Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2019

35000 XIII 10 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vergaderjaar 2018-2019

Nr. 10

Vastgesteld 6 november 2018

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 11 oktober 2018 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Bij brief van 2 november 2018 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,
Diks

Adjunct-griffier van de commissie,
Kruithof

1. Kunt u uitgebreid toelichten welke kennis- en onderzoekagenda er op het gebied van klimaat en energie wordt opgesteld? Wat zijn in relatie tot de energietransitie de belangrijkste uitdagingen die vragen om innovatie (zoals energieopslag)?

Antwoord

De klimaatopgave stelt in alle sectoren hoge eisen aan het innovatievermogen van economie en samenleving. Kennis en innovatie is daarom benoemd als een doorsnijdend thema binnen het Klimaatakkoord. In de afgelopen periode hebben kennis- en innovatie-experts de sectortafels ondersteund bij het benoemen van kennis- en innovatieopgaven. In het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord zijn door de sectortafels dan ook voorstellen voor kennis- en innovatieopgaven opgenomen over:

  • –  pilots en demonstratie van technieken en maatregelen die op dit moment nog niet rijp zijn voor grootschalige uitrol.
  • –  grootschalige uitrol van technieken en maatregelen die nodig zijn voor realisatie van de doelen, maar waarvoor nog geen volwassen markt bestaat.

In de tweede helft van 2018 werkt het Klimaatberaad op basis van deze kennis- en innovatieopgaven toe naar een integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie die betrekking heeft op de gehele kennis- en innovatieketen van fundamenteel en toegepast onderzoek tot en met demonstratie en uitrol. Uit het Klimaatakkoord en deze integrale agenda zal blijken wat de belangrijkste uitdagingen zijn die vragen om innovatie.

2. Welke voornemens heeft de rijksoverheid om de krachten te bundelen op het gebied van onder andere kunstmatige intelligentie en cybersecurity?

97. Welke voornemens heeft de rijksoverheid om de krachten te bundelen op het gebied van onder andere Artificial Intelligence (AI) en cybersecurity?

134. Wat is de planning voor de aangekondigde Kennis- en Innovatie Agenda Cybersecurity?

Antwoord 2, 97 en 134

Wat betreft de gezamenlijk inzet van het kabinet op cybersecurity verwijs ik kortheidshalve naar de Nederlandse Digitaliseringsstrategie en de Nederlandse Cyber Security Agenda die het kabinet voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd. Daarbij werkt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) op het terrein van cybersecurity onder andere aan een gezamenlijke kennis- en innovatie-agenda op het terrein van innovatie. In dit kader wordt een gezamenlijke onderzoeks-call door NWO voorbereid. Hier dragen diverse departementen (Defensie, Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, EZK) aan bij. Ik verwacht uw Kamer hier voor het einde van het jaar over te kunnen informeren.

Zoals aangegeven in de Digitaliseringsstrategie en tijdens het AO Digitalisering van 20 september jl. komt het kabinet verder met een strategische actieagenda kunstmatige intelligentie. Het streven is om deze in het eerste kwartaal van 2019 aan uw Kamer te sturen.

3. Welke elementen komen in de Warmtewet 2.0? Wanneer wordt deze wet naar de Kamer gestuurd?

Antwoord

Het voornemen is over drie onderwerpen regels in de Warmtewet 2.0 vast te leggen indien nodig: marktordening collectieve warmtelevering, tariefregulering (anders dan niet-meer-dan-anders (NMDA/gasreferentie)) en verduurzaming warmtenetten.

De uitwerking van deze drie elementen is in gang gezet, onder meer als onderdeel van de gesprekken in het kader van het Klimaatakkoord. Hierbij wordt ook gekeken naar andere instrumenten die ingezet kunnen worden naast of in plaats van wetgeving.

Het feitelijke wetstraject Warmtewet 2.0 zal starten in 2019, waaronder publieke consultatie en advies Raad van State. Bij een spoedige voortgang, zal de Kamer het wetsvoorstel dan in 2020 voorgelegd krijgen.

4. Kunt u de rol toelichten van decentrale overheden bij aanleggen van warmtenetten? Welke doorzettingsmacht hebben decentrale overheden bij het al dan niet aanleggen van warmtenetten?

Antwoord

De huidige praktijk, op basis van het Bouwbesluit 2012, is dat een gemeente met een warmteplan een warmtegebied aanwijst, waar een nieuwe wijk met een warmtenet wordt gerealiseerd. Voor bestaande bouw is een dergelijke aanwijzingsroute nog niet.

Onderdeel van de verduurzaming van de gebouwde omgeving, ook in de bestaande bouw, is dat gemeenten per wijk gaan vastleggen hoe verduurzaming wordt nagestreefd. In het kader van het Klimaatakkoord wordt nu besproken welke set van bevoegdheden daarvoor nodig is, voor gemeenten maar bijvoorbeeld ook voor netbeheerders.

Indien er gekozen wordt voor een warmtenet, dan moeten gemeenten bepalen op welke wijze deze infrastructuur wordt aangelegd en beheerd. De gemeente heeft hiervoor meerdere opties voorhanden (inbesteden, aanbesteden of vergunnen). In het kader van de klimaattafel gebouwde omgeving werken we deze opties eveneens verder uit.

5. Wat zijn de effecten op de Nederlandse CO2-uitstoot als op 1 januari 2020 een minimumprijs van € 40 per ton CO2 voor elektriciteitsopwekking wordt ingevoerd?

Antwoord

De analyse die op verzoek van het kabinet is uitgevoerd door Frontier Economics gaat uit van een minimum CO2-prijs die vanaf 2020 start bij 18 euro per ton CO2 en vervolgens geleidelijk oploopt naar 43 euro per ton CO2 in 2030. Op basis van deze uitgangspunten leidt op basis van de analyse van Frontier Economics invoering van een minimum CO2-prijs naar verwachting tot circa 8 Mton CO2-reductie in Nederland in 2030. Daarbij gaat het vooral om een verschuiving: op mondiale schaal zou het effect een toename van de uitstoot met 4 Mton betekenen.

Er is geen analyse gedaan naar invoering van een minimumprijs van 40 euro per ton CO2 in 2020. Wel geldt in algemene zin dat naarmate de minimum CO2-prijs hoger is en naarmate er een groter verschil is tussen de ETS-prijs en de minimum CO2-prijs dat het effect op de Nederlandse CO2-uitstoot in dat betreffende jaar groter is. Dat geldt ook voor het verschuivingseffect.

6. Wordt in de regierol van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) bij de realisatie van energie-infrastructuurprojecten ook voldoende inpassing gecreëerd om het toenemende aanbod van duurzaam opgewekte energie op te vangen? Wordt daarbij ook bij de aanleg van nieuwe infrastructuur overcapaciteit ingezet om zo de toenemende vraag op te vangen?

Netbeheerders van zowel de transmissie- als de distributienetten hebben op grond van de Elektriciteitswet 1998 (artikel 16.1) een aantal verplichtingen waaronder het aanhouden van voldoende reservecapaciteit voor het transport van elektriciteit.

Antwoord

Daarnaast zijn netbeheerders gehouden aan het opstellen van een periodiek investeringsplan met daarin alle noodzakelijke uitbreidings- en vervangingsinvesteringen Art. 21). Daarbij zijn ze verplicht het ontwerp aan betrokken stakeholders voor te leggen die daarbij kunnen aangeven of hun vraag of aanbod te komende periode substantieel gaat veranderen. Ook leggen de regionale netbeheerders hun ontwerp voor aan de Autoriteit Consument en markt (ACM) en de landelijk netbeheerder aan de Minister van EZK. Daarbij wordt door de ACM getoetst of men in redelijkheid tot het voorliggende ontwerp heeft kunnen komen en wordt ten aanzien van het plan van de landlelijk netbeheerder getoetst of deze in voldoende mate rekening heeft gehouden met ontwikkelingen in de energiemarkt. Netbeheerders dienen op deze manier rekening te houden met de toenemende vraag naar capaciteit van de netten.

7. Hoeveel fulltime-equivalent (fte) wordt binnen het Ministerie van EZK ingezet op digitalisering?

Antwoord

Zoals ook in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie beschreven, heeft digitalisering impact op de hele economie en samenleving en daarmee ook op vrijwel alle beleidsterreinen. Digitalisering is een van de centrale thema’s binnen EZK en verschillende onderdelen van de organisatie zijn met dit onderwerp zijn. Bijvoorbeeld op het terrein van innovatie, connectiviteit, cybersecurity, mededinging, consumentenbescherming en ondernemerschap, maar ook op terreinen als internationale en juridische zaken. Hoeveel fte hier precies op wordt ingezet is lastig te zeggen, maar naar schatting in ieder geval meer dan 100.

8. Hoe gaat u waarborgen dat het principe «de vervuiler betaalt» gewaarborgd wordt zodat de grootste uitstoters van broeikasgassen een eerlijke bijdrage in de kosten van de transitie leveren»:

Antwoord

In de kabinetsreactie op het Voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord geeft het kabinet duidelijke richting voor het vervolg van de gesprekken van het Klimaatakkoord. Naast de principes betaalbaarheid en kostenefficiëntie, wil het kabinet dat het principe «de vervuiler betaalt» zoveel mogelijk centraal staat. Er wordt vast gehouden aan een CO2-minimumprijs in de elektriciteitssector en de industrietafel is gevraagd om te komen met een voorstel voor een CO2-heffing, als stok achter de deur. Voor de additionele investeringen die de industrie moet plegen, levert het kabinet een bijdrage, maar die is beperkt. De industrie zal zelf ook moeten investeren. Tegelijkertijd moeten we ook kijken naar de wereld om ons heen. Het klimaat is er niet bij gebaat als bedrijven naar het buitenland vertrekken. Dan verliezen we hier banen en wordt de wereldwijde CO2-uitstoot eerder hoger dan lager. Daarom heeft het kabinet oog voor de balans tussen «de vervuiler betaalt» en het gelijke speelveld.

9. Hoeveel klimaatwinst wordt er, in megatonnen CO2, geboekt per kolencentrale die wordt gesloten?

Antwoord

Er zijn 5 kolencentrales in bedrijf. In 2017 hadden die een uitstoot variërend van 3,3 tot 7,6 Mton CO2. De emissiereductie in Nederland bij sluiting wordt bepaald door de verminderde uitstoot van de kolencentrale en de (mogelijke) uitstoot van andere centrales die door de sluiting van de kolencentrale extra elektriciteit leveren. Het is dus niet op voorhand precies aan te geven hoeveel het sluiten van een kolencentrale oplevert.

10. Wat gaat u doen om de handhaving van de verplichting tot investering in energiebesparingsmaatregelen bij een terugverdientijd van minder dan vijf jaar te verbeteren?

Antwoord

Aan de bestaande energiebesparingsplicht wordt een informatieplicht toegevoegd om aan te geven welke maatregelen genomen zijn. Ik heb het voorstel op 3 oktober jl. naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 383, nr. 305). De voorgestelde wijziging vloeit voort uit de Uitvoeringsagenda Energieakkoord om de energiebesparingsdoelstelling voor 2020 weer binnen bereik te brengen en is conform de motie Van der Lee/Jetten (Kamerstuk 34 775 XIII, nr. 71). De wijziging verplicht bedrijven en instellingen elke vier jaar te rapporteren welke energiebesparende maatregelen zijn genomen om te voldoen aan de reeds bestaande energiebesparingsplicht. Het grootste deel van de bedrijven en instellingen voldoet naar verwachting door het treffen van erkende maatregelen. Inrichtingen die afwijkende maatregelen nemen, dienen deze maatregelen of aan te vinken of te omschrijven in de rapportage zodat het bevoegd gezag kan beoordelen of wordt voldaan. De binnengekomen informatie wordt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) gerubriceerd en aan de instantie geleverd die belast is met het toezicht op energiebesparing. Het gaat hierbij vaak om de omgevingsdienst of regionale uitvoeringsdienst. Deze kan aan de hand van de informatie en rubricering bepalen waar prioriteiten in handhaving en toezicht moeten liggen. Ik heb tijdens het vaststellen van de begrotingsstaten van EZK conform het amendement Van der Lee (Kamerstuk 34 775 XIII, nr. 56) de tweede tranche van € 3 miljoen voor toezicht op energiebesparing toegezegd. Deze middelen worden ingezet om de informatieplicht onderdeel van het energiebesparingstoezicht te maken. Hiervoor maak ik afspraken met de Vereniging van Nederlandse gemeente (VNG) namens het bevoegd gezag.

11. Waarom wordt de klimaatdoelstelling voortkomend uit de uitspraak van de rechter ingaande de klimaatzaak aangespannen door Urgenda nergens genoemd in de begroting?

Antwoord

Het kabinet geeft uitvoering aan het Urgenda-vonnis door in te zetten op het behalen van de Energieakkoord-doelen. Volgens de meest recente inzichten van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het doel van 25% CO2-reductie in 2020 ten opzichte van 1990 daarmee binnen bereik. Hierover heeft het kabinet u op 19 oktober 2017 geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 559).

12. Hoeveel huishoudens zijn in 2018 en in 2019 aangesloten op restwarmte van kolencentrales?

Antwoord

In 2018 zijn 33.000 huishoudens aangesloten op restwarmte van kolencentrales. Dit betreft restwarmte van de Amercentrale. Voor 2019 is dit niet bekend.

13. Hoeveel huishoudens zijn er in 2018 en 2019 aangesloten op restwarmte van recyclingbedrijven (verbrandingsbedrijven)?

Antwoord

In 2018 ca. 80.000 huishoudens aangesloten op restwarmte van recyclingbedrijven. Voor 2019 is dit niet bekend.

14. Welke type warmtebronnen leveren welk aandeel warmte aan warmtenetten (percentueel) in 2018 en 2019?

Antwoord

De huidige warmtenetten worden onder meer gevoed door gascentrales, biomassacentrales, warmte uit afvalverbranding, warmte-koude opslag (WKO). Geothermie wordt vooralsnog vooral voor de glastuinbouw ingezet. Er zijn geen cijfers over de precieze aandelen van de verschillende bronnen in 2018 en 2019.

In 2017 waren biomassa en WKO de meest gebruikte bronnen:

Bron: Nationaal warmtenet trendrapport 2017

15. Kunt u een meerjarig overzicht geven, uitgesplitst naar jaren, van de middelen die beschikbaar zijn voor onder andere herstelwerkzaamheden en het bieden van toekomstperspectief voor Groningen op de aanvullende post en op de verschillende begrotingen, zoals de begrotingen van de Ministeries van EZK, OCW, VWS en SZW? Kunt u een dergelijk overzicht voortaan opnemen in de toelichting van begrotingsartikel 5 van het Ministerie van EZK?

Antwoord

Op de rijksbegroting (departementale begrotingen of de Aanvullende Post) zijn geen kosten voor herstelwerkzaamheden geraamd. De NAM vergoedt de kosten voor schade en de kosten voor versterken die nodig zijn voor de veiligheid. Deze kosten liggen volgens de huidige inzichten tot de volledige afbouw van de gaswinning in Groningen is gerealiseerd (uiterlijk 2030) tussen de € 3,5 en 5,5 miljard.

Het kabinet gaat meerjarig substantieel investeren in de toekomst van Groningen. Bij regeerakkoord is voor de jaren 2018–2022 een budget van € 50 miljoen per jaar gereserveerd. Daarnaast wordt de bij Voorjaarsnota 2018 gemaakte reservering op de Aanvullende Post van € 100 miljoen per jaar vanaf 2022 deels gebruikt voor het toekomstperspectief van Groningen (het overige deel van dit bedrag wordt toegevoegd aan artikel 5). Samen met een bijdrage van € 500 miljoen van de NAM komt er hierdoor € 1,15 miljard beschikbaar voor het Nationaal Programma Groningen, dat op 5 oktober 2018 door alle betrokken partijen is ondertekend (Kamerstuk 33 529, nr. 528). Wanneer de afspraken met de regio definitief zijn zal de Minister van EZK uw Kamer zo snel mogelijk informeren over de (financiële) consequenties. Dit gebeurt in ieder geval bij Voorjaarsnota 2019.

In totaal is op de rijksbegroting het volgende budget beschikbaar voor Groningen. Een dergelijk overzicht en een toelichting daarop zal voortaan worden opgenomen bij artikel 5 van de EZK-begroting.

Beschikbaar voor Groningen van de rijksbegroting

X 1 mln euro

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal

Subsidies EZK

33,9

32,3

25,9

27,0

27,0

9,5

0,1

155,7

Verduurzamingsopgave uit aardgasbaten

33,9

16,4

10,3

16,4

16,4

9,4

 

102,8

Verduurzamingsopgave overig (plafond relevante uitgaven)

0,0

10,7

10,6

10,6

10,6

0,1

0,1

42,7

Instrumentarium woningmarkt

0,0

5,1

5,0

       

10,1

Opdrachten EZK

13,1

27,6

13,1

13,1

12,1

10,5

8,9

98,3

Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie

5,5

8,9

7,1

7,1

6,1

5,1

4,1

43,8

Werkbudget

7,7

18,7

6,0

6,0

6,0

5,4

4,8

54,5

EZK

47,1

59,8

39,0

40,1

39,1

20,0

9,0

254,0

OCW Achterstallig onderhoud erfgoed (RA-envelop)

4,0

4,0

4,5

4,5

   

17,0

SZW Stimulering arbeidsmarkt

6,0

         

6,0

               

277,0

16. Kunt u aangeven wanneer in de begrotingscyclus u verwacht de budgettaire verwerking van de afspraken met de regio over de versterkingsoperatie en het toekomstperspectief voor Groningen aan de Kamer voor te stellen?

Antwoord

Er komt een wetsvoorstel dat bepaalt langs welke normen en op welke manier er versterkt wordt, hoe de prioriteiten worden vastgesteld, wie wat doet en hoe de NAM daarvoor gaat betalen. In het eerste kwartaal van 2019 wordt dit wetsvoorstel in consultatie gebracht. Met inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt ook de budgettaire verwerking van de kosten van de versterking in de begroting geregeld waarbij de NAM altijd de versterking op basis van de veiligheid blijft betalen

In totaal is € 1,15 miljard beschikbaar voor het Nationaal Programma Groningen (toekomstperspectief). Dit bedrag bestaat uit een bijdrage van € 500 miljoen van de NAM en € 650 miljoen staat op dit moment op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting.

Rijk en regio bepalen in het Nationaal Programma Groningen samen aan welke projecten deze middelen besteed worden. Afhankelijk van deze concrete plannen kan worden beoordeeld of het beoogde kasritme aanpassing behoeft. Ook bekijk ik op dit moment naar de meest geschikte wijze om dit bedrag aan de regio te doen toekomen, bijvoorbeeld in meerjarige tranches. Bij Voorjaarsnota 2019 wordt de Kamer hier over geïnformeerd. De bijdrage van de NAM zal via de begroting van EZK aan de regio beschikbaar worden gesteld.

17. Klopt het dat de genoemde € 3,5–5,5 miljard voor de versterkingsoperatie zowel bestaat uit veiligheidsgerelateerde uitgaven, die door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) zullen worden gefinancierd via de rijksbegroting, als voor niet-veiligheidsgerelateerde uitgaven die door het Rijk en de betrokken woningcorporaties zullen worden gefinancierd? Zo ja, welk deel van de schatting bestaat uit welk aandeel?

Antwoord

Nee, de genoemde € 3,5–5,5 miljard bestaan uit alle kosten die de NAM betaalt voor kosten voor schade, de veiligheidsgelateerde kosten voor versterking, regelingen van de NAM vanuit het bestuursakkoord uit 2014 en de € 500 miljoen die de NAM bijdraagt aan het Nationaal Programma Groningen. De kosten die rechtstreeks worden gefinancierd via de rijksbegroting of door woningcorporaties maken geen onderdeel uit van bovengenoemde bedragen.

18. Kunt u in een tabel uitsplitsen wat de dekking is van het dichtdraaien van de gaskraan na 2023?

Antwoord

Conform de begrotingssystematiek wordt een meerjarenperiode van t+4 jaar gepresenteerd. Voor de Miljoenennota 2019 en de samenhangende ontwerpbegrotingen geldt dus een meerjarenperiode tot en met 2023. Alleen voor deze meerjarenperiode worden uitkomsten van (budgettaire) besluitvorming (zoals het dichtdraaien van de gaskraan) of de dekkingsmaatregelen gepresenteerd. Conform de begrotingscyclus, vindt besluitvorming over budgettaire consequenties in 2024 plaats in het voorjaar van 2019.

19. Welk bedrag tussen de genoemde € 3,5–5,5 miljard voor de versterkingsoperatie is gehanteerd als aanname voor het berekenen van de geactualiseerde reeks gasbaten?

Antwoord

De kosten voor de bovengrond bestaan niet alleen uit veiligheidsgerelateerde kosten voor versterken, maar ook uit kosten voor schade, regelingen van de NAM vanuit het bestuursakkoord 2014 incl. het aanvullend bestuursakkoord en de bijdrage van de NAM voor het Nationaal programma Groningen. In de berekening van de geactualiseerde gasbaten, zoals opgenomen in de EZK-begroting 2019 en de Miljoenennota, is voor de kosten voor de bovengrond gerekend met het gemiddelde van de inschatting, dus met € 4,5 miljard.

20. Wat was de loongroei sinds 2007, afgezet tegen de groei van het bbp?

Antwoord

Op basis van de cijfers van de MEV 2019 is de gemiddelde loongroei over de periode 2007–2018 1,7% per jaar. De bbp-groei over deze periode bedraagt gemiddeld 1,3% per jaar.

21. Hoeveel kosten verwacht de NAM nog te maken voor de ondergrond na 2023? Wordt van deze kosten ook een deel door de staat betaald? Zo ja, hoeveel?

Antwoord

Op 18 september jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over financiële effecten die samenhangen met de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 524). Hierin staat een raming van de verwachte toekomstige kosten ondergronds. Deze raming houdt rekening met operationele kosten gerelateerd aan de gaswinning, afschrijvingen en de verdere opbouw van de voorziening voor opruimverplichtingen. Voor 2023 hou ik rekening met kosten van in totaal € 100 miljoen. Na 2023 zullen deze kosten geleidelijk jaarlijks afnemen. Ook van deze kosten komt op basis van de afdrachtensystematiek uit de Mijnbouwwet in totaal ongeveer 73% voor rekening van de Staat.

22. Hoe is rekening gehouden met de schommeling van de gasprijs bij de beschikbaar gestelde financiële middelen in artikel 5? Hoe groot is hierbij de genomen marge?

Antwoord

In de berekening van de aardgasbaten in de begroting wordt gerekend met een vaste verwachte gasprijs zonder marge. Voor 2019 is dit een gasprijs van 19,8 cent per m3. Gedurende de begrotingscyclus zullen de gasprijzen steeds worden geactualiseerd, dit gebeurt jaarlijks. Deze actualisaties hebben echter geen invloed op de beschikbaar gestelde financiële middelen in artikel 5. Dit zijn geraamde uitgaven die losstaan van de aardgasbaten.

23. Op welke wijze wordt indirect landgebruik berekend en meegewogen bij het gebruik van biomassa (voor elektriciteit/warmte)?

Antwoord

Voor sommige categorieën biomassa in de SDE+ waar houtpellets worden toegepast, zijn strenge duurzaamheidseisen afgesproken, ook ten aanzien van indirect landgebruik. In dat geval is bepaald dat indirect landgebruik niet mag leiden tot indirecte verandering van landgebruik (ILUC). Bij biomassa die afkomstig is van nieuwe energieteeltsystemen die na 1 januari 2008 zijn aangelegd, is aangetoond dat sprake is van een laag risico op ILUC. Voor de overige categorieën biomassa wordt snoei- en dunningshout of afvalhout als brandstof toegepast, waarbij een laag risico op ILUC wordt aangenomen.

24. Klopt het dat het gebruik van biomassa voor brandstof, elektriciteit en warmte als CO2 neutraal wordt gezien?

Antwoord

De richtlijn hernieuwbare energie merkt onder andere biobrandstoffen, vloeibare biomassa en (vaste) biomassa uit bos inderdaad aan als hernieuwbare brandstof. Daarbij geldt dat de CO2

die wordt vastgelegd bij de groei van de biomassa weer vrijkomt bij de verbranding. In die zin is biomassa CO2-neutraal. Dit geldt alleen als er sprake is van duurzaam bosbeheer en heraanplanten van bossen. Om die reden heeft Nederland strikte duurzaamheidseisen voor vaste biomassa voor energietoepassingen opgesteld die dit borgen. Ook in de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie worden hierover Europese afspraken over gemaakt.

25. Wat is het energiebesparingspotentieel bij de 20% grootste energiegebruikers?

Antwoord

De 20% grootste energiegebruikers vallen momenteel onder de meerjarenafspraken energie-efficiëntie voor ETS-ondernemingen (MEE-convenant). De deelnemers aan het MEE-convenant vertegenwoordigen gezamenlijk meer dan de helft van het totale industriële energieverbruik in Nederland.

Onder het MEE-convenant is de afspraak gemaakt dat bedrijven alle rendabele energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter nemen. De plannen van de energie-intensieve industrie voor de periode 2017 – 2020 zijn maximaal 30 PJ finale besparing in proces-efficiëntie en 27,6 PJ aan primaire besparing binnen de keten. Daarnaast hebben de deelnemers aan het MEE-convenant onder het Addendum op het MEE-convenant een resultaatsafspraak gemaakt om uiterlijk in 2020 9 PJ aanvullende energiebesparing te realiseren. Het besparingspotentieel voor de periode 2017 – 2020 komt daarmee op 39 PJ (finaal) aan proces-efficiëntie in het productieproces en 27,6 PJ aan besparing binnen de productie-en productketen. Het daadwerkelijke energiebesparingspotentieel bij bedrijven dat ook door minder rendabele maatregelen kan worden ontsloten, is niet bekend. Deze gegevens hoeven binnen de systematiek van het MEE-convenant en het Addendum niet aan de overheid te worden gemeld.

26. Welke concrete maatregelen worden in 2019 ingezet om energie te besparen?

27. Welke concrete maatregelen zijn er in 2018 genomen om energie te besparen en wat is het resultaat daarvan?

Antwoord 26 en 27

In 2019 zijn de energiebesparingsmaatregelen actief die zijn opgenomen in het Nationaal Energie-efficiëntie Actieplan (NEEAP) dat in 2017 naar de Europese Commissie is verstuurd. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd. In het jaarverslag dat in april dit jaar aan de Europese Commissie is verstuurd zijn een aantal nieuwe energiebesparingsmaatregelen gemeld aan de Europese Commissie. Ten eerste is in 2017 het Addendum op het MEE-convenant ondertekend, met als doel om in 2020 9 PJ aanvullende finale energiebesparing te realiseren. Ten tweede is in 2017 het Convenant Gebouwde Omgeving afgesloten, met als doel om 10 PJ aanvullende finale energiebesparing te realiseren bij huishoudens en de utiliteitsbouw. Deze maatregelen zijn naar verwachting in 2018 en 2019 nog steeds actief. Het is niet mogelijk om over het jaar 2018 de effecten van het energiebesparingsbeleid te melden, omdat de monitoringsresultaten pas volgend jaar beschikbaar worden gesteld.

In 2019 zullen een aantal nieuwe beleidsmaatregelen voor energiebesparing worden geïmplementeerd. Per 1 juli 2019 wordt voor bedrijven die onder de Wet Milieubeheer vallen een informatieplicht ingevoerd. Hierdoor zijn bedrijven verplicht om aan het bevoegd gezag te melden welke rendabele energiebesparingsmaatregelen zij hebben genomen om aan hun wettelijke verplichting te doen om alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter te nemen. Daarnaast moeten bedrijven alle technische maatregelen uitvoeren van de Erkende Maatregelenlijsten (EML) die van toepassing zijn op hun sector, tenzij ze aan kunnen tonen dat ze door middel van andere maatregelen ook aan hun wettelijke verplichting onder de Wet milieubeheer voldoen.

28. Hoeveel kosten worden er gemaakt voor zoutwinning? Onder welke post valt dit?

Antwoord

De kosten die gemaakt worden voor de zoutwinning betreffen hoofdzakelijk personele kosten ten behoeve van het toezicht op de zoutwinning door Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), de vergunningverlening en het beleid. De omvang van deze werkzaamheden zijn variabel en mede afhankelijk van de activiteiten van de zoutindustrie, het toezicht arrangement, incidenten en de beschikbare personele capaciteit. Naar verwachting zal in 2019 voor de vergunningverlening en het beleid circa 2 FTE nodig zijn. SodM voorziet een intensivering in het toezicht op de zoutsector. SodM verwacht dat het toezicht op de zoutwinning in 2019 circa 5 tot 6 FTE zal vergen. Dit aantal kan mogelijk naar boven moeten worden bijgesteld.

29. Via welke maatregelen worden de grootste gasverbruikers aangezet tot verduurzaming?

Antwoord

In de gesprekken met de aangeschreven industriële grootverbruikers van laagcalorisch gas is aan bedrijven gevraagd om de mogelijkheden voor versnelde verduurzaming van hun gasverbruik te concretiseren. In de gesprekken met de grootverbruikers heb ik aangegeven dat in principe de bereidheid bestaat om bedrijven waar mogelijk te ondersteunen als zij willen verduurzamen. In eerste instantie kijk ik hierbij naar de mogelijkheden binnen bestaande regelingen zoals de SDE+. Afhankelijk van de plannen van bedrijven bekijk ik de mogelijkheden buiten bestaande regelingen voor technologieën zoals elektrificatie en restwarmte.

30. Hoeveel middelen gaan er vanuit de EZK-begroting, direct en indirect, naar de landbouw en daarbinnen naar de veehouderij? Voor welke sectoren zijn deze middelen bestemd (bijvoorbeeld de varkenshouderij, pluimveehouderij, rundveehouderij, eendenhouderij et cetera)? Wat is het doel van de inzet van deze middelen en vanuit welke regelingen worden deze middelen verstrekt? Hoeveel bedrijven maken hier gebruik van? Wat is het gemiddelde budget dat per bedrijf beschikbaar wordt gesteld?

Antwoord

Algemeen

Er zijn op de EZK-begroting geen uitgavenposten die specifiek gericht zijn op de agro-sector. Wel kunnen landbouw- en veehouderijbedrijven gebruik maken van EZK-regelingen als projectvoorstellen voldoen aan de voor die regelingen geldende voorwaarden. EZK houdt als regel geen uitsplitsingen bij naar de deelsectoren waar naar gevraagd wordt (varkenshouderij, pluimveehouderij etc.). Onderstaand is een opgave opgenomen van de voornaamste uitgaven uit EZK-regelingen die toegekend zijn aan bedrijven en organisaties in de agro-sector.

PPS-toeslagregeling

Het doel van deze regeling is de privaat-publieke samenwerking (PPS) binnen de topsectoren te versterken door een toeslag te verlenen op de private financiële bijdragen van bedrijven aan publiek gefinancierd onderzoek. De topconsortia voor kennis en innovatie (TKI’s) kunnen zogenoemde PPS-programmatoeslag of PPS-projecttoeslag aanvragen. De TKI’s wenden de PPS-toeslag aan voor samenwerkingsprojecten uitgevoerd door onderzoeksinstellingen en ondernemers of voor innovatieactiviteiten die passen in een of meerdere TKI-programma’s. De regeling heeft geen geoormerkte budgetten per topsector. In 2017 is voor € 8,6 miljoen aan PPS-toeslag verleend aan de TKI Agri&Food en voor € 6,4 miljoen aan de TKI Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De MIT ondersteunt mkb-ondernemers om te innoveren. EZK stelt hiervoor landelijk enkele instrumenten beschikbaar (innovatiemakelaars, netwerkactiviteiten en kennisvouchers) en samen met de provincies (haalbaarheidsprojecten en R&D-samenwerkingsprojecten). Alle aanvragen moeten vallen binnen de topsectoragenda’s, waaronder de landbouwtopsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen. In welke landbouw-deelsectoren aanvragers actief zijn wordt niet geregistreerd. De budgetten gaan in een totale call open, waarbij vooraf geen onderscheid tussen sectoren wordt gemaakt. In 2017 ging ca. € 7,8 miljoen naar de land- en tuinbouw (in 2016 was dit € 7,7 miljoen). De subsidie per bedrijf varieert van € 3.750 bij een kennisvoucher tot maximaal € 175.000 bij een groot R&D-samenwerkingsproject.

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)

EZK is aandeelhouder van de ROM’s. De participatiebedrijven van de ROM's investeren in innovatieve (door)startende mkb-bedrijven respectievelijk snelle groeiers die actief zijn op de speerpunten van het landelijk en regionaal beleid, waaronder de agri-food sector. In 2017 hadden de ROM’s 20 participaties in de agri-food sector ter waarde van € 11,7 miljoen in hun portfolio. Dit is gemiddeld ca. € 0,6 miljoen per participatie.

Vroegefasefinanciering

Als onderdeel van de regeling Vroegefasefinanciering wordt subsidie verstrekt voor haalbaarheidsstudies voor innovatieve TO2 starters. Met een haalbaarheidsstudie kan de innovatieve TO2 starter het proof of principle aantonen evenals het commercieel perspectief van het beoogde product of proces of de beoogde dienst. Vanuit de middelen die EZK voor haalbaarheidsstudies ter beschikking stelt is in 2017 tweemaal subsidie verstrekt voor haalbaarheidsstudies in de agri-food sector. De subsidie heeft een omvang van maximaal € 40.000.

De regeling Vroegefasefinanciering biedt daarnaast financiering – in de vorm van een geldlening – voor academische, hbo en TO2 starters, voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Deze regeling staat ook open voor bedrijven uit de agri-food sector.

Innovatiekrediet

Het innovatiekrediet biedt toegang tot financiering voor met name het innovatieve mkb en start-ups en helpt bij het aantrekken van risicokapitaal. In een fase waarin bancaire financiering niet of nauwelijks beschikbaar is, maakt het Innovatiekrediet onder voorwaarde van 50–75% eigen middelen innovatieprojecten mogelijk met een maximale ondersteuning van € 10 miljoen voor technische ontwikkelingsprojecten en € 5 miljoen voor klinische projecten. Over de afgelopen jaren is gemiddeld genomen één project per jaar uit de agri-foodsector ondersteund met een bijdrage van gemiddeld € 2,3 miljoen.

Seed Capital regeling

Vanuit de Seed Capital regeling is in totaal € 18 miljoen toegekend aan 3 Seedfondsen die zich richten op de Agri-horti-food sector (€ 6 miljoen per fonds). Bedrijven en ondernemers kunnen deze fondsen benaderen als zij opzoek zijn naar kapitaal/een investeerder. De daadwerkelijke investeringsbeslissing wordt genomen door de betreffende fondsen/fondsmanagers.

Sinds de start van de Seed Capital regeling is vanuit alle fondsen waaraan EZK bijdraagt 11 keer geparticipeerd in ondernemingen die actief zijn in de agri-horti-food sector, voor een totaal bedrag van € 13 miljoen. De gemiddelde participatie-omvang bij de start is ca. € 0,5 miljoen.

MEP/SDE/SDE+

Op basis van de MEP, de SDE en de opvolger daarvan, de SDE+, kunnen producenten subsidie ontvangen voor de duurzame energie die zij opwekken. Omdat de kostprijs van duurzame energie hoger is dan die voor energie uit fossiele brandstoffen, is de productie van duurzame energie niet altijd rendabel. Via de MEP, de SDE en de SDE+ wordt het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en de marktwaarde van de geleverde energie (de onrendabele top) vergoed. Ook landbouwondernemingen kunnen gebruik maken van deze regelingen. Het gaat dan met name over energieprojecten gericht op mestvergisters, windparken, zonPv op daken van bijv. stallen en schuren en op zonneweides. RVO.nl houdt niet apart bij welk deel van de subsidies voor MEP, SDE en SDE+ naar de agri-food sector gaat: een onderverdeling hiervan is dan ook niet te geven.

Hernieuwbare Energie Regeling (HER)

De Hernieuwbare Energie Regeling heeft tot doel de energiedoelstellingen in 2030 kosteneffectiever te realiseren via innovatieve projecten. Hernieuwbare energieprojecten moeten leiden tot hernieuwbare energieproductie in 2030 en tot een besparing op de toekomstige uitgaven aan subsidies in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE+). Die besparing moet groter zijn dan de subsidie die voor het project aangevraagd wordt.

In de periode 2012–2017 is voor € 171 miljoen aan HER-subsidies verstrekt, hiervan is € 33 miljoen (19%) naar de agrosector gegaan.

Demonstratieregeling Energie-Innovatie (DEI)

De DEI-regeling komt voort uit het Energieakkoord en richt zich op demonstratie van energie-innovaties en technologieën die potentie hebben voor versterking van de Nederlandse economie, wat betreft omzet, werkgelegenheid en export van Nederlandse fabrikanten, technische dienstverleners of leveranciers. Op deze wijze dragen de projecten bij aan de economische (groene) groei in Nederland.

In de periode 2015–2017 is voor € 121 miljoen aan DEI-subsidies verstrekt, waarvan € 7 miljoen (6%) naar de agrosector.

Topsector Energie tenderregeling (TSE)

Met de Topsector Energie tenderregeling (TSE) worden innovaties op het gebied van energie gestimuleerd en gesubsidieerd. Dit kunnen innovaties zijn op het gebied van bijvoorbeeld waterstof, Carbon Capture Utilisation and Storage (CCUS), bioenergie, recycling, etc.

In de periode 2012–2017 is voor € 222 miljoen aan subsidies voor de verschillende TSE-tenders verstrekt, hiervan is € 1 miljoen (0,5%) naar de agrosector gegaan.

WBSO (fiscaal, niet op EZK-begroting)

De WBSO is een fiscale maatregel om private Research- en Development te stimuleren. De WBSO staat open voor bedrijven uit alle sectoren. In 2017 maakten 490 bedrijven (waaronder 430 behorend tot het mkb) uit de topsector Agri&Food gebruik van de WBSO. Zij ontvingen een fiscaal voordeel van € 66,6 miljoen. Dit komt neer op gemiddeld € 135.943 per bedrijf.

31. Wat is de jaarlijks verwachte klimaatimpact van de stikstoffabrieken die gebruikt gaan worden voor het omzetten van buitenlands gas?

Antwoord

Voor het extra omzetten van buitenlands gas wordt er een extra stikstofinstallatie in Zuidbroek gebouwd. Naar verwachting is deze in 2022 operationeel. Deze installatie heeft een vermogen van ongeveer 100 MW. Het daadwerkelijke energieverbruik is afhankelijk van het aantal draaiuren van de installatie. Verder is GTS voornemens om de klimaatimpact van de stikstofinstallatie te minimaliseren door de benodigde elektriciteit groen in te kopen.

32. Hoeveel middelen gaan er vanuit de EZK-begroting naar subsidies, fiscale regelingen, vrijstellingen of andere bijdragen naar mestvergisters of andere 32 vormen van mestverwerking? Wat is het doel van de inzet van deze middelen en vanuit welke regelingen worden deze middelen versterkt? Hoeveel bedrijven maken hier gebruik van? Wat is het gemiddelde budget dat per bedrijf beschikbaar wordt gesteld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 30.

33. Hoeveel middelen gaan er naar de Topsector Agri&Food? Welke projecten vallen hierbinnen en hoe scoren deze projecten op de negen toetsingscriteria uit de Landbouwvisie van de Minister van LNV, «Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden» (Kamerstuk 35 000-XIV, nr. 5 )?

Antwoord

In het Kennis- en Innovatiecontract 2018–2019 zijn voor 2019 de volgende publieke bijdragen opgenomen voor de Topsector Agri&Food: € 33,9 miljoen van Wageningen Research (begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)), € 6,4 miljoen van NWO (begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)n € 1,25 miljoen van departementen (LNV-begroting).

Met het Kennis en Innovatiecontract 2018–2019 investeert de Topsector Agri&Food in kennis en innovatie voor een klimaatneutrale en circulaire productie van veilig en gezond voedsel. Het proces voor de inzet van de middelen voor PPS-en die in 2019 van start zullen gaan loopt.

De ingediende PPS-voorstellen zijn bij de beoordeling door het TKI Agri&Food getoetst op bijdrage aan de Kennis en Innovatieagenda 2018–2021 van de sector en aansluiting op de visie van LNV. Het Topteam brengt hierover advies uit aan de Minister van LNV. Het is aan de Minister van LNV een besluit over de inzet van Wageningen Research te nemen. Na afronding van de besluitvorming zullen beschrijvingen van de PPS-en die in 2019 starten worden opgenomen op de websites https://topsectoragrifood.nl/kennis-en-innovatie/ en https://www.wur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Topsectoren.htm.

Daarnaast maakt de Topsector Agri&Food gebruik van de PPS-toeslag en de MIT-regeling, die beide onder de EZK-begroting vallen. In deze regelingen is geen apart budget gereserveerd voor de Topsector Agri&Food. Het is dus nog niet mogelijk om aan te geven wat naar de Topsector Agri&Food zal gaan.

34. Kunt u een overzicht geven van de in de afgelopen drie jaar gehouden handelsmissies naar het buitenland en de daarbij overeengekomen overeenkomsten met deze landen op het gebied van dieren of dierlijke producten? Welke dieren of dierlijke producten betrof het, welke aantallen en wat was het doel van de overeenkomst?

Antwoord

Bij handelsmissies wordt door de rijksoverheid uitgegaan van door bewindspersonen geleide missies met betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven. De Tweede Kamer wordt twee maal per jaar door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geïnformeerd over de in de voorgaande zes maanden uitgevoerde handelsmissies.

Navraag bij het Ministerie van LNV leert dat markttoegang voor Nederlandse dieren en dierlijke producten tot buitenlandse markten wel tijdens handelsmissies ter sprake wordt gebracht, maar dat er slechts zelden als onderdeel van een handelsmissie overeenkomsten worden afgesloten. Veterinaire afspraken vinden veelal plaats op basis van bestaande overeenkomsten en worden daarom afgehandeld op een technisch en ambtelijk niveau waarbij in wordt gespeeld op veranderende marktomstandigheden, aanpassingen in de veterinaire eisen en inspectieregimes en onvoorziene omstandigheden zoals uitbraken van dierziekten. Er worden in dit soort overeenkomsten geen afspraken gemaakt over de aantallen of volumes te exporteren dieren en dierproducten.

De enige handelsmissie over de afgelopen drie jaar waarbij op technisch niveau gemaakte veterinaire afspraken formeel zijn bekrachtigd betreft de missie onder leiding van de MP en met betrokkenheid van de Minister van LNV naar China in april van dit jaar. Een aantal in de voorgaande jaren met dat land gemaakte afspraken of aanpassingen in de procedures op het gebied van de markttoegang van runder- en varkenssperma, kalfsvlees, schelpdieren, levende hertachtigen en diervoederingrediënten uit mucosa zijn toen formeel bekrachtigd.

35. Hoeveel gas is er in 2018 en wordt er in 2019 onder en naast de Waddenzee gewonnen?

Antwoord

Voor zowel 2018 als 2019 is de verwachting dat er jaarlijks circa 1,7 miljard Normaal m3 gas wordt gewonnen uit kleine velden die geheel of gedeeltelijk liggen onder de Waddenzee.

36. Wat was de importwaarde van landbouwproducten over de afgelopen drie jaar? Wat was de exportwaarde van landbouwproducten over de afgelopen drie jaar? Wat was het netto resultaat over deze periode (export minus import)?

Antwoord

In onderstaande tabel worden de import- en exportwaarde van landbouwproducten over de afgelopen drie jaar getoond. Tevens geeft de tabel het netto resultaat over deze periode weer.

Tabel 1. Cijfers in miljarden euro’s

Jaar

Export

Import

Resultaat

2015

85,8

60,1

25,7

2016

90,6

61,5

29,1

2017

96,7

66,7

30

Bron Eurostat, cijfers zijn inclusief quasi-doorvoer

37. Uit welke landbouwproducten bestond de import de afgelopen drie jaar (zoals soja en cacao) en welke hoeveelheden betrof het? Welke landbouwproducten werden onbewerkt doorgevoerd naar andere landen, in welke hoeveelheden en naar welke landen? Welke landbouwproducten werden bewerkt doorgevoerd naar andere landen, in welke hoeveelheden, naar welke landen en wat was de bewerking? Welke landbouwproducten werden, zonder te zijn geïmporteerd, vanuit Nederland geëxporteerd? Welke hoeveelheden betrof dit en naar welke landen werd geëxporteerd?

Antwoord

In onderstaande tabel is de invoerwaarde per productcategorie over de afgelopen drie jaren opgenomen.

Tabel 2. Invoerwaarde in miljarden euro’s

Product

2015

2016

2017

1 Levende dieren

1,1

1,2

1,3

2 Vlees

3,7

3,7

3,9

3 Vis en zeevruchten

1,8

2

2,2

4 Melk en zuivel

3,5

3,4

4

5 Andere producten dierlijke oorsprong

0,4

0,4

0,4

6 Bloemen en planten

1,9

2

2,2

7 Groenten

2

2,3

2,5

8 Fruit

4,9

5,3

5,8

9 Koffie, thee, specerijen

1,4

1,3

1,6

10 Graan

2,5

2,3

2,6

11 Meel, mout en zetmeel

0,7

0,7

0,8

12 Oliehoudende zaden en vruchten1

3,8

3,7

3,9

13 Plantensappen

0,1

0,1

0,1

14 Vlechtstoffen

0,1

0,1

0,1

15 Natuurlijke vetten en oliën

4,2

4,4

5,5

16 Bereidingen van vlees en vis

1,4

1,5

1,7

17 Suiker en suikerwerk

0,9

0,9

0,9

18 Cacao en bereidingen

3,6

4,2

4,1

19 Bereidingen van graan, meel, melk

1,7

1,9

2,2

20 Bereidingen van groenten en fruit

2,7

2,7

2,8

21 Overige voeding

1,9

2,1

2,3

22 Dranken

3,4

3,7

3,7

23 Resten voedselindustrie, veevoer

3,3

2,9

3

24 Tabak en tabaksproducten

1,3

1,1

1,1

Overige landbouw

2,9

3,1

3,8

Noot 1: Onder andere soja

Bron: CBS, cijfers zijn exclusief quasi-doorvoer

De goederenstroom die, op weg van het ene naar het andere land, over Nederlands grondgebied vervoerd wordt maar in buitenlands bezit blijft, wordt (quasi)-doorvoer genoemd. Deze doorvoer maakt, anders dan de wederuitvoer, geen deel uit van de invoer- en uitvoercijfers die het CBS publiceert. De (quasi)-doorvoer is wel opgenomen in de cijfers van Eurostat. Van wederuitvoer is sprake als goederen via Nederland vervoerd worden en daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een ingezetene, zonder dat significant industriële bewerking plaatsvindt. Wederuitvoer betreft onder andere goederen die door Nederlandse distributiecentra worden ingeklaard en uitgeleverd aan andere (Europese) landen. De wederuitvoer maakt wel deel uit van de invoer- en uitvoercijfers van het CBS. Welke bewerkingen producten ondergaan, wordt niet geregistreerd.

In 2017 bedroeg de wederuitvoer ongeveer 27,8% van de primaire (onbewerkte producten) en secundaire (bewerkte producten) landbouwexport. De overige 72,2% was van Nederlandse makelij. De wederuitvoer is het grootst bij fruit (€ 4,2 miljard euro), oliehoudende zaden en vruchten, cacao en bereidingen en zuivel en eieren (allen € 1,8 miljard). Landbouwproducten van Nederlandse makelij die het meest worden geëxporteerd zijn sierteelt (€ 8,0 miljard), vlees (€ 7,3 miljard) en zuivel en eieren (€ 7,1 miljard).1

Voor zowel wederuitvoer als voor landbouwproducten van Nederlandse makelij geldt (in euro’s) dat de meeste producten worden geëxporteerd naar Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

38. Wat is de extra klimaatimpact die de voorgenomen import van gas zal hebben (transport, productie, omzetten et cetera)?

Antwoord

De CO2-voetafdruk van geïmporteerd gas is, met name door het transport, aanzienlijk groter dan die van in Nederland geproduceerd gas. Het invullen van de Nederlandse vraag naar hoogcalorisch gas door gaswinning uit de Nederlandse kleine velden is dan ook beter voor het klimaat dan het importeren van het benodigde gas.

Naast CO2-uitstoot zijn ook nog methaanemissies van belang. Deze zijn voor de Nederlandse gasketen (productie, transport en distributie) laag in vergelijking met andere landen (emissie intensiteit in Nederland is 0,12% tegenover het internationale gemiddelde van 1,7%). Dit wordt enerzijds verklaard door het bijzondere karakter van de winningsinstallaties, met name die in Groningen, waar grote volumes gas door een relatief beperkt aantal installaties worden geleid. Anderzijds zijn voor de kleine velden diverse maatregelen genomen waardoor in de loop der jaren een aanzienlijke emissiereductie van methaan is bereikt (ongeveer 80% reductie in 2016 ten opzichte van 1990).

39. Wanneer is er sprake van een meevaller op de gasbaten?

Antwoord

De vragen 39 en 40 naar meevallers in de gasbaten zijn beantwoord in de context van het Toekomstfonds (beleidsartikel 3 van de EZK-begroting), in welk verband specifieke afspraken bestaan over de aanwending van eventueel optredende meevallers in de gasbaten. Dit laat onverlet dat dit kabinet alles in het werk stelt om de winning van Groningengas zo snel mogelijk af te bouwen.

Uitgaande van de definitie van «meevaller» conform de systematiek van het Toekomstfonds (beleidsartikel 3 van de EZK-begroting), is sprake van een meevaller indien de gerealiseerde gasbaten in enig jaar hoger zijn dan de ijklijn die in het kader van het Toekomstfonds is afgesproken. De ijklijn wordt herijkt als gevolg van beleidsmatige aanpassingen in de gasproductie. De ijklijn wordt in de (suppletoire) begrotingen toegelicht (zie EZK-begroting 2019 p. 78/79).

Uitgaande van de definitie van «meevaller» conform de systematiek van het Toekomstfonds (beleidsartikel 3 van de EZK-begroting), is sprake van een meevaller indien de gerealiseerde gasbaten in enig jaar hoger zijn dan de ijklijn die in het kader van het Toekomstfonds is afgesproken. De ijklijn wordt herijkt als gevolg van beleidsmatige aanpassingen in de gasproductie. De ijklijn wordt in de (suppletoire) begrotingen toegelicht (zie EZK-begroting 2019 p. 78/79).

40. Wat gebeurt er met de meevallers op de ramingen van de gasbaten?

Antwoord

Conform de systematiek van het Toekomstfonds worden meevallers in de gasbaten ten opzichte van de vastgestelde ijklijn in beleidsartikel 3 van de EZK-begroting belegd in staatsobligaties. De reële rendementen op de beleggingen komen beschikbaar voor fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek (waaronder Europese cofinanciering voor onderzoek in EU-verband) als onderdeel van het Toekomstfonds (beleidsartikel 3 EZK-begroting).

41. Hoeveel stroom wordt er naar verwachting in 2019 aan België geleverd?

Antwoord

Het aanbod van elektriciteit in België is door de uitval van enkele kerncentrales momenteel krap, waardoor de prijs hoger is dan de prijs in Nederland. Dit leidt er vanzelf toe dat er meer export plaatsvindt van Nederland naar België. Ook werken de nationale toezichthouders en transmissiesysteembeheerders van België en Nederland samen om te waarborgen dat er zo veel mogelijk interconnectiecapaciteit tussen beide landen gebruikt kan worden. Hierdoor is er meer export mogelijk dan normaal. Daarmee staat echter niet vast hoeveel elektriciteit geleverd gaat worden aan België in 2019, en dit is dan ook niet bekend. De grootte van de handel is afhankelijk van marktpartijen, en daarmee voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling van elektriciteit in Nederland, België, en omringende landen. Deze is niet goed te voorspellen en kan op korte termijn veranderen. Bekend is dat in 2017 10,3 TWh elektriciteit is geëxporteerd vanuit Nederland naar België.

42. Klopt het dat het budget voor de klinische ontwikkeltrajecten in het Innovatiekrediet al op 1 januari 2018 is overvraagd?

43. Kunt u bevestigen dat de ingediende projecten vanuit het bedrijfsleven klinische ontwikkeltrajecten in het Innovatiekrediet ruim boven de € 60 miljoen uitkwamen?

44. Klopt het dat voor 2018 de schotten tussen de technische ontwikkeltrajecten en klinische ontwikkeltrajecten niet weggenomen zullen worden, ondanks dat er in dit eerste budget nog ruimte over is?

Antwoord 42, 43, 44

Er was in 2018 aanvankelijk € 60 miljoen beschikbaar voor het Innovatiekrediet, waarvan € 20 miljoen voor klinische ontwikkelingsprojecten en € 40 miljoen voor technische ontwikkelingsprojecten. Het budget voor klinische ontwikkelingsprojecten was inderdaad al op 1 januari 2018 overvraagd. Er is op die datum voor meer dan € 60 miljoen (namelijk € 66 miljoen) aan Innovatiekrediet aangevraagd voor klinische ontwikkelingsprojecten. Overigens past hierbij wel een nuance. In de praktijk wordt namelijk een deel van het aangevraagde Innovatiekrediet niet gehonoreerd en op inhoudelijke gronden afgewezen.

Om zoveel mogelijk ondernemers met klinische ontwikkelingsprojecten te ondersteunen heeft het kabinet twee maatregelen genomen. Ten eerste was het maximale krediet voor klinische ontwikkelingsprojecten in 2018 al verlaagd van € 10 miljoen naar € 5 miljoen. Daarnaast is gedurende dit jaar op basis van het regeerakkoord € 10 miljoen extra beschikbaar gesteld voor het Innovatiekrediet. Hiermee is het voor klinische ontwikkelingsprojecten beschikbare bedrag verhoogd van € 20 miljoen naar € 30 miljoen. Het kabinet wil binnen het Innovatiekrediet echter ook voldoende ruimte bieden aan projecten buiten de Life Science en Health Sector. Daarom wil het kabinet de schotten tussen de budgetten voor technische ontwikkelingsprojecten en klinische ontwikkelingsprojecten nu niet wegnemen (teneinde het budget voor klinische projecten nog verder te verhogen). Ondernemers kunnen op dit moment nog steeds een aanvraag indienen voor een technisch ontwikkelingsproject.

45. Kunt u een overzicht geven van hoe u de ontvangsten van het Emissions Trading System (ETS) raamt in de komende twee jaren waarbij hoeveelheid rechten en bijbehorende prijs zichtbaar worden gemaakt?

Antwoord

Jaar

Prijs per recht (€)1

Hoeveelheid rechten

2019

16,32

19.100.000

2020

16,64

22.500.000

Noot 1: Op basis van de op 31 mei 2018 geldende decemberfutureprijs van emissierechten voor het betreffende jaar.

Voor de begroting wordt in 2019 en in 2020 dezelfde opbrengst van € 300 miljoen geraamd. Het vastzetten van de toekomstige ETS-opbrengsten is in lijn met de methodiek die in het verleden is gehanteerd, waar dit ook is gedaan. Dit principe van voorzichtigheid en stabiliteit in de raming wordt toegepast als gevolg van de volatiliteit van de ETS-prijs.

46. Welke Green Deals lopen op dit moment en maken in 2018 aanspraak op financiering?

Antwoord

Er lopen nu in totaal 62 Green Deals (de website Greendeals.nl biedt een overzicht van alle afgesloten 224 deals). Voor al deze deals is ondersteuning aanwezig in de vorm van procesondersteuning vanuit RVO.nl. De financiering van deze ondersteuning is op centraal niveau georganiseerd. Daarnaast is in voorkomende gevallen sprake (of sprake geweest) van specifieke financiering van individuele Green Deals.

Daarbij wijs ik er op dat de Green Deal op zichzelf geen financieel instrument is, maar zich richt op private en publieke krachtenbundeling. Als er financiële afspraken gemaakt worden kan er onderscheid gemaakt worden tussen financiering van de ondersteuning van het proces bij grote deals met veel partijen, en middelen voor, bijvoorbeeld, subsidies of rechtstreekse investeringen of garantstelling. Dit laatste gebeurt slechts in enkele gevallen. De financiële toezeggingen worden separaat van de afspraken in de deal zelf gedaan waarbij er dan doorgaans sprake is van cofinanciering door andere partijen. De vorm waarin dit gebeurt is maatwerk waarbij in principe gebruik gemaakt wordt van het bestaande financiële instrumentarium.

De Green Deals die in 2018 aanspraak maken op project financiering bevinden zich vooral binnen het energiedomein vanwege de stevige klimaatopgave van het huidige kabinet.

47. Wanneer zal er meer duidelijkheid komen over de raming van middelen in de klimaatenveloppe van 2019?

Antwoord

De verdeling van de middelen van de klimaatenveloppe van 2019 is verwerkt in de nota van wijziging op het voorstel begroting 2019 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 35 000-VII-7), de nota van wijziging op het voorstel begroting 2019 van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerstuk 35 000-XII-6), de nota van wijziging op het voorstel begroting 2019 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Kamerstuk (35 000-XIV-6) en de nota van wijziging op het voorstel begroting 2019 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Kamerstuk 35 000-XIII-4).

48. Wat is het totaalbudget waar u uit de klimaatenveloppe van 2018 aanspraak kon doen?

Antwoord

Het totaalbudget van de klimaatenveloppe van 2018 bedraagt € 300 miljoen.

49. Voor welke Europese cofinanciering en subsidies wilt u in 2019 meedingen?

Antwoord

Op EZK-beleidsterreinen ontvangt Nederland middelen via de Europese Structuur- en Investeringsfondsen en het Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie (Horizon2020). De ESI-fondsen worden via het Meerjarig Financieel Kader aan de lidstaten toebedeeld in landenenveloppen en vervolgens door de lidstaten geprogrammeerd in zevenjarige programma’s, die aan het begin van de programmaperiode zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Op dit moment zitten we in de zevenjarige programmaperiode 2014–2020. In 2019 zal Nederland voor de programma’s onder de ESI-fondsen declaraties indienen bij de Europese Commissie, maar omdat de fondsen worden uitgevoerd in gedeeld beheer hoeft Nederland niet mee te dingen voor middelen.

Middelen uit het Kaderprogramma Horizon2020 worden toegekend op basis van inschrijvingen op de calls onder het Kaderprogramma. Nederlandse universiteiten, kennisinstellingen en bedrijven kunnen hier aanvragen voor indienen. Om die reden valt vooraf geen inschatting te maken hoeveel middelen Nederland in 2019 uit het Kaderprogramma Horizon2020 zal ontvangen.

50. Wat was de loongroei sinds 2007, afgezet tegen de groei van het bbp?

Op basis van de cijfers van de MEV 2019 is de gemiddelde loongroei over de periode 2007–2018 1,7% per jaar. De bbp-groei over deze periode bedraagt gemiddeld 1,3% per jaar.

51. Kunt u aangeven hoe geborgd wordt dat er maximale kostenefficientie is bij de keuze van de maatregelen? Kan een maatregel van de ene sector nog voorgaan op een maatregel van een andere sector als die maatregel kostenefficienter is? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord

Ten behoeve van het vinden van de meest kostenefficiënte oplossing zijn er door PBL diverse studies uitgevoerd die behulpzaam zijn bij de keuze van kostenefficiënte maatregelen aan de tafels van het Klimaatakkoord. De verdeling van de opgave per tafel is mede gebaseerd op een kostenefficiënte verdeling waardoor grote verschillen in kostenefficiënte oplossingen tussen de tafels onwaarschijnlijk zijn. De deelnemers aan de tafels is gevraagd een kostenefficiënt pakket samen te stellen om aan deze opgave per sector te voldoen. Bepaalde instrumenten, zoals de verbrede SDE+ en het ETS, zullen op zichzelf al sturen op de selectie van de meest kostenefficiënte maatregelen.

52. Brengen de klimaattafels maatregelen naar voren die gewogen kunnen worden op kostenefficiëntie per ton vermeden CO2? Kunt u dat overzicht geven?

Antwoord

Het PBL heeft het afgelopen jaar diverse studies uitgevoerd waaruit de kosten per vermeden ton CO2 blijken. Deze studies zijn reeds naar de Kamer zijn gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 187 en Kamerstuk 32 813, nr. 216). De studies worden aan de tafels benut om te komen tot een selectie van kosteneffectieve maatregelen.

53. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in wet- en regelgeving doorvoeren?

55. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in de normering doorvoeren?

56. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in de ruimte voor experimenten doorvoeren?

57. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in de vergunningverlening doorvoeren?

58. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in de beprijzing doorvoeren?

59. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen door middel van de overheid als launching customer?

60. Door middel van welke concrete wensen en/of plannen wilt u daadwerkelijk innovaties tot stand brengen en aanpassingen in de toegesneden financieringsinstrumenten doorvoeren?

Antwoord 53, 55 t/m 60

De overheid stimuleert innovaties primair door het creëren van de juiste randvoorwaarden en met de inzet van fiscale en subsidie-instrumenten. We spannen ons hierbij in om belemmeringen op de zeven genoemde aspecten zoveel mogelijk weg te nemen en zo innovaties daadwerkelijk tot stand te laten brengen. Om met het beleid zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften vanuit marktpartijen, zijn ervaringen en voorbeelden vanuit de praktijk cruciaal. Want hoewel de overheid een belangrijke randvoorwaardelijke taak heeft, proberen we vooral marktpartijen aan te jagen om met concrete innovaties te komen.

Het nieuwe missiegedreven innovatiebeleid en de Topsectorenaanpak van het kabinet zal in de uitwerking van missies op maatschappelijke thema's duidelijk maken welke maatregelen door de overheid worden ingezet. Concreet gaat het dan o.a. om afspraken in het nieuwe Kennis- en Innovatiecontract voor de topsectoren, de TO2-bestedingsplannen, de benodigde inzet op funderend onderzoek via NWO en de inzet van de departementen op dit terrein. Daarnaast zal de integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie aangeven welke kennis- en innovatie-inzet er nodig is om bij te kunnen dragen aan de opgaven van de sectortafels in het Klimaatakkoord. Deze agenda geeft de koers aan waar de komende jaren de inzet op gericht moet zijn en beslaat het gehele innovatieproces van fundamenteel onderzoek tot en met eerste marktintroductie.

Ik noem enkele concrete voorbeelden van overheidsmaatregelen die erop zijn gericht om belemmeringen weg te nemen. Binnen het programma Circulaire Economie worden verschillende business cases van bedrijven ondersteund in het vinden van financiering en nieuwe markten via circulair inkopen, wordt samen met het bedrijfsleven de routekaart circulaire financiering uitgewerkt en helpen we ondernemers via de Grondstoffenscanner om risico's rond grondstoffen te herkennen. In het proces naar het Klimaatakkoord worden maatregelen geformuleerd per sectortafel waaronder de benodigde kennis- en innovatie-inzet, die nodig zijn om de opgaven te realiseren. Daarbij wordt ook gekeken naar de aanpassingen in wet- en regelgeving die nodig zijn om innovatie te stimuleren. Daarnaast kunnen ondernemers terecht bij het loket ruimte in regels voor belemmeringen in wet- en regelgeving. De overheid zet ook beprijzing in om innovaties in de markt uit te lokken. Ik heb de industrietafel in het kader van het Klimaatakkoord gevraagd een borgingsmechanisme in de vorm van een CO2-heffing uit te werken als stok achter de deur om de opgave daadwerkelijk te realiseren.

Het kabinet is voornemens om een nationale CO2-minimumprijs in te voeren voor de elektriciteitssector per 2020.

We creëren ruimte om te experimenteren met het in het voorjaar aangenomen wetsvoorstel Voortgang Energietransitie (Kamerstukken 34 627). Hiermee wordt de grondslag voor het doen van experimenten op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet verbreed. Naast experimenten op het terrein van duurzame energie worden ook experimenten op het gebied van CO2-reductie, energiebesparing of efficiënt gebruik van het net mogelijk. Ook krijgen straks meerdere partijen, zoals onder andere leveranciers en netbeheerders, de mogelijkheid om een ontheffing aan te vragen voor het doen van een experiment. De algemene maatregel van bestuur om dit te realiseren is in voorbereiding.

Een goed voorbeeld op het terrein van innovatieve inkoop is de SBIR (Small Business Research & Innovation) «Energietransitie vaarwegen» die EZK in september samen met de provincie Zuid-Holland is opgestart. Ondernemers worden uitgedaagd om de kades en oevers van provinciale vaarwegen voldoende energie te laten opwekken om de CO2-voetafdruk van deze vaarwegen te compenseren. EZK heeft € 2,5 miljoen per jaar beschikbaar voor SBIRs, hiermee dagen we ondernemers uit om met creatieve oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen te komen en stimuleren we mede-overheden om innovatief in te kopen.

54. Welke middelen maakt u vrij voor de uitvoering van het Klimaatakkoord?

Antwoord

Er is voor 2019 € 5 miljoen gereserveerd voor de uitvoering van het Klimaatakkoord. Het gaat hierbij om procesmiddelen ten behoeve van het af te sluiten Klimaatakkoord en de verder uitvoering van een communicatiecampagne en brede publieksaanpak.

61. Wat is de stand van zaken van de afbouw van de gaswinning in Groningen?

Antwoord

De afbouw van de gaswinning gaat onverminderd door, en het kabinet ligt op schema voor het basispad. De maatregelen die ik hiervoor tref zijn beschreven in mijn brief aan uw Kamer van 29 maart 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 457) over de afbouw van de gaswinning. Onderdeel van het basispad zijn de stikstofinstallatie in Zuidbroek, de ombouw van industriële grootverbruikers en de al geplande afbouw van de export naar het buitenland. Via de bouw van de stikstofinstallatie wordt de stikstofcapaciteit verhoogd. Daarmee kan buitenlands hoogcalorisch gas worden omgezet naar pseudo-Groningengas. De bouw van de stikstofinstallatie ligt op schema en is in 2022 gereed.

Voor het verminderen van de binnenlandse vraag naar Groningengas ben ik in gesprek met bedrijven die ik heb aangeschreven over omschakeling van laagcalorisch gas naar een duurzaam alternatief of hoogcalorisch gas. Per bedrijf is maatwerk nodig om tot goede afspraken voor omschakeling te komen. Er zijn echter meer concrete afspraken met bedrijven over ombouw en/of verduurzaming nodig om tot het gewenste tempo te komen. Daarom onderzoek ik de mogelijkheid om een verplichting voor omschakeling aan bedrijven op te kunnen leggen. Uiterlijk begin 2019 zal helder worden of het vrijwillige spoor toch voldoende vraagreductie oplevert of dat moet worden over gegaan tot een meer dwingend spoor.

Verder wordt de vraag vanuit het buitenland naar Groningengas steeds verder afgebouwd. Op basis van afspraken uit 2013 is het buitenland bezig met een omvangrijke structurele reductieoperatie van de vraag naar laagcalorisch gas. Bovenop de maatregelen in het basispad werk ik ook aan additionele maatregelen voor een nog snellere afbouw van de Groningenproductie. Zo heb ik aangegeven dat er een mogelijkheid bestaat om additioneel stikstof in te kopen. Ik ben voornemens om dit te gaan doen, en dit zal vanaf 2020 een reductie van het te winnen Groningengas opleveren. Voor de uitvoering van deze maatregelen werk ik nauw samen met GTS.

Daarbovenop lijken met name in Duitsland mogelijkheden te liggen voor een versnelde afbouw van de export van Groningengas. Dit gaat onder andere via de ombouw van een elektriciteitscentrale in Keulen naar een aansluiting op hoogcalorisch gas en de bouw van een mengstation door de Duitse netbeheerder GTG Nord. Met Frankrijk en België zijn ook nauwe contacten geweest om te onderzoeken of er op dit moment aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Zij hebben echter aangegeven dat het voor hen op dit moment moeilijk is om op zeer korte termijn aanpassingen in hun netwerk te doen.

62. Wie zijn de 53 grootverbruikers?

Antwoord

GTS heeft onder de 170 bedrijven die zijn aangesloten op het laagcalorische gasnet van GTS bekeken voor welke bedrijven een aansluiting op het hoogcalorische gasnet goedkoper is dan de bouw van een extra stikstoffabriek in 2022. Daaruit is een overzicht van de 53 grootverbruikers opgenomen. Mede gelet op de fase van de gesprekken met de bedrijven en de informatie over het verbruiksvolume van deze bedrijven, vind ik het niet passend dat ik de namen van deze bedrijven nu openbaar maak.

63. Kunt u per grootverbruiker aangeven welk alternatief wordt gekozen of in beeld is?

Antwoord

Aangezien ik het niet passend vind de namen van de grootverbruikers nu openbaar te maken, kan ik ook niet per grootverbruiker aangeven welk alternatief wordt gekozen of in beeld is. Wat ik wel kan zeggen is dat we met alle bedrijven de mogelijkheden voor verduurzaming en besparing bespreken alvorens over te gaan tot een eventuele keuze voor hoogcalorisch gas. Voor ieder bedrijf is maatwerk nodig om tot een haalbare oplossing te komen. Hierdoor ontstaat voor verschillende bedrijven ook de optie om deels te verduurzamen en voor het resterende deel over te stappen op hoogcalorisch gas. Daar waar verduurzaming geen haalbare kaart is zullen bedrijven wegens borging van de veiligheid in Groningen ombouwen naar hoogcalorisch gas. Een groot deel van de bedrijven heeft aangegeven dat binnen de termijn voor afbouw van gaswinning in Groningen ombouw naar hoogcalorisch gas de meest haalbare optie is om het gebruik van laagcalorisch gas te reduceren.

64. Wat is de einddatum voor de grootverbruikers om aan de eisen te voldoen?

Antwoord

De grootverbruikers uit het basispad moeten uiterlijk in oktober 2022 een alternatief hebben gevonden voor hun laagcalorisch gasverbruik.

65. Bestaan er maatregelen om de grootverbruikers te dwingen zich aan deze opdracht te houden? Kan laagcalorisch gas verboden worden? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 29 maart jl. onderzoek ik alle mogelijkheden om bedrijven om te laten bouwen van laag- naar hoogcalorisch gas, zowel vrijwillig als verplicht. Daarbij verken ik ook de wettelijke mogelijkheden om bedrijven te verplichten om alternatief te vinden voor hun laagcalorisch gasverbruik. Hierin bestaat de mogelijkheid om het volume laagcalorisch gas dat via een aansluiting kan worden afgenomen te begrenzen.

66. Welke additionele maatregelen worden er, nog meer dan twee genoemde, getroffen om de gaswinning zo spoedig mogelijk naar beneden te brengen?

Antwoord

Onderdeel van het basispad van 29 maart jl. zijn de stikstofinstallatie in Zuidbroek, de ombouw van industriële grootverbruikers en de al geplande afbouw van de export naar het buitenland.

Met betrekking tot de additionele maatregelen ben ik in overleg met de buurlanden België, Duitsland en Frankrijk om de vraag naar export versneld af te bouwen. Met name in Duitsland lijken mogelijkheden te liggen voor een versnelde afbouw van export. Daarnaast heeft GTS aangegeven mogelijkheden te zien om het aanbod van stikstof te vergroten via de additionele inkoop van stikstof. Verder onderzoekt GTS, samen met de NAM, de mogelijkheden om gasopslag Norg te vullen met geconverteerd hoogcalorisch gas. GTS heeft aangegeven dat dit een mogelijkheid is vanaf 2022, namelijk zodra de stikstofinstallatie in Zuidbroek operationeel is. Op dit moment wordt onderzocht welke investeringen nodig zijn en wat de besparing op de Groningenproductie zou kunnen zijn vanaf 2022. Tenslotte wordt voor de binnenlandse kleinverbruikers markt aan de sectortafel gebouwde omgeving van het Klimaatakkoord afspraken gemaakt over het snel afbouwen van de vraag naar aardgas.

Zie voor een meer gedetailleerd antwoord ook het antwoord op vraag 61.

67. Wordt er nog gas geëxporteerd ten behoeve van energieopwekking?

Antwoord

Nederland exporteert zowel laagcalorisch als hoogcalorisch gas. In Duitsland, België en Frankrijk wordt de vraag naar laagcalorisch gas structureel afgebouwd en in 2030 wordt geen laagcalorisch gas meer geëxporteerd, dus ook niet voor de opwekking van energie. Ik verken met deze landen doorlopend of er mogelijkheden zijn om de afbouw te versnellen, waarbij ook opties voor de afbouw van het gebruik van laagcalorisch gas voor de opwekking van energie expliciet worden meegenomen. België heeft daarbij aangegeven geen laagcalorisch gas te gebruiken voor het opwekken van elektriciteit, maar in Duitsland bleek het mogelijk om een elektriciteitscentrale in Keulen versneld om te bouwen naar een aansluiting op hoogcalorisch gas. Door de ombouw van deze elektriciteitscentrale zal er minder laagcalorisch gas worden geëxporteerd voor de opwekking van energie. Na 2030 wordt er mogelijk nog wel hoogcalorisch gas geëxporteerd, wat vervolgens ook ingezet kan worden voor de opwekking van energie.

68. Hoe snel gaat het terugdringen van de export van gas? Hoeveel gas werd er in 2017 geëxporteerd? Hoeveel in 2018 en hoeveel zal dat de komende jaren zijn?

Antwoord

In 2017 werd er 49 miljard Nm3 gas geëxporteerd. Dit betrof voor 28 miljard Nm3 laagcalorisch gas en voor 21 miljard Nm3 hoogcalorisch gas. De verwachting is dat de totale exporten over 2018 een vergelijkbare omvang zullen hebben. De export van laagcalorisch gas zal tussen 2020 en 2030 volledig worden afgebouwd, maar de export van hoogcalorisch gas (waarbij het ook om doorvoer kan gaan) zal naar verwachting deels in stand blijven. Een omvang is daarbij echter niet aan te geven, dat is afhankelijk van het handelen van marktpartijen.

69. Wat is de einddatum van de export van gas?

Antwoord

De einddatum voor de export van laagcalorisch gas ligt uiterlijk in 2030. Het is evenwel mogelijk dat ook na die tijd nog export van hoogcalorisch gas plaatsvindt.

70. Hoe is de verhouding proceskosten en schadevergoeding in Groningen? Welk deel daarvan heeft de NAM betaald?

Antwoord

Schademeldingen die tot 31 maart 2017 zijn gedaan («oude» schademeldingen), zijn afgehandeld door NAM. De uitgaven van NAM voor dit doel en de verhouding tussen proceskosten en schadevergoedingen is periodiek inzichtelijk gemaakt in de kwartaalrapportages van de NCG tot en met de rapportage over het 4e kwartaal van 2017 (Kamerstuk 33 529, nr. 454). De afhandeling van schademeldingen die vanaf 31 maart 2017 zijn gedaan («nieuwe» schademeldingen) wordt gedaan door de TCMG, met ondersteuning van RVO.nl. In het eerste halfjaar vanaf februari 2018 heeft de TCMG/RVO.nl in verhouding veel aanloopkosten gemaakt om het proces van schadeafhandeling voor Groningen adequaat ingericht te krijgen. Daarnaast zijn er tot nu toe 1.139 schadegevallen afgehandeld waardoor er geen representatieve verhouding proceskosten en schadevergoeding te noemen valt. Alle kosten die door RVO.nl worden gemaakt voor de uitvoering van de schade-afhandeling en de daadwerkelijke schadebetalingen aan gedupeerden worden betaald door de NAM. De kosten van de leden van de TCMG worden betaald door EZK.

71. Wordt in het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen ook schade door zoutwinning meegenomen?

Antwoord

In het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen wil ik regelen dat schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg bestuursrechtelijk wordt afgehandeld. Schade als gevolg van zoutwinning is hier geen onderdeel van. Bij brief van 9 oktober 2018 (Kamerstuk 32 849, nr. 137) heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn voornemens ten aanzien van mijnbouwschade in de rest van Nederland. Hiervoor wil ik een overzichtelijke procedure en een onafhankelijke en transparante behandeling en beoordeling van verzoeken om vergoeding van mogelijke mijnbouwschade, door een onafhankelijke commissie en onder publieke regie.

72. Hoeveel topsectoren komen er in het nieuwe, missie gedreven innovatiebeleid?

Antwoord

De huidige negen topsectoren worden gecontinueerd. De agenda’s zullen sterk worden gericht op de missies binnen de maatschappelijke uitdagingen.

73. Hoe gaat geborgd worden dat de € 1.15 miljard die beschikbaar wordt gesteld voor toekomstperspectief van het Gronings gebied, bij de Groningers terecht komt? Welke afspraken zijn hierover gemaakt met de regio?

Antwoord

Burgers, bedrijven en maatschappelijk instellingen worden uitgenodigd om voorstellen te doen. Er wordt zo snel mogelijk een start gemaakt met het traject Atelier Toekomstbeeld Groningen 2040. Dit traject met een actieve inbreng van burgers, bedrijven en Groninger Gasberaad en Groninger Bodem Beweging moet enerzijds leiden tot een gedragen Toekomstbeeld 2040 en anderzijds tot extra projectvoorstellen. Per programmalijn wordt getoetst op onder meer betrokkenheid van partijen en draagvlak, waaronder de vraag of op een goede wijze met burgers is gecommuniceerd en of projecten worden ondersteund door betrokken partijen.

74. Wat zijn de kosten van het advies van de Mijnraad?

78. Wat zijn de kosten van de adviezen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) en het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)?

Antwoord op vragen 74 en 78

Er is voor het advies van de Mijnraad geen specifiek budget verstrekt. Het integrerend advies van de Mijnraad en de kosten daarvan maken onderdeel uit van de bredere taak van de Mijnraad als onafhankelijk adviesorgaan. De leden van de Mijnraad ontvangen vacatiegeld voor de werkzaamheden die zij verrichten. Ook voor de adviezen van het SodM, het KNMI en TNO geldt dat de kosten hiervan worden gerekend tot de bredere opdrachten van deze organisaties. De bredere taak die deze organisaties hebben is mede wat advisering op korte termijn mogelijk heeft gemaakt. Aan het NEN is een opdracht gegund voor maximaal € 330.000, waarvan € 43.000 is begroot voor de werkzaamheden van NEN en het resterende bedrag voor de benodigde bijdragen van participerende kennisinstellingen. De afrekening van de daadwerkelijke kosten voor alle partijen moet nog plaatsvinden op basis van de gemaakte uren.

75. Wat zijn de kosten van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG)?

Antwoord

In 2019 bedraagt het apparaatsbudget van de nationaal coördinator Groningen (NCG) € 12,2 miljoen op het apparaatsartikel 40 van de EZK begroting. Daarnaast beschikt de NCG over een werkbudget van € 6,0 miljoen. Deze bedragen zijn te beschouwen als «kosten» van de NCG.

De overige bedragen in 2019 op artikel 5 (zie antwoord 206) die gerelateerd zijn aan de NCG zijn: de verduurzamingsopgave uit aardgasbaten (€ 10,3 miljoen) de verduurzamingsopgave overig (€ 10,4 miljoen), het instrumentarium woningmarkt (€ 5 miljoen), en het onderzoeksbudget en de compensatie provincie en gemeenten (€ 7,1 miljoen).

76. Wat zijn de kosten van het Centrum Veilig Wonen (CVW)?

Antwoord

De kosten voor Centrum Veilig Wonen (CVW) zijn onderdeel van een contract waarvan de NAM de contracthouder is. Het betreft een contract tussen twee private partijen, waar de Minister van EZK derhalve geen inzage in of informatie over heeft.

77. Wat zijn de kosten van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG), verdeeld in de twee deelcommissies?

Antwoord

De kosten van de TCMG (het werkbudget) zijn geraamd op € 1,6 miljoen in 2018 en € 2,1 miljoen in 2019.

79. Wat zijn de kosten van de versterkingsoperatie tot nu toe? Hoeveel is daarvan bij gedupeerden terecht gekomen? Welk deel daarvan heeft de NAM betaald?

Antwoord

Tot nu toe is € 766,5 miljoen aan de versterkingsoperatie uitgegeven. Dit bedrag is terug te vinden in de meest recente kwartaalrapportage van de NCG (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 206). NAM heeft deze kosten volledig betaald. Deze kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van inspecties, engineering en constructieve aanpassing van gebouwen om aan de veiligheidsnorm te voldoen.

80. Hoe wilt u de sectoren die niet tot de topsectoren behoren stimuleren op het gebied van publiek-private samenwerking (PPS)?

Antwoord

Publiek-private samenwerking is een goede manier om maatschappelijke doelen te realiseren. EZK stimuleert dit bijvoorbeeld binnen de sector bouw door middel van de Bouwagenda. Voor de retailsector is de Retailagenda opgezet om de retail toekomstbestendig te maken en binnen de gastvrijheidseconomie wordt publiek-privaat samengewerkt om toeristen te stimuleren om verschillende plekken in ons land te bezoeken, vooral ook buiten de Randstad. Voor de defensie- en veiligheidsindustrie spant EZK zich in om, mede vanuit het nationale defensie- en innovatiebelang, de sector en betrokken kennisinstellingen optimaal te positioneren, ook internationaal. Verder stimuleert EZK publiek-privaat onderzoek met bijvoorbeeld de PPS-toeslag. PPS-toeslag is beschikbaar voor alle partijen, als het samenwerkingsverband tenminste bestaat uit één onderneming en één kennisorganisatie die topsector relevant onderzoek willen uitvoeren.

81. Kunt u bevestigen dat de maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën uit het Missiegedreven Innovatiebeleid de kapstok vormen voor de focus vanuit Invest-NL?

Antwoord

Invest-NL heeft tot doel om, indien de markt hierin onvoldoende voorziet, bij te dragen aan het financieren en realiseren van maatschappelijke transitieopgaven door ondernemingen en aan het bieden van toegang tot ondernemingsfinanciering. De verwachting is dat hiermee nauw wordt aangesloten bij thema’s uit het Missiegedreven Innovatiebeleid. De thema’s hieruit worden ook verwerkt in een aanvullende overeenkomst tussen de staat en Invest-NL waarin de domeinen staan waarin vanuit de staat investeringen gewenst zijn.

82. Hoe worden nieuwe bedrijven met creatieve Ideeën steviger bij het innovatieproces betrokken? Hoe is dit open proces vormgegeven?

Antwoord

Het Topsectorenbeleid is van oudsher gericht om de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven optimaal te benutten om de concurrentiekracht van de Nederlandse economie te versterken. Met de nog grotere focus binnen het Topsectorenbeleid op Maatschappelijke oplossingen is gekozen voor een meer Missiegedreven aanpak. Nieuwe bedrijven met creatieve ideeën zijn hierbij onontbeerlijk en zullen integraal onderdeel uitmaken van deze Missiegedreven aanpak.

83. Onderdeel van het regelgevingprogramma is de «life-events»-aanpak, kunt u toelichten welke concrete events hierbij aan de orde zijn geweest en wat de planning is voor de verdere invulling?

Antwoord

Life events/klantreizen is één van de nieuwe instrumenten die vanuit de overheid wordt ingezet om knelpunten in bestaande wet- en regelgeving op te sporen. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar wet- en regelgeving maar ook naar uitvoering en beleving. Gewerkt wordt op basis van de klantreis methodiek. Het gaat bij «life events « om belangrijke gebeurtenissen in de levenscyclus van een onderneming. Te denken valt aan het aannemen van personeel, de aankoop van een bedrijfspand en het starten met internationaal zakendoen.

Om de klantreis-methodiek te testen, heeft EZK samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in 2017 een pilot uitgevoerd waarin het life event «Aannemen personeel met een arbeidsbeperking» centraal heeft gestaan. Voor dit life event is de klantreis in kaart gebracht op basis van ervaringen van ondernemers.

Er lopen momenteel bij diverse partijen initiatieven om met klantreizen belemmeringen en kansen in kaart te brengen. Zo is EZK bezig met het opzetten van een life event op het terrein van internationaal zakendoen samen met o.a. de Douane en Buitenlandse Zaken en wordt samen met RVO.nl gewerkt aan een life event voor het aanvragen van subsidies.

84. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de departementale actieprogramma's waarmee gewerkt wordt aan gericht en merkbaar verbeteren van wet- en regelgeving en dienstverlening in de verschillende domeinen?

Antwoord

Binnen het kabinet is afgesproken dat de departementale actieprogramma’s, waar nodig en mogelijk, de komende tijd in overleg met betrokken bedrijfsleven en instellingen verder worden uitgewerkt en aangevuld.

Doel is om voor het eind van het jaar te komen tot een nadere concretisering van deze programma’s met hierin resultaatgerichte en meetbare ambities, zodat de voortgang op transparante wijze gemonitord kan worden.

85. Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat er studentenstops komen op technische opleidingen en welke effecten verwacht u?

Antwoord

De Minister van OCW neemt de beantwoording van vraag 85 en 86 mee in de reactie op de feitelijke vragen voor de begroting van OCW. Deze antwoorden worden verzonden op 25 oktober.

86. Welke maatregelen neemt u om de reeds bestaande studentenstops op technische opleidingen op te heffen en welke effecten verwacht u?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 85.

87. Welke maatregelen zijn er nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende technische geschoolde arbeidskrachten op de arbeidsmarkt komen om aan de vraag van het bedrijfsleven te voldoen? Welke maatregelen wilt u volgend jaar nemen om het tekort aan technische geschoold personeel te verkleinen?

Antwoord

Voor de maatregelen die het kabinet – en andere partners – neemt om tegemoet te komen aan de vraag naar voldoende technisch geschoolde arbeidskrachten, verwijs ik naar het vernieuwde Techniekpact, dat op 18 juni 2018 aan de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstuk 32 637, nr. 320), en waarover op 27 juni jl. tijdens het AO Techniekpact met uw Kamer is gedebatteerd. Begin 2018 hebben de partners van het Techniekpact hun inzet voor de komende jaren bepaald op een aantal urgente thema’s, om de nijpende tekorten aan technisch opgeleiden op de arbeidsmarkt aan te maken. Met deze vernieuwde inzet voor het Techniekpact is focus en richting aangebracht, zodat we collectief versneld resultaten kunnen boeken.

88. Hoeveel baanopeningen en toetreders waren er in 2017 en worden er in 2018 en 2019 verwacht voor beroepen waarvoor de opleidingen in 2019/20 naar verwachting een studentenstop zullen hebben?

Antwoord

De gestelde vraag richt zich op de relatie tussen beroepen en opleidingen, dat is niet kwantitatief te beantwoorden. Er is geen één-op-één relatie tussen een specifieke opleiding en een specifieke baan. Mensen met dezelfde opleiding, bijvoorbeeld Aerospace Engineering, stromen uit naar diverse beroepen. Andersom worden baanopeningen ingevuld door mensen met een diversiteit aan opleidingsachtergronden. Op een hoger abstractieniveau blijkt wel dat de kans klein is dat mensen zonder bèta-technische studie in een bèta-technische baan gaan studeren.

Publicaties over onderwijs en arbeidsmarkt, zoals De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2022 van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), kijken vooral op het aggregatieniveau van clusters van opleidingen en beroepen. Het ROA verwacht bijvoorbeeld voor WO Techniek dat er tussen 2017 en 2022 29.500 mensen instromen, terwijl er 61.700 baanopeningen zijn.

89. Zijn er in de Nederland omringende landen organisaties die vergelijkbaar zijn met Invest-NL en zo ja, wat is het effect geweest van die organisatie en welke invloed hebben die organisaties gehad op de innovatie?

Antwoord

Invest-NL wordt een «National Promotional Institution» (NPI) conform de EU-definitie zoals vrijwel alle Europese landen die kennen. Lidstaten gebruiken deze NPI’s om op hun terrein economisch en maatschappelijk relevante investeringen te katalyseren en vorm te geven, en derhalve private investeringen mee aan te jagen. Omdat in ieder land de economische en maatschappelijke behoeften enerzijds, en aanwezige private financieringsbronnen anderzijds, verschillen zijn alle NPI’s ook verschillend in welke producten ze aanbieden en welke sectoren ze bedienen. Dus hoewel de algemene doelen van de NPI’s in Europa vergelijkbaar zijn, zijn ze niet 1 op 1 gelijk met Invest-NL op het gebied van bijvoorbeeld het investeringsbeleid en de vormgeving.

Over het algemeen kan gesteld worden dat NPI’s een zeer effectieve manier zijn om met private partijen maatschappelijke gewenste investeringen te realiseren, onder meer op het gebied van innovatie. Dit blijkt onder andere uit de evaluatie van de Europese Commissie van het EFSI, waarin de private investeringen in voor Europa strategische sectoren zijn aangewakkerd, en NPI’s samen met de EIB groep een belangrijke rol hebben gespeeld in de realisatie hiervan.

In het vervolg van het Europese investeringsplan zal nog meer worden ingezet op het creëren van Investeringsplatforms met een thematische of geografische focus, waarin de middelen van de EC en EIB-groep, NPI’s en marktpartijen effectief en efficiënt gebundeld worden om investeringsprojecten en groeibedrijven tot stand te laten komen. Ook is de Europese Commissie voornemens een deel van het garantiebudget van € 38 miljard voor het Invest-EU programma direct te verstrekken aan NPI’s voor investeringen in relevante projecten op de thema’s duurzame infrastructuur, mkb-financiering, onderzoek en innovatie, en sociale investeringen en vaardigheden.

90. In welke mate speelden administratieve lasten van banken om kleine leningen te beoordelen een rol in het uitblijven van kredietverlening?

Antwoord

De kosten die een bank maakt voor het verstrekken van kleine kredieten zijn veelal maar weinig lager dan die voor grote kredieten. Dit geldt zowel voor beoordelingskosten als voor kosten die voortvloeien uit administratieve lasten. De opbrengsten van kleine kredieten zijn echter substantieel lager dan van grote kredieten.

Doordat de verschillen in kosten tussen grote en kleine kredieten minder groot zijn dan de verschillen in opbrengsten leidt dit bij kleine kredieten tot lagere of zelfs negatieve marges, wat van invloed kan zijn op de kredietverlening.

91. Welk deel van de € 2,5 miljard kan daadwerkelijk gebruikt worden voor investeringen?

Antwoord

De kapitaalstorting van € 2,5 miljard in Invest-NL is volledig bestemd voor investeringen die passen in de maatschappelijke en economische doelen van Invest-NL. Uit de rendementen op investeringen zullen lopende bedrijfsvoeringskosten van de investeringsactiviteiten worden bekostigd. Ontwikkelactiviteiten, uitvoering overheidsinstrumenten en opstartkosten worden apart bekostigd door de verantwoordelijke Ministers.

92. In hoeverre moet de € 2,5 miljard gebruikt worden om de kapitaalpositie van Invest-NL op te bouwen om eerder aangegane verplichtingen te dekken van departementen en andere organisaties die onderdeel van Invest-NL worden?

Antwoord:

De € 2,5 miljard kapitaalstorting in Invest-NL is grotendeels bestemd voor de eigen investeringen die het zal doen vanaf het moment dat het na goedkeuring machtigingswet is opgericht. Er zijn echter een paar huidige instrumenten waarvan het de intentie is van de verantwoordelijke Ministers om deze na oprichting over te brengen naar de balans van Invest-NL ten laste van de voorgenomen kapitaalstorting. Het betreft het co-investeringsfonds voor scale-ups en de energie transitie financieringsfaciliteit (ETFF) van het Ministerie van EZK. Al deze activiteiten passen in de doelstellingen en criteria van Invest-NL, en zullen tegelijk met de machtiging voor de kapitaalstorting in de wetsbehandeling worden voorgelegd.

De bijdrage aan het co-investeringsfonds zal maximaal € 50 miljoen bedragen. Voor de ETFF is door de Staat in de pilotperiode € 80 miljoen garantieruimte beschikbaar gesteld. De ETFF is in principe een kostendekkende garantieregeling, dus alleen indien de verliesdeclaraties in het kader van de garanties hoger liggen dan de premieontvangsten zal het kapitaal van Invest-NL aangesproken worden. De precieze omvang van de verplichtingen in het kader van overgaan van de ETFF is vast te stellen bij moment van oprichting Invest-NL.

Daarnaast worden bij het onderdeel NL-business van FMO, dat zal worden verbonden via de Joint Venture met Invest-NL voor de internationale activiteiten, al eerste investeringen gedaan die passen in de internationale doelstelling. Het is de intentie van de verantwoordelijke Ministers om deze na oprichting op basis van een onafhankelijke waardering over te brengen naar de Joint Venture ten laste van de kapitaalstorting.

93. Wordt de bijdrage van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gedekt uit ODA-gelden?

Antwoord

De € 9 miljoen die de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking jaarlijks ter beschikking stelt voor aansluiting van Nederlandse ondernemers op de ontwikkeling van internationale investeringsprojecten betreft nieuwe middelen uit de Voorjaarsbesluitvorming 2017. Het is dus niet afkomstig uit bestaande ODA-gelden.

94. Hoe is de Nederlandse participatie in het Europees Sociaal Fonds (ESF) ten opzichte van de deelname aan andere cofinancieringsfondsen?

Antwoord

Het cohesiebeleid kent drie fondsen: het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF). Nederland ontvangt vanwege ons ontwikkelingsniveau geen middelen uit het Cohesiefonds, maar wel EFRO en ESF. EZK is verantwoordelijk voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Ministerie van SZW is verantwoordelijk voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). In onderstaande tabel worden beide fondsen met elkaar vergeleken op het gebied van EU-bijdrage, nationale cofinanciering, doelstellingen, type activiteiten en begunstigden.

 

EFRO 2014–2020

ESF 2014–2020

EU-bijdrage

510 mln

510 mln

Nationale cofinanciering (publiek en privaat)

861 mln (ca. 45% privaat en 55% publiek)

520 mln (ca. 20% privaat en 80% publiek)

Doelstellingen

Bevorderen van innovatie t.b.v. topsectoren, maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën (67%);

Bevorderen van een koolstofarme economie (23%)

Duurzame stedelijke ontwikkeling (ca. 9%)

Het bevorderen van Actieve Inclusie, door middel van het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. (71%);

Het bevorderen van duurzame inzetbaarheid van werkenden (20%);

Het bevorderen van de toegang tot werkgelegenheid door middel van geïntegreerde territoriale investeringen in de G4 (5%).

Type activiteiten

Innovatieve samenwerkingsprojecten, onderzoeksfaciliteiten, proeftuinen, clustervorming, valorisatie van innovatieve producten en diensten

Voorlichting, activering, het wegwerken van taalachterstand, bieden van jobcoaching, (intensieve begeleiding bij) training en scholing, zoeken van en solliciteren naar werk, concrete arbeidsbemiddeling, werkbegeleiding, inzet compensatie instrumenten bij arbeidsbelemmerden;

Sectorbrede onderzoeken/analyses en adviezen en advisering, opstellen beleids- en communicatieplannen aan bedrijven en (overheids-)instellingen gericht op leeftijdsbewust personeelsbeleid, verhoging van vitaliteit en competenties van werknemers, invoering van nieuwe vormen van arbeidsrelaties en het «nieuwe werken», gericht op duurzame inzetbaarheid.

Voornaamste begunstigden

Innovatieve bedrijven 62% (mkb 58%, grote bedrijven 4%) en kennisinstellingen 19%

Gemeenten, arbeidsmarktregio’s, het UWV, het Ministerie van Justitie en Veiligheid (70%);

Bedrijven/instellingen, O&O-fondsen/samenwerkingsverbanden (20%)

95. Hoe verhoudt de relatieve Nederlandse deelname aan de Europese fondsen zich tot de Nederlandse bijdrage aan de EU?

Antwoord

Nederland is nettobetaler aan de EU-begroting. Dit betekent dat de ontvangsten uit de meeste Europese fondsen lager liggen dan Nederland op basis van de BNI-sleutel bijdraagt aan deze fondsen. In 2017 betaalde Nederlands volgens de Commissiedefinitie ongeveer € 1,4 miljard meer dan het ontving uit de Europese begroting.

96. Door middel van welke concrete punten, verbeteringen en wensen geeft Nederland invulling aan haar drie prioriteiten en daarmee aan haar positie in EU-verband voor wat betreft de werking van de interne markt?

Antwoord

Middels een brief over de toekomst van de interne markt (Kamerstuk 22 112, nr. 2703) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inzet die het kabinet kiest om het vrij verkeer van goederen en diensten te verbeteren, en de stappen die op dit gebied in de nieuwe Commissieperiode genomen moeten worden.

98. Op welke wijze wordt – op het punt van digitalisering – invulling gegeven aan het bevorderen van de onderlinge samenwerking tussen ministeries?

Antwoord

Een eerste belangrijke stap hierin is de lancering van de kabinetsbrede Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS). Dit is de eerste keer dat het kabinet met een gezamenlijke agenda komt waarin gezamenlijke ambities en acties vastgesteld zijn. Deze overkoepelende strategie vormt de basis voor verdere acties en wordt uitgewerkt in diverse agenda’s zoals de onlangs gepresenteerde Agenda voor het openbaar bestuur en de Nederlandse Cyber Security Agenda. Om de onderlinge samenwerking te versterken vindt ook regulier overleg plaats tussen alle betrokken ministeries.

99. Op welke wijze wordt het effect van maatregelen in het kader van het programma «Versnelling digitalisering MKB» gemeten? Hoe worden concreet de doelen gesteld?

Antwoord

Het programma heeft tot doel om bij te dragen aan productiviteitsstijging in het brede mkb. Dit vereist dat ondernemers slimmer en efficiënter werken door nieuwe kennis en (digitale) technologieën toe te passen in de bedrijfsvoering.

Zoals aangekondigd in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, wordt er gewerkt aan een dashboard om de ontwikkelingen in de digitale economie in kaart te brengen. Hierin zal ook gekeken worden naar ontwikkelingen in relatie tot het mkb, zoals de mate waarin mkb-ondernemers digitale technologieën toepassen.

Op dit moment loopt de ontwerpfase van het programma waarin regionale experimenten worden uitgevoerd. Deze aanpak wordt in het tweede kwartaal van 2019 geëvalueerd. Volgend jaar wordt de opzet van het programma (zonodig) aangepast, de opschalingsaanpak bepaald en concrete doelen voor bereik vastgesteld. Hierover wordt u geïnformeerd.

100. Hoeveel fte zijn toegekend aan het programma «Versnelling digitalisering MKB»?

Antwoord

Op dit moment is er specifiek circa 2 fte beschikbaar. Daarnaast zijn uitvoeringsorganisaties als de Kamer van Koophandel actief, ook zij investeren mee in mensen en middelen. Verder wordt vanuit EZK samengewerkt met publieke en private partners want het echte werk vindt plaats in de regio’s. Ook zij investeren mee in activiteiten van het programma (met mensen en middelen).

101. Nederland beschikt over een uitstekende digitale infrastructuur met vier mobiele 4G-netwerken, is dit een heilig nummer?

Antwoord

Er is naar mijn mening geen heilig nummer. Het doel is om een concurrerende markt te hebben zodat consumenten keuzemogelijkheden hebben, prijzen niet onnodig hoog worden, en er een prikkel is voor marktpartijen om te investeren en innoveren. Het is aan de onafhankelijk toezichthouders om bij fusies en overnames te beoordelen of de markt concurrerend blijft met het resterend aantal marktpartijen.

102. Hoe staat het miljard voor de toekomst voor Groningen in verhouding tot de bedragen uit het regeerakkoord genoemd in tabel, genaamd Gas/regiofonds Groningen?

Antwoord

In het regeerakkoord is de reeks «Gasfonds Groningen» opgenomen, van in totaal € 250 miljoen. Deze middelen maken onderdeel uit van de € 1,15 miljard die voor het Nationaal Programma Groningen beschikbaar is gesteld (Kamerstuk 33 529, nr. 528).

103. Hoe is de verdeling van het miljard tussen leefbaarheid en werkgelegenheid?

Antwoord

Het budget voor het Nationaal Programma Groningen is € 1,15 miljard. Een definitieve verdeling over de drie programmalijnen wordt door de regio in overleg met het Rijk gemaakt.

104. Waaruit bestaan de kosten van 10 miljoen voor het verschuiven van werkzaamheden van NAM naar NCG?

Antwoord

Dit betreft een bijdrage van de NAM over in 2017 door NCG uitgevoerde werkzaamheden op gebied van schade, onderzoek en gebiedsgericht werken. Deze werkzaamheden liggen in het verlengde van de aansprakelijkheid van de NAM.

105. Waar komt het geld van Schadeafhandeling Groningen door RVO.nl terecht? Waar komt Schadevergoeding aan particulieren terecht? Wat is het verschil tussen beide precies?

Antwoord

In artikel 5 van de EZK-begroting zijn twee posten opgenomen die gaan over de schadeafhandeling. Allereerst is er de post Schadeafhandeling Groningen door RVO.nl. Dit betreffen de uitvoeringskosten die RVO.nl maakt voor het gehele schadeproces; van melding, taxaties tot afhandeling, inclusief de voorbereiding van besluitvorming door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG). Dit doet RVO.nl voor zowel de schademeldingen (voor 31 maart 2017 tot 19 maart 2018) als de meldingen die daarna zijn binnengekomen.

Daarnaast is de post Schadevergoeding aan particulieren opgenomen op artikel 5. Dit betreffen de uitgaven aan burgers in het aardbevingsgebied die een schadevergoeding krijgen op basis van een uitspraak van de TCMG. Dit zijn dus de daadwerkelijke schadevergoedingen. Uitbetaling hiervan gebeurt via RVO.nl als betaalorgaan. Het betreft hier nadrukkelijk een inschatting van de totale kosten, omdat het Ministerie van EZK niet op voorhand weet hoeveel schadevergoeding de TCMG daadwerkelijk zal toekennen.

Voor beide posten geldt dat deze volledig worden gefinancierd door de NAM. Tegenover deze uitgaven staan daarom ook qua omvang gelijke ontvangsten op artikel 5 geraamd.

106. Kunt u de cofinanciering van pilotprojecten en ondersteuning van kostenstudies van afvang en opslag en hergebruik van CO2 in het kader van Carbon Capture Storage (CCS) en Carbon Capture Utilisation (CCU) toelichten?

Antwoord

Het kabinet ziet afvang, opslag en nuttig hergebruik van CO2 (CCUS) als een belangrijk element in de mix van maatregelen voor industriële sectoren waar geen kosteneffectief alternatief is om de klimaatdoelen te realiseren. In hoeverre CCUS wordt toegepast is onderdeel van het Klimaatakkoord. Daarop anticiperend is het essentieel om inzicht in de kosten van CO2-afvang en -opslag te verkrijgen dat kan bijdragen aan de ontwikkeling van het langetermijnbeleid van de overheid, om zo de juiste prikkel te kunnen geven om CO2-afvang en -opslag of hergebruik te stimuleren en overstimulering te voorkomen. Kostenstudies en pilotprojecten verschaffen een realistisch beeld van de kosten, maar zonder concreet langetermijnbeleid vanuit het Rijk zullen bedrijven deze studies en pilots niet zelf (volledig) uitvoeren. Met cofinanciering van pre projectplanning en -engineering, wordt de drempel voor het uitvoeren van deze studies en pilots verlaagd, wordt er inzicht in kosten verkregen en worden projecten voorbereid.

De regeling richt zich op projecten die op korte termijn gerealiseerd, toegepast of opgeschaald kunnen worden en al zekere schaalgrootte hebben. Als voorwaarde voor het verkrijgen van de subsidie is opgenomen dat ook de bedrijfsvertrouwelijke resultaten over kosten met de overheid worden gedeeld. Projecten krijgen tot een maximum van 50% van de kosten vergoed. Voor 2019 is hier € 10 miljoen uit de Klimaatenvelop voor begroot.

107. Wat zijn de resultaten van de cofinanciering van pilotprojecten en ondersteuning van kostenstudies van afvang, opslag en gebruik van in het kader van CCS en CCU en wat is de prognose voor de toekomst?

Antwoord

In 2018 was er vanuit de Klimaatenvelop € 8 miljoen voor de CCUS kostenstudies en € 4 miljoen voor de pilots beschikbaar gesteld (inclusief uitvoeringslasten). Een voorwaarde bij subsidietoekenning was dat het project in 2018 de kosten moest hebben gemaakt, waardoor alleen pilots en studies met een relatief korte doorlooptijd in aanmerking kwamen. Het budget voor de kostenstudies is vrijwel geheel uitgeput, het budget voor de pilots voor bijna 2/3de deel. Voor 2019 is er voor de kostenstudies en pilots gezamenlijk € 10 miljoen beschikbaar uit de Klimaatenvelop 2019. De verwachting is dat dit budget ruim overvraagd zal worden, gezien de plannen van de industrie die onder het Klimaatakkoord zijn ingediend aan de Industrietafel.

De studies en pilots gestart in 2018 zijn momenteel nog gaande. Resultaten zijn daarom nog niet ontvangen. Wel kan ik aangeven dat de toegekende projecten zich onder meer richten op de afvang van CO2 bij industriële locaties en afvalverwerkers en het transport van de CO2 via verschillende modaliteiten. Hiermee krijgt het Rijk een goed beeld van de spreiding van de kosten van verschillende installaties en technieken.

108. Kunt u toelichten wat de huidige ETS-prijs voor effect heeft voor de ETS-ontvangsten?

Antwoord

De ETS-ontvangsten hebben een directe relatie met de ETS-prijs, waar een hogere prijs bij een gelijkblijvend aantal rechten tot hogere ETS-ontvangsten zullen leiden. Doordat de ETS-prijs in 2018 hoger lag dan bij de inschatting van de ETS-ontvangsten van werd uitgegaan, zullen de ETS-ontvangsten ook hoger zijn dan begroot. Wanneer de ETS-prijs de laatste twee maanden van dit jaar op het huidige niveau blijft dan zullen de ontvangsten over 2018 ruim € 300 miljoen hoger uitvallen dan begroot.

109. Waarom daalt het aantal ETS-rechten dat in 2019 wordt geveild?

Antwoord

In 2019 treedt de marktstabiliteitsreserve in werking, waardoor er aanzienlijk minder emissierechten worden geveild. De marktstabibiliteitsreserve (MSR) is bedoeld om (tijdelijk) het overschot aan rechten op de markt te beperken. Tot 2023 wordt jaarlijks een hoeveelheid ter grootte van 24% van het overschot aan emissierechten in het EU ETS niet geveild (zie voor een toelichting Kamerstuk 32 813, nr. 191).

110. Kunt u toelichten waarom in 2018 de inkomsten uit veilingen van ETS-rechten op de begroting van EZK € 226 miljoen zijn, en dat deze in 2018 nog werden begroot ook voor de volgende jaren werden begroot op € 224 miljoen in de jaren 2019, 2020 en 2021, terwijl nu de inkomsten begroot worden op € 76 miljoen? Hoeveel minder rechten gaan er geveild worden? Hoe verhoudt zich deze lagere begrote opbrengsten met de hogere prijzen voor ETS-rechten?

Antwoord

De tabel op pagina 24 ziet op mutaties ten opzichte van Voorjaarsnota 2018, niet op de totale verwachte opbrengsten. Voor 2018 wordt verwacht dat er € 224 miljoen meer opbrengsten zullen zijn en voor de jaren 2019, 2020 en 20201 wordt verwacht dat er € 76 miljoen meer opbrengsten zullen zijn. Het verschil tussen 2018 en latere jaren is toe te kennen aan de het aantal rechten dat zal worden opgenomen in de marktstabliteitsreserve (MSR). Dit nieuwe mechanisme zorgt ervoor dat rechten worden onttrokken uit de markt. De huidige schatting is dat in 2019 van de circa 32 miljoen rechten die aan Nederland zijn toegewezen om te veilen, er circa 12,9 miljoen aan het MSR worden afgedragen.

111. In hoeverre komen het extra budget en de ruimte in het Toekomstfonds voor het Innovatiekrediet tegemoet aan het gat tussen het aanbod enerzijds en de veel grotere vraag vanuit het bedrijfsleven anderzijds?

Antwoord

Er is dit jaar € 10 miljoen extra beschikbaar gesteld voor het Innovatiekrediet. Dit bedrag is volledig ten goede gekomen aan klinische ontwikkelingsprojecten, vanwege de sterke vraag naar Innovatiekrediet voor dit type projecten. Aanvankelijk was er € 20 miljoen beschikbaar voor klinische ontwikkelingsprojecten. Dit bedrag is gedurende het jaar opgehoogd naar € 30 miljoen.

112. Wat is het bedrag dat vanuit de niet-juridisch verplichte uitgaven wordt bijgedragen aan de Commissie [van] Aanbestedingsexperts?

Antwoord

Voor 2019 is € 102.000 begroot voor de uitgaven van de Commissie van Aanbestedingsexperts. Vanuit dit budget worden de vergoeding voor de Commissieleden en de inzet van experts betaald.

113. Hoe wordt het effect gemeten van de regeling Groeifaciliteit?

Antwoord

Er wordt gekeken naar het gebruik, de additionaliteit en de doelmatigheid van de regeling. Op dit moment wordt de regeling Groeifaciliteit geëvalueerd hierin komen deze punten terug. De evaluatie is waarschijnlijk aan het einde van het jaar afgerond en wordt vervolgens begin volgend jaar met een reactie aan de Kamer gestuurd.

114. Wat gebeurt er met de gereserveerde middelen voor de Groeifaciliteit als deze regeling eerder dan 1 juli 2020 wordt afgeschaft (als blijkt dat de doelen via Invest-NL bereikt kunnen worden).

Antwoord

Dit is afhankelijk van de wijze waarop het alternatief bij Invest-NL zal worden vormgegeven. Afhankelijk hiervan zullen we zien of de gereserveerde garantieruimte nog nodig is. De begrotingsreserve zal de komende jaren nog wel nodig zijn voor het afdekken van eventuele schadegevallen, omdat de garanties in het kader van de Groeifaciliteit een looptijd hebben van twaalf jaar en hier nog een beroep op kan worden gedaan.

115. Wat is de stand van zaken als het gaat om stimuleren van aardwarmte?

Antwoord

De productie van aardwarmte wordt gestimuleerd door middel van de SDE+ regeling. Het geologisch risico van boringen naar aardwarmte wordt afgedekt door middel van de RNES Aardwarmte. Innovatieve aardwarmteprojecten kunnen gebruik maken van de DEI-regeling en de Hernieuwbare Energieregeling van de Topsector Energie.

Om de projectontwikkeling te stimuleren is het van belang om op meer plekken gedetailleerde seismiek te verzamelen, bestaande data met de kennis en techniek van nu opnieuw te bewerken en (proef)boringen te doen. Ik heb EBN in 2017 gevraagd hiervoor een plan uit te werken en in 2018 te starten (gefinancierd uit de klimaatenveloppe 2018) met de uitvoering hiervan.

Daarnaast worden de mogelijkheden bezien om EBN een rol te laten spelen bij het versterken van de geothermiesector. Om die reden neemt EBN deel aan onder meer de Green Deal Brabant. Eind 2018 zal ik uw Kamer informeren hoe deelname van EBN in geothermieprojecten, financieel en niet-financieel, eruit zal kunnen zien. Zie ook het antwoord op vraag 161.

116. Wanneer ontvangt de Kamer de aanpassing van de Mijnbouwwet ten behoeve van geothermie?

Antwoord

De wijziging van de Mijnbouwwet inzake aardwarmte zal naar verwachting in het najaar van 2019 aan de Kamer worden aangeboden.

117. Voor hoeveel geothermieprojecten is dit jaar een aanvraag ingediend voor de stimuleringsregeling hernieuwbare energieproductie (SDE+)? Is sprake van een afname of toename ten opzichte van voorgaande jaren? Is er een verklaring voor eventuele afname?

Antwoord

In de openstellingsronde in het voorjaar van 2018 zijn dit jaar 2 aanvragen voor Geothermie projecten beschikt. In 2017 zijn in de voorjaarsonde 3 aanvragen geweest voor Geothermie projecten en in het najaar 5. Of 2018 hiervan afwijkt is op dit moment nog niet te zeggen. De openstellingsronde voor het najaar moet nog worden opengesteld.

118. Waaruit blijkt dat er in het kader van de financiering van het midden- en kleinbedrijf (mkb) behoefte was aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden?

Antwoord

Nederland kent een relatief hoog afwijzingspercentage van kredietaanvragen van het mkb, in het bijzonder van microbedrijven (tot 10 werknemers). Uit tabel 4.1 van de laatste Financieringsmonitor (2017–2) blijkt dat 27% van de kredietaanvragen van het microbedrijf volledig wordt afgewezen en 11% gedeeltelijk. Bancaire financiering aan het mkb (leningen tot € 1 miljoen) daalt volgens DNB jaarstatistiek al sinds 2013. Door deze aanbodontwikkelingen, maar ook door vraag- en technologische ontwikkelingen is er een ontwikkeling gaande naar verbreding en diversificatie van het financieringsaanbod, die verdere versterking behoeft. Onder meer via de Stichting MKB Financiering, gericht op verdere professionalisering van alternatieve financiers, ondersteun ik deze ontwikkeling.

119. Waarom is de uitvoering van Qredits belegd bij de Europese Investeringsbank?

Antwoord

De uitvoering van Qredits is niet belegd bij de Europese Investeringsbank. Qredits is een zelfstandige stichting en verstrekt kredieten aan kleine en startende ondernemers met een haalbaar ondernemersplan en een financieringsbehoefte tot maximaal € 250.000, die dat niet bij de bank verkrijgen. Om deze kredieten te kunnen verstrekken heeft Qredits funding verkregen van de Staat, Nederlandse banken en verzekeraars, de Europese Investeringsbank en de Council of Europe Development Bank.

120. Betekenen de onder beleidswijzigingen 2019 genoemde wetswijzigingen voor bescherming tegen eenzijdige opgelegde openingstijden ook dat ondernemer gewoon op zondag open mag als de ondernemer dat wil?

Antwoord

De aanpassing van de Winkeltijdenwet strekt ertoe de winkelier te beschermen tegen eenzijdig opgelegde openingstijden door derden, zoals een besluit van winkeliersvereniging of een vereniging van eigenaren.

Winkeliers kunnen daardoor niet door een derde gedwongen worden winkeltijden aan te passen.

Of een ondernemer open mag op zondag is afhankelijk van welke afspraken hij zichzelf aan heeft gebonden en welke openingstijden de gemeente toestaat.

121. Hoeveel bedrijven met meer dan 100 werknemers zijn in 2017 overgenomen, uitgesplitst naar binnenlandse en buitenlandse overnamepartijen en uitgesplitst naar investeringsfondsen en andere overnamepartijen?

Antwoord

Onderstaande tabel biedt een overzicht van het aantal bedrijfsfusies en -overnames in Nederland op basis van gegevens van het CBS. Het CBS maakt geen verdere uitsplitsing naar (i) binnenlandse of buitenlandse overnamepartijen, en/of (ii) investeringsfondsen en andere overnamepartijen.

Voorts blijkt uit gegevens verzameld door accountants- en advieskantoor KPMG dat in 2017 248 Nederlandse bedrijven zijn overgenomen door buitenlandse partijen2. Hierbij is echter niet duidelijk hoeveel personen werkzaam waren bij deze bedrijven, en of de overnemende partijen investeringsfondsen of andere overnamepartijen waren.
Aantal bedrijfsfusies en -overnames in Nederland naar bedrijfsgrootte, 2017

Bedrijfsgrootte

Aantal bedrijfsfusies en -overnames

0 tot 50 werkzame personen

4.005

50 tot 250 werkzame personen

445

250 werkzame personen of meer

180

Totaal

4.630

Bron: CBS, zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83147NED/table?dl=12FF3.

122. Hoeveel bedrijven die sinds het begin van de crisis door buitenlandse overnamepartijen zijn overgenomen zijn inmiddels opgeheven of vertrokken uit Nederland? Hoeveel banen zijn hierbij verloren gegaan?

Antwoord

Onderstaande grafiek biedt een overzicht van het aantal bedrijfsoprichtingen en -opheffingen in Nederland op basis van gegevens van het CBS (sinds het begin van de crisis, omstreeks 2007–2008). Het CBS maakt geen verdere uitsplitsing naar (i) binnenlandse of buitenlandse zeggenschap bij deze bedrijven, en/of (ii) deze bedrijven in het verleden zijn overgenomen door een binnenlandse of buitenlandse partij (en wanneer).

Aantal bedrijfsoprichtingen en -opheffingen in Nederland, 2007–20171

Bron: CBS, zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83148NED/table?dl=13195 en https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83149NED/table?dl=13196.

1 Cijfers voor 2017 zijn voorlopig, cijfers voor opheffingen voor 2016 zijn nader voorlopig.

Aanvullende biedt de onderstaande tabel een overzicht van het aantal banen bij bedrijven naar zeggenschap (binnenland, buitenland of onbekend). Het CBS geeft van de bedrijven onder buitenlandse zeggenschap niet aan of deze zijn overgenomen (en wanneer).

Aantal banen bij bedrijven naar zeggenschap (x1000), 2008–20151Cijfers zijn voorlopig.
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Binnenland

4.181

4.024

3.957

4.012

3.953

3.830

3.846

3.900

Buitenland

839

832

842

885

894

914

929

956

Onbekend

2.930

2.981

3.063

3.102

3.079

3.039

2.999

3.005

Totaal

7.950

7.838

7.861

7.999

7.927

7.782

7.774

7.862

Bron: CBS, zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83816NED/table?dl=1319F.

123. In welk gedeelte van het jaar 2019 zal meer duidelijkheid verschaft worden over het verdeelbeleid voor de band van 3,5 gigahertz (GHz)?

Antwoord

Aan het eind van het jaar zal samen met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Defensie een besluit worden genomen over de toekomst van de 3,5 GHz-band. Op basis hiervan kan het uitgiftebeleid voor de 3,5 GHz-band worden vormgegeven. Zoals ook is aangekondigd in het actieplan Digitale Connectiviteit (Kamerstuk 26 643, nr. 547) zullen de contouren van het nieuwe uitgiftebeleid voor de 3,5 GHz-band worden opgenomen in de Nota Mobiele Communicatie. Deze Nota zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2019 worden gepubliceerd.

124. In welke gedeelte van het jaar 2019 zal meer duidelijkheid verschaft worden over het uitgiftebeleid van de 26 GHz-band?

Antwoord

In het Actieplan Digitale Connectiviteit heb ik aangegeven dat de eerste stap de harmonisatie van de technische gebruiksvoorwaarden is door de EU. Dat is voorzien voor dit najaar. Er van uitgaande dat besluitvorming daar over inderdaad dit najaar plaatsvindt wil ik commercieel gebruik in 2020 mogelijk maken. Dit betekent dat in de loop van 2019 en 2020 het uitgiftebeleid zal worden vormgegeven en vastgelegd. De uitgifte van de 26 GHz-band zal ik ook bespreken in de

Nota Mobiele Communicatie. Daarna volgen er nog diverse stappen, zoals een wijziging van het Nationaal Frequentieplan, waarbij duidelijkheid zal worden verschaft over het uitgiftebeleid.

125. Hoe werkt het Digital Trust Center (DTC) samen met het Nationaal Cybersecurity Centrum (NCSC)? Hoe snel ontvangt zij crisismeldingen en om welke gaat het en in welke mate gaat zij dit doorgeven aan betrokken mkb-organisaties?

Antwoord

Het NCSC en DTC kijken met de samenwerkingsverbanden naar de mogelijkheden van informatie-uitwisseling. Informatie die voorkomt uit incidentmeldingen maakt hier onderdeel van uit.

Het NCSC, DTC en CWCB (Cyber Weerbaarheids Centrum Brainport) onderzoeken bijvoorbeeld in een pilot met TNO de mogelijkheden om informatie uit te wisselen op het terrein van cybersecurity en welke rol het Digital Trust Platform in dit proces kan betekenen.

126. Per wanneer gaat het DTC zelfstandig meer doen dan alleen voorlichting geven via een website?

Antwoord

Naar verwachting wordt begin 2019 een interactief platform gelanceerd worden waar het DTC in nauwe samenwerking met het NCSC, digitale dreigingsinformatie en kennisproducten vanuit het NCSC toegankelijk maakt voor (nog nader te bepalen groepen van) ondernemers. Binnen deze omgeving krijgen ondernemers ook de mogelijkheid om – al dan niet in een eigen community – informatie en kennis te delen met elkaar en experts. Dit zal stap voor stap gebeuren waarbij bruikbaarheid en betrouwbaarheid leidend zullen zijn. In mijn brief van 19 september jl. heb ik verder aangegeven dat er recent zes nieuwe samenwerkingsverbanden met behulp van de subsidieregeling DTC zijn gestart. Deze samenwerkingsverbanden zullen in samenwerking met het DTC de cyberweerbaarheid verhogen van het bedrijfsleven in Noord-Nederland, Limburg, de haven van Amsterdam, de maakindustrie, zaadveredelaars en defensie gerelateerde industrie. In april 2019 zal ik opnieuw een uitvraag doen naar samenwerkingsverbanden waardoor we weer een stap dichterbij een landelijk dekkend netwerk komen van regionale en sectorale aanspreekpunten voor het bedrijfsleven op het gebied van cybersecurity.

127. Wanneer zal het wetsvoorstel Ongewenste zeggenschap telecommunicatie naar de Kamer worden gestuurd?

Antwoord

Voor de zomer is het wetsvoorstel ongewenste zeggenschap telecommunicatie voor advies naar de Raad van State gestuurd. Dat advies heb ik inmiddels ontvangen. Op dit moment ben ik het advies van de Raad van State aan het verwerken. Ik verwacht het voorstel begin volgend jaar bij de Kamer in te kunnen dienen.

128. Hoe wordt het doel gesteld voor de voorlichtingscampagne cyberhygiëne en hoe wordt de effectiviteit gemeten?

Antwoord

De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Economische Zaken en Klimaat houden regelmatig voorlichtingscampagnes over cybersecurity, zoals ook in het regeerakkoord is afgesproken.

De voorlichtingscampagnes hebben tot doel om burgers en het mkb bewust te maken van cybersecurity-risico’s, zodat ze maatregelen nemen om zich daartegen te beschermen door hun digitale basisbeveiliging op orde te brengen en houden. De campagnethema’s, doelgroepen en sectoren worden bepaald aan de hand van actuele problemen en dreigingen, en de lancering van relevante beleidsmaatregelen. Voor het komende jaar zijn onder andere campagnes rondom de veiligheid van het Internet of Things voorzien. De campagnes worden uitgevoerd in nauwe afstemming en samenwerking met onder meer andere departementen, brancheorganisaties, VNO-NCW / MKB Nederland en de Kamer van Koophandel. Om de effectiviteit te kunnen meten wordt in 2019 een nulmeting verricht. Een aantal ijkmomenten tijdens de campagne kan worden benut voor bijstellingen om het bereik of de impact van de campagne te verbeteren. In de jaarlijkse CBS-cybersecuritymonitor wordt, waar mogelijk uitgesplitst naar campagnethema en doelgroep, de (verbetering van) de cyberweerbaarheid van mkb-bedrijven gemeten. De SMART-doelen voor de effectiviteitsmeting zijn:

  • a.  een toename van unieke bezoekers van www.veiliginternetten.nl van 1 miljoen nu naar 2,5 miljoen per jaar in 2021.
  • b.  een toename van aantal bedrijven met dat adequate cyberhygiëne-maatregelen neemt conform de campagnethema’s met zeker 50%.

129. Hoe legt de Raad voor Accreditatie verantwoording af en hoe kan de Kamer dit controleren?

Antwoord

De Raad voor Accreditatie (RvA) verantwoordt haar activiteiten en uitgaven jaarlijks (rond maart) in een publieksverslag en een financieel jaarverslag. Beide verslagen worden gepubliceerd op de website van de RVA: www.rva.nl.

Voorts wordt de RvA conform artikel 39 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen elke vijf jaar geëvalueerd. De evaluatie over de jaren 2010–2015 is in 2016 naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 25 268, nr. 136).

130. Nederland heeft te maken met een sterk krimpende postmarkt, is het in dat licht wenselijk dat u nog steeds een bijdrage levert aan de promotie van het mondiale postverkeer en de toename van het aantal verwerkte poststukken?

Antwoord

Voor de afhandeling van de internationale post gelden mondiale afspraken die Nederland onder de vlag van de Universal Postal Union heeft gemaakt met andere landen over onderlinge dienstverlening. Besluiten die in het kader van de Universal Postal Union worden genomen kunnen directe effecten hebben voor Nederland. Zo kunnen mogelijke toekomstige verplichtingen ten aanzien van het internationale postvervoer gevolgen hebben voor de inrichting van de universele postdienst in Nederland en daarmee de flexibiliteit van de uitvoerder van de universele postdienst in Nederland beperken. Daarom is het van belang om, samen met andere Europese landen, invloed te blijven uitoefenen binnen deze VN-organisatie.

131. Welk bedrag wordt jaarlijks overgemaakt aan ERO (het permanente ondersteunende bureau van de European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT) in Kopenhagen)?

Antwoord

Aan het permanente ondersteunende bureau van de European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT) in Kopenhagen wordt jaarlijks een bedrag van € 132.000 betaald. EZK neemt regelmatig deel aan CEPT ten behoeve van de voorbereiding van de Europese inzet voor de Universal Postal Union en de International Telecommunications Union.

132. Het is de ambitie om 2,5% van bruto binnenlands product (bbp) te besteden aan Research and Development (R&D), hoeveel procent is dat nu? Hoeveel procent van de 2,5% komt hiervan komt door de plannen uit het huidige regeerakkoord?

Antwoord

Volgens de meest recente gegevens van het CBS bedroegen de R&D-uitgaven in 2016 2,00 procent van het bbp. Dit cijfer ligt iets lager dan het voorlopige cijfer van het CBS (uit oktober 2017), dat uitkwam op 2,03 procent van het bbp. Redenen voor de bijstelling zijn lager dan verwachte investeringen in gebouwen en terreinen door hogeronderwijsinstellingen en een opwaartse bijstelling van het bbp in het kader van de bij het CBS doorgevoerde revisie van de Nationale Rekeningen (noemereffect). Een voorlopig cijfer over 2017 is eind oktober te verwachten. Het regeerakkoord heeft nog geen effect kunnen hebben op de door het CBS gemeten R&D-uitgaven. De intensiveringen in het regeerakkoord voor onderzoek zijn immers pas gestart in 2018. Een verhoging van de R&D-uitgaven richting de 2,5% van het bbp zou vooral via een verhoging van de private R&D-uitgaven plaats moeten vinden. Het kabinet ondersteunt dit onder andere door een goed vestigingsklimaat voor R&D-intensieve bedrijven. Verdere versterking van de publiek-private samenwerking en de verhoging van de tweede schijf van de WBSO in 2020 van 14% naar 16% dragen daaraan bij.

133. Wat is de stand van zaken van de pilots met betrekking tot de MKB-toets?

Antwoord

Er zijn in de eerste helft 2018 twee mkb-toetsen als pilots uitgevoerd. Dit betrof de verplichte vermelding thuiskopieheffing op facturen en de aanpassing van de winkeltijdenwet. Inmiddels is een aantal andere mkb-toetsen in voorbereiding, zoals die voor de werkkostenregeling in de loonbelasting (Ministerie van Financiën) en de drone-wetgeving van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. We zijn daarnaast in gesprek met de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en SZW over de mogelijkheid van een mkb-toets op hun terrein.

135. Hoe is er bij post cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), inclusief INTERREG, rekening gehouden met een mogelijke stijging van het cofinancierinspercentage als gevolg van de nieuwe verordeningen die vanaf 2020 gaan gelden?

136. Hoe is er bij de post meerjarige cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG, rekening gehouden met een mogelijke daling van de Nederlandse ontvangsten uit de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen) als gevolg van het nog vast te stellen Europees Meerjarig Financieel Kader?

Antwoord 135 en 136

Nederland is voorstander van hogere cofinanciering van lidstaten aan EFRO. Dat zou kunnen betekenen dat ook Nederland in de nieuwe verordening zou moeten voldoen aan hogere nationale cofinancieringseisen. Aangezien Nederland nu al ruimschoots aan de vereisten voldoet, is het de verwachting dat Nederland ook in de volgende periode aan haar cofinancieringsverplichting zal kunnen voldoen. Afspraken over de omvang en de verdeling van de cofinanciering zullen in een later stadium interbestuurlijk moeten worden vastgelegd, afhankelijk van de omvang van het EFRO en de gestelde prioriteiten.

137. Tot wanneer worden er ontvangsten verwacht uit de luchtvaartkredietregeling en wat is het totaal?

Antwoord

Naar verwachting worden er tot en met 2027 ontvangsten uit de luchtvaartkredietregelingen gerealiseerd. De huidige raming in de begroting in de periode 2018 tot en met 2023 is taakstellend en beloopt in het totaal € 39,4 miljoen. De daadwerkelijk te realiseren ontvangsten zijn echter afhankelijk van de mate waarin toegekende projecten succesvol kunnen worden afgerond.

138. Kunt u een overzicht geven van de uitgaven van alle EU-landen aan hun kamers van koophandel.

Antwoord

De Kamers van Koophandel (KvK) hebben binnen de EU een verschillende identiteit (publiek/ privaat) en verschillende activiteiten (takenpakket), waarbij men geregeld ook taken uitvoert die in Nederland worden opgepakt door de werkgeversorganisaties. Daarnaast kent elk land in Europa een Handelsregister. In een deel van de landen wordt de Handelsregistertaak uitgevoerd door de lokale KvK.

De handelsregisters zijn voor zover bekend in EU-landen een publieke taak, waarbij de financiering uiteen loopt van volledig door de overheid gefinancierd en opgehangen als onderdeel van een Ministerie (denk aan België, Denemarken, Frankrijk) tot volledig zelfstandig en onafhankelijk gefinancierd door de gebruikers (Italië) en daartussen een hybride vorm waarbij een handelsregister deels overheidsgefinancierd is, en deels de wettelijke ruimte heeft om omzet te genereren uit verkoop van data (Nederland, Oostenrijk).

Eurochambres (Vereniging van Europese Kamers van Koophandel) is bezig met een onderzoek naar de KvK financieringsvormen in Europa. Zij kunnen op dit moment nog niet aangeven wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond. Het International Business Registers Report uit 20173 geeft een overzicht van o.a. de wijze van financiering van Handelsregisters internationaal.

Deze onderzoeken lijken zich toe te spitsen op de wijze van financiering en de kosten van bepaalde diensten die worden aangeboden aan een onderneming. Een totaal overzicht van de uitgaven van lidstaten aan de lokale KvK’s of een overzicht van de kosten van deze organisaties ontbreekt. Een relevant vergelijk tussen de KvK in Nederland en de Kamers van Koophandel in de andere EU landen op organisatieniveau is door het verschil in activiteiten (taken) en wijze van financiering ook lastig te maken.

139. Kunt u een overzicht geven van de totale kosten van de kamers van koophandel van alle andere EU-landen.

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 138.

140. In hoeverre speelt hernieuwbare energie en verduurzaming een rol bij besteding van de budgetten van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)? Kunt u voorbeelden geven van EFRO-projecten waar verduurzaming een belangrijk onderdeel heeft gespeeld?

Antwoord

Het kabinet is er voorstander van om het Cohesiebeleid na 2020 te focussen op de minst ontwikkelde lidstaten en innovatie gericht op het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. In de lopende periode worden EFRO-middelen in Nederland aan twee investeringsdoelen besteed: ongeveer 80% aan innovatie en 20% aan het stimuleren van een koolstofarme economie. Binnen de 80% voor innovatie vallen ook veel projecten op het gebied van verduurzaming en hernieuwbare energie. Tegelijkertijd vallen onder de 20% voor een koolstofarme economie ook veel innovatieve projecten. Hier zit dus een overlap. Daarom wil het kabinet in een volgende periode meer ontwikkelde lidstaten als Nederland alle EFRO-middelen samenvoegen en besteden aan één investeringsdoel, namelijk het stimuleren van maatschappelijke uitdagingen en ontwikkelen van sleuteltechnologieën via innovatieprojecten, waarbij verduurzaming en hernieuwbare energie belangrijke elementen zullen zijn.

Op de website www.europaomdehoek.nl staan alle projecten die door EFRO en andere structuurfondsen in Nederland gefinancierd worden. Een voorbeeld is het project Waterstofregio 2.0, een samenwerkingsverband tussen Zuid-Nederland en Vlaanderen, dat zich richt op het verbeteren en tonen van de verschillende toepassingen van waterstof, zoals een waterstoftankstation.

141. Kunt u, naast het aantal bedrijven en de totale ondersteunde private R&D-uitgaven, ook meer inzicht geven in de cijfers van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) door middel van een uitsplitsing per (top)sector van het aantal ondersteunde bedrijven en private R&D-uitgaven?

Antwoord

In onderstaande diagrammen treft u deze gegevens voor het jaar 2017. In de publicatie «Focus op Research & Development»4 van RVO.nl vindt u daarnaast een overzicht van de in 2017 door de WBSO ondersteunde R&D naar FOS-classificaties (field of science and technology, een internationale standaard om R&D-uitgaven in te delen naar technologiegebied).

142. Hoe wordt opvolging gegeven aan het recent door Triarii uitgevoerde onderzoek (Economische Effecten Marinebouwcluster, juni 2018) naar de betekenis van de Nederlandse marinebouw? Op welke manier wordt samen met het Ministerie van Defensie werk gemaakt van de rol van de overheid als launching customer voor hoogwaardig marinematerieel (zoals de grotere schepen en onderzeeboten) van Nederlandse bedrijven? Wat doet het Ministerie van EZK, samen met het Ministerie van Defensie, nog meer om de export van marineschepen te stimuleren, zoals in dit rapport wordt aanbevolen? Wat doet de regering om de zelfscheppende marinebouw, die sterk stimulerend is voor de gehele scheepsbouw en Nederlandse industrie, in stand te houden en te versterken?

145. Wat wordt gedaan om de zelfscheppende marinebouw in stand te houden en te versterken?

Antwoord 142 en 145

In de herziene Defensie Industrie Strategie (DIS), die naar verwachting in het vierde kwartaal 2018 door het Ministerie van Defensie en het Ministerie van EZK zal worden aangeboden aan uw Kamer, staan de wezenlijke belangen van nationale veiligheid centraal. De DIS 2018 zal een ambitie schetsen voor de Nederlandse Defensie Technologische & Industriële Basis (DTIB): Welke kennis- & technologiegebieden en industriële capaciteiten moet Nederland in huis hebben om zijn wezenlijke belangen van nationale veiligheid te kunnen garanderen. In deze analyse, waarin de uitkomsten van het Triarii-onderzoek zijn meegenomen, wordt expliciet stilgestaan bij de relevantie van de Nederlandse Marinebouw voor de wezenlijke belangen van nationale veiligheid. Ook zal in de DIS worden aangegeven welk instrumentarium kan worden ingezet om de gewenste DITB te versterken, beschermen en internationaal te positioneren. Op basis van de nieuwe DIS zullen bij toekomstige verwervingstrajecten nationale veiligheidsbelangen nadrukkelijker kunnen worden meegewogen. Bij verwervingstrajecten waar dit evident is, worden nationale veiligheidsbelangen al meegenomen op grond van de DIS van 2013. Dit is bijvoorbeeld het geval geweest bij de vervanging van de M-fregatten en de verwerking van het Combat Support Ship. Voor de onderzeeboten is uw Kamer toegezegd dat de nieuwe DIS aan de Kamer zal worden aangeboden voor de B-brief voor de vervanging van onderzeebootcapaciteit.

143. Hoe wordt voorkomen dat concurrerende buitenlandse marinebouw, die over het algemeen staatsgestuurd en -gefinancierd is, op basis van ongelijkheid in het speelveld orders geplaatst krijgt?

146. Hoe wordt gewaarborgd dat concurrerende buitenlandse marinebouw niet op basis van ongelijkheid in het speelveld orders geplaatst gaat krijgen?

Antwoord 143 en 146

Bij aanschaf van Defensiematerieel wordt afzonderlijk («case-by-case») een afweging gemaakt of het product of de dienst een directe koppeling heeft met een specifiek geïdentificeerd veiligheidsbelang. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 142 over de herziene defensie industriestrategie, die nog dit jaar aan uw Kamer zal worden aangeboden. Nederland is voorstander van een meer open, competitieve Europese defensiemarkt en vooral van een gelijk speelveld, waarbij bedrijven (ook uit middelgrote en kleine landen) eerlijke kansen krijgen als hoofdaannemer of als toeleverancier. Nederland zet zich binnen Europa blijvend in voor een beter level playing field.

144. Hoe gaat de regering de kruisbestuiving stimuleren tussen militair gerichte en civiel gerichte innovatie en kennisopbouw rondom duurzaamheid en emissievrij varen, gezien het feit dat Defensie nu ook de aandacht voor verduurzaming van marinematerieel en emissievrij varen intensiveert?

Antwoord

In het missiegedreven innovatiebeleid staan maatschappelijke uitdagingen als duurzaamheid en veiligheid centraal. Voor deze maatschappelijke uitdagingen worden concrete missies opgesteld door de meest betrokken ministeries in samenspraak met relevante bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners. De Ministeries van Defensie en J&V zullen samen met EZK de missies op het thema veiligheid uitwerken, waarna de betrokken Topsectoren hun kennis- en innovatieagenda’s hierop zullen richten. Omdat de missies en agenda’s gezamenlijk worden vormgegeven bestaat er een goede basis voor een stevige wisselwerking tussen militair- en civielgerichte innovatie.

147. Wordt bij defensie bepleit om als «launching customer» zo veel mogelijk hoogwaardig marinematerieel (zoals de grotere schepen en onderzeeboten) in Nederland te bestellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Nieuwe investeringsprojecten van het Ministerie van Defensie bieden vanzelfsprekend kansen voor de Nederlandse industrie en de «Gouden Driehoek». Daarbij blijft voor Defensie een belangrijk uitgangspunt dat voor onze militairen het beste materieel voor de beste prijs moet worden verkregen. Bij een aanbestedingstraject worden zoveel als mogelijk aanbiedingen van de Nederlandse industrie betrokken. Het is aan de industrie om concurrerend aan te bieden.

148. Hoeveel ondernemers kunnen naar verwachting gebruik maken van het Small Business Innovation Research (SBIR) voor het jaarlijkse budget van 2,5 miljoen euro?

Antwoord

EZK stelt ten behoeve van pre-commercieel inkopen € 2,5 miljoen ter beschikking en nodigt hiermee andere partners, veelal (mede-)overheden, uit dit bedrag te matchen om innovatieve oplossingen voor een veelheid van veelal maatschappelijke uitdagingen te ontwikkelen.

Het aantal ondernemingen dat aanspraak kan maken op SBIR-budget is afhankelijk van de gestelde vraag en het gealloceerde budget van de opdrachtgevers.

In de periode 2016–2017 is er € 14,045 miljoen omgegaan in SBIR-projecten. Daarvan zijn 112 ondernemers via een haalbaarheidsonderzoek (fase 1) van gemiddeld € 31.339, en 47 ondernemers via het ontwikkelen van prototypes (fase 2) van gemiddeld € 215.425, ondersteund.

Binnen een gewenst budget van € 5 miljoen, 2,5 miljoen via EZK en 2,5 miljoen via matching door partners, zouden naar verwachting 56 ondernemingen jaarlijks gebruik kunnen maken van SBIR budget. Individuele overheden kunnen tevens, met begeleiding van RVO.nl, additionele SBIR’s uitzetten en daarmee ondernemingen kansen bieden.

149. Er wordt aangegeven dat het toegenomen beroep op de PPS-toeslag de aandacht heeft in relatie tot het hiervoor meerjarige beschikbare budget, wat gaat er precies wijzigen en kunnen de voorgenomen wijzigingen in detail worden toegelicht?

151. Kunt u in detail toelichten welke wijzigingen van de PPS-toeslag u voor ogen heeft?

Antwoord 149 en 151

Ik heb in de brief «Naar missiedreven innovatiebeleid met impact» van 13 juli 2018 (Kamerstuk 33 009, nr. 63) aangegeven dat de PPS-toeslag een belangrijke rol vervult bij de stimulering van publiek-private samenwerking. Om die reden heb ik structureel € 50 miljoen voor deze regeling vrijgemaakt uit de enveloppe toegepast onderzoek. In de brief heb ik tevens aangekondigd om de verdere mogelijkheden voor beleidsmatige en doelmatigheidsverbeteringen van de PPS-toeslagregeling nader te bezien. Deze verbeteringen zie ik bij het versmallen van de grondslag op basis waarvan de hoogte van de PPS-programmatoeslag wordt bepaald. Daarnaast is er een budgettaire noodzaak om de regeling te versoberen. De PPS-toeslag is, na een trage start, een zeer succesvol instrument gebleken om samenwerking tussen publieke kennisinstellingen en het private bedrijfsleven te stimuleren. De private bijdrage aan publiek onderzoek in het kader van PPS is gestegen van € 418 miljoen in 2014 naar € 577 miljoen in 2017 en zal naar verwachting verder doorgroeien. Dit betekent dat de € 50 miljoen die het kabinet heeft toegevoegd aan het PPS-toeslagbudget onvoldoende is om de groei in de grondslag te accommoderen. Ik houd er rekening mee dat er een oplopend structureel tekort van mogelijk € 55 miljoen kan ontstaan, uitgaande van de huidige regeling en rekening houdend met een aanhoudend verdere groei van de grondslag. Dit betekent dat er ook een budgettaire noodzaak is om maatregelen te nemen.

Mijn voornemen is om de private bijdrage aan TKI-relevante onderzoeksopdrachten nog voor 80% te laten meetellen bij de vaststelling van de grondslag (dit is dus een inperking van 20% ten opzichte van de ruimte voor TKI-relevante opdrachten in de huidige regeling). Bij de TKI-relevante onderzoeksopdrachten voert een onderzoeksorganisatie geheel in opdracht van een onderneming een door de onderneming gewenst en bepaald onderzoek uit, dat ook door die onderneming wordt bekostigd (contractonderzoek), maar waarvan een deel van de kennis in de sector breder toepasbaar is. In een dergelijk geval is dus geen sprake van daadwerkelijke samenwerking tussen de onderneming en de onderzoeksorganisatie (de opdrachtgevende onderneming bepaalt immers). Ook is in dergelijk onderzoek de kennisdeling en kennisverspreiding minder gewaarborgd dan bij daadwerkelijke publiek-private samenwerking. Met deze wijziging wordt het genereren van de PPS-toeslag meer gericht op het ondersteunen van daadwerkelijke PPS-en. Deze maatregel zou € 11 miljoen opleveren.

Daarnaast is mijn voornemen om alleen ondernemingen met een Nederlandse vestiging of buitenlandse ondernemingen met een dochteronderneming in Nederland bijdragen in natura te kunnen laten opvoeren voor de grondslag. Op dit moment kan met name het (Nederlandse) mkb met in natura bijdragen deelnemen aan PPS-en in de topsectoren, en mede sturing geven aan het onderzoek en deelnemen aan het topsectorenbeleid. Het geven van een cash bijdrage aan onderzoek is voor deze groep ondernemers namelijk lastig. Uitgangspunt is om een samenwerking tot stand te brengen tussen een bedrijf en een onderzoeksinstelling waarbij sprake is van een rechtstreeks fysieke uitwisseling van bijvoorbeeld personeel of faciliteiten. In de praktijk zien we Europese PPS-projecten waar in de regel ook sprake is van een bijdrage van ondernemingen die geen vestiging in Nederland hebben. Deze buitenlandse bijdrage wordt nu meegeteld bij de vaststelling van de grondslag. Het beperken van in natura bijdragen tot ondernemingen met een Nederlandse vestiging of een buitenlandse onderneming met de dochteronderneming is Nederland zou structureel € 9 miljoen opleveren. De aankomende aanpassing draagt bij aan het waarborgen dat samenwerking plaatsvindt in de vorm van de gewenste rechtstreekse, daadwerkelijk fysieke bijdragen.

Beide wijzigingen hebben dus betrekking op de grondslag van de regeling en daarmee het genereren van de PPS-toeslag. De PPS-toeslag wordt vervolgens ingezet in nieuwe PPS-en; de bepalingen daarover wijzigen niet. Door deze wijzigingen in de grondslag sluit de regeling beter aan bij het beleidsdoel, namelijk het stimuleren van daadwerkelijke private bijdragen aan onderzoek en innovatie. De twee genoemde wijzigingen leveren vanaf 2019 € 20 miljoen op. Als de groei van de regeling op termijn zou leiden tot een verwacht jaarlijks tekort van € 55 miljoen dan zijn extra acties nodig om de publiek-private samenwerking op gebied van onderzoek op te vangen. Ik zal uw Kamer schriftelijk informeren over de ontwikkelingen van de PPS-toeslagregeling, te beginnen bij de publicatie van de wijzigingsregeling voor 2019.

150. Hoeveel is het beroep op de PPS-toeslag toegenomen sinds de verhoging van 25% naar 30%?

Antwoord

De verhoging van het toeslagpercentage van 25 naar 30 is op 11 mei 2018 gepubliceerd. De PPS-toeslag wordt gegeven op private bijdragen in het jaar daarvoor. Het stimulerend effect van de verhoging in 2018 kunnen we dus pas in 2019 verwachten. Zelfs zonder een stimulerend effect van de verhoging, verwachten we in 2018 ten opzichte van 2017, een groei in het gebruik van de PPS-toeslag, die te verklaren valt uit een toegenomen bekendheid van de regeling. Daarnaast is uiteraard sprake van een toegenomen beroep op de regeling door het hogere percentage. Omdat tot het einde van dit jaar nog aanvragen kunnen worden ingediend voor de PPS-projecttoeslag, is het definitieve groeipercentage nog niet bekend.

152. Wat is doel voor het waarderingscijfer van de Kamer van Koophandel (KvK) voor 2019?

Het doel voor 2019, zoals opgenomen in het concept jaarplan 2019, voor de informatie- en adviesfunctie (niet verplichte dienstverlening) van de KvK is gesteld op een net promoter score (NPS) van +12 (de Net Promoter Score is een manier om klanttevredenheid te meten en wordt berekend als het verschil tussen het percentage respondenten die een dienst of product zeker zouden aanbevelen (cijfer 9 of 10) en het percentage die dat niet of waarschijnlijk niet zouden doen (cijfer 1 t/m 6)).

153. Waarom is in de jaarverslagen van het Dutch Venture Initiative (DVI) niet meer te lezen in welke fondsen is belegd? Waarom houdt u deze informatie achter?

Antwoord

In de jaarverslagen van DVI en DVI-II, die 15 oktober jl. aan de Kamer zijn gestuurd, is vermeld in welke fondsen is geïnvesteerd. Deze fondsen zijn ook op de website van het Europees Investeringsfonds vermeld. De jaarverslagen zijn door de Bestuur van DVI en DVI-II opgesteld; zij bepalen de opzet hiervan.

154. Hoeveel kapitaal van het DVI is naar het buitenland gegaan in 2018? Klopt het dat het DVI ook belegt in Finch, wat zich richt op investeringen in Europese en Aziatische startups? Waarom gaat er Nederlands geld naar Azië onder de noemer van het Dutch Venture Initiative?

Antwoord

DVI bestaat uit twee fund-of-funds: DVI en DVI-II. De Nederlandse Staat neemt deel aan deze twee fondsen via Oost-NL, andere investeerders in DVI zijn het Europees Investeringsfonds en de BOM. De twee DVI-fondsen investeren in venture capital fondsen, die weer in ondernemingen investeren.

Het belang van de Nederlandse Staat in een onderliggend DVI fonds varieert van 3% tot 18%, met een gemiddelde van 7,7%. Het bedrag dat DVI in totaal gecommitteerd heeft aan venture capital fondsen is € 296,5 miljoen (€ 193 miljoen DVI + € 103,5 miljoen DVI-II). Het aandeel van de Nederlandse Staat hierin is € 175 miljoen (€ 124 miljoen DVI + € 51 miljoen DVI-II).

Van dit toegezegde kapitaal van € 175 miljoen is tot op heden een bedrag van € 778 miljoen ingelegd. Tot op heden hebben deze onderliggende DVI-fondsen al een bedrag van € 340,5 miljoen in Nederland geïnvesteerd, wat inhoudt dat het vanuit DVI verstrekte kapitaal tot het 4,4-voudige aan investeringen in Nederlandse bedrijven heeft geleid (katalyserende werking). Doordat zoveel partijen naast DVI participeren in de venture capital fondsen is niet precies te zeggen welke euro van DVI naar het buitenland gaat. We weten door bovenstaande berekening wel dat ondanks de buitenlandse investeringen er meer investeringen in Nederlandse bedrijven voor terugkomen en er dus per saldo ook geen belastinggeld naar het buitenland weglekt.

Het klopt dat DVI-II een investering gedaan heeft in Finch Capital. Finch Capital is een in Nederland gevestigde en een door Nederlands management geleide Fintech investeerder. Finch opereert internationaal, maar heeft een strategische focus op Nederland. Finch bevindt zich momenteel in de investeringsperiode en heeft al enkele Nederlandse investeringen gedaan.

Finch Capital is in deze opzet geen uitzondering. Venture capital fondsen die gericht zijn op een bepaalde sector zijn veelal in meerdere landen actief omdat ze in één land onvoldoende voor het fonds geschikte ondernemingen kunnen vinden. Ook de investeerders in de durfkapitaalfondsen zijn afkomstig uit meerdere landen. Het beperken van de investeringen tot Nederland zou de stimulans om dit soort fondsen op te zetten sterk verminderen.

155. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitrol van projecten met monovergisting van mest?

Antwoord

In september 2017 hebben de projecten uit de tenderregeling monomestvergisting een beschikking ontvangen. Op dit moment worden de eerste projecten gerealiseerd.

156. Kunt u een tijdspad geven voor het komen tot een regeling ter vervanging van de salderingsregeling? Wanneer gaat u hierover de Kamer informeren?

Antwoord

Ik vind het van belang dat de vervanging van de salderingsregeling goed verloopt en hecht aan een zorgvuldig proces. In de uitwerking is gebleken dat de benodigde ICT-aanpassingen bij alle betrokken partijen veel tijd in beslag nemen (meer dan eerder gedacht) voor een zorgvuldige uitvoering. Daarom krijg ik er steeds meer een hard hoofd in of invoering per 2020 haalbaar is, zoals ik al eerder heb aangegeven in Uw Kamer. Dit bespreek ik binnenkort binnen het kabinet. Ondertussen ga ik door met de uitwerking van de regeling. Ik streef ernaar om dit najaar aan de Kamer een brief te sturen met een nadere uitwerking van de terugleversubsidie inclusief hoe verschillende specifieke doelgroepen zoals utiliteit en coöperatieve energieprojecten hierin worden meegenomen. De eerste helft van 2019 wil ik gebruiken om de wijziging van de regelgeving op te stellen en te consulteren.

157. Denkt u in lijn met de voorstellen van de voormalig Minister van Economische Zaken om te onderzoeken of het mogelijk is om voor de periode na 2017 de opslag duurzame energie samen te voegen met de energiebelasting, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Kamerstuk 34 497, nr. 3 ) dat het te overwegen is om de SDE+ te financieren uit de algemene middelen zodat deze middelen voor klimaatbeleid rechtvaardig opgebracht worden zoals alle middelen voor rijksbeleid?

Antwoord

Zoals het kabinet heeft aangekondigd in de kabinetsappreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord zal het kabinet een verkenning starten naar de financiering van de SDE+, met aandacht voor de lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven. Dit is gekoppeld aan de plannen voor het verbreden van de SDE+. Over de hoofdlijnen van deze verbreding wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd.

158. Hoeveel (on)succesvolle projecten zijn er op het gebied van aardwarmte en wat betekent dit voor de ontwikkeling van geothermie op grote schaal?

Antwoord

Op het ogenblik zijn er in Nederland 23 aardwarmte projecten gerealiseerd. Hiervan zijn er 7 nog in de opstartfase, 13 produceren, 1 project ligt stil vanwege werkzaamheden en 2 in Limburg gelegen projecten zijn stilgelegd. Het aantal projecten stijgt gestaag, maar niet voldoende snel om de ambitie van 110 PJ in 2050 waar te maken. Daarom ben ik, zoals uiteengezet in mijn beleidsbrief van 8 februari 2018 (Kamerstuk 31 239 nr. 282), gestart met een pakket van maatregelen om de uitvoering en opschaling van geothermie te versnellen en te versterken.

159. Blijft de SDE+ regeling in 2019 en verder beschikbaar voor windenergie op zee?

Antwoord

Ja.

Eerder zijn in het Energieakkoord afspraken gemaakt over de kostendaling van windenergie op zee 2020 en de maximale subsidiebedragen. De SDE+ regeling blijft conform die afspraken tot en met 2019 beschikbaar. In de begroting heb ik aangegeven dat de voortgang van het in de Wetgevingsagenda Energietransitie (Kamerstuk 30 196, nr. 566) aangekondigde wetsvoorstel tot wijziging van de Wet windenergie op zee op schema ligt. Deze wetswijziging zal de mogelijkheid tot het veilen van een kavel bevatten en het wetsvoorstel zal dit najaar aan uw Kamer worden aangeboden. Recent heb ik uw Kamer niettemin laten weten om ook voor de tender in 2018, net als voor de tender 2017, de procedure zonder subsidieverlening te gebruiken (Kamerstuk 33 561, nr. 44). De procedure met subsidieverlening blijft in de Wet windenergie op zee gehandhaafd.

Tot slot heeft het kabinet in de kabinetsappreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 220) haar waardering uitgesproken voor de inzet voor verdere kostenreductie van windenergie op zee en de bijbehorende ambitie om na 2025 geen gebruik meer te maken van de SDE+ voor hernieuwbare elektriciteitsproductie.

160. Kunt u aangeven wanneer de wijziging van de mijnbouwwet met betrekking tot geothermie voorgelegd gaat worden aan de Kamer?

Antwoord

De wijziging van de Mijnbouwwet inzake aardwarmte zal naar verwachting in het najaar van 2019 aan de Kamer worden aangeboden.

161. Kunt u aangeven wanneer en op welke wijze Energie Beheer Nederland B.V. (EBN) kan gaan deelnemen aan geothermieprojecten?

Antwoord

In mijn beleidsbrief van 8 februari 2018 (Kamerstuk 31 239 nr. 282) heb ik aangegeven dat EBN een rol kan spelen bij het versterken en versnellen van de geothermiesector. De meerwaarde van EBN zit onder meer in het voeren van meer regie in een sector met veelal kleine partijen, en het vergroten van de kennis van de ondergrond door het beschikbaar stellen van kennis (geologie, techniek, processen). Om op basis van deze kennis ook formeel invloed te kunnen hebben op de besluitvorming, is financiële deelname van belang. De kracht van EBN als mogelijke financier van geothermieprojecten zit in de combinatie van het in staat zijn om regie te voeren, het beschikken over kennis van ondernemen in de ondergrond en het kunnen leveren van een financiële bijdrage (slim kapitaal). Eind 2018 zal ik uw Kamer informeren over mijn visie op deelname van EBN in geothermieprojecten, financieel en niet-financieel.

162. Kunt u aangeven hoe u kostenefficiëntie gaat garanderen bij de verbreding van de SDE+?

Antwoord

Kosteneffectiviteit van de te subsidiëren technieken zal een centraal element zijn van de verbreding, net als bij de huidige SDE+-regeling. Dit kan worden gerealiseerd bijvoorbeeld door alleen het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs (de onrendabele top) per vermeden ton CO2 te vergoeden maar ook door partijen en projecten onderling te laten concurreren om subsidie. Zo wordt geborgd dat zo min mogelijk subsidiegeld per gereduceerde ton CO2wordt uitgegeven. Dit najaar wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de planning en vormgeving van de verbrede SDE+.

163. Kunt u de besteding van het eenmalige budget voor aardwarmte uit de klimaatenveloppe in 2018 toelichten en het effect ervan.

Antwoord

Kennis van de ondergrond is niet alleen noodzakelijk om een inschatting van het potentieel te kunnen maken, maar is ook van groot belang voor het inschatten van de risico’s voorafgaand aan het boren naar geothermie. Daarnaast is goede kennis van de ondergrond ook nodig om een veilig boortraject te kunnen ontwerpen met de juiste technologie en om een goede inschatting te kunnen maken van mogelijke interferentie met andere toepassingen in de grond. Ten slotte, is het ook voor het stimuleren van de projectontwikkeling van belang om op meer plekken gedetailleerde seismiek te verzamelen, bestaande data met de kennis en techniek van nu opnieuw te bewerken en (proef)boringen te doen.

De kennis van de diepere ondergrond is in Nederland voornamelijk gebaseerd op data en informatie die in het kader van olie- en gaswinning zijn verzameld (in Friesland, Groningen, Drenthe, het zuidelijke deel van Zuid-Holland en het noordelijke deel van Noord-Holland). Dat betekent dat in de andere delen van Nederland weinig data en informatie over de ondergrond aanwezig is. Naar verwachting zullen marktpartijen daar niet vanzelf geothermie opsporen en dus geen regionaal seismisch onderzoek doen, omdat het risico groot is dat er geen winbaar heet water of geen economisch winbaar heet water zit. Daarom is het van belang om hier vanuit de overheid regie op voeren. Ik heb EBN in 2017 gevraagd hiervoor een plan uit te werken en in 2018 te starten (gefinancierd uit de klimaatenveloppe 2018) met de uitvoering.

164. Wat is het besluitvormingstraject van de Integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie?

165. Op welk moment wordt de Kamer betrokken bij het besluitvormingstraject van de Integrale Kennis- en Innovatieagenda voor klimaat en energie en hoe kan hier politiek op gestuurd worden?

Antwoord 164 en 165

In opdracht van het Klimaatberaad werkt een taakgroep innovatie de integrale kennis- en innovatieagenda uit.

Deze integrale kennis- en innovatieagenda voor klimaat en energie zal onderdeel uitmaken van het Klimaatakkoord. Besluitvorming over de agenda valt samen met de besluitvorming over het Klimaatakkoord. De agenda wordt tezamen met het Klimaatakkoord voorgelegd aan de Kamer.

166. Kunt u uitleggen hoe op dit moment groen gas productie wordt gestimuleerd met de SDE+? Hoe wordt hierbij gekeken naar het vergroten van kansen van groen gas productie en welke mogelijkheden er zijn voor de verbetering van de SDE+ regeling ten aanzien van groen gas?

Antwoord

Op dit moment komen de volgende productie-installaties voor groen gas in aanmerking voor SDE+ subsidie: allesvergisting, mest(co)vergisting, kleinschalige monomestvergisting, biomassavergassing en verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties. Mijn doel is dat de SDE+ regeling zo goed mogelijk aansluit bij projecten in voorbereiding. Ik heb PBL ook dit jaar gevraagd om advies uit te brengen over de categorieën voor groen gas. Ik zal uw Kamer in mijn brief over de openstelling van de SDE+ in 2019 hierover informeren.

167. Kunt u aangeven op welke termijn u het mogelijk acht om de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE) te verbreden voor isolatie? Is het mogelijk dit mee te nemen in de voorgestelde wetswijziging voor de verbreding van de SDE+?

Antwoord

Bezien wordt of de ISDE-regeling kan worden uitgebreid naar isolatiepakketten. Dit wil ik koppelen aan de voorziene evaluatie van de ISDE in 2019.

168. Bent u bereid om bij de verbreding van de SDE+ het ook mogelijk te maken dat middelen ingezet worden voor de nieuwe regeling voor energiecoöperaties?

Antwoord

Zoals aangegeven zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de hoofdlijnen van de verbreding van de SDE+. Op de uitkomsten daarvan kan en wil ik nu niet vooruitlopen. Overigens loopt er al een traject om de salderingsregeling voor Zon-PV bij kleinverbruikers om te zetten naar een terugleversubsidie. Zoals ik reeds aan uw Kamer heb gemeld onderzoek ik hoe projecten van energie coöperaties met een kleinverbruikersaansluiting kunnen worden opgenomen in de salderingsregeling.

169. Wat zijn, constaterende dat de compensatie van indirecte kosten in het van het ETS het beleidsprincipe van «de vervuiler betaalt» verstoort, de overwegingen geweest om deze post op € 61 miljoen te begroten?

Antwoord

De subsidieregeling indirecte kosten ETS komt voort uit het Energieakkoord (2013). In het Energieakkoord is afgesproken dat het kabinet aan bedrijven die gevoelig zijn voor carbon leakage en die deelnemen aan een convenant ter bevordering van de energie-efficiëntie voor de periode van 2013 tot en met 2020 compensatie biedt voor de ontwikkeling van indirecte emissiekosten als gevolg van het EU emissiehandelssysteem (EU ETS). Naar aanleiding van de beleidsevaluatie die is uitgevoerd in 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 569), is afgesproken om de regeling in de huidige vorm tot en met 2021 te handhaven, conform het Energieakkoord. De raming van € 61 miljoen is gebaseerd op de oorspronkelijke reeks van € 78 miljoen uit het Energieakkoord die bij eerdere besluitvorming (Voorjaarsnota 2015) neerwaarts is aangepast en is verminderd met de uitvoeringskosten die RVO.nl maakt voor het uitvoeren van de regeling.

170. Hoeveel van de beschikbaar gestelde subsidie voor aardwarmte in 2018 is al benut?

171. Indien er sprake is van onder uitputting, kan dit budget dan worden meegenomen naar 2019?

Antwoord 170 en 171

Tot 15 oktober 2018 was het beschikbare subsidiebudget uit de Klimaatenveloppe 2018 nog niet benut. Vóór eind oktober zal Energiebeheer Nederland BV (EBN) een subsidiebeschikking van € 36 miljoen ontvangen voor het verrichten van seismologisch onderzoek van de ondergrond in Nederland om witte vlekken in de kennis van de ondergrond in kaart te brengen. Hiervan heeft € 21 miljoen betrekking op fase 1 van dit project. Dit bedrag zal in 2018 bevoorschot worden ten laste van de beschikbare middelen uit de Klimaatenveloppe 2018. Hiermee zal het overgrote deel van het beschikbare subsidiebudget benut zijn. In geval van eventuele onderuitputting zijn er inzake deze uitgavepost geen andere voorzieningen voor het meenemen van begrotingsruimte dan de reguliere eindejaarsmarge voor de EZK-begroting.

172. Welk bedrag van de middelen van de SDE+ regeling is gereserveerd voor de Hernieuwbare Energie Regeling (HER)?

Antwoord

Voor 2019 is een (verplichtingen)budget van € 50 miljoen gereserveerd voor de HER. Dit bedrag is even hoog als in 2018.

173. Welk percentage van de totale SDE+ middelen is gereserveerd voor de HER?

Antwoord

Het totale in 2019 beschikbare (verplichtingen)budget voor de SDE+, de HER en de InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (ISDE) bedraagt € 10.152 miljoen. Het deel dat voor de HER hierin gereserveerd is bedraagt € 50 miljoen, ofwel 0,5%.

174. Op welke manier leiden projecten uit de HER tot lagere SDE+ subsidies? Aan wat voor projecten wordt gedacht?

175. Op basis van welke criteria worden projecten toegelaten tot de HER?

Antwoord 174 en 175

De Hernieuwbare energie-regeling (HER) heeft als doel dat er in de toekomst hernieuwbare energie geproduceerd wordt tegen een lagere prijs. HER-projecten moeten aannemelijk maken dat er uiterlijk in 2030 sprake is van daadwerkelijke hernieuwbare energieproductie en dat de verwachte besparing op de SDE+ uitgaven groter is dan de subsidie die wordt aangevraagd. In hoeverre er sprake is van een besparing op de (toekomstige) SDE+ uitgaven wordt berekend door te kijken of de kostprijs door het innovatieve project uit zou komen op een lager basisbedrag dan de huidige basisbedragen voor deze technieken in de SDE+ regeling. Voor technieken die nog relatief duur zijn is het maximale basisbedrag 13 cent/kWh. Voor deze technieken moeten aanvragende partijen dus aannemelijk maken dat door het uitvoeren van dit innovatieve project, de kostprijs van de techniek lager wordt dan 13 cent/kWh en uiterlijk in 2030 tot hernieuwbare energieproductie leidt. Voor andere opties, zoals zon-PV, ligt dit basisbedrag lager.

De HER staat vanaf 2015 open voor alle technieken die aanspraak kunnen maken op de SDE+ regeling of projecten waarbij additionele hernieuwbare energieproductie haalbaar kan zijn door innovatie. Een voorbeeld van een project is het ontwikkelen en testen van een coating voor zonnepanelen, waarbij vuil, stof en zand een zonnepaneel niet blijvend bedekken. Zodoende kan een hogere opbrengst per zonnepaneel worden gegenereerd. Een ander voorbeeld is zonne-energie op water dat in potentie goedkoper kan zijn dan op land. Door grotere instraling van zonlicht op water, de koeling van de panelen en mogelijke parkgrootte, is een hogere opbrengst per zonnepaneel op water mogelijk. Een project op het gebied van mestvergisting is gericht op het ontwerpen, bouwen en demonstreren van een gecompartimenteerde mest-navergistingstank. Door het benutten van vier compartimenten groeit de totale omzetting van organische stof en ook de biogasproductie per m3 input met 14%. Tot slot een project op het gebied van windenergie. De grootste offshore windturbine ter wereld van 12 MW met een rotordiameter van 220 meter, wordt gedemonstreerd en vergaand getest om de betrouwbaarheid vast te stellen voor de ontwikkelde levensduur van 25 jaar. Deze turbine moet daarmee leiden tot 10% kostprijsreductie ten opzichte van de huidige turbines.

176. Hoeveel energie werd er in 2018 geproduceerd met welke biomassa?

177. Hoeveel energie werd er in 2018 geproduceerd met welke biogassen?

178. Hoeveel energie werd er in 2018 en wordt er in 2019 geproduceerd via mestvergisting?

179. Hoeveel energie werd er in 2018 en wordt er in 2019 geproduceerd via houtstook?

Antwoord op 176 t/m 179 en 183

Ik rapporteer op reguliere basis over de totale met de SDE+ subsidie gestimuleerde hoeveelheid hernieuwbare energie en de bijbehorende kasuitgaven. De laatste kamerbrief over de periode t/m 2017 dateert van maart 2018 (Kamerstuk 31239–283). Na elke openstellingronde geef ik daarnaast een overzicht van de aantallen beschikte projecten, de laatste kamerbrief betrof de voorjaarsronde 2018 (Kamerstuk 31 239, nr. 291). Daarnaast zijn overzichten met details tot op projectniveau beschikbaar via de website van RVO.nl. Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel hernieuwbare energie uit biomassa zal worden geproduceerd in 2018 en 2019. Ik zal uw Kamer daarover via mijn reguliere overzichten informeren in 2019.

180. Hoeveel subsidie (percentueel) ging er in 2018 en gaat er in 2019 naar enerzijds biomassa en anderzijds zonne- en windenergie?

Antwoord

In mijn brief van 13 september 2018 (Kamerstuk 31 239 , nr. 291) is de stand van zaken van de SDE+-beschikkingen weergegeven voor de voorjaarsronde 2018. Van het in de voorjaarsronde 2018 beschikte budget is circa 33% beschikt aan biomassaprojecten, circa 57% aan zonne-energieprojecten en circa 4% aan windenergie op land-projecten (de overige circa 6% is beschikt aan waterkracht- en geothermie projecten). De najaarsronde van de SDE+ sluit op 8 november 2018, waarna RVO.nl de aanvragen zal beoordelen. Na elke openstellingronde geef ik een overzicht van de aantallen beschikte projecten.

Daarnaast zijn overzichten met details tot op projectniveau beschikbaar via de website van RVO.nl. Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel hernieuwbare energie uit respectievelijk biomassa en zonne- en windenergie zal worden gesubsidieerd in 2018 en 2019. Ik zal u daarover via mijn reguliere overzichten informeren in 2019.

181. Hoeveel subsidie gaat er naar de ontwikkeling van biomassa via algen en zeewier?

182. Wat is de verwachte potentie voor de ontwikkeling van biomassa uit algen en zeewier in de kabinetsperiode en de lange termijn?

Antwoord 181 en 182

De productie van algen en zeewier is in eerste instantie interessant voor de eiwitten voor voeding en de andere inhoudsstoffen voor voeding en chemie. Na bioraffinage is een restant nog te gebruiken voor de productie van biogas. Deze ontwikkeling bevindt zich nog in een pilot-stadium. De energiepotentie van biomassa uit algen en zeewier in deze kabinetsperiode is daarom nihil. Vanwege deze zeer beperkte energiecomponent wordt de ontwikkeling van biomassa uit algen en zeewier ter benutting als energiebron niet meer gestimuleerd binnen de energie-innovatieregelingen, maar wel via het Ministerie van LNV.

Wel zijn er subsidiemogelijkheden voor de chemische toepassing, waaronder de MIT-regeling en Innovatiekrediet. Zo heeft Photanol in 2017 innovatiekrediet ontvangen voor het project «CO2 to chemicals: powered by sunlight». Daarnaast vindt er op beperkte schaal zeewieronderzoek plaats bij TNO/ECN gefinancierd uit EZK-subsidiemiddelen. Voor 2018 gaat het om een onderzoeksbedrag van afgerond 430.000 euro, voor 2019 is een onderzoeksbedrag beschikbaar van afgerond 230.000 euro, naast een investering aan het zeewierlab dat breder benut wordt voor R&D op het gebied van bioraffinage.

183. Hoeveel subsidie ging er in 2018 en gaat er in 2019 naar houtstook?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 179.

184. Hoeveel geld is er de komende jaren gereserveerd voor biomassa (uitgesplitst voor brandstof/energie/warmte) in de SDE+ regeling?

Antwoord

De SDE+ regeling is technologieneutraal, dus er is geen geld uit het te beschikken budget gereserveerd voor biomassaprojecten.

185. Welke stappen worden er ondernomen om het gehele gereserveerde budget van de SDE+ regeling besteed te krijgen, gezien de onderbesteding van de SDE+?

Antwoord

Voor toekomstige openstellingen zoek ik per ronde een goede balans tussen de doelen van het Energieakkoord (14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023) en de concurrentieprikkel voor projectontwikkelaars. Op dit moment wordt conform het regeerakkoord de verbreding van de SDE+ voorbereid, zodat ook andere CO2-reducerende technieken in aanmerking komen voor subsidie vanaf 2020. In de brief over de SDE+ 2019 wordt u nader geïnformeerd over de openstelling in 2019 en (separaat) zal u dit jaar nader geïnformeerd worden over de voorgenomen verbreding.

186. Voor hoeveel projecten met betrekking tot monovergisting van mest is dit jaar een aanvraag ingediend voor de SDE+ regeling?

Antwoord

In de voorjaarsronde van de SDE+ 2018 heeft één project een aanvraag ingediend voor een monomestvergistingsinstallatie.

187. Wat is de prognose voor de stijging van de ETS-prijs?

Antwoord

De prognose van de ETS-prijs is gebaseerd op de marktprijzen van termijncontracten. Dit zijn contracten tussen twee partijen die zich verbinden om op een bepaald moment in de toekomst een vastgestelde hoeveelheid ETS-rechten te verhandelen tegen een vooraf bepaalde prijs. Deze vooraf bepaalde prijs voor de verschillende jaren is voor de ramingen van de ETS-ontvangsten gebruikt. De futureprijzen laten voor komende jaren een beperkte stijging zien.

188. Tot hoeveel minder uitstoot van broeikasgassen heeft de stijging van de ETS-prijs geleid?

Antwoord

De hoeveelheid CO2-reductie die in Europa wordt gerealiseerd is afhankelijk van veel verschillende factoren, zoals het weer, technologische ontwikkelingen in CO2-arme technieken en ook het algehele energie- en klimaatbeleid dat in de EU en in de verschillende individuele lidstaten wordt gevoerd. Het ETS-systeem en daarbinnen de ETS-prijs is slechts één element binnen het EU klimaat- en energiebeleid. Het is dan ook niet mogelijk om aan te geven of en tot hoeveel minder uitstoot de gestegen ETS-prijs heeft geleid.

189. In hoeverre is de stijging van de ETS-prijs het gevolg van de aanpassing van de ETS-richtlijn?

Antwoord

Het is waarschijnlijk dat de aanpassing van de ETS-richtlijn, waardoor het aantal beschikbare emissierechten komende jaren zal afnemen, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de stijging van de ETS-prijs. Daarnaast spelen ook andere factoren, zoals economische groei, een rol.

190. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het oprichten van het onafhankelijk Instituut Mijnbouwschade Groningen?

Antwoord

Het wetsvoorstel om de publieke afhandeling van schade als gevolg van de gaswinning in Groningen wettelijk te verankeren is van 5 juli tot en met 14 augustus jl. via internet geconsulteerd. In deze periode zijn verschillende reacties binnengekomen. De binnengekomen reacties zullen worden betrokken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Ik verwacht dat het wetsvoorstel in het voorjaar van 2019 voor behandeling aan uw Kamer kan worden aangeboden.

191. Zitten er nog financiële consequenties aan de declaraties die EZK indient bij de NAM voor het uitkeren van schadevergoedingen en de uitvoeringskosten voor de schadeafhandeling?

Antwoord

Uitgangspunt is dat de NAM alle schadevergoedingen en de uitvoeringskosten die samenhangen met de afhandeling van schade betaalt. Op dit terrein verwachten we op voorhand geen risico’s.

192. Garandeert het advies van de Mijnraad veiligheid voor alle Groningers? Per wanneer?

Antwoord

In het algemeen geldt dat absolute veiligheid niet te garanderen is. Uitgangspunt is dat inwoners van het aardbevingsgebied even veilig zijn als mensen in de rest van Nederland. Op advies van de Commissie Meijdam wordt daarom de veiligheidsnorm van 10-5gehanteerd.

De Mijnraad adviseert, op basis van de onderliggende adviesrapporten van SodM, KNMI, TNO, NEN en een panel van hoogleraren, maatregelen die er toe moeten leiden dat alle woningen in het aardbevingsgebied op afzienbare termijn voldoen aan de veiligheidsnorm van 10-5. De NCG levert op korte termijn een plan van aanpak op, inclusief een uitvoeringsplanning.

193. Klopt het dat wanneer die woningen versterkt zijn, er geen doden zullen vallen bij een grotere aardbeving door het instorten van woningen? Met andere woorden sluit het gebruikte model geen onveilige woningen uit?

Antwoord

Door een woning te versterken, wordt gezorgd dat deze voldoet aan de veiligheidsnorm van 10-5, zoals die voor heel Nederland geldt Deze norm geeft een kans weer dat iemand komt te overlijden als gevolg van het bezwijken van (delen van) een gebouw ten gevolge van de bijzondere belasting door een aardbeving. De wiskundige notatie van 10-5 betekent een kans op overlijden van 1 op de 100.000 per jaar.

Om te kunnen bepalen welke woningen op dit moment het meeste risico lopen wordt gebruik gemaakt van het Hazard & Risk-model (HRA). De gehanteerde modellenketen vormt de basis voor een risicogerichte prioritering, maar stelt geen grens aan het aantal te versterken panden. Alles wat nodig is voor de veiligheid wordt opgenomen in de prioritering van de versterkingsaanpak.

194. Hoe luidt de aansprakelijkheid uit de volgende zin: «Uitgangspunt is dat de NAM betaalt waartoe zij volgens haar aansprakelijkheid verplicht is»?

Antwoord

In zowel de Tijdelijke overeenkomst schadeafhandeling Groningen van 31 januari 2018 als in het Akkoord op Hoofdlijnen van 25 juni 2018 is de afspraak vastgelegd dat de NAM alle uitgaven van de overheid vergoedt voor vaststelling en afhandeling van de schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag bij Norg. Daarnaast betaalt de NAM de uitvoeringskosten voor schadeafhandeling door de overheid.

De overheid (op dit moment de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen en straks het Instituut Mijnbouwschade Groningen) besluit over aanvragen om vergoeding van schade met toepassingen van de bepalingen over schadevergoeding en aansprakelijkheid die zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat de overheid een vergoeding uitkeert wanneer er op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek sprake is van aansprakelijkheid voor schade. De basis wordt daarbij gevormd door artikelen over aansprakelijkheid van de exploitant: artikelen 6:162 en 6:177 van het Burgerlijk Wetboek.

195. Wie gaat de gesprekken aan met bewoners over de wenselijkheid van versterken in het licht van de veiligheidsbeleving? Hoeveel mensen worden daarvoor beschikbaar gesteld? Wie betaalt daar de kosten van?

Antwoord

Dit is een onderdeel van de bredere aanpak van de versterkingsoperatie, waarvoor de NCG op basis van het advies van de Mijnraad en de gemaakte bestuurlijke afspraken binnenkort een plan van aanpak oplevert (Kamerstuk 33 529, nr. 527). Op de benodigde capaciteit en bijbehorende kosten kan ik nog niet vooruitlopen.

196. Wat waren de aardgasbaten geweest zonder Akkoord op Hoofdlijnen?

Antwoord

Op 3 juli jl. en 18 september jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over financiële effecten die samenhangen met het Akkoord op Hoofdlijnen (Kamerstuk 33 529, nr. 499 en nr. 524). Op basis van de afgesproken afdrachtensystematiek zijn de verwachte aardgasbaten in 2019 (incl. vennootschapsbelasting) € 400 miljoen lager dan op basis van de systematiek die tot 1 januari 2018 gold (de MOR). Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met het gegeven dat door de daling van de productie en de gestegen kosten voor schade en versterken de MOR niet meer houdbaar was, omdat de afdrachten van de NAM aan de Staat de totale winst uit het Groningengas zouden overtreffen (zie ook Kamerstuk 33 529, nr. 493). Wat de exacte aardgasbaten zouden zijn geweest is dus niet te zeggen.

197. Hoeveel betaalt de NAM netto aan het toekomstperspectief van Groningen?

198. Hoeveel betaalt de staat netto aan het toekomstperspectief? Wie heeft de zeggenschap over dat geld?

Antwoord vraag 197 en 198

Vanuit de rijksbegroting wordt rechtstreeks € 650 miljoen bijgedragen aan het Nationaal Programma Groningen. De NAM stelt € 500 miljoen aan directe bijdrage beschikbaar voor het Nationaal Programma Groningen. Daarnaast leidt de bijdrage van de NAM tot een inkomstenderving van € 365 miljoen, als gevolg van de lagere afdracht door de NAM over de aardgasbaten. Over de besteding van deze middelen wordt gezamenlijk door Rijk en Regio (bestuurders van gemeenten, provincie en betrokken departementen) besloten in de governance die voor het Nationaal Programma Groningen wordt ingericht.

199. Blijft de NAM ook schades betalen wanneer er bevingen plaatsvinden in Groningen nadat de gaswinning is beëindigd? Tot wanneer duren de garanties van Shell en Exxon? Hoe worden deze garanties vastgelegd en wanneer?

Antwoord

De NAM blijft ook schades betalen nadat de gaswinning is beëindigd. De NAM blijft op grond van het Burgerlijk Wetboek als laatste exploitant van het Groningenveld aansprakelijk voor deze schade, ook nadat de winning is gestopt.

In het Akkoord op Hoofdlijnen ben ik met Shell en ExxonMobil overeengekomen dat zij garant staan voor de verplichtingen van de NAM met betrekking tot schade en versterken. Deze garanties zijn vastgelegd in aparte overeenkomsten. Deze overeenkomsten heb ik, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke informatie, 1 oktober jl. met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 33 529, nr. 525). De nu vastgelegde garanties van Shell en ExxonMobil gelden tot het einde van de gaswinning. In het Akkoord op Hoofdlijnen is ook opgenomen dat vóór het vervallen van deze garanties nieuwe zekerheden gesteld zullen worden.

200. Wanneer worden de details van het Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en Exxon uitgewerkt?

Antwoord

Een aantal elementen uit het Akkoord op Hoofdlijnen is inmiddels nader uitgewerkt, namelijk de garanties en de aanpassing van de financiële afdrachten. Over deze uitwerking heb ik uw Kamer 1 oktober jl. geïnformeerd. Bovendien heb ik ook de overeenkomsten zelf met uw Kamer gedeeld, voor zover het geen bedrijfsvertrouwelijke informatie betrof (Kamerstuk 33 529, nr. 525). Met de uitwerking van deze elementen geldt bovendien ook dat aan de opschortende voorwaarde is voldaan van het afstand doen van een claim voor gas in de grond. Hiervoor heb ik ook een aparte overeenkomst gesloten met de NAM, Shell en ExxonMobil (zie ook Kamerstuk 33 529, nr. 525). Verder worden de afspraken rond de gasopslagen Norg en Alkmaar nader uitgewerkt.

201. Zijn de overeenkomsten bedoeld in artikel 6.3 reeds gesloten? Zo nee, zijn opschortende voorwaarden genoemd in de artikelen 6.7 en 6.11 dus nog niet vervuld?

Antwoord

Het Akkoord op Hoofdlijnen is in zichzelf juridisch bindend voor alle partijen. Uit het Akkoord op Hoofdlijnen volgt de verplichting voor het sluiten van de overeenkomsten zoals genoemd in artikel 6.3. Deze overeenkomsten zijn inmiddels gesloten. Hiervoor heb ik uw Kamer op 1 oktober jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 529, nr. 525). Er is dus ook voldaan aan de opschortende voorwaarden genoemd in de artikelen 6.7 en 6.11.

202. Doelt u met de te maken «bindende» afspraken op juridische verplichtingen tot het doen van uitgaven? Zo ja, bent u bereid voor de te maken afspraken nu reeds een verplichtingenbudget op te nemen in de begroting (met een nota van wijziging) en/of te garanderen dat u de toekomstige uitgaven vooraf ter autorisatie aan de Kamer voorlegt?

Antwoord

Het gaat hier om bindende afspraken met de regio over de aard en omvang van de versterkingsoperatie welke gefinancierd wordt door de NAM. Er komt een wetsvoorstel dat bepaalt langs welke normen en op welke manier er versterkt wordt, hoe de prioriteiten worden vastgesteld, wie wat doet en hoe de NAM daarvoor gaat betalen. In het eerste kwartaal van 2019 zal ik dit wetsvoorstel in consultatie brengen. Met inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt ook de budgettaire verwerking (incl. verplichtingenbudget) van de kosten van de versterking in de begroting binnen artikel 5 geregeld. Vervolgens is dit onderdeel van het budgetrecht van de Kamer.

203. Gelden de subsidies voor verduurzamen alleen voor verduurzaming in Groningen? Of in het hele land?

Antwoord

Deze subsidies gelden alleen voor Groningen. De subsidies voor verduurzaming bestaan uit de oude en de nieuwe waardevermeerderingsregeling voor verduurzaming bij schadeherstel en de nieuwe regeling «energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld», voor wanneer woningen worden versterkt.

204. Waaruit zijn de kosten van het werkbudget de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) opgebouwd?

Antwoord

Aanvragen tot vergoeding van schade door gaswinning uit het Groninger gasveld en de gasopslag bij Norg worden afgehandeld door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen. RVO.nl is daarbij verantwoordelijk voor de praktische uitvoering van het Besluit Mijnbouwschade, ter ondersteuning van de Commissie. De bijdrage aan RVO.nl betreft de uitvoeringskosten hiervoor. De bijdrage aan RVO.nl bestaat uit de volgende componenten:

Uitvoeringskosten schadeafhandeling

2018

2019

Uurgebonden kosten

26.553.271

24.990.988

DUK

Inhuur deskundigen

13.656.353

11.500.000

 

Overig materieel

7.232.159

5.500.000

 

Totaal

47.421.783

41.990.988

Bovenstaande betreft een indicatie van de uitvoeringskosten gericht op de doelstellingen van de TCMG voor 2019.

205. Er worden de komende jaren nog miljoenen uitgegeven aan onderzoek en compensatie gemeenten en provincie, kunt u een overzicht maken waarin duidelijk wordt hoeveel er naar onderzoek gaat en welke onderzoeken dit zijn?

Antwoord

Er worden twee kennisplatforms ingericht; «bouwen en versterken» en «leefbaar en Kansrijk». Deze kennisplatforms geven de richting aan voor komende onderzoeken. Het totale onderzoeksprogramma is echter nog in ontwikkeling. De bedragen zijn grotendeels aanbesteed tot en met 2020. Het onderstaande overzicht is daarom nog niet compleet. Indicatief zijn hieronder de nu bekende grootste uitgavenposten weergeven.

Bedragen x € 1.000

2019

2020

2021

2022

2023

Art.5 Compensatie Provincie en Gemeenten en onderzoek

7.111

7.111

6.095

5.080

4.086

           

Kennisplatform Bouwen en versterken

250

250

250

250

250

NEN-NPR bouwnorm

1.700

1.500

1.500

PGA kaart

700

700

700

700

700

Overige onderzoeken bouwen en versterken

1.500

1.500

1.350

1.600

1.050

Kennisplatform Leefbaar en kansrijk Groningen

260

250

250

250

250

Groningen Perspectief (RUG)

500

500

Overige onderzoeken leefbaarheid

1.500

1.500

1.350

1.600

1.050

           

Overig

         

Woningmarkt en economische ontwikkeling (o.a CBS marktonderzoek)

200

200

200

200

200

Epi kenniscentrum

300

200

0

0

0

Critical review

101

101

100

100

100

Infra

100

100

100

100

100

Overig

 

310

295

280

386

           

Totaal

7.111

7.111

6.095

5.080

4.086

206. Kunt u een overzicht maken van welke projecten of financiële instrumenten er gaande zijn in Groningen? Wat zijn de kosten van die individuele projecten?

Antwoord

Het navolgende overzicht is ontleend aan de meest recente kwartaalrapportage van de NCG (juni 2018, Kamerstuk 33 529, nr. 521). Hierin zijn de huidige financiële instrumenten van de NCG weergeven en de kosten die tot nu toe gemaakt zijn in de uitvoering van het meerjarenprogramma Groningen. Per instrument zijn de uitgaven en het resterend budget weergeven.

Uitputting meerjarenbegroting t/m 2018 (bedragen x 1.000)
 

Begroting MJP 2016–2024 (oorspronkelijk) (A)

Mutaties (incl. verschuivingen) t/m 2018 (B)

Begroting MJP 2016–2024 (actueel) (C=(A)+(B)

Uitgaven NCG t/m 2018 (D)

Budgetoverhevelingen t/m 2018 E)

Bestedingen cum t/m Q2 2018 (F)=(D)+(E)

Begrote bestedingen in 2018

A. Apparaatskosten NCG (art. 40)

96.000

5.600

101.600

33.403

2.955

36.358

11.820

B. Programmakosten

B.1 Verduurzaming waardevermeerdering schade en scholenprogramma

125.000

1.340

126.340

33.980

23.500

57.480

16.417

B.2 Verduurzaming (versterking; kader relevant)

40.000

2.127

42.127

4.000

0

4.000

10.600

B.3 Scholenprogramma NCG (bijdrage OCW)

50.000

0

50.000

0

50.000

50.000

0

B.4 Fonds Achterstallig Onderhoud en Inzet Woningmarkt

14.000

– 3.864

10.136

1.352

0

1.352

5.134

B.5 Onderzoeksbudget

30.000

11.905

41.905

8.843

904

9.747

8.886

B.6 Compensatie gemeenten / provincie

20.000

2.273

22.273

12.174

0

12.174

6.000

B.7 Werkbudget

55.000

– 3.991

51.009

8.187

1.232

9.419

12.669

B.8 Dienstverlening door RVO

0

199

199

270

0

270

0

B. Programmakosten NCG (art. 5)

334.000

9.989

343.989

68.806

75.636

144.442

59.706

B.9. Ontvangsten NCG (art 5)

0

– 10.225

– 10.225

– 10.340

0

– 10.340

– 10.000

B. Programmakosten NCG (netto; art 5)

334.000

– 236

333.764

58.466

75.636

134.102

49.706

Totaal

430.000

5.364

435.364

91.869

78.591

170.460

61.526

De onderstaande tabel uit de kwartaalrapportage van de NCG (juni 2018, Kamerstuk 33 529, nr. 521) geeft aan welke instrumenten de NAM en de provincie Groningen en betrokken gemeenten hebben ingezet en welke kosten daarbij tot nu toe zijn gemaakt per instrument (hieronder spoor genoemd).

207. Waarom wordt in artikel 5 niet verwezen naar de € 50 miljoen die op de aanvullende post staat gereserveerd?

Antwoord

Middelen op de Aanvullende Post bestemd voor Groningen zijn (nog) geen onderdeel van de begroting van EZK.

208. Uit hoeveel geld bestaat het meerjarenprogramma? Wanneer is dat beschikbaar gesteld? Hoeveel is daar uitgegeven? Kunt u een schema maken van de afgelopen jaren en komende jaren hoeveel er is gereserveerd en uitgegeven binnen dit programma?

Antwoord

Het grootste deel van de werkzaamheden die zijn beschreven in het Meerjarenprogramma worden bekostigd door de NAM. Zie hiervoor tabel 28 uit de meest recente kwartaalrapportage van de NCG, weergegeven bij het antwoord op vraag 206. Daarnaast is bij begroting 2016 een envelop van € 430 miljoen beschikbaar gesteld voor onderdelen van het Meerjarenprogramma die niet vallen binnen de aansprakelijkheid van de NAM of aanvullende afspraken. Hiervan is € 170 miljoen uitgegeven. Tabel 26 uit de meest recente kwartaalrapportage van de NCG, weergegeven bij het antwoord op vraag 206, geeft een overzicht van deze middelen en de aanwending er van. Het merendeel van deze middelen heeft een 100% eindejaarsmarge, wat betekent dat de niet benutte middelen doorschuiven naar de jaren erna. In de EZK-begroting 2019 staan op artikel 5 de geactualiseerde verwachte uitgaven weergegeven.

209. Hoe is de verhouding proceskosten en versterking tot nu toe in Groningen? Welk deel daarvan heeft de NAM betaald?

Antwoord

Zoals in de beantwoording van vraag 76 aangegeven, is de NAM contracthouder van het contract met Centrum Veilig Wonen (CVW). Derhalve heb ik geen inzage in informatie over de kosten die CVW maakt en kan de gevraagde verhouding proceskosten – versterkingskosten niet gegeven worden. De NAM betaalt alle kosten van het CVW, zowel proceskosten als kosten voor versterking.

210. Hoeveel wordt er voor de versterking in totaal beraamd? Hoeveel is dat per jaar?

Antwoord

Voor versterken staat voorop dat alles wat voor de veiligheid nodig is wordt uitgevoerd op kosten van de NAM. Op 18 september jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de budgettaire gevolgen van de gaswinning in Groningen (Kamerstuk 33 529, nr. 524). Daarbij heb ik aangegeven dat de totale bruto kosten voor de afhandeling van schade en de versterkingsopgave tot en met het einde van de gaswinning in Groningen (uiterlijk 2030) worden geschat op € 3,5 tot € 5,5 miljard. Deze raming is omgeven met onzekerheden, waarbij de kosten voor versterken zijn gebaseerd op zeer beperkte ervaringscijfers tot nu toe. Een meer gedetailleerde raming van de versterkingskosten is daarom op dit moment niet te geven.

211. Hoeveel woningen worden er in totaal versterkt?

212. Binnen welke groepen vallen de woningen die versterkt moeten worden?

213. Hoeveel woningen vallen buiten deze groepen die aanvankelijk wel versterkt moesten worden?

Antwoord op vraag 211, 212, 213

Volgens het advies van de Mijnraad moeten ca. 1.600 adressen (1.500 gebouwen) versterkt worden om nu en in de toekomst aan de veiligheidsnorm te voldoen. Ca. 1000 van deze adressen zijn geen onderdeel van de eerste batches van de versterkingsoperatie, waarvan de versterking al in uitvoering is of waarvoor al een versterkingsadvies is voorbereid. De Mijnraad stelt daarnaast voor om aan de veiligheidsnorm een tijdelijke onzekerheidsmarge toe te voegen. Zodoende onderscheidt de Mijnraad een groep die volgens de gangbare berekeningen aan de veiligheidsnorm voldoet, maar waarvoor dit niet het geval is als in verband met bestaande onzekerheden een extra veiligheidsmarge wordt gehanteerd. Het betreft nog eens ca. 5.700 gebouwen. Van deze gebouwen kan niet worden uitgesloten dat versterking nodig is.

Bestuurlijk is afgesproken de versterking van alle woningen in de groepen van 1.467 en 1.588 worden voortgezet op basis van de voorbereide versterkingsadviezen. Ook krijgen alle deelnemers in het huidige programma Eigen Initiatief de mogelijkheid om de versterking voort te zetten op basis van het bestaande versterkingsadvies. De woningen die deel uitmaken van de groep van 1.581, waarvoor op basis van de NPR 2015 inmiddels versterkingsadviezen zijn ontwikkeld, bevinden zich in een overgangsfase. De versterking van woningen in deze groep die op basis van de HRA niet aan de veiligheidsnorm voldoen, wordt uitgevoerd op basis van de voorbereide versterkingsadviezen. Met de eigenaren van de woningen die op basis van de HRA aan de veiligheidsnorm voldoen, wordt een gesprek gevoerd. Daarbij wordt aan hen de mogelijkheid geboden om het versterkingsadvies te laten actualiseren aan de hand van de meest actuele NPR, of af te zien van versterkingsmaatregelen.

De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) werkt moment een plan van aanpak voor de versterking voor deze verschillende groepen uit in opdracht van de bestuurders van Rijk en regio.

214. Hoeveel geld is er gereserveerd voor de inspectie van de woningen die buiten die groepen vallen? En voor de versterking van deze woningen?

Antwoord

Alles wat nodig is voor de veiligheid moet worden uitgevoerd, op kosten van de NAM. De aanpak van woningen die naar verwachting niet aan de veiligheidsnorm voldoen, ook als zij eerder nog niet waren opgenomen in de versterkingsaanpak, komt daarmee ook voor rekening van de NAM. Hiervoor worden geen rijksmiddelen gereserveerd.

215. Hoeveel is er voor per jaar de versterking van scholen gereserveerd? Wie betaalt de tekorten (zie het bericht https://www.rtvnoord.nl/nieuws/199861/Delfzijl-komt-miljoenen-tekort-op-versterkingsprogramma-scholen)?

Antwoord

Voor het Scholenprogramma is een totaalbedrag van circa € 300 miljoen geraamd, opgebouwd uit bijdragen van de NAM (ca. € 172,5 miljoen), het Ministerie van OCW (€ 50 miljoen), het Ministerie van EZK (€ 23,5 miljoen) en betrokken gemeenten (ca. € 44,5 miljoen). De NCG heeft met de gemeenten, schoolbesturen en het Ministerie van OCW in het Convenant aardbevings- en toekomstbestendige scholenbouw Groningen (28 oktober 2016) een bestuurlijke afspraak gemaakt over de verdeling en inzet van de rijksbijdrage, die verloopt via een decentralisatie-uitkering in het Gemeentefonds. Gemeenten geven aan dat dit budget ontoereikend is gebleken in verband met stijging van de bouwkosten. Hierover vindt nog overleg plaats in de stuurgroep Scholenprogramma.

216. Hoeveel is er voor per jaar de versterking van zorginstanties gereserveerd?

Antwoord

Voor de versterking van zorginstanties is geen budget gereserveerd op de begroting van EZK. Ook hier geldt dat alles wat voor de veiligheid nodig is wordt bekostigd door de NAM. Versterking van zorggebouwen vindt plaats in het kader van het Zorgprogramma, waarbij versterking in samenhang met de toekomstige zorgbehoefte in de regio wordt benaderd. Dit programma wordt op dit moment aan de hand van de door de stuurgroep Zorg opgeleverde zorgvisie verder ontwikkeld, waarbij ook de financiering wordt. De betrokken bestuurders bezien in gezamenlijkheid op welke wijze de zorgvisie tot uitvoering kan worden gebracht.

217. Welke rol speelt het CVW in de versterkingsoperatie?

Antwoord

Het CVW is voor de uitvoering van de versterkingsoperatie gecontracteerd door de NAM. De organisatie heeft als opdracht het laten inspecteren van woningen, bepalen of en hoe ze versterkt dienen te worden en het laten uitvoeren van versterkingsplannen in het gebied van het Groninger gasveld en voert deze werkzaamheden uit onder regie van de NCG. Zoals aangegeven in mijn brief op 5 oktober jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 527), geven Rijk en regio de komende periode samen verder invulling aan de wijze van aansturing en uitvoering van een publieke versterkingsoperatie. In het licht daarvan zal ook de rol van het CVW worden bezien.

218. Mag het CVW winst maken bij de versterking?

Antwoord

Het CVW is een private organisatie, waarvan de inkomsten voortkomen uit de opdrachtverlening door de NAM. Als het bedrag dat gefinancierd wordt door de NAM hoger is dan de daadwerkelijke uitvoeringskosten van het CVW, kan dat leiden tot een positief resultaat, zoals het geval was in 2015 en 2016 (Kamerstuk 33 529, nr. 402). Dit staat echter los van de kosten voor de versterkingsmaatregelen zelf: deze worden door de NAM rechtstreeks voldaan en vallen dus buiten de jaarrekening van het CVW. Op dit moment wordt nog bezien welke positie CVW dient te krijgen in de nieuwe aanpak van de versterking, in het licht van het gegeven dat de NAM uit de uitvoering daarvan gaat.

219. (Kan nader worden toegelicht en uitgesplitst hoe precies is berekend dat de gaswinning uit de kleine velden over de periode 2018–2050 nog kan leiden tot een te produceren gasvolume van 232 tot 335 miljard m3, met een opbrengst van € 10 tot € 38 miljard aan gasbaten?)

Antwoord

De productie uit kleine velden omvat op dit moment nog meer dan 250 velden. Van al deze velden zijn inschattingen bekend van hun toekomstige productieomvang. Daarnaast bestaat nog een veelheid aan nieuwe investeringsmogelijkheden die tot aanvullende productie kunnen leiden. Daarbij gaat het, met inachtneming van de in het regeerakkoord opgenomen restricties bijvoorbeeld om het opsporen van nieuwe gasvelden middels exploratieboringen en het vergroten van de productie uit bestaande gasvelden. Ingeschat is in hoeverre deze investeringsmogelijkheden voldoende kansrijk zijn om doorgang te vinden. Hierop is een veelheid aan factoren van invloed, dus dit is niet exact te voorspellen. Derhalve is een range van 232 tot 335 miljard m3 aangegeven voor de toekomstige gasproductie. De bijbehorende baten voor de Staat laten zich ook niet exact voorspellen, want deze zijn afhankelijk van factoren als toekomstige productiekosten en opbrengstprijs. Zo is in genoemde range van € 10 tot € 38 miljard uitgegaan van een gasprijs van respectievelijk € 15 ct/m3 en € 25 ct/m3.

220. Hoe wordt het percentage externe inhuur RVO afgebouwd?

Antwoord

Het uitgangspunt voor RVO.nl is om de reeds in 2014 ingezette dalende lijn van externe inhuur in 2019 verder voort te zetten. De inzet van RVO.nl is om de opdrachten zo veel mogelijk met ambtelijke krachten uit te voeren. Echter, vanwege het wisselende opdrachtenpakket, piekmomenten in de uitvoering, specifieke (tijdelijk noodzakelijke expertise) en de spanning op de arbeidsmarkt, is de inzet van ambtenaren niet altijd mogelijk. Het inzetten van externe inhuur biedt dan de flexibiliteit om efficiënt en effectief met dit spanningsveld om te gaan. RVO.nl tracht immer hier een optimale balans in te vinden.

221. Kunt u het verschil toelichten tussen de «apparaatskosten» van de KvK (p. 119) en de «bijdragen» aan de KvK op p. 55?

Antwoord

De genoemde bedragen op pag. 55 en pag. 119 zijn geen vergelijkbare eenheden. De «bijdragen» aan de KvK op pag. 55 betreft de «Rijksbijdrage» in kas, vanuit de EZK-begroting, voor uitvoering van de wettelijke taken door de KvK (inclusief de inputfinanciering van het handelsregister). De «apparaatskosten» van de KvK op pag. 119 betreft de personele en materiele lasten van de KvK als ZBO voor het betreffende jaar (exclusief afschrijvingen).

De exploitatiebegroting van de KvK wordt slechts ten dele gefinancierd vanuit het Rijk. Het overige deel wordt gefinancierd vanuit de markt (o.a. uit inschrijfvergoedingen en de verkoop van informatieproducten uit het handelsregister aan ondernemers).

222. Kunt u de post «Subsidie 5G» nader toelichten?

Antwoord

Vanuit EZK neemt Agentschap Telecom deel aan het programma 5Groningen met als doelstelling het opzetten van een proeftuin, waarmee mkb-bedrijven worden geholpen bij de ontwikkeling en concrete benutting van kansrijke 5G-toepassingsmogelijkheden, in met name rurale omstandigheden. De proeftuin omvat onder meer een «5G Lab»-omgeving en er worden real life testomgevingen gerealiseerd in de vorm van «field labs» die met name in Noord-Groningen zijn voorzien. Een belangrijke doelstelling is bovendien om de kennisdeling vanuit de fieldlabs vertaald te krijgen naar het mogelijk toekomstig gebruik van 5G in geheel Nederland.

223. Waaraan zijn de € 55 miljoen 5G-subsidies besteed in 2018 en wat wordt voorzien in 2019 en 2020?

Antwoord

In 2018 heeft AT € 55.000 (en niet € 55.000.000) begroot voor het zorgdragen voor innovatie en het stimuleren van brede kennisuitwisseling. In 2019 wordt hiervoor € 23.000 en € 13.000 voorzien.

224. Van welke bronnen en vanuit welke landen is de bijstook biomassa afkomstig?

Antwoord

Zoals eerder aangegeven (zie vraag 20) was in 2017 ca. 82% van de biomassa afkomstig uit Nederland. Nagenoeg alle biomassa is afkomstig uit andere Noordwest-Europese landen. Voor de bij- en meestook van biomassa is nog niet gerapporteerd over de herkomst van de biomassa aangezien deze projecten nog worden opgestart.

225. Welk aantal fte bij Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) wordt ingezet voor het mestbeleid, waaronder de fosfaatrechten, mestverwerkingsplicht, gebruiksnormen, fosfaatreductiemaatregelen et cetera?

Antwoord

In 2018 wordt binnen RVO.nl 270 fte ingezet voor de uitvoering van het mestbeleid.

226. Wat wordt bij de RVO verstaan onder dierenwelzijn? Welke taken vallen binnen de RVO onder dierenwelzijn? Hoeveel fte is er binnen de RVO beschikbaar per taak?

Antwoord

Op het gebied van dierenwelzijn werkt RVO.nl binnen de kaders van de Wet Dieren en het Besluit Houders van Dieren. In de Wet Dieren staat de intrinsieke waarde van het dier centraal. Dit kader word verder ingevuld met de beleidsbrief Dierenwelzijn van de Minister van LNV van 4 oktober jl. Binnen deze kaders is RVO.nl verantwoordelijk voor de bestuursrechtelijke handhaving van het welzijn van gezelschapsdieren. Daarnaast is RVO.nl verantwoordelijk voor de opvang van in bewaring/ in beslag genomen gezelschapsdieren/landbouwhuisdieren en op één onderwerp (ontheffing trekhondenverbod) voor ontheffingverlening.

In 2018 wordt binnen RVO.nl 14 fte ingezet op het gebied van bestuursrechtelijke handhaving van het welzijn van gezelschapsdieren, 8 fte op het gebied van opvang van in bewaring en in beslaggenomen dieren en 1 fte op het gebied van ontheffingverlening.

227. Hoeveel fte bij de RVO houdt zich bezig met de Identificatie en Registratie van dieren (I&R)?

Antwoord

In 2018 wordt binnen RVO.nl 42 fte ingezet voor de Identificatie en Registratie van dieren (I&R).

228. Welk aantal fte wordt binnen de RVO ingezet voor het verlenen van vergunningen en ontheffingen voor het houden van wilde dieren, zoals voor dierentuinen, circussen en kinderboerderijen? Hoe is de controle en het toezicht op de naleving van de voorwaarden vormgegeven?

Antwoord

Vergunningen voor dierentuinen worden verstrekt door RVO.nl. Wanneer er door een dierentuin een aanvraag voor een nieuwe vergunning wordt ingediend, wordt er door een Visitatiecommissie een bezoek gebracht aan de dierentuin, waarop een advies over het wel/niet goedkeuren wordt uitgebracht aan RVO.nl. Ook als er een aanvraag voor een wijziging van de vergunning wordt ingediend, vindt er een visitatie plaats en wordt advies aan RVO.nl uitgebracht.

Voor handhaving op dierentuinen geldt dat RVO.nl, op basis van ontvangen meldingen, controles uitzet bij de NVWA. De NVWA maakt een inspectierapport op ten behoeve van bestuursrechtelijke handhaving door RVO.nl. Naast deze controles gebaseerd op meldingen vinden er ook projectcontroles plaats, waarbij alle dierentuinen steekproefsgewijs worden geïnspecteerd.

Voor kinderboerderijen geldt dat, indien kinderboerderijen een vergunning hebben voor het tentoonstellen van wilde dieren, deze onder de noemer «dierentuin» vallen. Het toezicht en de controle worden in dat geval op dezelfde wijze vormgegeven als bij dierentuinen.

Voor circussen geldt dat RVO.nl geen handhaving uitvoert; dit gebeurt door de NVWA. Eventuele dieren die in bewaring genomen worden komen wel via opvang onder verantwoordelijkheid van RVO.nl.

In 2018 wordt binnen RVO.nl 2,5 fte ingezet voor vergunningverlening voor dierentuinen en 1,5 fte aan bestuursrechtelijke handhaving.

229. Welk aantal fte wordt binnen de RVO ingezet voor de promotie van dierlijke producten of het faciliteren daarvan? Wat zijn hierbij de taken en met welk doel worden deze uitgevoerd?

Antwoord

In het kader de promotie dierlijke producten voert RVO.nl de regeling Promotie Landbouwproducten uit. De taak van RVO.nl hierbij is de administratieve controle en de uitbetaling van de steunaanvragen. In 2018 wordt binnen RVO.nl hiervoor 0,5 fte ingezet.

230. Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Amhaouch/Van der Lee (Kamerstuk 34 775-XIII, nr. 81 ), die vraagt in de Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT-regeling) apart aandacht te besteden aan het doel «brede kennisverspreiding naar het mkb door toegepaste kennisorganisaties»? Komen hier middelen voor beschikbaar? Zo ja, hoeveel en uit welke pot? Wordt deze bekostigd uit de post van 25 miljoen euro voor het mkb, die deels in de MIT-regeling wordt geïnvesteerd?

Antwoord

In het MKB-Actieplan (Kamerstuk 32 637, nr. 316) heb ik aangegeven dat ik met de TO2 en enkele brancheverenigingen werk aan een nieuw programma voor kennisverspreiding naar het mkb. Hiervoor stelt het kabinet maximaal € 7,5 miljoen beschikbaar vanuit de enveloppe toegepast onderzoek (vanuit het deel voor de TO2)5. De gesprekken over de exacte invulling worden eind dit jaar afgerond, waarna dit programma van start gaat. Aansluiting op de kennisbehoefte van het mkb staat hierbij voorop. In essentie gaat het bij kennisverspreiding over het omzetten van ontwikkelde kennis in economisch relevante kennis door bestaande bedrijven en start-ups6. Binnen de huidige instrumenten zoals de MIT en de WBSO stimuleer ik bedrijven als het gaat om kennisverspreiding en door de extra middelen voor de MIT hebben meer bedrijven hier toegang toe. Tot slot heb ik in het mkb-actieplan diverse andere acties benoemd waarmee ik kennisverspreiding bevorder, zoals het verbeteren van de samenwerking tussen kennisinstellingen en het regionale mkb, het programma StartupDelta 3.0 en het online innovatieplatform «AddVentured» van de KvK.

231. De ramingen voor de budgetten subsidie Demonstratie Energie-Innovatie (DEI) en opdrachten CCS zijn verlaagd, kunt u meer toelichting op de oorzaak daarvan geven?

Antwoord

De ramingen voor de budgetten DEI en subsidies CCS zijn geactualiseerd op basis van de lagere realisatie de afgelopen jaren en daarmee verlaagd ten opzichte van de eerdere ramingen. Overigens is specifiek voor cofinanciering van pilotprojecten en ondersteuning van kostenstudies van afvang- opslag en gebruik van CO2 (CCS en CCU) voor 2018 € 12 miljoen aan de Topsector Energie (TSE) toegevoegd.

232. Welke duurzaamheidscriteria worden gehanteerd bij warmtebronnen voor warmtenetten?

Antwoord

Er zijn geen algemene duurzaamheidscriteria voor warmtebronnen die invoeden op warmtenetten. Gemeenten kunnen wel afspraken maken met warmtebedrijven over de duurzaamheid van de geleverde warmte.

Met de opkomst zijnde nieuwe energieprestatie-eisen voor nieuw te bouwen gebouwen, de BENG-eisen zal er een aandeel hernieuwbare energie verplicht gesteld worden voor nieuwe gebouwen. Hierbij wordt de duurzaamheid van een warmtenet meegenomen.

Bovendien wordt gewerkt aan een nieuwe richtlijn hernieuwbare energie waarin eisen gesteld worden aan warmtenetten. Dit zal geïmplementeerd worden in nationale wet- en regelgeving.

Noot 1: Bron: rapport De Nederlandse landbouwexport 2017, WUR/CBS. Cijfers zijn exclusief tertiaire landbouwproducten.

Noot 2: Bron: https://assets.kpmg.com/content/dam/kpmg/nl/pdf/2018/advisory/deal-activity-update-2017-analysis.pdf.

Noot 3: http://www.ecrforum.org/the-international-business-registers-report-2017/

Noot 4: RVO.nl, Focus op Research & Development: de WBSO in 2017

Noot 5: Zie brief «naar missiegedreven innovatiebeleid met impact». Kamerstuk 32 637, nr. 63.

Noot 6: Braunerhjelm e.a. (2009). The missing link: knowledge diffusion and entrepreneurship in endogenous growth. Small Business Economics, 34, pp. 105–125.