IACK. Indien de dienstbetrekking is beëindigd, bijvoorbeeld in geval van tijdelijke contractanten en bij uitzendkrachten met een uitzendbeding, dan telt de ZW-uitkering niet mee voor de arbeidskorting en IACK.23

Deze maatregel – dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 dienaangaande – geldt niet ten aanzien van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen. Het betreft de Zelfstandig en Zwanger regeling (ZEZ-regeling), die geregeld is in de Wet arbeid en zorg (WAZO).

De leden van de fractie van D66 constateren terecht dat de maatregel alleen geldt voor nieuwe gevallen vanaf 1 januari 2020. Deze leden vragen of dit betekent dat iemand die vanuit de WW opnieuw ziek wordt na 31 december 2019, de tweede keer de arbeidskorting en de IACK niet meer kan toepassen of dat deze persoon niet als nieuw geval telt. Het antwoord op deze vraag is dat deze persoon als een nieuw geval wordt beschouwd.

Anders dan de leden van de fractie van DENK kennelijk veronderstellen, klopt het niet dat de ZW-uitkering nooit meer meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De maatregel houdt namelijk in dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen met werk die een ZW-uitkering genieten en personen zonder werk die een ZW-uitkering genieten. Voor personen met werk die een ZW-uitkering genieten, blijft de ZW-uitkering meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De achterliggende gedachte van het kabinet bij deze maatregel is dat het niet wenselijk is dat personen die geen werk hebben, en vervolgens ziek worden en een ZW-uitkering ontvangen, er financieel op vooruitgaan doordat als gevolg van de arbeidskorting en de IACK (de ZW-uitkering telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK) op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging optreedt die weer vervalt als deze persoon zich beter meldt. Dit kan zich voordoen bij personen met een WW-uitkering maar ook in andere situaties. Deze netto-inkomensveranderingen als gevolg van de arbeidskorting en de IACK acht het kabinet niet wenselijk. Deze leden vragen tevens naar het budgettaire beslag van de maatregel dat een ZW-uitkering van zieken zonder werk niet langer meetelt voor de hoogte van de arbeidskorting en IACK. De budgettaire opbrengst bedraagt € 66 miljoen in 2020, € 140 miljoen in 2021 en € 165 miljoen structureel.

De leden van de fractie van het CDA vragen of er in een aantal situaties recht bestaat op de arbeidskorting (en eventueel de IACK). Hieronder wordt op iedere situatie in gegaan.

  • –  Een werkneemster die 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  De uitkering voor dit verlof wordt genoten op grond van de Wet arbeid en zorg die blijft meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een werkneemster die eerst 4 weken ziek is en daarna 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  De ZW-uitkering telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting (en eventueel de IACK) zolang sprake is van een dienstbetrekking. De uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof, genoten op grond van de Wet arbeid en zorg, telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een gedetacheerde via een uitzendbureau die 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  De uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof, genoten op grond van de Wet arbeid en zorg, telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een gedetacheerde via een uitzendbureau die eerst 4 weken ziek is en daarna 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  Indien de gedetacheerde ook gedurende de 4 weken ziekte een dienstbetrekking met het uitzendbureau heeft, telt de ZW-uitkering wel mee voor de arbeidskorting. Indien echter sprake is van een uitzendbeding, telt de ZW-uitkering niet mee voor de arbeidskorting. De uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten op grond van de Wet arbeid en zorg en blijft meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een werkloze die 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  De uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten op grond van de Wet arbeid en zorg en blijft meetellen voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een werkloze die eerst 4 weken ziek is en daarna 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet:
  • –  De ZW-uitkering gedurende de 4 weken ziekte telt niet mee voor de hoogte van de arbeidskorting. De uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof, genoten op grond van de Wet arbeid en zorg, telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting.
  • –  Een werknemer die nierdonor is en hierdoor 8 weken niet kan werken:
  • –  De ZW-uitkering telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting (en eventueel de IACK) zolang sprake is van een dienstbetrekking.
  • –  Een uitzendkracht die nierdonor is en hierdoor 8 weken niet kan werken:
  • –  De ZW-uitkering telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting (en eventueel de IACK) zolang sprake is van een dienstbetrekking (tenzij in de uitzendovereenkomst een uitzendbeding was opgenomen).

De vraag van de leden van de fractie van de PvdA of de maatregel ook voor zieke zwangeren en donoren gaat gelden, is hiervoor aan de orde gekomen bij de vraag van de leden van de fractie van het CDA naar verschillende situaties. Kortgezegd, de uitkering voor de 16 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof, genoten op grond van de Wet arbeid en zorg, telt mee voor de hoogte van de arbeidskorting. De ZW-uitkering van iemand met een dienstbetrekking die donor is, blijft meetellen voor de arbeidskorting en IACK.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar het aantal zieken zonder werk in de ZW met een WW-uitkering dat ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, door de arbeidskorting in de regel een substantiële netto-inkomensstijging heeft en als deze persoon zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet, een substantiële netto-inkomensdaling ervaart. Het gemiddeld aantal lopende ZW-uitkeringen bedroeg circa 88.500 per dag in de jaren 2015–2017. Voor ongeveer 62.500 ZW-gerechtigden (ruim 70% van het totaal) geldt dat zij geen werk hadden. De leden van de fracties van de VVD, GroenLinks, de PvdA en DENK vragen naar het aantal mensen dat geraakt wordt door deze maatregel en naar het bedrag dat uitkeringsgerechtigden hierdoor mislopen. In de eerste plaats merkt het kabinet op dat de maatregel niemand raakt die reeds op 31 december 2019 een ZW-uitkering geniet. De maatregel gaat in per 1 januari 2020 waarbij overgangsrecht geldt voor bestaande gevallen. De maatregel geldt dus alleen voor nieuwe gevallen. Naar verwachting zullen jaarlijks ruim 180.000 mensen geraakt worden door deze maatregel. Dit betekent dat het gemiddelde bedrag dat deze mensen mislopen ruim € 900 per kalenderjaar is.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks of er ook mensen zijn die er door dit voorstel qua inkomsten op vooruit gaan, kan worden opgemerkt dat het voorstel door de werking van de arbeidskorting – de arbeidskorting neemt af vanaf een (overig) arbeidsinkomen van circa € 33.000 – bij een kleine subgroep kan leiden tot een hogere arbeidskorting. Het gaat naar verwachting om 10.000 personen met in totaal € 1,7 miljoen aan arbeidskorting.

De leden van de fracties van het CDA en de SP vragen naar rekenvoorbeelden die aangeven wat er met het netto-inkomen gebeurt van mensen die ziek worden. Voor de rekenvoorbeelden is uitgegaan van een half jaar ziekte gedurende 2020.

Het eerste voorbeeld betreft een werknemer met een inkomen van € 25.000 die tijdens de ziekteperiode een ZW-uitkering krijgt terwijl de dienstbetrekking doorloopt. Voor deze persoon verandert het (bruto)inkomen soms wel en soms niet (afhankelijk van de CAO). Het tweede voorbeeld betreft een uitzendkracht met een inkomen van € 25.000. Als een uitzendkracht onder het uitzendbeding valt, verliest hij of zij bij ziekte per direct zijn baan en komt hij of zij in de ZW terecht. In de ZW krijgt hij of zij een bruto-inkomen van 90% van het laatstverdiende loon (70% ZW-uitkering en 20% bovenwettelijke uitkering door de uitzendwerkgever), wat in dit geval leidt tot een inkomensdaling van netto circa € 730 per jaar. Daarnaast telt de ZW-uitkering niet mee voor de hoogte van de arbeidskorting en eventueel IACK: de hoogte hiervan wordt in dat geval bepaald op basis van een arbeidsinkomen van € 12.500 in plaats van € 25.000. Dit leidt tot een daling van de arbeidskorting van circa € 2.640 en eventueel een daling van de IACK van € 1.430. Overigens verliest iemand die zijn baan kwijtraakt en daarna recht heeft op een WW-uitkering ook zijn recht op arbeidskorting (in dit voorbeeld € 2.640) en IACK (€ 1.430). Daarnaast krijgt deze laatste persoon niet 90% van het laatstverdiende inkomen doorbetaald, maar bedraagt de WW-uitkering 75% in de eerste twee maanden en daarna 70%. De vraag van de leden van de fractie van de PvdA of het verlies kan oplopen tot zo’n € 3.000 netto per jaar, kan dan ook bevestigend worden beantwoord. Indien ook de IACK relevant is, kan het verlies hoger uitkomen.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat zelfstandigen geen dienstbetrekking bij ziekte hebben en vragen waarom een uitzondering wordt gemaakt voor zelfstandigen met een ZW-regeling. Inderdaad hebben zelfstandigen in de regel geen dienstbetrekking. Tegelijkertijd is het een feit dat er zelfstandigen zijn die zich vrijwillig hebben verzekerd voor de ZW. De vraag rijst dan of deze beter vergelijkbaar zijn met personen met een dienstbetrekking of personen zonder dienstbetrekking (zonder werk). Er zijn ook andere categorieën personen die een vrijwillige verzekering zoals voorzien in de ZW hebben afgesloten. Het betreft bijvoorbeeld mensen die in het buitenland werken en juridisch gezien daarom geen dienstbetrekking in de zin van de ZW hebben. Deze vrijwillige verzekerden zijn in het algemeen vergelijkbaar met verzekerden in een dienstbetrekking. Vrijwillig verzekerden zullen – net als de werknemer die een werkgever heeft – het werk terstond hervatten zodra zij hersteld zijn. Daarom telt ook de ZW-uitkering die vrijwillig verzekerden ontvangen mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK.

De leden van de fracties van het CDA, D66 en de PvdA hebben enkele vragen over de uitvoerbaarheid door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Belastingdienst vanwege het te maken onderscheid tussen de verschillende soorten ZW-uitkeringen waar straks wel en niet de arbeidskorting of de IACK kan worden toegepast. De leden van de fractie van het CDA vragen ook garanties dat geen omvangrijke terugvorderingen in de loonbelasting plaatsvinden als gevolg van het ontbreken van een juiste vermelding in de aangifte. Aangezien het gaat om ZW-gerechtigden vindt de inhouding van loonheffingen op de uitkering van ZW-gerechtigde alleen plaats bij UWV. De voorlichting en uitvoering van deze regeling vinden daarom in nauw onderling overleg tussen Belastingdienst en UWV (als inhoudingsplichtige) plaats. De juiste vermelding van de heffingskortingen in de loonaangifte is hierbij een aandachtspunt. Om deze maatregel te kunnen uitvoeren moet UWV een onderscheid gaan maken in de verschillende uitkeringscategorieën van de verplicht verzekerden. Hiertoe zal UWV zijn systemen (het Ziektewetsysteem) aanpassen. Het UWV heeft aangegeven dat dit uitvoerbaar is. In de loonaangifte wordt zichtbaar dat sprake is van een ZW-uitkering (code inkomsten 31) en welke kleur loonbelastingtabel is toegepast bij de berekening van de in te houden loonheffing (groen zonder arbeidskorting of wit met arbeidskorting). De op de uitkering ingehouden loonheffing is voorheffing op de inkomstenbelasting. De gegevens in de loonaangifte gebruikt de Belastingdienst voor het voorinvullen van de aangifte inkomstenbelasting. De juiste vermelding van de gegevens in de loonaangifte en de doorvertaling daarvan in de aangifte inkomstenbelasting voorkomt dat (onterechte) terugvordering bij de uitkeringsgerechtigden plaatsvindt.

4.12. Conserverende aanslag lijfrente en pensioen

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de precieze effecten van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en de voorliggende codificatie van deze beslissing. De leden van de fractie van het CDA vragen daarbij specifiek of de codificatie ook gevolgen kan hebben voor huidige pensioenaanspraken.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in bepaalde situaties de grondslag voor de conserverende aanslag voor pensioenen en lijfrenten moet worden gecompartimenteerd. Deze prejudiciële beslissing wordt in het onderhavige wetsvoorstel gecodificeerd. De uitspraak van de Hoge Raad en de codificatie hiervan hebben geen gevolgen voor de (bestaande) pensioenaanspraken, maar hebben wel gevolgen voor de hoogte van de conserverende aanslag die in geval van emigratie van een belastingplichtige wordt opgelegd. De conserverende aanslag wordt mogelijk lager voor degene met pensioen- of lijfrenteaanspraken die emigreert naar een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft met een exclusieve woonstaatheffing en waarbij in de door de Hoge Raad genoemde periodes uitgaven voor lijfrenteaanspraken zijn gedaan of aanspraken en bijdragen ingevolge een pensioenregeling niet tot het loon zijn gerekend.24

De leden van de fractie van de VVD vragen waarop de twee voorwaarden uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zijn gebaseerd. Het kabinet neemt aan dat deze leden doelen op de genoemde tijdsperioden voor de compartimentering van de grondslag voor de conserverende aanslag in situaties van een exclusieve woonstaatheffing. Voor deze compartimentering moet een onderscheid worden gemaakt tussen lijfrenten en pensioenen. Voor lijfrenteaanspraken geldt dat premiebetalingen die hebben plaatsgevonden in de periode vóór 1 januari 1992 en de periode van 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009 in een situatie van een exclusieve woonstaatheffing niet in de grondslag van de conserverende aanslag mogen worden betrokken. Tot de invoering van de Wet Brede herwaardering I op 1 januari 1992 kende de wet nog geen mogelijkheid om bij niet-naleving van de geldende voorwaarden alsnog belasting te heffen over de in aftrek gebrachte premies. Van 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009 werd er bij emigratie belasting geheven over (een gedeelte van) de waarde van de lijfrenteaanspraak. Er werd destijds dus niet aangesloten bij de in aftrek gebrachte premies, zoals nu wel het geval is. In beide perioden was de aftrek van lijfrentepremies dus onvoorwaardelijk. Dat maakt dat voor lijfrenten het toepassen van het heffingsrecht door Nederland voor deze periodes in strijd is met de goede verdragstrouw in de situatie dat in het van toepassing zijnde belastingverdrag een exclusieve woonstaatheffing is overeengekomen. Voor pensioenen geldt per 16 juli 2009 in de situatie van een exclusieve woonstaatheffing dat de aanspraken en bijdragen in de Nederlandse heffing betrokken kunnen worden indien zij niet tot het loon gerekend zijn (en dus vrijgesteld waren), waarbij een voorwaardelijk gegeven vrijstelling wordt teruggenomen. Vóór 16 juli 2009 zag de wettelijke regeling niet op het terugnemen van een voorwaardelijk gegeven vrijstelling, maar op een heffing over de waarde van de opgebouwde pensioenrechten. Dat maakt dat ook voor pensioenen het toepassen van het heffingsrecht door Nederland voor deze periode in strijd is met de goede verdragstrouw in de situatie dat in het van toepassing zijnde belastingverdrag een exclusieve woonstaatheffing is overeengekomen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of belastingplichtigen reeds een beroep hebben gedaan op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Ook vragen deze leden naar de ervaringen van de Belastingdienst tot nu toe met deze wijziging. De leden van de fractie van de VVD vragen op hoeveel personen de beslissing van de Hoge Raad betrekking heeft en wat de gevolgen voor de uitvoerbaarheid zijn. De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad wordt al toegepast door de Belastingdienst. Uit de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is gebleken dat de gevolgen van de prejudiciële beslissing en de codificatie hiervan beperkt zullen zijn. Ook is hieruit naar voren gekomen dat het risico op procesverstoringen klein is en de extra uitvoeringskosten nihil zullen zijn. De wijziging is inhoudelijk namelijk niet groot voor de Belastingdienst. De belastingplichtige wordt, zoals ook voorheen in geval van emigratie, gevraagd het bedrag van de uitgaven, aanspraken of bijdragen aan te geven. De belastingplichtige moet in de nieuwe situatie de uitgaven, aanspraken of bijdragen splitsen over de diverse periodes. De Belastingdienst controleert de juistheid van de splitsing onder meer op basis van in elektronische dossiers aanwezige gegevens uit het verleden. De ervaringen van de Belastingdienst tot nu toe zijn in lijn met de uitkomsten van deze uitvoeringstoets.

Het opleggen van conserverende aanslagen is in het reguliere, landelijke proces verankerd. De Belastingdienst beschikt hierbij niet over gegevens waaruit blijkt op hoeveel personen de prejudiciële beslissing en de codificatie hiervan betrekking hebben.

De leden van de fractie van het CDA vragen of een alternatieve, meer eenvoudige regeling denkbaar is. De prejudiciële beslissing heeft geen aanleiding gevormd om de compartimentering op een andere – vereenvoudigde – wijze vorm te geven. In de huidige vorm is deze regeling uitvoerbaar. Inhoudelijk gezien is de wijziging ook gering. De bedragen aan uitgaven voor inkomensvoorzieningen, aanspraken of bijdragen ingevolge een pensioenregeling die al nodig waren voor de berekening, dienen nu verdeeld te worden over de verschillende perioden.

5. Wet op de loonbelasting 1964

5.1. Verkorten maximale looptijd 30%-regeling

De inbrengdatum van dit onderdeel is uitgesteld.

5.2. Verhogen maxima vrijwilligersregeling

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de bedragen van € 150 per maand en € 1.500 per jaar sinds 2006 niet meer zijn aangepast. De leden van de fractie van de SGP vragen hoe lang het maximaal onbelaste jaarlijkse bedrag aan vrijwilligersvergoeding niet is geïndexeerd en wat dit bedrag zou zijn geweest als het vanaf dat tijdstip voor inflatie zou zijn gecorrigeerd. De vrijwilligersregeling is sinds 2006 opgenomen in de Wet LB 1964. De in artikel 2, zesde lid, van die wet opgenomen bedragen van € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar zijn sinds die datum niet meer aangepast. De wet voorziet namelijk niet in een automatische aanpassing van deze bedragen. Indien deze bedragen vanaf 2006 zouden zijn geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor, zouden deze bedragen zijn toegenomen tot € 175 en € 1.748 in 2018.

De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaast hoeveel mensen gebruikmaken van een vrijwilligersvergoeding en hoe hoog deze gemiddeld is. Verder vragen deze leden hoeveel mensen meer dan € 150 per maand of meer dan € 1.500 per kalenderjaar aan vrijwilligersvergoeding ontvangen en hoeveel extra mensen na de verhoging van de maxima onbelast blijven. Tot slot vragen deze leden hoeveel administratieve lasten de verhoging van het maandelijkse en jaarlijkse bedrag aan onbelaste vergoeding scheelt voor de organisaties waar vrijwilligers werkzaam zijn. Uit het rapport «Wie doet vrijwilligerswerk?» van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit 2016 blijkt dat de helft van de Nederlanders van boven de 15 jaar (volgens de laatste leeftijdsverdeling van het CBS zo’n 14 miljoen) in 2012 weleens vrijwilligerswerk heeft gedaan. Hoeveel van deze 7 miljoen vrijwilligers een vergoeding heeft ontvangen en wat de gemiddelde hoogte van de vergoeding is, is niet bekend. Op basis van een in het rapport opgenomen tabel over het aantal uren dat vrijwilligers wekelijks aan vrijwilligerswerk besteden en op basis van enkele aannames, is het aantal vrijwilligers dat het maximum aan maandelijkse of jaarlijkse onbelaste vergoeding ontvangt geraamd op 150.000. De verwachting is dat er door de verhoging van de maximumbedragen een beperkt aantal extra vrijwilligers onder de regeling zullen vallen. Organisaties houden namelijk rekening met de maxima en zullen vermijden dat vrijwilligers door het ontvangen van een vergoeding van meer dan het maximum, netto minder overhouden dan als ze het maximum aan onbelaste vrijwilligersvergoeding zouden ontvangen. Wel zal een deel van de organisaties die op dit moment het maandelijkse onbelaste maximum van € 150, dan wel het jaarlijkse onbelaste maximum van € 1.500 aan vrijwilligers geven, dit bedrag verhogen. Voor de organisaties waar vrijwilligers werkzaam zijn, zal er daarom nauwelijks sprake zijn van een toe- of afname van de administratieve lasten.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de verhoging van het plafond van de vrijwilligersregeling betekent voor de maximale vrijwilligersvergoedingen per uur. In het Belastingplan 2019 wordt voorgesteld de in de vrijwilligersregeling genoemde bedragen te verhogen naar € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar. Deze bedragen zijn wettelijk vastgelegd en zien op een administratieve lastenverlichting voor organisaties die vrijwilligers inzetten. Met deze regeling wordt voorkomen dat voor elke vergoeding moet worden aangetoond dat daadwerkelijk kosten zijn gemaakt, waarvoor bewijs dient te worden overgelegd. De voorgestelde verhoging van de maximumbedragen heeft geen gevolgen voor de door de Belastingdienst gehanteerde uurvergoeding van maximaal € 4,50. Dit bedrag is niet in de wet vastgelegd, maar staat wel in het Handboek Loonheffingen. Deze uurvergoeding heeft een ander karakter dan de maximumbedragen van € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar en ziet op het »niet bij wijze van beroep» uitoefenen van vrijwilligerswerk. Op dit punt is geen inhoudelijk wijziging beoogd. Het kabinet ziet dan ook geen reden om deze norm aan te passen.

De leden van de fractie van D66 vragen of tegelijk met de voorgestelde verhoging van het voor een kalenderjaar geldende plafond van de regeling voor vrijwilligers met € 200 de bijbehorende vrijlatingen in de sociale zekerheid worden verhoogd.

Het kabinet beoogt de verhoging van het plafond inderdaad ook door te laten werken naar de kring van werknemers voor de WW, de ZW, de WIA en de WAO. Vergelijkbare wijzigingen worden daarom waar dat wetstechnisch nodig is, aangebracht in de genoemde socialezekerheidswetgeving. De leden van de fractie van D66 vragen voorts of de verhoging van de bedragen binnen de vrijwilligersregeling bekend is bij de meeste vrijwilligersorganisaties en potentiële vrijwilligers. Uit een oogpunt van voorlichting zal de Belastingdienst de verhoging van de vrijwilligersregeling via de gebruikelijke kanalen bekendmaken. Zo zal bijvoorbeeld in de Nieuwsbrief Loonheffingen 2019 die in november 2018 uitkomt aandacht worden besteed aan de verhoging van het plafond van de vrijwilligersregeling. Ook op de website van de Belastingdienst zal hier aandacht aan worden besteed.

De leden van de fractie van de SP vragen wat het budgettaire beslag is indien de maximale vergoeding wordt verhoogd tot € 200 en € 2.000. Een verhoging van de maximale onbelaste vergoeding van € 170 naar € 200 en van € 1.700 naar € 2.000 leidt naar verwachting tot een structurele budgettaire derving van € 8 miljoen.

De leden van de fractie van DENK vragen wat wel en niet onder de vrijwilligersregeling valt. Als voorbeelden noemen zij het lidmaatschap van een stembureau en de situatie dat een burgercommissielid als vrijwilliger niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor de gemeenteraad. Onder de vrijwilligersregeling vallen vergoedingen en verstrekkingen die in verband met het verrichten van het vrijwilligerswerk toekomen aan een vrijwilliger. Onder vrijwilliger wordt hierbij verstaan de persoon die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een organisatie die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Indien de genoemde vrijwilligers dus niet bij wijze van beroep arbeid verrichten voor een stembureau of een gemeenteraad en zij ontvangen hiervoor vergoedingen en verstrekkingen, dan worden de vrijwilligers niet aangemerkt als werknemer als deze vergoedingen en verstrekkingen tezamen niet hoger dan € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar zijn. De vrijwilligers kunnen deze vergoedingen en verstrekkingen dan zonder inhouding van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen ontvangen van het stembureau of de gemeenteraad. In de praktijk wordt niet altijd aan deze vereisten voldaan.25

6. Wet op de omzetbelasting

6.1. Verhogen verlaagde btw-tarief

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom het belasten van consumptie minder verstorend is dan het belasten van inkomen. Het kabinet heeft de ambitie om werken lonender te maken door arbeidsinkomen minder te belasten. De belasting op arbeidsinkomen vermindert de financiële prikkel voor burgers om te gaan werken, of om meer te gaan werken. Door deze belasting te verlagen, wordt de keuze minder verstoord en wordt werken lonender. Het belasten van consumptie verstoort de keuze om te werken juist niet (direct). Het kabinet brengt bovendien de tarieven in de btw dichter naar elkaar toe, zodat de bestaande verstoring van de consumptiebeslissing kleiner wordt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het verhogen van het verlaagde btw-tarief btw-carrouselfraude in de hand werkt. Ook vragen zij hoe het kabinet dit gaat oplossen. De Belastingdienst besteedt veel aandacht aan het voorkomen en detecteren van grensoverschrijdende btw-fraude. Het verhogen van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% maakt het aantrekkelijker om te frauderen met goederen en diensten onder het verlaagde tarief vallen dan voorheen. Ook mogelijke nieuwe fraudes met goederen die onder het verlaagde tarief vallen zullen met de detectiemethoden naar boven komen. Hieraan zal, met het oog op de tariefwijziging, aandacht worden besteed. Indien hieruit naar voren komt dat de fraude in bepaalde (nieuwe) branches de kop op steekt zal hieraan aandacht besteed worden. Dit kan bijvoorbeeld door voorlichting te gegeven aan bedrijven om op de risico's van grensoverschrijdende btw-fraude te wijzen, brancheorganisaties te benaderen en informatie te plaatsen op de website van de Belastingdienst. Ook het op dit moment in ontwikkeling zijnde Europese detectiesysteem TNA, dat vermoedelijk in begin 2019 actief zal worden, zal hieraan een bijdrage leveren.

De leden van de fracties van 50PLUS en het CDA vragen om een nadere toelichting met betrekking tot de grenseffecten als gevolg van de verhoging van het verlaagde btw-tarief. De leden van de fractie van 50PLUS vragen daarbij in het bijzonder aandacht voor de grenseffecten met Duitsland en België. Verder vragen de leden van de fractie van het CDA naar de grenseffecten voor andere categorieën dan houdbare voedingsmiddelen. De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaast naar een overzicht van onderzoeken naar de grenseffecten van de verhoging van het verlaagde btw-tarief. In het rapport werkgroep Fiscaliteit, ten behoeve van de Studiegroep Duurzame Groei26 is onder meer onderzoek gedaan naar de grenseffecten van een verhoging of uniformering van het btw-tarief. Hieruit volgt dat het inschatten van de omvang van grenseffecten voor de btw zeer lastig is. Zo hangt voor elke productgroep de omvang van het grenseffect van een btw-verhoging af van de geschiktheid voor grensoverschrijdende aankoop, prijselasticiteit van de vraag en het prijsverschil met buurlanden. Dit volgt onder meer uit het onderzoek van Copenhagen Economics.27 Voor goederen geldt dat de grenseffecten sterk afhangen van de hoogte van de prijs per gewicht of het volume, de bederfelijkheid van het product, cultuurgebondenheid en de merkwaarde. Voor het verlaagde btw-tarief betekent dit dat met name boeken, medicijnen en bepaalde soorten voedingsmiddelen gevoelig lijken voor grenseffecten. Op andere goederen die gevoelig zijn voor grenseffecten, zoals merkkleding, cd’s, dvd’s, elektronica en cosmetica, is in Nederland het verlaagde btw-tarief niet van toepassing. Voor voedingsmiddelen geldt dat het prijspeil in België en Duitsland over het algemeen hoger is dan in Nederland. Ook ná de verhoging van het verlaagde btw-tarief.28 Om die reden verwacht het kabinet dat de grenseffecten voor deze categorie producten beperkt zullen zijn. Voor boeken geldt dat enkel bij Engelstalige of Vlaamse boeken mogelijk sprake zal zijn van grenseffecten. Boeken vormen slechts een klein deel van de grondslag van de producten en diensten waarop het verlaagde btw-tarief van toepassing is. Mede om die reden verwacht het kabinet geen grote grenseffecten. Voor medicijnen komt het kabinet tot diezelfde conclusie. In de regel kunnen namelijk enkel medicijnen waarvoor geen recept nodig is over de grens worden gekocht. Voor diensten geldt dat de grenseffecten afhankelijk zijn van de geschiktheid van de dienst om over de grens te worden verricht. Daarnaast geldt voor bepaalde diensten, zoals diensten die betrekking hebben op onroerende zaken zoals schoonmaak- en schilderwerkzaamheden, dat het btw-tarief van toepassing is dat geldt in de lidstaat waar het onroerende goed zich bevindt. Een Belgische schilder zal dus 9% in rekening brengen indien hij in 2019 in Nederland schilderwerkzaamheden verricht. Verder dient te worden opgemerkt dat Nederland relatief breed het verlaagde btw-tarief toepast. Zo geldt in Duitsland en België bijvoorbeeld geen verlaagd btw-tarief voor een kappersbezoek en worden ook horecadiensten tegen een hoger tarief belast.29 Ook het Institute for Transnational and Euregional cross border cooperation and Mobility (ITEM) komt in haar rapport «Verkenning van grenseffecten van verhoging lage btw-tarief» tot de conclusie dat het zeer lastig is om de grenseffecten in beeld te brengen.30 Verder volgt uit het onderzoek dat de koopstromen van Duitsers en Belgen richting Nederland groter zijn dan de koopstroom van Nederlanders richting Duitsland en België. Nederlandse consumenten en producenten in grensregio’s profiteren dus netto van de grenseffecten. ITEM tendeert in haar conclusie naar een niet al te grote impact van prijsveranderingen op het grensoverschrijdende bestedingsgedrag van consumenten, gegeven de bestaande prijsverschillen aan weerszijden van de grens en de vaak ook grote prijsverschillen binnen Nederland.31 Zij heeft wel aanwijzingen gevonden waardoor valt te verwachten dat de geplande btw-verhoging in elk geval enig effect op de grensoverschrijdende koopstromen te weeg zal brengen.32 Deze aspecten in overweging nemend, is het kabinet tot de conclusie gekomen dat naar verwachting de grenseffecten door de verhoging van het verlaagde btw-tarief beperkt zijn.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom – ondanks dat het overschot op de begroting aanzienlijk hoger is dan geraamd aan het begin van deze kabinetsperiode en ook aanzienlijk hoger dan bij de laatste belastinghervorming in 2001 – niet wordt gekozen voor een groot bedrag aan nettolastenverlichting («smeerolie»), terwijl daar in 2001 wel voor werd gekozen. De beleidsmatige lastenontwikkeling is voor de gehele kabinetsperiode vastgelegd in het inkomstenkader conform het trendmatige begrotingsbeleid. Het kabinet heeft bij het regeerakkoord gekozen voor dit trendmatige begrotingsbeleid dat gericht is op het beheersen van de overheidsfinanciën, het bereiken van een doelmatige allocatie van middelen en een automatische stabilisatie van de economie. Het houdt in dat aan het begin van de kabinetsperiode het maximale uitgavenniveau wordt vastgesteld via uitgavenplafonds. Voor de inkomstenkant van de begroting geldt het principe van automatische stabilisatie: inkomstenmeevallers komen ten gunste van het overheidssaldo en inkomstentegenvallers belasten het overheidssaldo.

Door het voeren van trendmatig begrotingsbeleid worden extra buffers gecreëerd in economisch goede tijden, om forse ingrepen in slechte tijden zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet zet met de maatregelen uit het regeerakkoord in op lastenverlichting voor burgers en bedrijven. Burgers zullen de komende jaren de lastenverlichting merken. Alle inkomensgroepen gaan er de komende jaren op vooruit door concrete maatregelen zoals de invoering van een tweeschijvenstelsel, een verhoging van de algemene heffingskorting en een per saldo verhoging van de arbeidskorting. Daarbij heeft en houdt het kabinet oog voor een evenwichtige lasten- en koopkrachtontwikkeling voor burgers en bedrijven.

De leden van de fracties van DENK, de PvdA en de SP stellen vragen over de inkomenseffecten van de verhoging van het verlaagde btw-tarief. In de koopkrachtberekeningen rond Prinsjesdag is de btw-verhoging meegenomen, via het effect op de inflatie. Deze berekeningswijze is een versimpeling, maar wel een goede benadering van de werkelijkheid. Door de verhoging van het verlaagde btw-tarief nemen de prijzen van veel goederen en diensten toe, waardoor het algemene prijsniveau stijgt. De inflatie werkt vervolgens een-op-een door in de koopkrachtcijfers. Een kwantitatief overzicht van de gevolgen van de btw-verhoging voor de koopkracht van verschillende inkomensgroepen, is niet beschikbaar.

Kwalitatief kan wel een aantal dingen opgemerkt worden over de inkomenseffecten van de btw-verhoging. Statistieken van het CBS laten zien dat het percentage van de bestedingen dat onder het verlaagde btw-tarief valt, in 2013 lager was bij lagere inkomens dan bij hogere inkomens. Het percentage van het besteedbaar inkomen dat aan goederen en diensten onder het verlaagde btw-tarief wordt uitgegeven, is echter hoger bij lagere inkomens dan bij hogere inkomens. De verklaring hiervoor is dat de totale bestedingen het besteedbaar inkomen overtreffen (of dat besparingen negatief zijn) voor de lagere inkomensgroepen. Voor hogere inkomensgroepen is het juist omgekeerd. In de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de Macro-Economische Verkenningen van het CPB is een nadere uitleg hierover te vinden.33 Een kanttekening bij deze berekening van btw als aandeel van het besteedbaar inkomen is dat de besparingen van hogere inkomensgroepen op een later moment worden uitgegeven en er dan alsnog btw over wordt geheven. Een deel van de huishoudens die op dit moment in de laagste inkomensdecielen vallen, zijn huishoudens die deels kunnen leven van het spaargeld dat ze eerder in hun leven, toen ze in hogere decielen vielen, hebben opgebouwd. Ook dit aspect van de levenscyclus maakt het complex om exacte berekeningen te maken voor de inkomenseffecten van de btw-verhoging. Ook geldt dat de door het kabinet gepresenteerde koopkrachtcijfers statisch zijn en dynamische aspecten dus niet worden meegenomen. Zoals terecht wordt opgemerkt door de leden van de fracties van de SP en de PvdA, verschillen ook de mogelijkheden om de effecten van de tariefsverhoging te omzeilen. Op luxegoederen, die voornamelijk door hogere inkomens worden geconsumeerd, kan makkelijker worden bespaard dan op eerste levensbehoeften. Luxegoederen hebben echter een beperkt aandeel in de consumptie die onder het verlaagde tarief valt. Ook op dit punt zijn de verschillen tussen inkomensgroepen dus klein. Het is echter goed denkbaar dat de consumptie van luxegoederen juist toe zal nemen door de brede koopkrachtstijging.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet expliciet te reageren op het promotieonderzoek naar de negatieve welzijnseffecten door de verschuiving van directe naar indirecte belastingen. Dit onderzoek is gebaseerd op de statistieken van het CBS waar het kabinet hier ook heeft genoemd. Het meer indirect maken van de belastingen is echter niet per definitie extra nadelig voor de lage inkomens. De impact hangt af van de precieze vormgeving van de maatregelen. De onderzochte maatregelen in het promotieonderzoek wijken op twee punten af van de kabinetsplannen. Ten eerste gaat het in het onderzoek om een algemene verhoging van de btw, niet alleen het verlaagde tarief, waar de hoge inkomens relatief veel aan besteden. Ten tweede wordt in het promotieonderzoek de inkomstenbelasting evenveel verlaagd als de btw wordt verhoogd, terwijl het kabinet per saldo de lasten verlaagt. De lastenverzwaring van de btw-verhoging bedraagt € 2.987 miljoen, terwijl de invoering van het tweeschijvenstelsel en de maatregelen in de heffingskortingen de lasten voor burgers met € 4.385 verlagen in 2019. De koopkrachtramingen laten zien dat dat 96% van de huishoudens er komend jaar naar verwachting op vooruit gaat.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel de kosten voor boodschappen stijgen voor een gemiddeld huishouden door de verhoging van het verlaagde btw-tarief. Het kabinet neemt aan dat met de term boodschappen wordt gedoeld op de aankoop van voedingsmiddelen en dranken in winkels. Een gemiddeld huishouden betaalt per jaar ongeveer € 300 meer aan btw door de tariefsverhoging. Boodschappen beslaan ongeveer 50% van de uitgaven van consumenten onder het verlaagde tarief. Het effect is op de boodschappen is hiermee een kostenstijging van ongeveer € 150 per jaar, dus ruim € 10 per maand.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af wat de gevolgen van de verhoging van het verlaagde btw-tarief zijn voor de sectoren die te maken hebben met het verlaagde btw-tarief. Hierbij moet worden gedacht aan de cultuursector, boeken, media, openbaar vervoer en diensten als kappers en fietsenmakers. Het afgelopen jaar zijn enkele onderzoeken gepubliceerd over de effecten van de btw-verhogen voor specifieke sectoren. Deze onderzoeken zijn er niet altijd in geslaagd de effecten van de koopkrachtverbeterende maatregelen van het kabinet voldoende mee te nemen. Er moet immers rekening worden gehouden met het positieve effect op de consumptie (in alle sectoren) die het gevolg is van de toename van de koopkracht door de verlaging van de inkomstenbelasting. Desalniettemin kan er kort na de verhoging van het verlaagde btw-tarief in bepaalde sectoren sprake zijn van een beperkte omzetafname. Daarbij merkt het kabinet op dat deze sectoren zich structureel in een bevoordeelde positie bevinden ten opzichte van andere sectoren. De hoofdregel in de btw is namelijk dat goederen en diensten tegen het algemene tarief van 21% worden belast. Ook na de verhoging van het verlaagde btw-tarief blijven de betreffende sectoren in een gunstige positie voor de btw door een voordeel van 12%-punt ten opzichte van andere ondernemers.

Verder wordt gevraagd in hoeverre de verhoging van het verlaagde btw-tarief kan worden doorberekend aan consumenten. Ondernemers kunnen de volledige verhoging van het verlaagde btw-tarief doorberekenen aan consumenten. Dit ligt in het verlengde van het karakter van de btw. De btw is een belasting die beoogt het consumptie verbruik te belasten en drukt daarom niet op de ondernemer, maar op de consument. In welke mate een ondernemer besluit de verhoging uiteindelijk door te rekenen aan zijn afnemers of besluit voor eigen rekening te nemen, is afhankelijk van verschillende factoren en kan niet in algemene zin beantwoord worden. Denk daarbij aan de prijsgevoeligheid van het product en de marge die ondernemers op dit moment hebben.

De leden van de fractie SGP vragen zich af wat de gevolgen van de btw-verhoging zijn op de levering van gezonde producten, zoals groente en fruit, en of er eventueel mogelijkheden zijn om deze producten te blijven stimuleren. Allereerst wil het kabinet benadrukken dat de verhoging van het verlaagde btw-tarief van toepassing is op het gehele aanbod van levensmiddelen, zowel voor levensmiddelen die als gezond bekend staan, als voor levensmiddelen die als ongezond worden gezien. Omdat de verhoging een generieke maatregel is, is er geen reden om aan te nemen dat consumenten zullen overstappen van gezonde naar minder gezonde levensmiddelen. Zoals hiervoor toegelicht ligt het niet voor de hand om bij deze generieke verhoging van het verlaagde tarief een categorie diensten of goederen uit te zonderen of te compenseren. Dit betekent niet dat het kabinet gezond eten niet stimuleert, enkel dat een uitzondering in de btw niet voor de hand ligt. De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houden zich binnen het kabinet bezig met de wijze waarop gezonde voeding door het kabinet wordt gestimuleerd.

De NOB vraagt of de btw verschuldigd wordt op het moment van vooruitfacturering, meer specifiek in het geval dat de betreffende vooruitbetaling pas in 2019 wordt gedaan. Ook hier gelden de normale wettelijke regels voor het tijdstip van verschuldigdheid en het toe te passen btw-tarief. Bij vooruitbetalingen is de btw op moment van ontvangst van de betaling verschuldigd. Uitzondering hierop is een overeengekomen vooruitbetaling voor goederenleveringen en diensten aan andere ondernemers of rechtspersonen. De presterende ondernemer is dan verplicht een factuur uit te reiken vóór het tijdstip van de opeisbaarheid van de vooruitbetaling. Het btw-tarief dat geldt op het tijdstip dat deze factuur wordt uitgereikt of had moeten worden uitgereikt dient dan gehanteerd te worden. Dit betekent dat bij facturering in 2018 en een betaling in 2019 slechts in een beperkt aantal gevallen het btw-tarief uit 2018 van toepassing is. Kunstmatige constructies waarbij vooruit wordt gefactureerd voor prestaties die na 1 januari 2019 worden verricht en betaald, zullen door de Belastingdienst worden bestreden.

Het RB vraagt welk btw-tarief van toepassing is in het geval dat een ondernemer die het kasstelsel toepast in 2018 een prestatie verricht en de factuur verzendt, maar de vergoeding pas in 2019 ontvangt: het verlaagde btw-tarief geldend in 2018 (hierna: oude btw-tarief) of het verlaagde btw-tarief geldend in 2019 (hierna: nieuwe btw-tarief). Verder vraagt het RB welk btw-tarief van toepassing is in het geval een ondernemer die het kasstelsel toepast deelbetalingen in 2018 en in 2019 ontvangt voor dezelfde prestatie. Het moment van verschuldigdheid is zowel voor ondernemers die het kasstelsel als het factuurstelsel toepassen bepalend voor de vraag welk btw-tarief van toepassing is. Voor ondernemers die het kasstelsel toepassen geldt in beginsel dat de btw wordt verschuldigd op het moment dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen. Voor de eerste vraag van het RB betekent dit dat de ondernemer in 2019 de btw wordt verschuldigd tegen het dan geldende btw-tarief, de vergoeding wordt immers pas dan ontvangen. Indien een ondernemer het kasstelsel toepast, is de ondernemer over deelbetalingen die in 2018 worden ontvangen het oude btw-tarief verschuldigd en over de deelbetalingen die in 2019 worden ontvangen het nieuwe btw-tarief.

6.2. Verruimen Nederlandse sportvrijstelling

De leden van de fractie van het CDA vragen of amateursportverenigingen die een topsportdivisie hebben in aanmerking komen voor de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties. Indien de sportvereniging geen winstbeogende instelling is en diensten verricht die nauw samenhangen met sportbeoefening of lichamelijke opvoeding, dan vallen deze diensten onder de sportvrijstelling, is er geen recht van aftrek en kan in beginsel een beroep worden gedaan op de subsidieregeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het overgangsrecht ook van toepassing is wanneer een verbouwing in 2018 is afgerond, maar de ingebruikname in 2019 aanvangt. De overgangsregeling is bedoeld om te voorkomen dat in aftrek gebrachte btw die ziet op de bouw van een sportaccommodatie moet worden herzien als gevolg van deze wetswijziging. De overgangsregeling heeft ook betrekking op de situatie waarin de bouw van een sportaccommodatie in 2018 is afgerond, maar de ingebruikname in 2019 plaatsvindt (artikel XXV, tweede lid). De herziening op grond van artikel 15, zesde lid, Wet OB blijft ook achterwege als het pand ná 1 januari 2019 in gebruik wordt genomen voor zover de herziening het gevolg is van de verruiming van de sportvrijstelling. De overgangsregeling wordt op dit punt bij nota van wijziging verduidelijkt. In de overgangsregeling moet niet worden gelezen dat onroerende en roerende zaken blijvend belast worden gebruikt. De overgangsregeling zorgt er alleen voor dat geen herziening plaatsvindt van afgetrokken btw vanwege het vrijgestelde gebruik van de onroerende en roerende zaken voor zover dat vrijgestelde gebruik het gevolg is van deze wetswijziging. Dit ook in antwoord op vragen van de NOB.

De leden van de fractie van het CDA vragen daarnaast of een gemeente die een accommodatie met optie belaste verhuur aan de sportstichting verhuurt, dit vanaf 1 januari 2019 kan voorzetten, of dat de gemeente btw moet herzien, aangezien niet meer de sportvrijstelling van toepassing is maar de verhuurvrijstelling en of in dit geval ook sprake is van het «vervallen van het aftrekrecht louter als gevolg van de verruiming van de sportvrijstelling». Een optie voor belaste verhuur is mogelijk als de huurder de onroerende zaak gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Ingeval een huurder vanwege de verruiming van de sportvrijstelling een sportaccommodatie niet langer gebruikt voor btw-belaste activiteiten, vervalt de mogelijkheid voor de verhuurder om deze sportaccommodatie btw-belast te verhuren. De verhuurder moet dan in beginsel de in aftrek gebrachte btw herzien. Op grond van de overgangsregeling kan herziening van de in aftrek gebrachte btw achterwege blijven voor zover deze herziening het gevolg is van de verruiming van de sportvrijstelling. Dit ook in antwoord op de vraag van het RB en de vraag van het NOB.

De leden van de fractie van D66 vragen een overzicht van het btw-voordeel dat voor en door accommodaties in de afgelopen vijf jaar is genoten en hoeveel geld er nu structureel beschikbaar is voor de subsidieregeling voor sportaccommodaties. Er is geen sprake van een btw-voordeel onder het huidige regime. Voor het ter beschikking stellen van sportaccommodaties geldt de reguliere btw-behandeling, met afdracht over de omzet en recht op aftrek van btw over gemaakte kosten. De aftrekbare btw die drukt op de kosten is hoger dan de af te dragen btw over de inkomsten van het geven van de gelegenheid tot sportbeoefening, waardoor veel gemeenten en sportverenigingen tot op heden structureel geld terugkregen op de aangifte omzetbelasting. Doordat de btw-vrijstelling voor sport vanaf 2019 ook voor het ter beschikking stellen van sportaccommodaties komt te gelden, vervalt deze teruggaafpositie van gemeenten en sportstichtingen. De structurele budgettaire opbrengst die hiermee gepaard gaat, is geraamd op € 224 miljoen. Wanneer deze raming wordt toegepast op de jaren 2014–2019, volgt onderstaande reeks:

Tabel 21: Teruggaafpositie gemeenten en sportstichtingen betreffende sportaccommodaties
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Btw-teruggaaf per saldo, bij ongewijzigd beleid (€ mln)

193

199

205

213

218

224

Er is structureel € 241 miljoen beschikbaar gesteld inclusief uitvoeringslasten voor subsidieregelingen ten behoeve van het beheer van sportaccommodaties.

De leden van de fractie van D66 vragen welke zekerheid sportbedrijven met betrekking tot de subsidie hebben en op welke wijze is gezorgd voor een compensatie voor de sportbedrijven. Sportbedrijven kunnen indien zij financieel nadeel ondervinden als gevolg van de verruiming van de sportvrijstelling omdat zij geen recht op aftrek van voorbelasting meer hebben, net als andere instellingen een beroep doen op de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties. Zij moeten uiteraard wel aan de voorwaarden voldoen om subsidie te kunnen krijgen. Een belangrijke voorwaarde is dat zij geen recht op aftrek hebben op de aan hen in rekening gebrachte btw. Het is immers niet de bedoeling dat organisaties zowel subsidie krijgen als btw kunnen verrekenen.

Op de vraag van deze leden of de subsidie op een «wie het eerst komt, wie het eerst maalt»-wijze wordt verdeeld is het antwoord bevestigend.

Verder vragen deze leden naar een vergelijking van de fiscale behandeling van cultuur en sport. Deze leden lijken te verwijzen naar de vrijstelling op grond waarvan diensten en leveringen van sociale of culturele aard zijn vrijgesteld mits de ondernemer die de activiteiten verricht geen winst beoogt en er geen verstoring van de concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die wel winst beogen. Overeenkomstig de sportvrijstelling is het vereist dat de instelling die de activiteit verricht geen winst mag beogen en er geen verstoring mag optreden in de concurrentieverhoudingen. Een andere overeenkomst is dat beide vrijstellingen gezien worden als vrijstellingen voor activiteiten van algemeen belang. De zogenaamde culturele vrijstelling geldt echter voor diensten en leveringen, de sportvrijstelling is slechts van toepassing op diensten. Een ander verschil is het karakter van de activiteiten die onder de verschillende vrijstellingen vallen. Onder de sportvrijstelling vallen slechts diensten die nauw samenhangen met de uitoefening van sport. Om te kwalificeren als sport geldt dat er een niet te verwaarlozen lichamelijke component moet zijn.34 Het karakter van de activiteiten die onder de sociaal-culturele vrijstelling kunnen vallen loopt meer uiteen.

De NOB vraagt in het kader van de definiëring van «sport» hoe wordt aangekeken tegen bewegingsvormen waarbij ook (of met name) een recreatief element een rol speelt. Als voorbeeld noemt de NOB het gebruik van het zwembad voor een sport als waterpolo en het recreatief gebruik van het zwembad. Het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) heeft in jurisprudentie geoordeeld dat de sportvrijstelling alleen ziet op activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Steeds zal aan de hand van de activiteit moeten worden beoordeeld of sprake is van een niet te verwaarlozen lichamelijke component. De aanleiding tot de activiteit, competitief of recreatief is daarbij niet van belang. Indien bij recreatief gebruik van een zwembad geen sprake is van een te verwaarlozen fysieke activiteit, dan valt deze binnen de vrijstelling. De NOB vraagt verder hoe het begrip «actieve sportbeoefening» uit de toelichting op post b3 van tabel I bij de Wet OB 1968 moet worden uitgelegd. De NOB staat een consistente uitleg van de begrippen voor. Het kabinet is van mening dat een consistente uitleg van het begrip «actieve sportbeoefening» gewenst is. Met het begrip «actieve sportbeoefening» worden activiteiten bedoeld die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Deze invulling van het begrip «actieve sportbeoefening» volgt uit jurisprudentie van het HvJ EU. De Toelichting Tabel I wordt op dit punt aangepast.

Het RB vraagt om een nadere toelichting op de wijze waarop de normale waarde van dergelijke prestaties moet worden bepaald. Voor de wijze waarop de normale waarde van dergelijke prestaties moet worden bepaald wordt verwezen naar artikel 2a, eerste lid, onderdeel s, Wet OB 1968. De bepaling heeft tot doel een marktconforme prijs te benaderen. Verder vraagt het RB of onderdeel b van het voorgestelde artikel 11, vierde lid Wet OB 1968 zo moet worden gelezen dat instellingen die exploitatieoverschotten behalen, maar van de gemeente onder de kostprijs een accommodatie huren te allen tijde als niet-winst beogend worden aangemerkt. Het artikel moet zo worden gelezen dat de instellingen die een accommodatie huren van de gemeente onder de kostprijs, altijd moeten worden aangemerkt als niet-winstbeogend. Voor de ter beschikkingstelling van de sportaccommodatie worden niet ten minste de integrale kosten in rekening gebracht.

De NOB wijst op de aanpassing van het winstbegrip voor niet alleen de sportsector maar ook voor enkele andere sectoren en vraagt of de gevolgen van de wijziging van het winstbegrip voor die andere sectoren is onderzocht. De gevolgen van deze wijziging voor de andere sectoren zijn niet onderzocht, met de aanpassing van «met de prestaties» naar «voor het geheel van haar prestaties» is immers geen wijziging maar een verduidelijking beoogt. De tekst is nu in lijn met de BTW-richtlijn en de Nederlandse wetgeving is om die reden op dit punt niet meer vatbaar voor inbreukprocedures van de Europese Commissie. Verder vraagt de NOB naar een toelichting op grond waarvan is besloten om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 131 van de BTW-richtlijn geeft om voorwaarden te stellen aan de toepassing van de sportvrijstelling. Artikel 131 BTW-richtlijn geeft de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan bepaalde vrijstellingen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Nederland heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van deze mogelijkheid. In de praktijk zijn er diverse structuren ontstaan waarbij entiteiten worden opgericht die specifiek erop gericht zijn om btw-aftrek te genereren. Dergelijke structuren zijn onwenselijk en stroken niet met de beoogde toepassing van de vrijstelling. Daarnaast kunnen sommige structuren gericht zijn op ontwijking. Ook ontwijking wordt op deze manier getracht te voorkomen.

Toepassing van artikel 131 van de BTW-richtlijn dient in lijn te zijn met het evenredigheidsbeginsel. De voorgestelde maatregel voldoet hier naar de mening van het kabinet aan en gaat voor het tegengaan van structuren die in strijd zijn met het doel en de strekking van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, Wet OB 1968 niet verder dan noodzakelijk. Tenslotte is bij de beslissing om artikel 131 toe te passen meegenomen dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport per 1 januari 2019 de ontwikkeling, het onderhoud en de instandhouding van sportaccommodaties zal stimuleren door middel van de inwerkingtreding van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties. Deze regeling voorziet (onder voorwaarden) in een subsidie voor sportverenigingen en een specifieke uitkering voor gemeenten. Het is niet de bedoeling om zowel van een subsidieregeling gebruik te maken als recht van aftrek toe te passen.

De NOB wenst te vernemen waarom is aangesloten bij de Mededingingswet terwijl artikel 80 van de BTW-richtlijn de mogelijkheid biedt om aan te sluiten bij het normale waarde begrip. Lokale overheden moeten op grond van de Mededingingswet de integrale kosten al hebben berekend voor andere doeleinden. Het bedrag van de integrale kosten is bij de gemeenten bekend. Indien gemeenten ervoor hebben gekozen om gebruik te maken van de uitzonderingssituatie in de Mededingingswet en de integrale kosten niet hebben gehanteerd maar een lagere vergoeding hebben gevraagd, dan is er voor de btw geen probleem. Er wordt voor de sportvrijstelling geen winst beoogd, de sportvrijstelling is van toepassing en gemeenten, stichtingen en sportbedrijven kunnen een beroep doen op de subsidieregeling. Omdat het bedrag van de integrale kosten al bekend is, zorgt het hanteren van dit begrip voor minder administratieve lasten bij gemeenten dan de introductie van de normale waarde. Omtrent het begrip normale waarde heerst nog veel onduidelijkheid. Over de vaststelling van de integrale kosten heerst deze onduidelijkheid niet. Bij het bepalen van de integrale kostprijs kan gebruikgemaakt worden van de Nota van Toelichting bij het Besluit markt en overheid en de Handreiking Wet Markt en Overheid. Deze handreiking geeft toelichting en handvatten aan overheden die met de wet te maken krijgen. In een beslisboom wordt stap voor stap ingegaan op de vragen die overheden dienen te beantwoorden om te bezien of de wet op hen van toepassing is.

De NOB vraagt daarnaast of het kabinet kan toelichten wat wordt bedoeld met de aanvang van de bouw en vraagt bevestiging dat daaronder ook de situatie valt dat voor 1 januari 2019 de grond is verworven met het oog op de realisatie van een sportaccommodatie. De overgangsregeling geldt indien vóór 1 januari 2019 aanvang is gemaakt met de realisatie van de bouw. Hiervan is sprake indien met het oog op de realisatie van de bouw kosten zijn gemaakt die rechtstreeks en objectief aantoonbaar zijn toe te rekenen aan die realisatie dan wel indien voor de realisatie van de onroerende za(a)k(en) contractueel vastgelegde verplichtingen zijn aangegaan. Het louter in bezit hebben of verkrijgen van grond, zonder dat sprake is van een dergelijke rechtstreekse en aantoonbare relatie, is onvoldoende voor toepassing van de overgangsregeling. Als een onroerende zaak deel uitmaakt van een project dat meerdere onroerende zaken omvat, wordt de toepassing van de overgangsregeling per onroerende zaak getoetst.

7. Algemene wet inzake rijksbelastingen

7.1. Aanpassing van de regeling belastingrente voor de inkomstenbelasting en de erfbelasting

De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet ook op langere termijn onderzoek te blijven doen naar de eerlijkheid en de marktconformiteit van de belastingrente. Het kabinet heeft recent uitgebreid onderzoek gedaan naar de regeling belastingrente, met name ook naar de in de vraag genoemde aspecten hiervan. Dat heeft ertoe geleid dat de belastingrente op enkele onderdelen aangepast zal gaan worden. Ook voor de langere termijn zal het kabinet deze aspecten van de regeling en de ontwikkelingen die zich daarbij voordoen nauwgezet blijven volgen. In een eerdere brief aan uw Kamer naar aanleiding van het onderzoek is al aangegeven dat structurele aanpassingen grote budgettaire gevolgen zullen hebben alsmede de nodige impact zullen hebben op de uitvoering door de Belastingdienst.35
De leden van de fractie van het CDA wijzen erop dat de maatregel die ertoe leidt dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht voor tijdig ingediende aangiften erfbelasting, pas in werking treedt per 1 januari 2019. Deze leden vragen of de termijn van 2019 nog wordt aangepast indien de ICT-problemen later dan gepland zouden zijn opgelost. De maatregel waar deze leden op doelen zal op 1 januari 2019 in werking treden en gaan gelden voor belastingaanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens in 2019 en later. Voor belastingaanslagen ter zake van overlijdens vanaf 1 januari 2017 en later geldt daarnaast goedkeurend beleid waarin is geregeld dat het rekenen van belastingrente überhaupt buiten beschouwing blijft in verband met de vertraging die is opgetreden in het uitvoeringsproces.36 Dit beleid geldt zo lang het nodig is en wordt beëindigd vanaf het moment dat geen vertraging meer plaatsvindt waarna de nieuwe wettelijke maatregel, die het niet rekenen van belastingrente koppelt aan het tijdig doen van aangifte, feitelijk effectief wordt. Het is daarom niet nodig om de in het wetsvoorstel genoemde inwerkingtredingsdatum aan te passen.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat het voorstel om geen belastingrente in rekening te brengen indien voor 1 mei aangifte is gedaan het systeem voor belastingplichtigen een stuk overzichtelijker maakt. Deze leden vragen naar de gedragseffecten van deze maatregel, in het bijzonder of de maatregel ertoe zal leiden dat meer belastingplichtigen in april aangifte zullen doen. De voorgestelde wijziging betreft een formalisering van bestaand beleid, omdat de Belastingdienst de afgelopen jaren al geen belastingrente in rekening heeft gebracht indien tijdig voor 1 mei aangifte is gedaan. Hoewel gedrag moeilijk voorspelbaar is, wordt niet verwacht dat de maatregel zal leiden tot wijziging van het aangiftegedrag van belastingplichtigen, of dat hierdoor een betere spreiding van de werkzaamheden bij de Belastingdienst ontstaat.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het kabinet niet de maatregel in het Belastingplan 2019 nheeft opgenomen dat het rekenen van belastingrente in de sfeer van de vennootschapsbelasting achterwege blijft als een belastingplichtige tijdig (voor 1 juni) de aangifte indient. Zoals aangekondigd in een brief aan uw Kamer naar aanleiding van het onderzoek naar de belastingrente is de inzet van het kabinet erop gericht om de regeling belastingrente ook op het punt van de vennootschapsbelasting in deze zin aan te passen.37 De hiervoor benodigde budgettaire middelen, circa € 12 miljoen, zijn hiervoor echter nog niet gevonden. Om die reden is het niet mogelijk de maatregel in dit Belastingplan op te nemen. Het kabinet streeft ernaar de maatregel in het pakket Belastingplan 2020 op te nemen.

De leden van de fractie van de SP vragen om een langjarig overzicht van door de Belastingdienst vergoede rente en aan de Belastingdienst betaalde rente. Deze leden geven aan in het bijzonder geïnteresseerd te zijn in de ontwikkeling hiervan sinds de omvorming van het systeem heffingsrente naar het systeem belastingrente. In tabel 22 is aangegeven hoeveel belastingrente (inclusief heffingsrente volgens de oude regeling) door de Belastingdienst wordt ontvangen en vergoed. Er is geen betrouwbare splitsing tussen de belasting- en heffingsrente aan te brengen, omdat ze in de systemen van de Belastingdienst onder dezelfde noemer worden geregistreerd.

Tabel 22: Belastingrente (inclusief heffingsrente volgens de oude regeling) die door de Belastingdienst wordt ontvangen en vergoed
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Bedrag ontvangen belastingrente (x € miljoen)

715

439

507

561

617

590

Bedrag vergoede belastingrente (x € miljoen)

659

272

265

220

153

171

De leden van de fractie van DENK vragen of belastingplichtigen die vertraging ondervinden bij de schenk- en erfbelasting wel of geen belastingrente betalen en onder welke voorwaarden. Over aanslagen schenkbelasting wordt nooit belastingrente gerekend. Voor de erfbelasting geldt tijdelijk dat in verband met de automatiseringsproblemen bij de Belastingdienst er voor overlijdens vanaf 1 januari 2017 geen belastingrente in rekening gebracht wordt.

8. Compensatie (ex-)ondernemers Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet in de toekomst alert te zijn en snel in te grijpen bij situaties zoals het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) waarin er een groot verschil is tussen de juridische en de economische werkelijkheid die naar het oordeel van deze leden onrechtvaardig uitpakt bij heffingen naar draagkracht, zeker als het gaat om belastingplichtigen die op de grens van faillissement verkeren. Het kabinet is met de leden van de fractie van het CDA van mening dat het belangrijk is om dergelijke situaties vroegtijdig te onderkennen en waar nodig, binnen de mogelijkheden, voortvarend aan te pakken, maar wijst er wel op dat generieke regelgeving nooit kan voorkomen dat deze in individuele gevallen nadelig kan uitpakken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het opnieuw uitbetalen van toeslagen op grond van de compensatieregeling gepaard gaat met het vergoeden van rente. Deze leden vragen verder hoe de betreffende ondernemers ervoor kunnen zorgen dat lopende invorderingsmaatregelen per ommegaande gestopt kunnen worden en hoe zij over hun mogelijkheden geïnformeerd worden.

De ondernemers in kwestie die alsnog recht krijgen op uitbetaling van toeslagen ontvangen tevens een rentevergoeding conform de rentesystematiek van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dat betekent concreet dat zij een rentevergoeding krijgen van 4% over het bedrag van de uitbetaling te rekenen vanaf 1 juli volgend op het berekeningsjaar tot de dagtekening van de toekenningsbeschikking. Ondernemers die in een invorderingstraject zitten kunnen zich melden bij de Belastingdienst/Toeslagen. Zij moeten daarbij wel de benodigde bewijsstukken overleggen. Op de website van de Belastingdienst zal de nodige informatie worden opgenomen over de mogelijkheden die er zijn en wat ondernemers concreet moeten doen. Ook bij gemeenten zullen zij terecht kunnen voor nadere informatie.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet heeft nagedacht over een specifieke oplossing voor ondernemers die in de wettelijke schuldsanering zijn beland en hoe deze groep ervoor kan zorgen dat lopende invorderingsmaatregelen per ommegaande gestopt worden. Het kabinet heeft uiteindelijk gekozen voor een generieke maatregel in de sfeer van de toeslagen die een tegemoetkoming biedt voor alle ondernemers die geconfronteerd zijn met terugvorderingen van toeslagen als gevolg van de Bbz over de jaren 2014–2016. Het is voor de Belastingdienst/Toeslagen namelijk niet goed mogelijk vast te stellen of bepaalde ondernemers als gevolg van deze specifieke terugvordering in de wettelijke schuldsanering terecht zijn gekomen. Dit verklaart mede waarom is gekozen voor een generieke regeling. Enerzijds met het oog op de uitvoerbaarheid, anderzijds vanwege het oogpunt van rechtsgelijkheid. Ook iemand die in de wettelijke schuldsanering is beland (of diens bewindvoerder) kan zich overigens bij de Belastingdienst/Toeslagen melden met de benodigde bewijsstukken om lopende invorderingsmaatregelen met betrekking tot de toeslagschuld die is ontstaan door de Bbz stop te zetten.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoeveel mensen naar verwachting van de Bbz-compensatieregeling gebruik zullen maken. De verwachting is dat maximaal 4500 (ex-)ondernemers een beroep zullen doen op de compensatieregeling. Bij de formele inwerkingtreding van de regeling per 1 januari 2019 is voldoende capaciteit ingeruimd om de aanvragen te kunnen behandelen.

9. Structureel verlagen tarieven algemene bestedingsbelasting Saba en Sint Eustatius

De leden van de fractie van DENK hebben vragen gesteld over het structureel verlagen van de tarieven algemene bestedingsbelasting op Saba en Sint Eustatius. In de eerste plaats wordt gevraagd of dit een omzetbelasting betreft zoals de BTW. Tevens vragen de leden hoeveel geld deze maatregel kost. Tot slot wordt gevraagd hoeveel geld vanuit Nederland er in totaal naar Caribisch Nederland gaat. Bij de invoering van het fiscale stelsel op Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gekozen voor invoering van een algemene bestedingsbelasting (ABB). Dit is inderdaad een vorm van omzetbelasting. Voor goederen vindt een eenmalige heffing van ABB plaats bij invoer (ingeval het een ingevoerd goed betreft) ofwel, voor zover sprake is van lokale productie, bij de levering van het goed door de lokale producent. De maatregel kost jaarlijks structureel € 2 miljoen. In de bijlage bij de begroting 201938 zijn alle structurele uitgaven van het Rijk aan Caribisch Nederland weergegeven per begrotingshoofdstuk en -artikel. Voor 2018 gaat dit om een bedrag van in totaal € 333.985.000 en in 2019 om € 343.360.000.

10. Budgettaire aspecten

10.1. Budgettaire gevolgen pakket Belastingplan 2019

De leden van de fractie van het CDA en de SGP vragen hoe groot de budgettaire effecten zijn ten opzichte van het basispad. Het CDA verzoekt om tabel 7 en tabel 8 te updaten. In het basispad zat als gevolg van de terugsluis uit de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II al een verlaging van de tarieven in de inkomstenbelasting. Structureel zijn de kosten van het invoeren van het tweeschijvenstelsel hierdoor beperkt. In feite wordt de lastenverlichting naar voren gehaald. Hierdoor dalen de tarieven en daarmee de lasten voor huishoudens eerder dan al in het basispad zat. In de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II werd de structurele lastenverlichting in 2042 bereikt. Met de huidige maatregel wordt de structurele lastenverlichting 20 jaar naar voren gehaald. De lastenverlichting ten opzichte van het basispad is in 2025 ongeveer € 5,7 miljard, in 2030 € 5,2 miljard, in 2035 € 4,0 miljard en in 2040 € 1,6 miljard. De structurele lastenverlichting vanaf 2042 ten opzichte van het basispad is € 36 miljoen. In onderstaande tabellen is het structurele budgettaire effect ten opzichte van het basispad opgenomen.

Let op: De aanpassingen van het pakket vestigingsklimaat naar aanleiding van de heroverweging zijn nog niet in onderstaande tabellen verwerkt.

Tabel 23: Update tabel 8 budgettaire gevolgen in euro miljoen (+/+ is saldo verbeterend/lastenverzwarend)

Budgettaire tabel Belastingplan in € miljoen

2018

2019

2020

2021

Structureel

Invoeren tweeschijvenstelsel

0

– 4.029

– 4.108

– 5.614

– 36

Bevriezen beginpunt hoogste tariefschijf voor de kabinetsperiode

0

403

858

1.365

1.365

Verminderen beleidsmatige verhoging beginpunt hoogste tariefschijf na 2021

0

0

0

0

668

Tariefmaatregel grondslagverminderende posten

0

0

382

685

588

Verlagen EWF

0

0

– 204

– 432

– 862

Versoberen voorwaartse verliesverrekening box 2

       

5

Verhogen maximum algemene heffingskorting

0

– 1.721

– 2.778

– 3.276

– 3.276

Arbeidskorting verhogen en sneller afbouwen

0

766

563

370

370

Maximale arbeidskorting bij afbouwpunt verhogen

0

0

– 966

– 1.571

– 1.571

IACK vanaf 0 euro en verhoogd opbouwpercentage

0

193

193

193

193

Correctie box 2-tarief

0

0

212

212

170

Toepassing heffingskortingen in de inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen

0

3

3

3

3

ZW-uitkering telt niet langer mee voor hoogte arbeidskorting voor zieken zonder werk

0

0

66

140

165

Conserverende aanslag lijfrente en pensioen

 

0

0

0

0

Verkorten maximale looptijd 30%-regeling

0

369

337

273

241

Doorwerking wijziging 30%-regeling naar ETK-regeling

 

5

5

4

3

Doorwerking wijziging 30%- regeling naar keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht

 

19

17

14

13

Overgangsregeling schoolgelden voor internationale scholen i.v.m. wijziging 30%-regeling

 

– 1

     

Verhogen maxima vrijwilligersregeling

0

– 5

– 5

– 5

– 5

Verhogen verlaagd btw-tarief

0

2.987

2.987

2.987

2.987

Verruimen Nederlandse btw-sportvrijstelling

 

225

225

225

225

Aanpassing van de regeling belastingrente in de inkomstenbelasting en de erfbelasting

 

0

0

0

0

Structureel verlagen tarieven algemene bestedingsbelasting Saba en Sint Eustatius

0

– 2

– 2

– 2

– 2

Totaal

0

– 788

– 2.215

– 4.429

1.244

Tabel 24: Update tabel 7: budgettaire gevolgen per wetsvoorstel in euro miljoen (+/+ is saldo verbeterend/lastenverzwarend)

Budgettaire gevolgen Pakket Belastingplan in € miljoen

2018

2019

2020

2021

structureel

Belastingplan 2019

0

– 788

– 2.215

– 4.429

1.244

Wet bronbelasting 2020

– 191

– 685

– 2.963

– 4.438

– 3.480

Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019

0

697

711

702

676

Overige fiscale maatregelen 2019

0

0

0

0

0

Wet modernisering kleineondernemersregeling

0

0

0

0

0

Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen

0

0

6

12

12

Implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel

0

0

0

0

0

De leden van de fractie van het CDA vragen om de totale kosten van de sociale vlaktaks uit te splitsen naar de onderliggende maatregelen. Het gaat deze leden dan met name om de invoering van het tweeschijvenstelsel en het overbrengen van alle persoonsgebonden aftrekposten naar het lage tarief. De kosten van de verschillende onderliggende maatregelen staan opgesomd in tabel 8 van de memorie van toelichting. Het beperken van het aftrektarief van een groot deel van de aftrekposten tot het basistarief valt onder de aanduiding in tabel 8 van «tariefmaatregel grondslagverminderende posten». Het invoeren van de sociale vlaktaks is opgesplitst in een tariefgedeelte («invoering tweeschijvenstelsel») en een schijfgrensgedeelte («bevriezen beginpunt hoogste schijftarief voor de kabinetsperiode» en «verminderen beleidsmatige verhoging beginpunt hoogste schijftarief na 2021»).

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de aanpassing van de belastingrente in de inkomstenbelasting en de erfbelasting geen budgettaire gevolgen heeft. De reden waarom de effecten van deze maatregelen in de budgettaire tabel op nihil zijn gesteld heeft louter te maken met het feit dat belasting- en invorderingsrente geen deel uitmaken van de belastingontvangsten. De budgettaire gevolgen van deze maatregelen zijn verwerkt binnen de raming van de belasting- en invorderingsrente op begroting IX.

10.1.1. Budgettaire gevolgen wetsvoorstel Belastingplan 2019

De leden van de fractie van de VVD vragen naar een overzicht van de maatregelen waarbij de raming significant afwijkt van de raming uit het regeerakkoord. In de ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2019 is in hoofdstuk 8 een totaaloverzicht opgenomen met de verschillen ten opzichte van het regeerakkoord. De grote wijzigingen worden ook toegelicht. Hieronder de tabel uit hoofdstuk 8 en de toelichtingen op de mutaties.

Mutatie IB-pakket

De ramingen van het IB-pakket zijn gebaseerd op het MIMOSI-model van het CPB. Na de startnota zijn de maatregelen geactualiseerd. Door de actualisatie was er cumulatief tussen 2018 en 2021 sprake van lagere lasten ten opzichte van het regeerakkoord. In 2019 was er juist sprake van hogere lasten. Dat komt doordat bij het regeerakkoord iets mis is gegaan met de vertaling van het tijdpad van de tariefsaanpassing naar het budgettaire tijdpad. Het betreft dus een verbetering van de raming. De structurele ruimte is ingezet voor het koopkrachtbeeld door de algemene heffingskorting met € 8 extra te verhogen. Om het inkomstenkader ook jaarlijks te sluiten, wordt een deel van de intensivering in de algemene heffingskorting uit het regeerakkoord naar voren gehaald en wordt er geschoven in de gefaseerde overgang naar het tweeschijvenstelsel. Met deze aanpassingen blijven de lasten voor burgers op het oorspronkelijk beoogde pad.

Mutatie beperken 30%-regeling naar 5 jaar

Op basis van de meest recente raming is de opbrengst in 2019 en 2020 hoger geraamd. In 2021 levert de maatregel minder op. Deze opwaartse bijstelling komt enerzijds door hogere realisaties die volgen uit recente aangiftegegevens. Anderzijds is de methodiek aangepast. In de eerste plaats bleek tabel 4 uit het evaluatierapport van Dialogic een onvoldoende ramingsgrond voor de maatregel. Het effect van de verkorting van de looptijd is nu per geval bepaald op basis van de eind- en begindatum en de meest recente gegevens over 2017. Voorts is er bij de raming van het regeerakkoord ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat personen in het aangiftebestand ook zonder de maatregel uit de regeling zouden zijn gevallen. In 2012 is de regeling immers beperkt van 10 tot 8 jaar, waardoor in 2020–2022 personen uit de regeling vallen met beschikkingen van langer dan acht jaar. Tot slot is tijdens de uitwerking van het regeerakkoord gebleken dat er ook sprake is van een (technische) doorwerking op het keuzerecht voor partiële buitenlandse belastingplicht en de extraterritoriale kostenregeling. Beide aspecten leiden tot een beperkte aanvullende budgettaire opbrengst.

Verhoging verlaagd btw-tarief

De opbrengst van het verhogen van het verlaagde btw-tarief is € 251 miljoen hoger dan geraamd ten tijde van het regeerakkoord. Dit wordt voor ongeveer de helft verklaard doordat de grondslagverhouding tussen het reguliere en verlaagde tarief uit btw-nota 2015 is gebruikt. De andere helft wordt verklaard doordat de meest recente kasrealisaties zijn verwerkt in de btw-inkomstenraming.

Verlaging Vpb-tarief

De raming van de opbrengst van de vennootschapsbelasting (Vpb) is ten opzichte van de stand regeerakkoord fors opwaarts bijgesteld, op basis van hoge realisaties en een gunstiger economisch beeld. Hierdoor kost de verlaging van het Vpb-tarief meer. Daartegenover staat dat het Vpb-tarief minder verlaagd wordt dan is aangekondigd in het regeerakkoord om te komen tot een evenwichtig lastenbeeld voor bedrijven. Hierdoor kost de verlaging per saldo minder.

11. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een uitsplitsing van de administratieve lasten per maatregel. In tabel 26 zijn de structurele gevolgen van de in het pakket Belastingplan 2019 opgenomen maatregelen uiteengezet. Ook is inzichtelijk gemaakt welk deel van de administratieve lasten bij bedrijven dan wel burgers neerslaat. Het gros van de maatregelen heeft een reductie van administratieve lasten tot gevolg.

Tabel 26: Structurele gevolgen Belastingplan 2019 maatregelen voor de administratieve lasten * (– is afname, + is toename) voor burgers en bedrijven.

Maatregel

Bedrijven (€ mln)

Burgers (€ mln)

Afschaffing specifieke renteaftrekbeperkingen

– 0,75

0

Extra heffingsvermindering in de verhuurderheffing

1,59

0

Afschaffing BPM-teruggaaf voor taxi’s

– 0,16

0

Modernisering kleineondernemersregeling

– 35,00

0

Implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel

– 0,25

0

Totaal pakket Belastingplan 2019

– 34,57

0

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het mogelijk is om de gevolgen van regeringsbeleid voor het bedrijfsleven in kaart te brengen. Dit is mogelijk. Zo is bekend dat de grondslagverbredende maatregelen in de Vpb uit het Belastingplan 2019 vooral neerslaan bij het grootbedrijf (zie hieronder figuur 2.3.5 uit de miljoenennota). De vraag bij wie de lastenverlichting/-verzwaring uiteindelijk neerslaat, is daarmee nog niet beantwoord. De mate waarin bedrijven rekening houden met nieuwe belastingmaatregelen in hun prijsstelling (met andere woorden hoe zij de effecten van de belastingmaatregelen doorberekenen), is onder meer afhankelijk van de mate van concurrentie op de markt waar zij actief zijn. Per belastingmaatregel zal dus een inschatting gemaakt moeten worden of, en zo ja in welke mate, de effecten ervan worden doorberekend. Het CPB deelt deze analyse.

12. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de voorgestelde maatregelen uit dit pakket gegarandeerd vlekkeloos kunnen worden doorgevoerd. De uitvoeringstoetsen laten zien dat de Belastingdienst de voorgestelde maatregelen per de voorgestelde invoeringsmomenten uitvoerbaar acht. Het kabinet kan – mede gegeven de problemen waar de Belastingdienst zich voor gesteld ziet – nooit uitsluiten dat implementatie van een of meer maatregelen bij de verdere uitwerking ingewikkelder blijkt dan nu voorzien. Indien dat onverhoopt gevolgen zou hebben voor de invoering van een maatregel, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarnaast of de resultaten van de heroverweging van de afschaffing van de dividendbelasting ordentelijk kunnen worden doorgevoerd en welke kritische data en randvoorwaarden hierbij gelden. Ook de uitkomsten van de heroverweging worden aan de Belastingdienst voorgelegd om te beoordelen met een uitvoeringstoets die inzicht moeten geven in de uitvoerbaarheid en haalbaarheid. De parameterbrief Belastingdienst 201839 geeft hiervoor een aantal kritische data en randvoorwaarden.

13. Advies en consultatie

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

De leden van de fractie van het CDA vragen of bij de overgangsregeling voor de herzienings-btw sprake zou kunnen zijn van staatssteun. Het kabinet is van mening dat de overgangsregeling niet kwalificeert als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en dat daarom geen sprake is van staatssteun.

14. Overig

De leden van de fractie van de VVD vragen of gereageerd kan worden op het CPB-rapport, dat stelt dat het globaal evenwicht in belasting- en premiedruk tussen een IB-ondernemer en de dga een achterhaald begrip is omdat de keuze voor een ondernemersvorm volgens het CPB veelal eenmalig wordt gemaakt (eenmaal gekozen blijft gekozen). De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de keuze van de rechtsvorm van een onderneming van veel meer factoren afhangt. Het kabinet deelt de lezing van de Afdeling advisering van de Raad van State, maar merkt tegelijkertijd op – net zoals de Afdeling advisering van de Raad van State overigens – dat de fiscaliteit bij de initiële keuze wel een rol speelt en dat de term «globaal evenwicht» daarmee geen achterhaald begrip is. Door de maatregelen van het kabinet wordt voorkomen dat het «globaal evenwicht» tussen IB-ondernemer en dga sterk wordt verstoord. Hierdoor wordt het belang van de fiscaliteit voor de keuze voor een rechtsvorm niet verder versterkt.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat er gebeurt met ondernemers die in het verleden over de winsten in de vennootschap een hoger Vpb-tarief hebben betaald en nu ten tijde van uitkering van deze winsten een hoger box 2-tarief betalen. Deze leden vragen waarom niet is gekozen voor eerbiedigende werking ten aanzien van de in het verleden behaalde winsten. De aanmerkelijkbelanghouder kan in 2019 de winsten van zijn bv tegen het huidige box 2-tarief laten uitkeren of van de mogelijkheid gebruikmaken box 2-heffing over winstreserves (langdurig) uit te stellen en de reserves te gebruiken om te herinvesteren binnen de onderneming. De herinvestering van deze reserves zal vervolgens renderen tegen het verlaagde Vpb-tarief, wat uiteindelijk leidt tot een verlaagde belastingdruk. De aanmerkelijkbelanghouder heeft dus een handelingsperspectief. Bovendien is het compartimenteren van winstreserves complex in de uitvoering voor de Belastingdienst. Zo vergt het meer toezichtcapaciteit en zullen de systemen moeten worden aangepast hetgeen zeer slecht uitvoerbaar is. Tot slot is door een matiging van de verhoging van het box 2-tarief dat uitkomt op 26,9% het maken van regelgeving voor compartimentering minder voor de hand liggend. Tot slot vergt het maken van overgangsrecht budgettaire dekking. Vanuit deze gedachten is besloten geen overgangsrecht te maken voor winsten die gemaakt zijn onder de «oude» tarieven.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel ouders mogen bijdragen aan hun studerende kinderen voordat er schenkbelasting verschuldigd is over de bijdrage en om daarbij zowel in te gaan op het vergoeden van schoolkosten, zoals schoolgeld en boeken, als op het vergoeden van onderhoudskosten, zoals de huur en de boodschappen. Een bijdrage van een ouder aan het kind voor zijn studie is normaal gesproken niet belast met schenkbelasting. Dat geldt in ieder geval voor een bijdrage voor een studie als het studerende kind nog geen 21 jaar is, of als het kind een studie volgt die hij voor zijn 21e jaar is begonnen. Het maakt daarbij niet uit of de ouder het kind geld geeft waarmee het de studiekosten of kosten van levensonderhoud zelf betaalt, of dat de ouder de studiekosten of kosten van levensonderhoud van het kind rechtstreeks betaalt. Indien het kind al 21 jaar of ouder is wanneer het een studie gaat volgen, kan weliswaar sprake zijn van een schenking maar zal bij een studie de betaling van de kosten voor studie en levensonderhoud veelal vallen onder de vrijstelling van schenkbelasting voor het voldoen aan een natuurlijke verbintenis.40 Ook hierbij maakt het niet uit of de ouder het kind geld geeft waarmee het de studiekosten of zijn kosten van levensonderhoud zelf betaalt, of dat de ouder de studiekosten of kosten van levensonderhoud rechtstreeks betaalt. Indien het voorgaande niet van toepassing is, dan zou sprake kunnen zijn van schenkbelasting. Daarvoor is relevant dat ouders € 5.363 (2018) per jaar onbelast aan hun kind mogen schenken. Ook kan een beroep worden gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling van € 25.731 voor een vrij te besteden schenking door de ouder aan het kind met een leeftijd tussen de 18 en 40 jaar. In plaats van een vrij besteedbaar bedrag van € 25.731 kan ook een beroep worden gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenkingen ten behoeve van studie- of opleidingskosten mits deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk. Deze vrijstelling bedraagt € 53.602 (2018) en geldt ook voor kinderen tussen 18 en 40 jaar.41

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel een werkgever onbelast mag betalen als beurs of tegemoetkoming in de kosten voor de studie van het kind van een werknemer. Ook vragen deze leden of het kabinet bereid is om een specifieke vrijstelling op te nemen in de werkkostenregeling voor de kosten van de studie van het kind van een werknemer. Er is geen specifieke vrijstelling voor werkgevers om tegemoet te komen in de kosten voor de studie van de kinderen van de werknemers. De werkgever kan de vrije ruimte van de werkkostenregeling gebruiken om werknemers onbelaste vergoedingen te geven, voor zover is voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium. Deze onbelaste vergoedingen kunnen, indien gewenst, zien op de studiekosten van kinderen. Daarnaast zijn er werkgevers die samen met werknemers een studiefonds oprichten dat, mits aan de wettelijke voorwaarden op dat punt is voldaan, desgewenst onbelaste uitkeringen kan doen ten behoeve van studiekosten van kinderen van werknemers.

De leden van de fractie van het CDA vragen daarnaast hoeveel een bedrijf als beurs beschikbaar mag stellen aan een student of groep bedrijven voor een groep studenten om te bevorderen dat een bepaalde studie meer studenten trekt. Voor zover een bedrijf een student die tevens werknemer van het bedrijf is, wil stimuleren om een bepaalde opleiding te volgen geldt een specifieke vrijstelling voor studie- en opleidingskosten. In de winstsfeer zijn zakelijke kosten, waaronder kosten om generiek opleidingen in het vakgebied te stimuleren, in beginsel aftrekbaar.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de verdeling van de brutowinst van IB-ondernemers. Voor het belastingjaar 2015 wordt de winst uit ondernemerschap, voor ondernemersaftrek, getoond in tabel 27.

Tabel 27: verdeling winst uit ondernemerschap voor ondernemersaftrek, belastingjaar 2015

Brutowinst, €

Aantal (x 1.000)

% totaal

< 0

143

13%

0 – 20.000

437

40%

20.000 – 40.000

259

23%

40.000 – 60.000

129

12%

60.000 – 80.000

60

5%

80.000 – 100.000

31

3%

100.000 – 120.000

18

2%

120.000 – 140.000

10

1%

140.000 – 200.000

14

1%

> 200.000

7

1%

Totaal

1.107

100%

De leden van de fractie van D66 vragen wat de gemiddelde mutatie van de belasting- en premiedruk in 2023 zou zijn als er rekening wordt gehouden met de toeslagen. In de berekening bij de figuur van de belasting- en premiedruk is rekening gehouden met de zorgtoeslag en de nettoreservering voor werkloosheid bij ziekte. Met eventuele andere toeslagen zoals huurtoeslag of kinderbijslag is geen rekening gehouden, omdat het recht hierop afhankelijk is van persoonlijke omstandigheden.

De leden van de fractie van D66 vragen waardoor de negatieve piek aan het begin van de inkomensverdeling wordt veroorzaakt in figuur 11 van de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2019. De piek aan het begin wordt veroorzaakt doordat de lagere inkomens relatief het meest profiteren van de verhoging van de algemene heffingskorting. De laagste inkomens in de figuur (tot circa € 8.000) betalen zowel voor als na de maatregelen geen inkomstenbelasting, waardoor het effect van de maatregelen op de belastingdruk nul is.

De leden van de fractie van D66 vragen wat er gebeurt als de maatregelen uit 2020 ook zouden worden meegenomen in figuur 11, zoals de afbouw van het aftrektarief voor een aantal aftrekposten waaronder de ondernemersaftrek. Zoals aangegeven in de beschrijving bij de figuur gaat het om de situatie in 2023 als gevolg van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2019. De maatregelen die ingaan in 2020 zijn ook meegenomen.

De leden van de fractie van D66 vragen waar mogelijk drempels zitten om door te groeien als IB-ondernemer, door de vormgeving van de zelfstandigenaftrek.

Omdat de zelfstandigenaftrek een vast bedrag is, is deze relatief meer waard bij lage winsten en kent deze faciliteit geen stimulans voor IB-ondernemers om door te groeien. Dit in tegenstelling tot de MKB-winstvrijstelling, die juist evenredig oploopt met de winst.

De leden van de fractie van D66 vragen wat er met de marginale tarieven zou gebeuren als ook de IB-ondernemer gebruikelijk loon moet aangeven. Het in aanmerking nemen van gebruikelijk loon bij de IB-ondernemer zou een vergaande stelselherziening vergen. Daarbij komen diverse vragen op, zoals de vraag hoe moet worden omgegaan met de verdeling van de winst over arbeidsinkomen en winstinkomen en op welke manier (bijvoorbeeld tegen welk tarief en onder welk regime) het niet als loon aangemerkte winstinkomen dan zou moeten worden belast. Het gevolg voor de marginale tarieven is dan ook niet zonder meer te geven.

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet voor een paar «standaard omzetten» in kaart zou kunnen brengen wat de fiscale behandeling is als het een dga of een IB-ondernemer is bij een omzet van € 25.000, € 50.000, € 75.000, € 100.000, € 150.000 en € 200.000. De onderliggende berekeningen bij figuur 10 uit de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2019 voor verschillende winstniveaus afgeleid uit de loonkosten voor werknemers zijn te vinden in bijlage III.

De leden van de fractie van DENK vragen op welke manier de rekening-courantmaatregel (rc-maatregel) is verwerkt in het pakket Belastingplan 2019. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de maatregel nog steeds doorgaat. De maatregel is aangekondigd in de aanbiedingsbrief van het pakket Belastingplan 2019 (Prinsjesdagbrief) aan uw Kamer.42 In de brief naar aanleiding van de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat43 is inmiddels aangekondigd dat de rc-maatregel ten opzichte van de in de Prinsjesdagbrief genoemde vormgeving wordt verzacht. Uitgangspunt is nu dat naast bestaande eigenwoningschulden ook nieuwe eigenwoningschulden van de dga worden uitgezonderd. Deze uitzondering voor eigenwoningschulden zal naast de drempel van € 500.000 voor de dga en zijn partner gezamenlijk gelden. Op basis van deze uitgangspunten zullen circa 11.000 dga-huishoudens door de maatregel worden geraakt. Het kabinet is momenteel bezig met de uitwerking van de maatregel in een wetsvoorstel. In het najaar van 2018 of begin 2019 wordt het conceptwetsvoorstel met de maatregel geconsulteerd via internetconsultatie. Het kabinet is voornemens het wetsvoorstel waarin de maatregel is opgenomen in het voorjaar van 2019 aan uw Kamer aan te bieden.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat het doel van de rc-maatregel is. Daarnaast vragen zij welk onbedoeld gebruik het kabinet wil aanpakken en of de maatregel proportioneel is. Verder vragen zij op welke wijze belaste waardestijging in box 2 nu zou kunnen worden «omgekat» tot onbelaste inkomsten. In het verlengde hiervan vragen de leden van de fractie van GroenLinks welke andere manieren of loopholes er zijn waardoor dga’s belasting alsnog kunnen uitstellen of afstellen en wat het kabinet hieraan gaat doen. De aanleiding voor de maatregel is dat dga’s door te lenen van de eigen vennootschap belastingheffing in box 2 langdurig kunnen uitstellen en in bepaalde situaties zelfs afstellen. Door bedragen van de bv te lenen in plaats van meer loon te genieten of dividend te laten uitkeren, vindt geen belastingheffing plaats over het door de bv uitgeleende bedrag, terwijl de aanmerkelijkbelanghouder als gevolg van die leningen in privé al wel over uit zijn bv afkomstige financiële middelen beschikt. Het kabinet wil dit graag voorkomen. Daarnaast leiden deze leningen tot veel complex en tijdrovend werk voor de Belastingdienst. De maatregel heeft als doel de inkomstenbelasting eerder te heffen zodat wordt aangesloten bij het moment dat de liquide middelen de vennootschap hebben verlaten. Daarnaast zal de maatregel, afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving van de regeling – leiden tot het efficiënter inzetten van de toezichtscapaciteit van de Belastingdienst. Bij de uitwerking van de maatregel zullen aspecten zoals proportionaliteit en uitstel- en ontwijkingsmogelijkheden medebepalend zijn voor de exacte vormgeving. De inbreng op de internetconsultatie kan die uitwerking nog complementeren.

Vervolgens vragen de leden van de fractie van het CDA of het nodig is om de rekening-courant te beperken voor zover er belaste vermogensbestanddelen tegenover staan, zoals leningen waarvoor een hypotheekrecht is verstrekt of box 3-effecten zijn aangekocht, en of het kabinet het onwenselijk acht als de dga bij zijn eigen bv leent in plaats van bij de bank. Bij de uitwerking van de maatregel wordt ervan uitgegaan – afgezien van de hiervoor genoemde uitzonderingen – dat alle (bestaande en toekomstige) leningen boven € 500.000 onder de reikwijdte van de regeling vallen. Dit geldt dus ook voor leningen waarvoor zekerheden zijn verkregen in bijvoorbeeld de vorm van een pandrecht of hypotheekrecht. In dergelijke gevallen worden, net als bij leningen waarvoor geen zekerheden zijn verkregen, liquide middelen aan de vennootschap «onttrokken» en voor privédoeleinden van de schuldenaar aangewend. Fiscale argumenten spelen hierbij een belangrijke rol: het uitstellen van belastingheffing en daarmee het brutobedrag kunnen consumeren of investeren in privémiddelen is fiscaal aantrekkelijker dan een dividend uitkeren waarover eerst 25% belasting moet worden betaald voordat het nettobedrag kan worden besteed. Het blijft voor een aanmerkelijkbelanghouder ook na inwerkingtreding van de maatregel mogelijk te lenen van zijn eigen vennootschap. Ook staat het de aanmerkelijkbelanghouder vrij om geld te lenen bij een bank. Gevolg van de maatregel is enkel dat leningen boven de € 500.000 worden betrokken in de heffing in box 2.

Tevens vragen de leden van de fractie van DENK of het klopt dat de rc-maatregel in 2019 € 1,8 miljard zou opleveren en daarna vanaf 2020 structureel € 50 miljoen. Dga’s zullen winstreserves naar verwachting al in 2019 laten uitkeren omdat het box 2-tarief dan nog 25% bedraagt. In 2020 en 2021 wordt het box 2-tarief stapsgewijs verhoogd naar 26,9%. Daarnaast is zoals hiervoor al opgemerkt in de brief naar aanleiding van de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat44 een verzachting van de maatregel gepresenteerd waardoor de maatregel een minder groot anticipatie-effect heeft. Dit verklaart het geraamde eenmalige kaseffect van € 1,35 miljard in 2019. Vervolgens zal er in de toekomst een negatief kaseffect zijn. De maatregel leidt in beginsel immers niet tot meer belasting, alleen wordt de belasting geheven op een meer geëigend moment, namelijk bij de onttrekking van liquide middelen van de vennootschap waardoor de dga in privé gelden ter vrije aanwending heeft. De kaseffecten zijn niet lastenrelevant. De lastenrelevante opbrengst van de rc-maatregel is jaarlijks € 35 miljoen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel belasting de overheid de afgelopen jaren heeft misgelopen doordat aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing in box 2 langdurig hebben uitgesteld en in bepaalde situaties zelfs afgesteld door te lenen van de eigen vennootschap. De maatregel levert in beginsel geen extra belastingopbrengsten op, maar haalt de belastingheffing naar voren. Hoeveel belastingafstel er in het verleden precies is geweest door de leningen van de eigen bv valt niet te bepalen.

De leden van de fractie van DENK vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de op 3 april jongstleden aangenomen motie-Azarkan over de differentiatie van de substance-eisen en of hierbij aangesloten zal worden bij de substance-eisen van ATAD1 en deze leden vragen of hier een nieuw criterium geïntroduceerd kan worden. De motie van het lid Azarkan verzoekt het kabinet te bezien of het mogelijk is om de substance-eisen afhankelijk te maken van de omvang en inhoud van de activiteiten van de onderneming die om een ruling vraagt.45 In de brief over het onderzoek over rulings met een internationaal karakter van 18 februari 2018 is aangekondigd dat het kabinet een herziening van de rulingpraktijk wil voor rulings met een internationaal karakter.46 De herziening zal zien op de onderdelen «inhoud», «proces» en «transparantie». De voorgenomen vormgeving van de herziening is inmiddels op internet geconsulteerd. De motie en de input uit de consultatie zullen worden meegenomen in de uiteindelijke plannen voor de herziening van de rulingpraktijk. In november 2018 zal uw Kamer worden geïnformeerd over de plannen voor de rulingpraktijk waarin ook de plannen voor de eisen aan een belastingplichtige die een ruling vraagt worden gepresenteerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet in te gaan op de analyse van de Afdeling advisering van de Raad van State voor wat betreft het verschil in de gemiddelde belasting- en premiedruk tussen werknemers en IB-ondernemers. Daarnaast verzoeken zij aan te geven of het kabinet het verschil als probleem ziet en hoe de visie van het kabinet op dit punt luidt. Ook vragen de leden van de fractie van GroenLinks wat het kabinet vindt van de beoordeling van de Afdeling advisering van de Raad van State dat de voorgestelde aanpassingen ten aanzien van de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek onvoldoende zijn om het verschil in gemiddelde belasting- en premiedruk tussen werknemers en IB-ondernemers te verkleinen. Tot slot vragen de leden van de fractie van GroenLinks of het kabinet de analyse van de Afdeling advisering van de Raad van State deelt.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt voornoemde analyse naar aanleiding van de aanpassingen in de tariefmaatregelen van de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek. Het invoeren van een tariefmaatregel voor een aantal grondslagverminderende posten is een van de maatregelen waarmee de voorgestelde invoering van het tweeschijvenstelsel mogelijk wordt gemaakt. Het toepassen van de tariefmaatregel op de ondernemersaftrek (waartoe onder andere de zelfstandigenaftrek behoort) en de MKB-winstvrijstelling is primair bedoeld om de voorgestelde verlaging van de inkomstenbelastingtarieven en invoering van het tweeschijvenstelsel mogelijk te maken. Het toepassen van de tariefmaatregel op deze grondslagverminderende posten is tevens een eerste stap die – zij het in bescheiden mate – bijdraagt aan het verkleinen van de fiscale verschillen tussen de ondernemer en de werknemer. Het verschil in belasting- en premiedruk tussen de IB-ondernemer en werknemer heeft de aandacht van het kabinet.47 Wel is het kabinet van mening dat het geheel van fiscale ondernemersfaciliteiten zowel in onderlinge samenhang moet worden bezien als in samenhang met andere beleidsterreinen die van invloed zijn op de keuzes van werkenden, zoals het arbeidsrecht en de rechten en plichten die voortvloeien uit het socialezekerheidsrecht. Het kabinet zal, zoals eerder aangegeven, een onafhankelijke commissie instellen die onder andere onderzoek gaat doen naar de arbeidsmarkt, waarbij het voor de hand ligt om behalve het arbeidsrecht en de sociale zekerheid, ook de fiscaliteit mee te nemen omdat deze een rol speelt bij keuzes die worden gemaakt op de arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel zelfstandigen de zelfstandigenaftrek niet of niet volledig hebben kunnen benutten in 2017, in 2018 en (naar schatting) in 2019. Voor deze jaren zijn nog niet voldoende aangiftegegevens binnen om de gevraagde informatie te leveren. Over het aangiftejaar 2015 hebben 99.000 van de 844.000 belastingplichtigen met zelfstandigenaftrek een deel van de zelfstandigenaftrek niet gerealiseerd. Het gaat dus om 12% van de gevallen. Voor het jaar 2016 zijn de voorlopige aantallen dat 93.000 van de 866.000 zelfstandigen met zelfstandigenaftrek de zelfstandigenaftrek geheel of gedeeltelijk niet konden realiseren. Dat is ongeveer 11%. Als de zelfstandige in de negen jaar na het jaar waarover hij aangifte deed voldoende winst maakt, kan hij de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek overigens alsnog realiseren. Het gemiddelde bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek was in 2015 € 4.700 en in 2016 € 4.600.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de arbeidsbeloning van IB-ondernemers niet progressief in de heffing wordt betrokken en die van werknemers wel. Zowel het inkomen van IB-ondernemers als het inkomen van werknemers wordt progressief belast in box 1.

De leden van de fractie van GroenLinks brengen onder de aandacht dat de begrotingsregels voorschrijven dat inkomsten en uitgaven strikt gescheiden zijn en vragen of het kabinet zich altijd aan deze regel heeft gehouden de afgelopen tien jaar. Ook vragen deze leden hoe vaak het is voorgekomen dat van de regel werd afgeweken en of hier voorbeelden van kunnen worden gegeven. De begrotingsregels worden opgesteld en vastgelegd aan het begin van iedere kabinetsperiode. Verschillende kabinetten kennen dan ook verschillende begrotingsregels. Dit kabinet voert een trendmatig begrotingsbeleid, waarbinnen de scheiding tussen inkomsten en uitgaven een belangrijke rol speelt. In enkele specifieke gevallen is het echter mogelijk om het uitgavenplafond of het inkomstenkader aan te passen gedurende de kabinetsperiode door middel van een schuif. Deze aanpassingen worden statistische correcties genoemd. Het doel van deze correcties is een budgettair neutrale verwerking, waardoor er geen effect ontstaat op de totale ruimte onder het uitgavenplafond en het inkomstenkader en het EMU-saldo niet verslechtert. In de begrotingsregels is vastgelegd wanneer een casus hiervoor kwalificeert. Een recent voorbeeld hiervan is de geplande omzetting van de fiscale aftrek van de uitgaven voor monumentenpanden in een subsidieregeling.

De leden van de fractie GroenLinks vragen waarom een ruling eigenlijk minder tijd kost als het overleg vooraf plaatsvindt dan als er discussie achteraf is. Een belastingplichtige moet bij het aanvragen van een ruling alle relevante feiten en omstandigheden voor de beoordeling van het feitencomplex actief aan de Belastingdienst aanleveren.48 Daarnaast moet de belastingplichtige een helder(e) standpunt, zienswijze of conclusie aanleveren over de fiscale consequenties van de voorgelegde casus. De Belastingdienst kan nadere informatie vragen als dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de casus. Zo is meteen duidelijk waar eventuele onzekerheden zitten in de fiscale uitwerking. Bij een beoordeling van de aangifte achteraf is de actieve informatievoorziening niet aanwezig en zijn eventuele onzekerheden moeilijker te detecteren waardoor meer capaciteit moet worden ingezet om risico’s te detecteren en informatie te vergaren.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet heeft overwogen om de overdrachtsbelasting voor woningen en appartementen te verhogen indien deze worden aangekocht door een niet-natuurlijk persoon. Deze leden vragen wat de voor- en tegenargumenten daarvan zijn, hoeveel dat budgettair oplevert en of dat voldoende is om de overdrachtsbelasting voor starters te verlagen naar 0%. Verder stellen deze leden vergelijkbare vragen over het verhogen van de overdrachtsbelasting voor natuurlijke personen die een tweede, derde huis of meerdere huizen kopen.

De voorstellen van de leden van de fractie van GroenLinks leiden ertoe dat natuurlijke personen met één woning (starters of doorstromers) minder overdrachtsbelasting betalen dan andere marktpartijen, zoals rechtspersonen en natuurlijke personen met twee, drie of meer woningen (waaronder beleggers).

In de regio’s waar het aantal woningaankopen door beleggers relatief sterk toeneemt en het aantal aankopen door starters en doorstromers relatief daalt – kunnen de voorstellen van de leden van de fractie van GroenLinks een steun in de rug zijn voor natuurlijke personen op de woningmarkt. Een verhoging van de overdrachtsbelasting voor rechtspersonen leidt namelijk voor deze groep tot hogere kosten om woningen en appartementen te kopen. Daardoor kunnen natuurlijke personen een relatief sterkere positie innemen op de woningmarkt. Dat geldt voor starters des te meer, als voor die groep de overdrachtsbelasting naar 0% wordt verlaagd. Het nadeel van dergelijke generieke fiscale maatregelen is dat zij geen gericht antwoord zijn op de specifieke problemen die de woningmarkt kent. Hierna volgt een aantal voorbeelden. Ten eerste verschillen de problemen op de woningmarkt per regio. Een verhoging van de overdrachtsbelasting voor beleggers leidt ertoe dat zij ook worden afgeremd in hun investeringen in regio’s waar die investeringen wel zijn gewenst. Ten tweede is aannemelijk dat beleggers de hogere kosten rechtstreeks zullen doorberekenen aan hun huurders in de geliberaliseerde huursector. Dat drukt het toch al schaarse middenhuursegment uit de markt. Ten derde bestaat het risico dat het hogere belastingtarief wordt ontweken als er een grote fiscale prikkel wordt ingebouwd om woningen als natuurlijk persoon aan te kopen. Dit zal in de praktijk leiden tot een toename van ongewenste constructies.

Een ander nadeel is dat met een verdere differentiatie de overdrachtsbelasting complexer wordt en de uitvoerbaarheid onder druk komt te staan. Het is bijvoorbeeld essentieel welke definitie van «starter» of «doorstromer» wordt gebruikt. Zo is in het spraakgebruik bijvoorbeeld het begrip starter duidelijk. Het is een natuurlijk persoon die voor de eerste maal een woning koopt. Daarmee is dit nog geen duidelijk afgebakende wettelijke definitie die hanteerbaar en controleerbaar is. De Belastingdienst en het notariaat moeten omwille van de praktische uitvoerbaarheid snel en eenduidig kunnen vaststellen of iemand onder de definitie valt en ook met de huidige systemen kunnen controleren of aan deze definitie wordt voldaan. Daarbij geldt dat de vele variaties in achtergronden van kopers op de woningmarkt – die ook gezamenlijk woningen kopen – het bemoeilijkt om de doelgroep af te baken. Denk bijvoorbeeld aan verschillen in burgerlijke staat, de eigendom van vakantiewoningen, kopers uit het buitenland en eerder verkregen eigendom van een woning bij overlijden van bijvoorbeeld een ouder.

Een budgettaire schatting voor een heffing van 10% voor alleen rechtspersonen is momenteel niet voorhanden. Van belang is dat ook woningcorporaties tegen een dergelijke heffing zouden aanlopen49.

Een ruwe inschatting van de budgettaire gevolgen van het voorstel tot het invoeren van een tarief van 10% voor de verkrijging van in box 3 vallende woningen (en dus natuurlijke personen) is dat dit voorstel een bedrag van maximaal circa € 160 miljoen jaarlijks structureel zou opleveren. Indien de drempel toeneemt naar bijvoorbeeld meer dan drie woningen, zou de budgettaire opbrengst dalen. Het is aannemelijk dat door een heffing op rechtspersonen de budgettaire opbrengst stijgt. Daarentegen kost het verlagen van de overdrachtsbelasting circa € 400 miljoen structureel. Hiervoor zal aanvullende dekking moeten worden gezocht. Tot slot wordt opgemerkt dat het verhogen van de subsidievoet voor koopwoningen volgens het woningmarktmodel van het CPB ook leidt tot hogere huizenprijzen. Dit is juist weer onwenselijk voor starters.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat een belegger die nu meerdere panden verhuurt, feitelijk ondernemer is en of een dergelijke belegger slechts een paar procent belasting betaalt in box 3. Daarnaast wordt een overzicht gevraagd van de belastingen die een dergelijke belegger moet betalen en hoe dit zich verhoudt tot een gemiddelde ondernemer. Er is geen sprake meer van beleggen, maar van winst uit onderneming (of resultaat uit werkzaamheden) als de onroerende zaken rendabel worden gemaakt mede door middel van arbeid van de eigenaar van die zaken, welke arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar is gericht op het behalen van een hoger rendement dan een normaal vermogensbeheer zou opleveren. In zijn algemeenheid is hier dus geen uitspraak over te doen, maar een dergelijke beoordeling dient op basis van de individuele feiten en omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Indien er sprake is van inkomen uit beleggen betaalt de belastingplichtige box 3-belasting over een forfaitair rendement dat afhankelijk is van de hoogte van zijn grondslag sparen en beleggen. De grondslag wordt bepaald door de rendementsgrondslag (bezittingen minus schulden) voor zover die meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen op 1 januari van het kalenderjaar. Het forfaitaire rendement over de grondslag wordt belast tegen een tarief van 30%. Indien sprake is van winst uit onderneming (of resultaat uit werkzaamheden) betaalt de belastingplichtige box 1-belasting over het werkelijke rendement. De hoogte van deze box 1-belasting is mede afhankelijk van de hoogte van het overige box 1-inkomen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar mogelijkheden om de oververhitting door particuliere beleggers op de woningmarkt fiscaal tegen te gaan. In dat kader vragen deze leden welke mogelijkheden er zijn om het verdienmodel voor particuliere beleggers onaantrekkelijker te maken. Het kabinet acht fiscale maatregelen niet geschikt om risico’s op oververhitting van de woningmarkt tegen te gaan. Dergelijke maatregelen leiden tot een complexer belastingstelsel en het is aannemelijk dat dergelijke maatregelen ook de wel gewenste activiteiten van beleggers op de woningmarkt minder aantrekkelijk maken. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor het verruimen van het aanbod van huurwoningen, vooral in het nog schaarse middenhuursegment, waaraan particuliere beleggers een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Daarom zet het kabinet in op het vergroten van het woningaanbod en het tegengaan van excessen om risico’s van oververhitting tegen te gaan. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onlangs een brief naar uw Kamer gestuurd over de aanpak van excessen.50

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de budgettaire opbrengst zou zijn als box 3-woningen niet langer in box 3 maar in box 1 voor de ontvangen huurinkomsten zouden worden belast. Er is onvoldoende inzicht in het aantal en soort woningen dat in box 3 valt. Deze kunnen in het aangiftebiljet worden aangegeven onder tweede woning of onder de bredere rubriek «overige onroerende zaken» en zijn daarom niet als zodanig te onderscheiden. Daarnaast is er geen zicht op welke woningen worden verhuurd of alleen als tweede woning worden gebruikt. Ook is er geen informatie beschikbaar over de werkelijke opbrengsten en kosten die met de woningen in box 3 verband houden zoals onderhoudskosten en rentekosten voor de financiering.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het kabinet de analyse van Wimar Bolhuis beoordeelt, waarin hij stelt dat de collectieve lastenverzwaring of een lastenverlichting die minder is dan beloofd, vrijwel geheel ten laste komt van huishoudens en dat de lastendruk voor het bedrijfsleven beperkt lager uitvallen. In dit licht vragen deze leden ook of het kabinet de analyse van de heer Bolhuis deelt dat bedrijven er beter in slagen om formatieonderhandelingen te beïnvloeden dan particuliere belastingbetalers. Tijdens de formatie worden de verschillende belangen die in de maatschappij spelen afgewogen om tot een evenwichtig pakket aan maatregelen te komen. Van de lastenverlichting die dit kabinet geeft, komt het overgrote deel bij huishoudens terecht. In mindere mate wordt lastenverlichting aan bedrijven gegeven.

De leden van de fractie van 50PLUS verzoeken op basis van het Belastingplan 2019 een geactualiseerd overzicht te geven van de effectieve AOW-premiepercentages voor verschillende huishoudtypen, waarbij het effect van heffingskortingen wordt meegenomen.

Het nominale AOW-premiepercentage bedraagt 17,9%. In onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de effectieve AOW-premiepercentages voor 2019 voor werkende alleenstaanden, werkende eenverdieners, tweeverdieners en zelfstandigen (in alle gevallen zonder kinderen) bij diverse bruto-inkomens. Deze effectieve AOW-premiepercentages zijn lager doordat heffingskortingen de totale te betalen belasting en premie volksverzekeringen verminderen.

Tabel 28: Effectieve AOW-premiepercentages 2019 verschillende huishoudtypen werkenden zonder kinderen

Brutoinkomen

Alleenstaande

Eenverdiener

Tweeverdiener

Zelfstandige

€ 10.000

4,6%

1,3%

0%

0%

€ 15.000

4,3%

2,1%

0,6%

0%

€ 20.000

4,2%

2,6%

4,6%

0%

€ 25.000

6,6%

5,3%

4,4%

0%

€ 30.000

9,0%

7,9%

4,3%

2,1%

€ 35.000

10,7%

9,7%

4,3%

4,4%

Bron: berekeningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de feitelijke loonontwikkeling cumulatief afgezet kan worden tegen de ontwikkeling van de AOW-uitkering over de periode 2015–2018. Onderstaande tabel 29 geeft, op basis van gegevens uit de MEV-raming van het CPB, inzicht in de cumulatieve feitelijke bruto contractloonontwikkeling en de cumulatieve ontwikkeling van de bruto-AOW-uitkering inclusief vakantiegeld sinds 2015.

Tabel 29: feitelijke contractloonontwikkeling ten opzichte van ontwikkeling AOW-uitkering in procenten (%)
 

2015

2016

2017

2018

Feitelijke contractloonontwikkeling (cumulatief, bruto)

1,2

2,7

4,5

6,6

Ontwikkeling AOW-uitkering (cumulatief, bruto, incl. vakantiegeld)

0,9

3,5

4,8

6,6

In de tabel is zichtbaar dat de cumulatieve ontwikkeling van de bruto-AOW-uitkering inclusief vakantiegeld in 2018 gelijk is aan de cumulatieve feitelijke brutocontractloonontwikkeling sinds 2015. In 2019 wordt de algemene heffingskorting fors verhoogd. Hiervan hebben ouderen met AOW en een (beperkt) aanvullend pensioen profijt.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de extra belastingopbrengsten van de onroerende zaakbelasting (OZB) en het EWF, als gevolg van de hoger dan verwachte ontwikkeling van de WOZ-waardes van koopwoningen. Tevens vragen deze leden naar een uitsplitsing naar OZB en EWF. Op beide punten is antwoord gegeven bij de eerder gestelde vragen van deze fractie over de relatie tussen WOZ-waarden en het EWF.51 Daarbij is ten aanzien van de huizenprijsontwikkeling en het EWF opgemerkt dat het EWF-percentage52 gekoppeld is aan de ontwikkeling van de WOZ-waarde. Als de huizenprijzen stijgen, daalt het EWF-percentage en vice versa. Mede daardoor is de geraamde opbrengst voor het EWF per saldo niet gewijzigd. In de Miljoenennota 2018 is een opbrengst geraamd van € 3,3 miljard voor 2018, in de Miljoenennota 2019 is ongeveer eenzelfde bedrag (€ 3,4 miljard) geraamd voor 2019. Ten aanzien van de OZB wordt opgemerkt dat deze tarieven autonoom door de gemeenten worden vastgesteld. Wat vervolgens het gevolg is van hogere huizenprijzen is per gemeente verschillend. Vandaar dat een schatting van een totaal bedrag op de OZB als gevolg van een hogere stijging van de huizenprijzen dan geraamd, niet voorhanden is.

De leden van de fractie van DENK vragen of Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER). Ook vragen zij welke landen er nog meer lid zijn van de EER. Daarnaast vragen zij of het lidmaatschap van de EER betekent dat alle regels van het Acquis Communautaire moeten worden gevolgd. Zij vragen ook of Zwitserland de regels van het Acquis Communautaire volgt. Het Acquis Communautaire zijn de gemeenschappelijke rechten en plichten die alle lidstaten uit hoofde van de Europese Unie bindt. Dit zijn dus onder andere alle EU-regels, zoals richtlijnen en verordeningen, maar ook de jurisprudentie van het Hof van Justitie waar alle EU-lidstaten zich aan moeten houden. Alle 28 lidstaten van de EU zijn daarnaast ook lid van de EER, samen met Noorwegen, Liechtenstein en IJsland. De rechten en plichten die voortvloeien uit de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst) zijn voor een groot deel gelijk aan de rechten en plichten die voortvloeien uit lidmaatschap van de EU, maar de EER-overeenkomst ziet op een beperkter aantal onderwerpen dan lidmaatschap van de EU. Rechten en plichten op het gebied van de vier verdragsvrijheden maken bijvoorbeeld wel onderdeel uit van de EER-overeenkomst, maar de douane-unie bijvoorbeeld niet. Zwitserland is geen lid van de EER. De relatie tussen de EU en Zwitserland wordt geregeld in een fors aantal bilaterale verdragen tussen de EU en Zwitserland. In deze verdragen is bepaald welke onderdelen van de EU-regels Zwitserland volgt.

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat op basis van artikel 20 Awir een terugbetaling van toeslagen moet worden gedaan binnen 8 weken nadat nieuwe inkomensgegevens zijn binnengekomen bij de Belastingdienst/Toeslagen dan wel binnen 8 weken nadat de beschikking over nieuwe inkomensgegevens onherroepelijk is geworden. Deze leden vragen verder waarom deze terugbetalingen in de praktijk ook na deze 8 weken gevorderd worden door de Belastingdienst/Toeslagen. Artikel 20 Awir schrijft voor dat als de inspecteur een nieuw inkomensgegeven vaststelt de Belastingdienst/Toeslagen vervolgens binnen 8 weken de toekenningsbeschikking moet herzien. Die herzieningsbeschikking kan leiden tot een terugvordering die binnen 6 weken voldaan moet worden. Bij een terugvordering wordt de belanghebbende automatisch een betalingsregeling aangeboden waarbij hij in de gelegenheid wordt gesteld om in 24 maandelijkse termijnen de terugbetaling te voldoen, met een minimumbedrag van € 20 per maand. Een terugbetaling binnen 8 weken is binnen deze systematiek niet aan de orde.

De leden van de fractie van DENK vragen waarom bij toeslagen niet geldt dat claims van de Belastingdienst na 5 jaar verjaren, zoals in de meeste andere gevallen. Ook voor de Belastingdienst/Toeslagen geldt in principe een verjaringstermijn van 5 jaar. Binnen deze termijn kan een reeds vastgestelde toeslag naderhand in bepaalde gevallen nog in het voordeel of in het nadeel van de belanghebbende worden herzien. De mogelijkheid tot herziening van een vastgestelde toeslag in verband met een wijziging van het inkomensgegeven op grond van artikel 20 Awir heeft echter geen verjaringstermijn, maar is gekoppeld aan het moment waarop het nieuwe inkomensgegeven is vastgesteld. Dat heeft als reden dat de Belastingdienst/Toeslagen voor wat betreft dit inkomensgegeven afhankelijk is van de inspecteur van de Belastingdienst en het bij langlopende procedures in de sfeer van de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld in geval van navordering door de inspecteur, langer dan 5 jaar kan duren voordat het inkomensgegeven definitief vaststaat. Mede daarom schrijft artikel 20 Awir voor dat de Belastingdienst/Toeslagen, als dat inkomensgegeven eenmaal wijzigt, binnen 8 weken tot een herziening moet overgaan.

De leden van de fractie van DENK vragen of de inhoudelijke beoordeling van bezwaren die betrekking hebben op overschrijding van de termijn van 8 weken van artikel 20 Awir worden gedaan door de Belastingdienst/Toeslagen zelf of door het Landelijk Incasso Centrum. De inhoudelijke beoordeling van deze bezwaren wordt gedaan door de Belastingdienst/Toeslagen.

De leden van de fractie van DENK vragen of de kans op fraude groter is bij de toeslagen of bij het UWV. Ook vragen deze leden in welke van de overheidsinstanties UWV en Belastingdienst/Toeslagen grotere bedragen omgaan.

Overal waar geldstromen van de overheid naar de samenleving gaan bestaat er een risico op fraude. Bij het verstrekken van toeslagen wordt, conform de Awir, gewerkt met een voorschotsystematiek. De afgelopen jaren heeft de Belastingdienst/Toeslagen met een ontwikkeld risicoselectiemodel een beter inzicht gekregen in risicovolle aanvragen. Hiermee wordt de kans op misbruik en oneigenlijk gebruik van toeslagen aan de poort verkleind. Tegelijkertijd worden burgers gestimuleerd en ondersteund om wijzigingen in hun gegevens op basis waarvan de toeslag is verstrekt, bijvoorbeeld het inkomen, tijdig door te geven.

Het UWV keert meer uit dan de Belastingdienst/Toeslagen. Voor de exacte bedragen verwijs ik naar de jaarverslagen van het UWV en de jaarverslagen van de verantwoordelijke departementen voor de verschillende toeslagen. Bij het UWV gaat het op jaarbasis om een bedrag van ongeveer € 20 miljard en bij de Belastingdienst/Toeslagen om een bedrag van bijna € 13 miljard.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat ouders worden gekort op hun toeslagen als thuiswonende kinderen geld verdienen.

Dit klopt onder omstandigheden als het gaat om de huurtoeslag. Voor die toeslag geldt dat voor wat betreft de in aanmerking te nemen draagkracht niet alleen gekeken wordt naar het inkomen van de belanghebbende en zijn partner maar ook naar het inkomen van medebewoners. Thuiswonende kinderen vallen ook onder die categorie, zij het dat van kinderen tot 23 jaar het inkomen slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het meer bedraagt dan € 4.827. Jongeren met een reguliere bijbaan hoeven daardoor niet te vrezen dat hun ouders minder huurtoeslag ontvangen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe vaak het voor komt dat ouders worden gekort op hun huurtoeslag omdat thuiswonende kinderen na hun studie zijn gaan werken. Deze leden vragen ook of er manieren zijn waarop ouders dit kunnen voorkomen. De effecten voor de ouders kunnen worden verminderd door van hun kinderen een vergoeding voor kost en inwoning te vragen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe vaak het voor komt dat ouders worden gekort op hun huurtoeslag omdat thuiswonende kinderen na hun studie zijn gaan werken. Zij vragen ook of er manieren zijn waarop ouders dit kunnen voorkomen.

Voor thuiswonende kinderen die een inkomen hebben boven de hiervoor genoemde vrijstelling van € 4.827 of 23 jaar of ouder zijn, heeft de wetgever vastgelegd dat zij geacht worden bij te dragen aan het huishoudinkomen. Er zijn ongeveer 30.000 huishoudens met inwonende kinderen, waarvoor geldt dat het inkomen van de jongere leidt tot een verlaging van de huurtoeslag. Dit kunnen (ex)studenten zijn, maar ook thuiswonende jongeren met een eigen baan. De effecten voor de ouders kunnen worden verminderd door van hun kinderen een vergoeding voor kost en inwoning te vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts op welke manier ouders hiervan bewust worden gemaakt. De regels die hiervoor gelden staan op de website van Belastingdienst/Toeslagen.

De leden van de fractie van DENK vragen op welke plek in het wetgevingspakket aanpassingen in de Awir kunnen worden voorgesteld. Hoewel een dergelijke algemene vraag zich niet goed specifiek laat beantwoorden, geldt in zijn algemeenheid dat een aanpassing die gepaard gaat met budgettaire gevolgen en ziet op toeslaggerechtigden waarschijnlijk zou kunnen worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2019. Op het moment dat sprake is van een aanpassing zonder budgettaire gevolgen leent dat zich voor het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2019.

De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel

BIJLAGE I

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat53 verwerkt.
Variant: minimumloon, Jaar: 2018
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 23.826

€ 23.826

€ 23.826

 

Pensioenpremie werkgever

€ 844

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 574

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 258

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.609

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.389

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 596

   
 

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

 

brutoinkomen

€ 20.556

€ 23.826

€ 23.826

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.316

€ 0

 

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 421

– € 1.265

– € 1.265

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.609

– € 1.609

 

Belastbaar inkomen

€ 20.135

€ 11.356

€ 20.952

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 7.359

€ 4.151

€ 7.693

 

Algemene heffingskorting

€ 2.265

€ 2.265

€ 2.227

 

Arbeidskorting

€ 3.161

€ 3.249

€ 3.249

 

Totaal kortingen

€ 5.426

€ 5.514

€ 5.476

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 642

€ 1.184

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 0

 

Totaal box 2, VPB en inkomensafh. bijdr. ZVW

€ 0

€ 642

€ 1.184

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.934

€ 642

€ 3.401

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 18.201

€ 20.310

€ 17.552

 

Zorgtoeslag

€ 1.060

€ 1.060

€ 1.026

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 792

– € 792

 

Totaal toeslagen en reserveringen

€ 1.060

€ 268

€ 235

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 19.262

€ 20.579

€ 17.786

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat54 verwerkt.
Variant: minimumloon, Jaar: 2019
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 24.590

€ 24.590

€ 24.590

 

Pensioenpremie werkgever

€ 860

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 671

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 231

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.692

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.436

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 612

   
 

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

 

brutoinkomen

€ 21.088

€ 24.590

€ 24.590

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.423

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 429

– € 1.289

– € 1.289

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.692

– € 1.692

 

Belastbaar inkomen

€ 20.659

€ 11.906

€ 21.609

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen Totaal IB + PVV

€ 7.576

€ 4.363

€ 7.938

 

Algemene heffingskorting

€ 2.463

€ 2.477

€ 2.414

 

Arbeidskorting

€ 3.318

€ 3.399

€ 3.399

 

Totaal kortingen

€ 5.781

€ 5.876

€ 5.813

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 679

€ 1.232

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

 

Aanmerkelijk belang-heffing (box 2)

   

€ 0

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 679

€ 1.232

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.794

€ 679

€ 3.356

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 18.865

€ 20.931

€ 18.253

 

Zorgtoeslag

€ 1.212

€ 1.212

€ 1.167

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.132

– € 1.132

 

Totaal toeslagen

€ 1.212

€ 80

€ 34

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 20.077

€ 21.010

€ 18.287

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat55 verwerkt.
Variant: minimumloon, Jaar: 2020
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 25.422

€ 25.422

€ 25.422

 

Pensioenpremie werkgever

€ 911

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 694

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 238

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.751

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.508

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 629

   
 

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

 

brutoinkomen

€ 21.691

€ 25.422

€ 25.422

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.540

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 454

– € 1.365

– € 1.365

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.751

– € 1.751

 

Belastbaar inkomen

€ 21.237

€ 12.485

€ 22.305

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen Totaal IB + PVV

€ 7.873

€ 4.626

€ 8.276

 

Algemene heffingskorting

€ 2.597

€ 2.628

€ 2.538

 

Arbeidskorting

€ 3.396

€ 3.546

€ 3.546

 

Totaal kortingen

€ 5.992

€ 6.174

€ 6.084

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 730

€ 1.305

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 0

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 730

€ 1.305

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.880

€ 730

€ 3.498

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 19.357

€ 21.575

€ 18.808

 

Zorgtoeslag

€ 1.288

€ 1.288

€ 1.237

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 927

– € 927

 

Totaal toeslagen

€ 1.288

€ 361

€ 309

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 20.645

€ 21.936

€ 19.117

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat56 verwerkt.
Variant: modaal, Jaar: 2018
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 44.872

€ 44.872

€ 44.872

 

Pensioenpremie werkgever

€ 2.436

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 962

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 432

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.697

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.329

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.015

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

 

Bruto inkomen

€ 35.000

€ 44.872

€ 44.872

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.263

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 1.241

– € 3.677

– € 3.677

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 2.697

– € 2.697

 

Belastbaar inkomen

€ 33.759

€ 25.954

€ 38.497

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 12.924

€ 9.736

€ 14.860

 

Algemene heffingskorting

€ 1.627

€ 1.993

€ 1.405

 

Arbeidskorting

€ 3.226

€ 2.826

€ 2.826

 

Totaal kortingen

€ 4.853

€ 4.818

€ 4.231

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.466

€ 2.175

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 0

 

Totaal box 2, VPB en inkomensafh. bijdr. ZVW

€ 0

€ 1.466

€ 2.175

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 8.071

€ 6.384

€ 12.804

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 25.687

€ 32.113

€ 25.693

 

Zorgtoeslag

€ 163

€ 689

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.063

– € 1.063

 

Totaal toeslagen en reserveringen

€ 163

– € 374

– € 1.063

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 25.850

€ 31.739

€ 24.630

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat57 verwerkt.
Variant: modaal, Jaar: 2019
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 46.321

€ 46.321

€ 46.321

 

Pensioenpremie werkgever

€ 2.503

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.128

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 389

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.844

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.413

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.044

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

 

Bruto inkomen

€ 36.000

€ 46.321

€ 46.321

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.466

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 1.276

– € 3.779

– € 3.779

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 2.844

– € 2.844

 

Belastbaar inkomen

€ 34.724

€ 26.953

€ 39.699

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 12.934

€ 9.973

€ 14.830

 

Algemene heffingskorting

€ 1.739

€ 2.139

€ 1.483

 

Arbeidskorting

€ 3.359

€ 2.663

€ 2.663

 

Totaal kortingen

€ 5.098

€ 4.802

€ 4.146

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.536

€ 2.263

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 0

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.536

€ 2.263

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 7.836

€ 6.708

€ 12.946

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 26.888

€ 32.991

€ 26.752

 

Zorgtoeslag

€ 280

€ 806

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.127

– € 1.127

 

Totaal toeslagen

€ 280

– € 321

– € 1.127

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 27.168

€ 32.670

€ 25.626

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat58 verwerkt.
Variant: modaal, Jaar: 2020
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 48.421

€ 48.421

€ 48.421

 

Pensioenpremie werkgever

€ 2.706

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.180

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 405

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.979

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.565

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.088

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

€ 0

 

Bruto inkomen

€ 37.500

€ 48.421

€ 48.421

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.760

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 1.377

– € 4.083

– € 4.083

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

– € 2.979

– € 2.979

 

Belastbaar inkomen

€ 36.123

€ 28.320

€ 41.359

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 13.499

€ 10.550

€ 15.479

 

Algemene heffingskorting

€ 1.779

€ 2.208

€ 1.491

 

Arbeidskorting

€ 3.652

€ 2.914

€ 2.914

 

Totaal kortingen

€ 5.431

€ 5.122

€ 4.406

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

€ 1.657

€ 2.420

 

Vennootschapsbelasting

€ 0

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

€ 0

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.657

€ 2.420

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 8.068

€ 7.085

€ 13.493

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 28.055

€ 34.275

€ 27.867

 

Zorgtoeslag

€ 300

€ 829

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

– € 1.174

– € 1.174

 

Totaal toeslagen

€ 300

– € 345

– € 1.174

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 28.355

€ 33.930

€ 26.693

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat59 verwerkt.
Variant: 2x modaal, Jaar: 2018
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 88.710

€ 88.710

€ 88.710

 

Pensioenpremie werkgever

€ 6.293

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.556

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 699

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.364

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 3.768

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.030

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 23.170

 

Bruto inkomen

€ 70.000

€ 88.710

€ 65.541

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 11.400

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 3.229

– € 9.522

– € 9.522

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.364

– € 4.364

 

Belastbaar inkomen

€ 66.771

€ 56.144

€ 51.655

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 26.410

€ 22.069

€ 20.235

 

Algemene heffingskorting

€ 81

€ 579

€ 789

 

Arbeidskorting

€ 2.037

€ 1.247

€ 2.082

 

Totaal kortingen

€ 2.119

€ 1.826

€ 2.871

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.086

€ 2.919

 

Vennootschapsbelasting

   

€ 4.634

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 4.634

 

Totaal box 2, VPB en inkomensafh. bijdr. ZVW

€ 0

€ 3.086

€ 12.186

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 24.291

€ 23.328

€ 29.550

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 42.480

€ 51.496

€ 45.274

 

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 2.016

– € 2.016

 

Totaal toeslagen en reserveringen

€ 0

– € 2.016

– € 2.016

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 42.480

€ 49.480

€ 43.258

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat60 verwerkt.
Variant: 2x modaal, Jaar: 2019
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 91.468

€ 91.468

€ 91.468

 

Pensioenpremie werkgever

€ 6.470

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.817

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 626

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.580

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 3.887

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.088

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

€ 24.836

 

brutoinkomen

€ 72.000

€ 91.468

€ 66.632

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 11.786

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 3.321

– € 9.791

– € 9.791

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

– € 4.580

– € 4.580

 

Belastbaar inkomen

€ 68.679

€ 58.031

€ 52.261

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 25.895

€ 21.814

€ 19.616

 

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 539

€ 836

 

Arbeidskorting

€ 1.322

€ 0

€ 1.445

 

Totaal kortingen

€ 1.322

€ 539

€ 2.281

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

€ 3.188

€ 2.979

 

Vennootschapsbelasting

€ 4.719

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

€ 5.029

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.188

€ 12.727

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 24.573

€ 24.463

€ 30.062

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 44.106

€ 52.635

€ 47.035

 

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

– € 1.915

– € 1.915

 

Totaal toeslagen

€ 0

– € 1.915

– € 1.915

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 44.106

€ 50.720

€ 45.121

In deze tabel is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat61 verwerkt.
Variant: 2x modaal, Jaar: 2020
   

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

 

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 95.488

€ 95.488

€ 95.488

 

Pensioenpremie werkgever

€ 6.962

   
 

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.879

   
 

WGF-premie (werkloosheid)

€ 644

   
 

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.744

   
 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 4.084

   
 

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.175

   
 

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   
 

DGA: gedeelte winst (box 2)

€ 27.303

 

brutoinkomen

€ 75.000

€ 95.488

€ 68.185

 

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

 

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 12.349

€ 0

 

Pensioenpremie werknemer

– € 3.567

– € 10.529

– € 10.529

 

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

– € 4.744

– € 4.744

 

Belastbaar inkomen

€ 71.433

€ 60.586

€ 52.912

 

Totaal Inkomstenbelasting box1 + premies VV voor toepassing heffingskortingen

€ 27.218

€ 22.746

€ 19.846

 

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 435

€ 857

 

Arbeidskorting

€ 1.534

€ 90

€ 1.728

 

Totaal kortingen

€ 1.534

€ 525

€ 2.585

 

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

€ 3.365

€ 3.095

 

Vennootschapsbelasting

€ 4.505

 

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

€ 5.984

 

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.365

€ 13.585

 

Bijtelling aftrekposten

€ 0

– € 883

€ 0

 

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 25.685

€ 26.469

€ 30.845

 

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 45.748

€ 53.746

€ 49.370

 

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

 

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

– € 2.044

– € 2.044

 

Totaal toeslagen

€ 0

– € 2.044

– € 2.044

 

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 45.748

€ 51.702

€ 47.326

BIJLAGE II

Tabel 39: Marginale druk meestverdienende partner: onder de AOW-gerechtigde leeftijd met recht op algemene heffingskorting en arbeidskorting

Inkomen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

€ 1.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 2.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 3.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 4.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 5.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 6.000

10,94%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 7.000

35,17%

30,80%

22,53%

19,10%

18,05%

17,00%

0,00%

€ 8.000

35,17%

34,44%

34,69%

34,76%

34,78%

34,79%

31,47%

€ 9.000

32,55%

32,97%

34,69%

34,76%

34,78%

34,79%

34,90%

€ 10.000

20,88%

17,53%

17,00%

12,66%

16,44%

20,74%

26,65%

€ 11.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 12.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 13.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 14.000

20,88%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 15.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 16.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 17.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 18.000

20,89%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 19.000

28,80%

17,53%

16,82%

8,85%

8,23%

8,48%

7,94%

€ 20.000

38,78%

34,28%

28,79%

16,23%

8,40%

8,48%

7,94%

€ 21.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

42,52%

31,71%

13,72%

€ 22.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 23.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 24.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 25.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 26.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 27.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 28.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 29.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 30.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 31.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 32.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

45,59%

45,53%

43,25%

€ 33.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

47,59%

45,53%

43,25%

€ 34.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

49,19%

48,76%

43,25%

€ 35.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,16%

49,19%

49,13%

48,89%

€ 36.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 37.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 38.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 39.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 40.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 41.000

45,01%

45,12%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 42.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 43.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 44.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 45.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 46.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 47.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 48.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 49.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 50.000

46,00%

48,00%

45,24%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 51.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 52.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 53.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 54.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 55.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 56.000

46,09%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 57.000

56,00%

51,68%

48,17%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 58.000

56,00%

56,00%

50,15%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 59.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 60.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 61.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 62.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 63.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 64.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 65.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 66.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 67.000

56,00%

56,00%

56,00%

53,13%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 68.000

56,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,12%

49,13%

49,25%

€ 69.000

56,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

52,30%

53,44%

€ 70.000

54,29%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 71.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 72.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 73.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 74.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 75.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 76.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 77.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 78.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 79.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 80.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 81.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 82.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 83.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 84.000

52,00%

55,88%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 85.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 86.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 87.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 88.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 89.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 90.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 91.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

56,01%

€ 92.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 93.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 94.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 95.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 96.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 97.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 98.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 99.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 100.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 101.000

52,00%

52,00%

54,68%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 102.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 103.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 104.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 105.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 106.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 107.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 108.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 109.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 110.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 111.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 112.000

52,00%

52,00%

52,00%

54,36%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 113.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 114.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 115.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 116.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 117.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 118.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 119.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 120.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 121.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 122.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,50%

55,55%

51,75%

€ 123.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,55%

51,75%

€ 124.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

53,23%

51,75%

€ 125.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 126.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 127.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 128.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 129.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 130.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

Tabel 40: Marginale druk minstverdienende partner

Inkomen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

€ 1.000

35,17%

34,44%

34,69%

34,76%

34,78%

34,79%

36,18%

€ 2.000

35,17%

34,44%

34,69%

34,76%

34,78%

34,79%

29,87%

€ 3.000

35,17%

34,44%

34,69%

34,76%

20,60%

5,92%

0,00%

€ 4.000

27,88%

22,85%

13,42%

0,36%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 5.000

– 60,67%

– 57,11%

– 47,92%

– 35,48%

– 21,22%

– 7,17%

0,00%

€ 6.000

31,17%

30,44%

30,69%

28,60%

21,22%

7,17%

0,00%

€ 7.000

29,50%

26,67%

17,23%

6,88%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 8.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

€ 9.000

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

20,48%

€ 10.000

11,58%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

15,20%

€ 11.000

16,88%

6,12%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 12.000

16,89%

13,53%

10,68%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 13.000

16,89%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 14.000

16,89%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 15.000

16,89%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 16.000

16,89%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 17.000

16,89%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 18.000

16,88%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 19.000

24,80%

13,53%

12,82%

0,00%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 20.000

34,78%

30,28%

24,79%

0,16%

0,00%

0,00%

– 3,51%

€ 21.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

25,56%

19,71%

2,27%

€ 22.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 23.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 24.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 25.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 26.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 27.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 28.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 29.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

31,80%

€ 30.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

34,63%

€ 31.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

43,25%

€ 32.000

38,00%

40,00%

40,32%

39,06%

39,43%

39,37%

43,25%

€ 33.000

39,84%

41,84%

40,99%

39,25%

41,43%

39,37%

43,25%

€ 34.000

42,00%

44,00%

44,32%

45,22%

48,78%

46,72%

43,25%

€ 35.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,16%

49,19%

49,13%

48,89%

€ 36.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 37.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 38.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 39.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 40.000

42,00%

44,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 41.000

45,01%

45,12%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 42.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 43.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 44.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 45.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 46.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 47.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 48.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 49.000

46,00%

48,00%

44,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 50.000

46,00%

48,00%

45,24%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 51.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 52.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 53.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 54.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 55.000

46,00%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 56.000

46,09%

48,00%

48,32%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 57.000

56,00%

51,68%

48,17%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 58.000

56,00%

56,00%

50,15%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 59.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 60.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 61.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 62.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 63.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 64.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 65.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 66.000

56,00%

56,00%

56,00%

49,22%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 67.000

56,00%

56,00%

56,00%

53,13%

49,19%

49,13%

49,25%

€ 68.000

56,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,12%

49,13%

49,25%

€ 69.000

56,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

52,30%

53,44%

€ 70.000

54,29%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 71.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 72.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 73.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 74.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 75.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 76.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 77.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 78.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 79.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 80.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 81.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 82.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 83.000

52,00%

56,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 84.000

52,00%

55,88%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 85.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 86.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 87.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 88.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 89.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 90.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

57,75%

€ 91.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

56,01%

€ 92.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 93.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 94.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 95.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 96.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 97.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 98.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 99.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 100.000

52,00%

52,00%

56,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 101.000

52,00%

52,00%

54,68%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 102.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 103.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 104.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 105.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 106.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 107.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 108.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 109.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 110.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 111.000

52,00%

52,00%

52,00%

56,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 112.000

52,00%

52,00%

52,00%

54,36%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 113.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 114.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 115.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 116.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 117.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 118.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 119.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 120.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 121.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,60%

55,55%

51,75%

€ 122.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,50%

55,55%

51,75%

€ 123.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

55,55%

51,75%

€ 124.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

53,23%

51,75%

€ 125.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 126.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 127.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 128.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 129.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

€ 130.000

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

52,00%

51,95%

51,75%

Tabel 41: Algemene heffingskorting en arbeidskorting niet-AOW’er

Inkomen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

€ 10.000

€ 2.353

€ 2.468

€ 2.561

€ 2.642

€ 2.615

€ 2.582

€ 2.735

€ 20.000

€ 3.724

€ 4.193

€ 4.419

€ 5.341

€ 5.445

€ 5.389

€ 5.606

€ 30.000

€ 3.724

€ 3.993

€ 4.187

€ 4.859

€ 4.997

€ 5.052

€ 5.381

€ 40.000

€ 3.724

€ 3.793

€ 3.955

€ 4.137

€ 4.247

€ 4.336

€ 4.510

€ 50.000

€ 3.334

€ 3.222

€ 3.714

€ 3.255

€ 3.408

€ 3.507

€ 3.395

€ 60.000

€ 2.934

€ 2.692

€ 3.153

€ 2.373

€ 2.569

€ 2.679

€ 2.280

€ 70.000

€ 2.551

€ 2.292

€ 2.753

€ 1.664

€ 1.871

€ 1.921

€ 1.243

€ 80.000

€ 2.551

€ 1.892

€ 2.353

€ 1.264

€ 1.511

€ 1.561

€ 643

€ 90.000

€ 2.551

€ 1.733

€ 1.953

€ 864

€ 1.151

€ 1.201

€ 43

€ 100.000

€ 2.551

€ 1.733

€ 1.553

€ 464

€ 791

€ 841

€ 0

€ 110.000

€ 2.551

€ 1.733

€ 1.526

€ 64

€ 431

€ 481

€ 0

€ 120.000

€ 2.551

€ 1.733

€ 1.526

€ 0

€ 71

€ 121

€ 0

€ 130.000

€ 2.551

€ 1.733

€ 1.526

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Tabel 42: Algemene heffingskorting en ouderenkorting AOW’er

Inkomen

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

€ 10.000

€ 2.066

€ 2.097

€ 2.165

€ 2.332

€ 2.443

€ 2.575

€ 2.863

€ 20.000

€ 2.066

€ 2.093

€ 2.163

€ 2.330

€ 2.443

€ 2.575

€ 2.863

€ 30.000

€ 2.066

€ 1.992

€ 2.045

€ 2.084

€ 2.198

€ 2.339

€ 2.610

€ 40.000

€ 1.184

€ 1.009

€ 1.036

€ 721

€ 733

€ 754

€ 1.864

€ 50.000

€ 1.184

€ 908

€ 918

€ 475

€ 489

€ 515

€ 487

€ 60.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 229

€ 244

€ 276

€ 224

€ 70.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 80.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 90.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 100.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 110.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 120.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

€ 130.000

€ 1.184

€ 843

€ 837

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

Tabel 43: Microbedragen

Arbeidskorting

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

eerste traject

             

1e inkomensgrens

€ 8.816

€ 8.913

€ 9.010

€ 9.147

€ 9.309

€ 9.468

€ 9.694

opbouwpercentage

1,827%

1,807%

1,810%

1,793%

1,772%

1,764%

1,754%

opbouwpercentage AOW'er

0,943%

0,915%

0,922%

0,915%

0,904%

0,901%

0,897%

1e bedrag

€ 161

€ 161

€ 163

€ 164

€ 165

€ 167

€ 170

1e bedrag AOW'er

€ 83

€ 81

€ 83

€ 84

€ 86

€ 86

€ 87

tweede traject

             

2e inkomensgrens

€ 18.509

€ 19.253

€ 19.463

€ 19.758

€ 20.108

€ 20.450

€ 20.940

opbouwpercentage

16,12%

18,72%

19,68%

27,70%

28,32%

28,06%

28,71%

opbouwpercentage AOW'er

8,32%

9,48%

10,03%

14,13%

14,45%

14,32%

14,69%

maximum

€ 1.723

€ 2.097

€ 2.220

€ 3.103

€ 3.223

€ 3.249

€ 3.399

maximum AOW'er

€ 890

€ 1.062

€ 1.132

€ 1.585

€ 1.645

€ 1.659

€ 1.739

derde traject

             

3e inkomensgrens

€ 40.248

€ 40.721

€ 49.770

€ 34.015

€ 32.444

€ 33.112

€ 34.060

afbouwpercentage

– 4,0%

– 4,0%

– 4,0%

– 4,0%

– 3,6%

– 3,6%

– 6,0%

afbouwpercentage AOW'er

– 2,065%

– 2,025%

– 2,038%

– 2,041%

– 1,837%

– 1,837%

– 3,070%

vierde traject

             

4e inkomensgrens

€ 69.598

€ 83.971

€ 100.670

€ 111.590

€ 121.972

€ 123.362

€ 90.710

minimum

€ 549

€ 367

€ 184

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

minimum AOW'er

€ 284

€ 186

€ 94

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Algemene heffingskorting

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

maximum

€ 2.001

€ 2.103

€ 2.203

€ 2.042

€ 2.254

€ 2.265

€ 2.477

maximum AOW'er

€ 1.034

€ 1.065

€ 1.123

€ 1.145

€ 1.151

€ 1.157

€ 1.267

inkomensgrens start afbouw

– 

€ 19.645

€ 19.822

€ 19.922

€ 19.982

€ 20.142

€ 20.384

afbouwpercentage

– 

2,00%

2,32%

4,822%

4,787%

4,683%

5,147%

afbouwpercentage AOW'er

– 

1,01%

1,18%

2,460%

2,443%

2,389%

2,633%

inkomensgrens einde afbouw

– 

€ 56.495

€ 56.934

€ 66.417

€ 67.068

€ 68.507

€ 68.507

minimum

– 

€ 1.366

€ 1.342

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

minimum AOW'er

– 

€ 692

€ 685

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Ouderenkorting

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

hoog bedrag

€ 1.032

€ 1.032

€ 1.042

€ 1.187

€ 1.292

€ 1.418

€ 1.596

laag bedrag

€ 150

€ 150

€ 152

€ 70

€ 71

€ 72

€ 0

inkomensgrens

€ 35.450

€ 35.450

€ 35.770

€ 35.949

€ 36.057

€ 36.346

€ 36.783

afbouwpercentage

15%

Alleenst. ouderenkorting

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

bedrag

€ 429

€ 429

€ 433

€ 436

€ 438

€ 423

€ 429

IACK

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

1e inkomensgrens

€ 4.814

€ 4.814

€ 4.857

€ 4.881

€ 4.895

€ 4.934

€ 4.993

Vaste voet

€ 1.024

€ 1.024

€ 1.033

€ 1.039

€ 1.043

€ 1.052

€ 0

Vaste voet AOW'er

€ 529

€ 519

€ 527

€ 531

€ 533

€ 538

€ 0

opbouwpercentage

4,00%

4,00%

4,00%

6,159%

6,159%

6,159%

11,45%

opbouwpercentage AOW'er

2,07%

2,03%

2,04%

3,143%

3,143%

3,143%

5,858%

2e inkomensgrens

€ 32.539

€ 32.539

€ 32.832

€ 32.970

€ 33.065

€ 33.331

€ 29.753

maximum

€ 2.133

€ 2.133

€ 2.152

€ 2.769

€ 2.778

€ 2.801

€ 2.835

maximum AOW'er

€ 1.102

€ 1.081

€ 1.098

€ 1.413

€ 1.419

€ 1.431

€ 1.452

BIJLAGE III

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet voor een paar «standaard omzetten» in kaart zou kunnen brengen wat de fiscale behandeling is als het een dga of een IB-ondernemer is bij een omzet van € 25.000, € 50.000, € 75.000, € 100.000, € 150.000 en € 200.000. De onderliggende berekeningen bij figuur 10 uit de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2019 voor verschillende winstniveaus afgeleid uit de loonkosten voor werknemers zijn te vinden in deze bijlage. In de berekening is tevens de heroverweging van het pakket vestigingsklimaat62 verwerkt. Tot slot de opmerking dat de methode ervan uitgaat dat de dga de in een jaar gemaakte winsten volledig uitkeert. In de praktijk blijkt dit niet vaak het geval te zijn (CPB, 2017)63. De cijfers hebben betrekking op het jaar 2023.
Tabel 44: Berekening bij bruto-inkomen van € 25.000, na maatregelen
 

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

Totale bruto-arbeidskosten of winst

€ 30.798

€ 30.798

€ 30.798

Pensioenpremie werkgever

€ 1.266

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 737

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 273

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.055

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.742

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 725

   

Lage inkomensvoordeel

– € 1.000

   

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Brutoinkomen

€ 25.000

€ 30.798

€ 30.798

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 3.292

€ 0

Pensioenpremie

– € 637

– € 1.903

– € 1.903

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 2.055

– € 2.055

Belastbaar inkomen

€ 24.363

€ 16.268

€ 26.840

Totaal IB + PVV

€ 9.027

€ 6.027

€ 9.944

Algemene heffingskorting

€ 2.536

€ 2.729

€ 2.394

Arbeidskorting

€ 3.631

€ 3.797

€ 3.797

Totaal kortingen

€ 6.167

€ 6.526

€ 6.191

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 960

€ 1.584

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 960

€ 1.584

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 2.860

€ 960

€ 5.337

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 21.503

€ 25.880

€ 21.503

Zorgtoeslag

€ 1.059

€ 1.362

€ 723

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 867

– € 867

Totaal toeslagen

€ 1.059

€ 495

– € 145

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 22.562

€ 26.375

€ 21.358

Tabel 45: Berekening bij bruto-inkomen van € 50.000, na maatregelen
 

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

Totale bruto-arbeidskosten of -winst

€ 65.044

€ 65.044

€ 65.044

Pensioenpremie werkgever

€ 4.148

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.449

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 536

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.038

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 3.423

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.450

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 9.792

Brutoinkomen

€ 50.000

€ 65.044

€ 55.252

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 8.087

€ 0

Pensioenpremie

– € 2.122

– € 6.270

– € 6.270

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.038

– € 4.038

Belastbaar inkomen

€ 47.878

€ 39.369

€ 44.944

Totaal IB + PVV

€ 17.739

€ 14.586

€ 16.652

Algemene heffingskorting

€ 1.185

€ 1.674

€ 1.354

Arbeidskorting

€ 3.249

€ 2.219

€ 2.806

Totaal kortingen

€ 4.434

€ 3.893

€ 4.160

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 2.323

€ 2.652

Vennootschapsbelasting

   

€ 1.469

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 2.239

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 2.323

€ 6.359

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 13.305

€ 13.016

€ 18.851

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 34.573

€ 41.720

€ 35.885

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.717

– € 1.717

Totaal toeslagen

€ 0

– € 1.717

– € 1.717

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 34.573

€ 40.003

€ 34.168

Tabel 46: Berekening bij bruto-inkomen van € 75.000, na maatregelen
 

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

Totale bruto-arbeidskosten of -winst

€ 95.866

€ 95.866

€ 95.866

Pensioenpremie werkgever

€ 7.031

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.788

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 662

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.984

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 4.226

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.175

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 27.536

Brutoinkomen

€ 75.000

€ 95.866

€ 68.329

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 12.402

€ 0

Pensioenpremie

– € 3.607

– € 10.638

– € 10.638

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.984

– € 4.984

Belastbaar inkomen

€ 71.393

€ 60.562

€ 52.707

Totaal IB + PVV

€ 26.808

€ 22.438

€ 19.528

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 456

€ 908

Arbeidskorting

€ 1.838

€ 370

€ 2.022

Totaal kortingen

€ 1.838

€ 826

€ 2.929

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.487

€ 3.110

Vennootschapsbelasting

   

€ 4.130

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 6.296

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.487

€ 13.536

Bijtelling aftrekposten

€ 0

– € 2.431

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 24.969

€ 27.530

€ 30.135

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 46.424

€ 52.714

€ 50.109

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 2.312

– € 2.312

Totaal toeslagen

€ 0

– € 2.312

– € 2.312

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 46.424

€ 50.402

€ 47.796

Tabel 47: Berekening bij bruto-inkomen van € 100.000, na maatregelen
 

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

Totale bruto-arbeidskosten of -winst

€ 124.473

€ 124.473

€ 124.473

Pensioenpremie werkgever

€ 9.913

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.788

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 662

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.984

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 4.226

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.900

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 46.296

Brutoinkomen

€ 100.000

€ 124.473

€ 78.178

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 16.407

€ 0

Pensioenpremie

– € 5.092

– € 15.005

– € 15.005

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.984

– € 4.984

Belastbaar inkomen

€ 94.908

€ 80.797

€ 58.188

Totaal IB + PVV

€ 38.424

€ 31.453

€ 21.559

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 0

€ 593

Arbeidskorting

€ 427

€ 0

€ 1.431

Totaal kortingen

€ 427

€ 0

€ 2.024

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.487

€ 3.433

Vennootschapsbelasting

   

€ 6.944

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 10.585

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.487

€ 20.963

Bijtelling aftrekposten

€ 0

– € 2.925

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 37.997

€ 37.865

€ 40.498

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 56.911

€ 66.619

€ 63.986

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 2.675

– € 2.675

Totaal toeslagen

€ 0

– € 2.675

– € 2.675

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 56.911

€ 63.944

€ 61.311

Tabel 48: Berekening bij bruto-inkomen van € 150.000, na maatregelen
 

Werknemer

IB-ondernemer

DGA

Totale bruto-arbeidskosten of -winst

€ 177.558

€ 177.558

€ 177.558

Pensioenpremie werkgever

€ 11.548

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.788

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 662

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.984

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 4.226

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 4.350

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

DGA: gedeelte winst (box 2)

   

€ 85.607

Brutoinkomen

€ 150.000

€ 177.558

€ 91.951

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

MKB-winstvrijstelling

€ 0

– € 23.839

€ 0

Pensioenpremie

– € 5.895

– € 17.444

– € 17.444

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.984

– € 4.984

Belastbaar inkomen

€ 144.105

€ 124.011

€ 69.523

Totaal IB + PVV

€ 62.727

€ 52.801

€ 25.884

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 0

€ 0

Arbeidskorting

€ 0

€ 0

€ 605

Totaal kortingen

€ 0

€ 0

€ 605

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.487

€ 3.487

Vennootschapsbelasting

   

€ 12.841

Aanmerkelijkbelang-heffing (box 2)

   

€ 19.574

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.487

€ 35.902

Bijtelling aftrekposten

€ 0

– € 3.843

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 62.727

€ 60.131

€ 61.181

Netto-inkomen voor toeslagen

€ 81.378

€ 94.999

€ 93.949

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

Netto-reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 3.400

– € 3.400

Totaal toeslagen

€ 0

– € 3.400

– € 3.400

Netto-inkomen na toeslagen en reservering

€ 81.378

€ 91.599

€ 90.549

Tabel 49: Berekening bij bruto-inkomen van € 200.000, na maatregelen