Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

14. Horizontale toelichting

Horizontale toelichting

In deze bijlage wordt per begroting een toelichting gegeven op het verloop van de uitgaven en niet-belastingontvangsten vanaf 2018 tot en met 2023.

De totalen per begroting zijn exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen. De HGIS-uitgaven en niet-belastingontvangsten worden separaat gepresenteerd en toegelicht.

De cijfers van de afzonderlijke begrotingen luiden in miljoenen euro’s in constante prijzen van het jaar 2018. Een uitzondering hierop vormen de premiegefinancierde uitgaven van SZW en VWS, deze luiden in lopende prijzen.

De Koning

I DE KONING
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

43,1

43,3

43,3

43,4

44,8

44,8

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

           
 

Uitgaven

8,2

8,4

8,4

8,5

9,9

9,9

2

Functionele uitgaven van de Koning

           
 

Uitgaven

28,9

28,9

28,9

28,9

28,9

28,9

 

Ontvangsten

           

3

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

           
 

Uitgaven

6,0

6,0

6,0

6,0

6,0

6,0

Artikel 1 Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

Op dit artikel worden de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis verantwoord. De lichte stijging in de uitgaven vanaf 2019 e.v. wordt veroorzaakt door de doorwerking van de stijging van de ambtenarensalarissen volgens de systematiek van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis op de uitkering van de leden van het Koninklijk Huis. In 2021 is de Prinses van Oranje, achttien jaar en ontvangt vanaf dat moment een grondwettelijke uitkering. Dit is in 2021 (naar rato) 0,1 mln. euro en vanaf 2022 het jaarbedrag van 1,5 mln. euro.

Artikel 2 Functionele uitgaven van de Koning

Op dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven zoals de inzet van luchtvaartuigen.

Artikel 3 Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven in het kader van voorlichting, het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet van de Koning.

Staten-Generaal

IIA STATEN-GENERAAL
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

148,6

145,5

145,5

150,4

147,3

147,4

totaal niet-belastingontvangsten

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

1

Wetgeving en controle Eerste Kamer

           
 

Uitgaven

12,6

12,5

12,5

12,5

12,5

12,5

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

           
 

Uitgaven

32,1

31,5

31,5

33,1

32,0

32,0

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Wetgeving en controle Tweede Kamer

           
 

Uitgaven

104,5

102,0

102,0

105,3

103,3

103,3

 

Ontvangsten

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4

Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

           
 

Uitgaven

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

 

Ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

Artikel 1 Wetgeving en controle Eerste Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Eerste Kamer. In 2018 is de eindejaarsmarge 2017 toegevoegd.

Artikel 2 Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

De uitgaven ten behoeve van oud-leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement worden beïnvloed door verkiezingen. In het jaar van de verkiezingen stijgt het beroep op de aanspraken op wachtgeld en dit neemt na verloop van tijd weer af tot het moment dat uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn. In 2021 nemen de daarom uitgaven weer toe.

Artikel 3 Wetgeving en controle Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van de uitvoering van de kerntaken van de Tweede Kamer. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van de ambtelijke organisatie voor het ondersteunen van het constitutionele proces van de Tweede Kamer, de financiering van de digitale en fysieke infrastructuur van het parlement en de kosten van de fracties. In 2021 als er uiterlijk nieuwe verkiezingen zijn, nemen de uitgaven voor fractiekosten weer toe met uitloop naar 2022. Dit komt voornamelijk omdat er na verkiezingen tijdelijk zowel de fractieondersteuning op basis van de oude samenstelling van de Tweede Kamer, als de fractieondersteuning op basis van de nieuwe samenstelling wordt gefinancierd.

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet ten behoeve van interparlementaire activiteiten.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

De inspanningsverplichting van de Staten Generaal voor de taakstelling Rijk, agentschappen en uitvoerende ZBO’s van de kabinetten Rutte- Verhagen en Rutte-Asscher staat deels op artikel 10 nominaal en onvoorzien.

Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

127,9

121,4

121,7

122,3

122,8

122,4

totaal niet-belastingontvangsten

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

1

Raad van State

           
 

Uitgaven

62,6

59,8

59,1

59,1

59,2

58,7

 

Ontvangsten

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

2

Algemene Rekenkamer

           
 

Uitgaven

31,9

30,2

31,3

31,8

32,3

32,3

 

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

3

De Nationale ombudsman

           
 

Uitgaven

18,8

18,0

18,0

18,0

18,0

18,0

 

Ontvangsten

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

2,2

4

Kanselarij der Nederlandse Orden

           
 

Uitgaven

5,4

4,3

4,3

4,3

4,3

4,3

 

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

6

Kabinet van de Gouverneur van Aruba

           
 

Uitgaven

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

7

Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

           
 

Uitgaven

2,9

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

 

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

8

Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

           
 

Uitgaven

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9

Kiesraad

           
 

Uitgaven

2,4

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

           

Artikel 1 Raad van State

De uitgaven van de Raad van State zijn in 2018 hoger doordat er middelen voor het ICT-project KEI zijn meegenomen uit 2017.

Artikel 2 Algemene Rekenkamer

Vanuit 2017 zijn er middelen doorgeschoven naar 2018. Ook zijn incidenteel middelen aan 2018 toegevoegd voor een reorganisatie van de Algemene Rekenkamer. Naar aanleiding van de Taken Middelen Analyse zijn voor borging van de uitvoering van de wettelijke taken van de Hoge Colleges van Staat in deze kabinetsperiode extra middelen aan artikel 2 toegevoegd vanaf 2019 oplopend tot 3 mln. vanaf 2022.

Artikel 3 Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman maakt in 2018 meer kosten in het kader van een transitie om de organisatie te verbeteren en nieuwe taken in te passen. Naar aanleiding van de Taken Middelen Analyse zijn voor borging van de uitvoering van de wettelijke taken van de Hoge Colleges van Staat in deze kabinetsperiode extra middelen aan artikel 3 toegevoegd vanaf 2018 oplopend tot 1,9 mln. vanaf 2019.

Artikel 4 Kanselarij der Nederlandse Orden

De Kanselarij der Nederlandse Orden maakt gebruik van een verouderd ICT-systeem voor de aanvraag van decoraties. Dit systeem wordt vervangen en dat leidt tot een oploop van het budget in 2018.

Artikel 6 Kabinet van de Gouverneur van Aruba

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 7 Kabinet van de Gouverneur van Curaçao

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 8 Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten

Er zijn geen beleidswijzigingen.

Artikel 9 Kiesraad

Vanaf 2018 zijn de uitgaven voor de Kiesraad overgeheveld van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar de begroting Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad.

Algemene Zaken

III ALGEMENE ZAKEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

68,0

67,3

67,4

69,2

71,3

71,4

totaal niet-belastingontvangsten

7,0

6,9

6,9

6,9

6,9

6,9

1

Bevorderen eenheid regeringsbeleid

           
 

Uitgaven

62,9

62,3

62,3

64,1

66,3

66,3

 

Ontvangsten

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4,4

4

Kabinet van de Koning

           
 

Uitgaven

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

 

Ontvangsten

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

5

Cie voor toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

           
 

Uitgaven

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

Artikel 1 Bevorderen eenheid regeringsbeleid

Dit artikel bestaat onder andere uit de bijdrage voor het agentschap Dienst Publiek en Communicatie, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). Voor de jaren 2018 tot en met 2020 is de bijdrage voor het categoriemanagement overgeboekt naar het Ministerie van Financiën; de middelen voor het categoriemanagement voor 2021 en verder staan nu nog op de begroting van AZ.

Artikel 4 Kabinet van de Koning

Het Kabinet van de Koning (KvdK) draagt zorg voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van zijn staatsrechtelijke taken en fungeert als schakel tussen Koning en Ministers.

Artikel 5 Cie van toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017) is er een Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en een afdeling klachtenafhandeling van deze Commissie ingesteld. Zij houdt toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). De Commissie toetst zowel het handelen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan de juridische kaders die er voor deze diensten bestaan. De afdeling klachtenbehandeling onderzoekt en behandelt klachten, alsmede meldingen over het vermoeden van een misstand.

Koninkrijksrelaties

IV KONINKRIJKSRELATIES
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

488,7

108,8

104,6

103,2

90,4

90,4

totaal niet-belastingontvangsten

48,1

38,3

31,9

30,5

30,4

30,4

1

Versterken rechtsstaat

           
 

Uitgaven

47,3

40,4

39,7

39,7

27,7

27,7

 

Ontvangsten

4,0

         

4

Bevorderen sociaaleconomische structuur

           
 

Uitgaven

11,7

11,2

15,7

14,4

14,3

14,3

 

Ontvangsten

6,4

         

5

Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

           
 

Uitgaven

172,4

28,5

28,5

28,5

28,5

28,5

 

Ontvangsten

37,7

38,3

31,9

30,5

30,4

30,4

6

Apparaat

           
 

Uitgaven

22,9

21,4

19,1

18,8

18,4

18,4

7

Nog onverdeeld

           
 

Uitgaven

7,2

1,1

1,6

1,7

1,5

1,5

8

Wederopbouw bovenwindse eilanden

           
 

Uitgaven

227,2

6,0

       

Artikel 1 Versterken rechtsstaat

Het kabinet heeft besloten tot verlenging van de rechtshandhaving in Sint Maarten van 2018 tot en met 2021. Daarom liggen de budgetten tot en met 2021 hoger. Daarnaast is 2018 hoger door overlopende facturen uit 2017. Verder is bij de start van dit kabinet de budgetverantwoordelijkheid voor de Kustwacht overgegaan naar de Minister van Defensie. Middels een nota van wijziging zijn de uitgaven en ontvangsten overgeheveld. De bijdragen van de landen Curaçao en Sint Maarten voor de kustwacht zijn in 2017 niet ontvangen en worden in 2018 alsnog voldaan.

Artikel 4 Bevorderen sociaaleconomische structuur

De lagere uitgaven in 2019 komt door verwerking van het wisselkoerseffect op de toeslag voor pensioenen. Ontvangsten, bestaande uit rentebetalingen over leningen aan Aruba, zijn vanaf 2019, verplaatst naar artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen. Naast de rentebetalingen in 2018, vindt ook de eindafrekening van het Fonds Desaroyo Aruba plaats. Conform afspraak blijven deze middelen beschikbaar voor Aruba en worden deze de komende twee jaar ingezet voor kinderbescherming en ter versterking van de rechtshandhaving op Aruba.

Artikel 5 Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen

Dit artikel geeft de schuldsanering van de voormalige Nederlandse Antillen weer in de vorm van de meerjarige aflossings- en rentereeksen. Vanwege het verloop in het aflossings-en renteschema nemen de uitgaven na 2018 af. De ontvangsten zijn in 2018 en 2019 hoger door verwerking van de wisselkoeseffecten.

Artikel 6 Apparaat

In de jaren 2018 en 2019 zijn er middelen beschikbaar voor ondersteuning van de benoemde regeringscommissaris op Sint-Maarten. Verder liggen de uitgaven in 2018 en 2019 hoger als gevolg van het verwerken van de effecten van de wisselkoers.

Artikel 7 Nominaal en onvoorzien

Een deel van deze middelen is gereserveerd voor het meerjarig opvangen van valutaschommelingen. Het saldo van de wisselkoersreserve uit 2017 van 6,4 mln. is toegevoegd aan 2018. Vanaf 2019 is er 1 mln. beschikbaar, De resterende middelen worden op een later moment toegekend aan de relevante beleidsartikelen.

Artikel 8 Wederopbouw Bovenwindse eilanden

Bij 2e Suppletoire begroting 2017 is een artikel aangemaakt voor Noodhulp en Wederopbouw Bovenwindse Eilanden, naar aanleiding van de orkanen Irma en Maria. De afspraak is dat de kosten voor noodhulp centraal gefinancierd worden vanuit de begroting Koninkrijksrelaties. Daarvoor is 55 mln. bij Najaarsnota 2017 toegevoegd. De niet-bestede middelen (19 mln.) zijn doorgeschoven naar 2018. De middelen voor de wederopbouw staan op de Aanvullende Post bij Financiën (550 mln. voor Sint Maarten en 67 mln. voor Saba en Sint Eustatius). Een deel van deze middelen is in 2018 en 2019 overgeboekt naar de begroting Koninkrijksrelaties, bijvoorbeeld voor de eerste tranche middelen aan de Wereldbank voor de wederopbouw van Sint Maarten.

Buitenlandse Zaken

V BUITENLANDSE ZAKEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

7.807,3

8.496,4

9.546,0

9.250,0

9.508,3

9.790,9

totaal niet-belastingontvangsten

1.083,3

383,7

671,7

685,2

696,7

712,8

43

Europese Samenwerking

           
 

Uitgaven

7.807,3

8.496,4

9.546,0

9.250,0

9.508,3

9.790,9

 

Ontvangsten

1.083,3

383,7

671,7

685,2

696,7

712,8

Relatie begroting van Buitenlandse Zaken en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat uit HGIS uitgaven/ontvangsten en niet-HGIS uitgaven/ontvangsten. De HGIS uitgaven en ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS uitgaven en ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 3 Europese Samenwerking

De meerjarige ontwikkeling van het artikel Europese samenwerking wordt bepaald door de doorwerking van de jaarlijkse nominale ontwikkeling van de EU-begroting in de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU.

In de jaren t/m 2020 stijgen de EU-afdrachten met name als gevolg van een ophoping van cohesiebetalingen in het laatste jaar van het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) door eerdere vertragingen. Vanaf 2021 komt de raming van de EU-afdrachten op een lager niveau, omdat de raming van 2020 (en 2019) verhoogd is vanwege deze vertragingen en er in de raming vanuit wordt gegaan dat die vertragingen voor het einde van het MFK worden ingehaald. Na 2021 stijgen de afdrachten jaarlijks licht mee met de stijging van het BNI.

De ramingssystematiek voor 2021 en verder wijkt af van de ramingssystematiek tot 2020. De betalingenplafonds tot 2020 liggen nominaal vast in de huidige MFK-verordening. Vanaf 2021 zal het volgende MFK gelden, waarvoor nog geen betalingenplafonds zijn vastgesteld. In de raming voor 2021 en verder wordt daarom op dit moment uitgegaan van een betalingenplafond van 0,95% van het Europese BNI in 2021, wat overeenkomt met het uitgangspunt bij het afsluiten van het huidige MFK.

De ontvangsten presenteren met name de perceptiekostenvergoedingen die Nederland ontvangt. In 2017 zijn de ontvangsten aanzienlijk hoger dan in de jaren erna. Dit komt doordat Nederland de bedongen korting op de afdrachten over 2014–2016 met terugwerkende kracht in 2017 in de kas heeft ontvangen.

Justitie en Veiligheid

VI JUSTITIE EN VEILIGHEID
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

12.678,5

12.704,8

12.305,2

12.150,7

11.873,2

11.954,3

totaal niet-belastingontvangsten

2.275,7

1.600,6

1.544,9

1.539,8

1.499,2

1.495,0

31

Politie

           
 

Uitgaven

5.833,5

6.032,8

5.994,4

5.880,5

5.779,3

5.788,1

 

Ontvangsten

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

32

Rechtspleging en rechtsbijstand

           
 

Uitgaven

1.447,5

1.497,6

1.462,1

1.466,1

1.449,5

1.446,9

 

Ontvangsten

177,1

182,0

187,3

225,4

223,8

219,6

33

Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

           
 

Uitgaven

773,2

729,0

725,2

715,1

709,2

713,5

 

Ontvangsten

1.744,0

1.200,4

1.234,0

1.191,5

1.152,5

1.152,5

34

Straffen en beschermen

           
 

Uitgaven

2.615,5

2.686,8

2.539,7

2.540,3

2.535,7

2.536,8

 

Ontvangsten

120,2

97,7

98,0

98,0

98,0

98,0

36

Contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleid

           
 

Uitgaven

278,5

272,0

262,9

264,5

264,4

264,4

 

Ontvangsten

 

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

37

Migratie

           
 

Uitgaven

1.287,6

1.063,6

937,2

918,7

904,8

904,5

 

Ontvangsten

207,0

96,8

3,0

3,0

3,0

3,0

91

Apparaatsuitgaven kerndepartement

           
 

Uitgaven

400,1

410,6

411,5

404,0

404,6

405,9

 

Ontvangsten

26,9

21,1

20,1

19,4

19,4

19,4

92

Nog onverdeeld

           
 

Uitgaven

39,4

9,4

– 30,9

– 41,4

– 177,4

– 108,9

 

Ontvangsten

           

93

Geheim

           
 

Uitgaven

3,1

3,1

3,0

3,1

3,1

3,1

Artikel 31 Politie

De Politie ontwikkelt zich in enkele jaren naar het met de vorming van de Politie beoogde pad. De vorming van de Nationale Politie voortvloeiend uit het regeerakkoord van kabinet Rutte I leidt tot een gering aflopende reeks voor de uitgaven aan de politie in de laatste jaren van deze periode. Er is in deze opstelling nog geen rekening gehouden met het volledige budget dat ter beschikking wordt gesteld door het kabinet Rutte III.

Artikel 32 Rechtspleging en rechtsbijstand

De uitgaven op dit artikel laten een stijging zien in 2019 vanwege het verwachte negatief eigen vermogen van de Rechtspraak van 40 mln. in 2018. Om dit negatieve eigen vermogen tot nul aan te vullen is in 2019 een bedrag van 40 mln. opgenomen.

Artikel 33 Veiligheid en criminaliteitsbestrijding

De uitgaven in 2018 zijn hoger dan de jaren daarna. Dit is te verklaren door de incidentele overhevelingen uit het Regeerakkoord: digitalisering van de strafrechtketen (15 mln.) en intensivering in de aanpak van het afpakken crimineel vermogen (30 mln.).

Bij de ontvangsten zijn naar aanleiding van het Regeerakkoord structurele ramingsbijstellingen voor boetes en transacties doorgevoerd. In de Miljoenennota 2017 is besloten de ramingen voor opbrengsten uit grote schikkingen en afpakken meerjarig te verhogen. Dit verklaart de stijging van ontvangsten in 2019 en 2020. In 2018 heeft het Openbaar Ministerie een schikking met ING (775 mln.) getroffen. Dit verklaart de stijging in ontvangsten in dat jaar.

Artikel 34 Straffen en Beschermen

De uitgaven op dit artikel tonen op termijn een licht dalende reeks vanwege de doorverdeling van de taakstellingen op personeel en materieel uit o.a. het regeerakkoord Rutte II en de maatregelen uit het Masterplan DJI. Verder hangt de daling samen met het verminderen van de overcapaciteit door Rutte III. De hoge stand in 2019 wordt veroorzaakt door een kasschuif samenhangende met frictiekosten te maken bij het sluiten van de gevangeniscapaciteit. Bij de ontvangsten is, door afroming van het eigen vermogen en van de positieve resultaten van de agentschappen, het niveau in 2018 hoger dan in andere jaren.

Artikel 36 Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid

De uitgaven aan Contraterrorisme en Nationaal Veiligheidsbeleid dalen vanaf 2020 doordat er budget voor de Landelijke Meldkamer Organisatie wordt overgeboekt naar de politie.

Artikel 37 Migratie

Door het na-ijleffect van de hoge asielinstroom in de periode 2015–2017, liggen de geraamde uitgaven voor migratie in de jaren 2018 en 2019 hoger dan de basisraming in de jaren daarna. De verhoogde ontvangsten in die jaren zijn onttrekkingen uit de asielreserve.

Artikel 91 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op artikel 91 staan de apparaatsuitgaven van het kerndepartement JenV. Deze hebben een stabiel verloop.

Artikel 92 Nominaal en Onvoorzien

Artikel 92 is een verdeelartikel. Dit niet-beleidsartikel wordt gebruikt voor het parkeren van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen budgettaire taakstellingen. In 2018 heeft het kabinet 30 mln. voor Cybersecurity geserveerd. De middelen zijn toegevoegd aan de begroting van JenV als coördinerend departement. Deze middelen zijn in afwachting van verdere verdeling op artikel 92 gestald. Daarnaast zijn middelen gereserveerd voor problematiek op de JenV-begroting. Per saldo leidt dit tot negatieve standen in 2020 en verder. In verband met een kasschuif samenhangende met een ander kasritme van de pensioenkosten bij de Politie is in 2022 eenmalig een afwijkend bedrag opgenomen.

Artikel 93 Geheim

De uitgaven op artikel 93 blijven nagenoeg stabiel.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

5.702,7

5.481,3

5.586,2

5.549,6

5.629,2

5.777,2

totaal niet-belastingontvangsten

840,8

679,4

696,3

657,8

640,5

634,5

1

Openbaar bestuur en democratie

           
 

Uitgaven

51,9

59,3

56,3

52,2

48,2

48,2

 

Ontvangsten

22,4

22,0

22,0

22,0

22,0

22,0

2

Nationale veiligheid

           
 

Uitgaven

258,8

274,3

276,4

281,8

279,4

279,0

 

Ontvangsten

13,2

13,2

13,2

13,2

13,2

13,2

3

Woningmarkt

           
 

Uitgaven

4.153,1

4.104,2

4.291,9

4.445,6

4.598,2

4.749,9

 

Ontvangsten

523,2

521,0

516,0

478,0

462,0

456,0

4

Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

           
 

Uitgaven

266,1

209,0

167,7

23,9

23,7

18,4

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Ruimtelijke ordening en omgevingswet

           
 

Uitgaven

103,6

102,9

93,9

62,2

57,6

51,5

 

Ontvangsten

8,8

3,8

3,8

3,8

3,8

3,8

6

Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

           
 

Uitgaven

192,4

174,5

172,7

167,5

110,3

110,4

 

Ontvangsten

6,5

1,6

1,6

1,6

1,6

1,6

7

Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

           
 

Uitgaven

28,5

33,4

29,2

28,0

26,9

26,9

 

Ontvangsten

0,6

0,5

0,5

0,1

0,1

0,1

8

Kwaliteit Rijksdienst

           
 

Uitgaven

71,3

         
 

Ontvangsten

36,5

         

9

Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

           
 

Uitgaven

119,5

117,3

117,2

118,8

120,3

128,2

 

Ontvangsten

174,1

99,8

121,7

121,6

120,3

120,3

11

Centraal apparaat

           
 

Uitgaven

445,1

399,8

369,5

360,8

356,9

357,0

 

Ontvangsten

54,4

17,4

17,4

17,4

17,4

17,4

12

Algemeen

           
 

Uitgaven

12,4

6,6

11,4

8,9

7,7

7,7

 

Ontvangsten

0,9

         

13

Nog onverdeeld

           
 

Uitgaven

           

Artikel 1 Openbaar bestuur en democratie

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen toegevoegd vanuit artikel 4 voor Kwaliteit woonomgeving. Vanuit artikel 6 zijn middelen toegevoegd voor Burgerschap. Vanuit artikel 7 zijn middelen toegevoegd voor een deel van Overheid als werkgever en een deel van Pensioenen en uitkeringen. Daarnaast zijn tot en met 2021 middelen beschikbaar voor grensoverschrijdende samenwerking en voor de gezamenlijke opzet en inrichting van het interbestuurlijk programma. De ontvangsten betreffen de bijdragen van de waterschappen ten behoeve van de WOZ.

Artikel 2 Nationale veiligheid

De middelen in het Regeerakkoord Rutte-III voor cybersecurity zijn vanaf 2019 toegevoegd aan de begroting van BZK (8 mln. in 2019, 9 mln. in 2020 en vanaf 2021 structureel 12 mln. per jaar). Deze middelen betekenen een intensivering voor de AIVD voor zijn wettelijke taken op het gebied van cybersecurity. Daarnaast zijn in 2017 de middelen voor de uitvoering van de wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) gefaseerd toegevoegd. Dit resulteert in een geleidelijke oploop van het budget tot en met 2021.

Artikel 3 Woningmarkt

Dit artikel bestaat grotendeels uit het budget voor de huurtoeslag en deze neemt toe. Dit komt met name doordat boveninflatoire huurverhogingen tot hogere huurtoeslaguitgaven leiden, ondanks dat deze beperkt worden door de huursom. Daarnaast komt dit doordat de huurtoeslag in nominale prijzen wordt gepresenteerd.

Artikel 4 Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteit

De hogere uitgaven in 2018, 2019 en 2020 hebben voornamelijk betrekking op de afspraken uit het Energieakkoord voor duurzame groei. Tot en met 2020 is in totaal 400 mln. beschikbaar voor de stimulering van energiebesparende projecten binnen de huursector. Verder is in 2018 vanuit de Regeerakkoordenveloppe ten behoeve van Klimaat 90 mln. toegevoegd voor het programma aardgasvrije wijken en 5 mln. voor schaalvergroting verduurzaming basisscholen. Als laatste zijn tot en met 2022 middelen beschikbaar voor de in het regeerakkoord opgenomen CO2-reductiedoelstelling van 2 megaton (in totaal 40 mln. toegevoegd aan het Nationaal Energiebespaarfonds) en voor opdrachten aan het Rijksdienst Voor Ondernemen (RVO) inzake het verplichte energielabel voor woningen en andere gebouwen.

Artikel 5 Ruimtelijke ordening en omgevingswet

Op dit artikel staan de herverkavelde programmamiddelen voor ruimtelijke ordening en omgevingswet. Voor de invoering van de eerste fase van de omgevingswet zijn in de periode 2018–2021 incidenteel middelen aan het budget toegevoegd.

Artikel 6 Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen overgeheveld naar artikel 1 Openbaar bestuur en democratie voor het onderdeel Burgerschap. Verder zijn de middelen voor de periode 2018–2021 van de Aanvullende Post voor de GDI (Generieke Digitale Infrastructuur van de overheid) overgeboekt naar de begroting van BZK. Overeenkomstig besluitvorming hierover in het Nationaal Beraad worden deze middelen ingezet voor innovaties binnen de digitale overheid, het Programmaplan Basisinfrastructuur en doorontwikkeling en innovatie van GDI-voorzieningen. Tussen 2019 en 2021 zijn deze middelen toegevoegd aan de begroting van BZK op basis van een meerjarige investeringsagenda, met aanloopkosten in 2018 (3 mln.). Daarnaast staan de opdrachtbudgetten voor de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens en Uitvoeringsbedrijf Rijk op dit artikel en de middelen voor beleid basisregistratiepersoonsgegevens. De ontvangsten betreffen onder andere niet-geraamde ontvangsten bij de afrekeningen over 2017 van Beheer Basisregistratie Personen en operatie Basisregistratie Personen.

Artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn vanaf 2019 middelen overgeheveld naar artikel 1 Openbaar bestuur en democratie Het betreft voor een deel Overheid als werkgever (artikelonderdeel 7.1) en voor een deel Pensioenen, uitkeringen en benoemingsregelingen (artikelonderdeel 7.2). Artikel 8 (Kwaliteit Rijksdienst) is toegevoegd aan dit artikel.

Het budget neemt af doordat het beroep op de pensioenregelingen van (voormalige) Nederlandse ambtenaren uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen in de komende jaren afneemt.

Artikel 8 Kwaliteit Rijksdienst

Vanwege de nieuwe begrotingsstructuur zijn de middelen op dit artikel vanaf 2019 toegevoegd aan artikel 7 Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid.

Artikel 9 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

De ontvangsten bestaan uit verpachting, verhuur en vervreemding van onroerende zaken van de Staat, de verkoop van bodemmaterialen en de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen. In 2018 zijn de ontvangsten hoger door een incidentele verkoop.

Artikel 11 Centraal apparaat

In 2018 zijn de uitgaven en ontvangsten hoger vanwege de jaarlijkse desalderingen voor de dienstverleningsafspraken tussen Shared Service organisaties (SSO’s) onderling en de inkomsten van overige departementen en derden voor het gebruik van diensten van DocDirect. Verder zijn er voor de invoering van de omgevingswet extra middelen beschikbaar tot 2020.

Artikel 12 Algemeen

Dit betreft voornamelijk de uitgaven voor vennootschapsbelasting (VPB). Over een deel van de specifieke ontvangsten op artikel 9 moet vennootschapsbelasting worden betaald.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

VIII ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

42.500,5

41.923,9

41.534,2

41.522,1

41.727,2

42.054,7

totaal niet-belastingontvangsten

1.317,3

1.329,2

1.390,2

1.436,7

1.515,9

1.555,2

1

Primair onderwijs

           
 

Uitgaven

11.144,1

11.302,4

11.241,7

11.178,7

11.113,4

11.053,5

 

Ontvangsten

17,7

8,7

8,7

8,7

8,7

8,7

3

Voortgezet onderwijs

           
 

Uitgaven

8.713,1

8.611,9

8.526,9

8.450,4

8.388,5

8.359,3

 

Ontvangsten

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

7,4

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

           
 

Uitgaven

4.630,7

4.577,0

4.747,6

4.698,4

4.422,1

4.744,4

 

Ontvangsten

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

3,0

6

Hoger beroepsonderwijs

           
 

Uitgaven

3.260,2

3.274,9

3.304,4

3.392,3

3.445,8

3.446,9

 

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

7

Wetenschappelijk onderwijs

           
 

Uitgaven

4.808,9

4.847,3

4.914,6

5.016,8

5.101,8

5.158,0

 

Ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

8

Internationaal onderwijsbeleid

           
 

Uitgaven

12,1

12,0

11,3

10,1

10,1

10,1

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

9

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

           
 

Uitgaven

155,4

168,6

165,3

162,2

162,1

160,9

 

Ontvangsten

9,0

9,0

9,0

9,0

9,0

9,0

11

Studiefinanciering

           
 

Uitgaven

6.366,6

5.602,7

5.205,2

5.268,3

5.771,0

5.842,0

 

Ontvangsten

850,3

893,2

948,6

1.015,9

1.087,0

1.155,0

12

Tegemoetkoming studiekosten

           
 

Uitgaven

93,7

93,1

91,5

90,8

90,3

88,6

 

Ontvangsten

3,7

3,7

3,6

3,5

3,5

3,4

13

Lesgelden

           
 

Uitgaven

6,7

6,6

6,6

6,6

6,6

6,6

 

Ontvangsten

237,7

238,7

241,1

242,4

242,5

240,6

14

Cultuur

           
 

Uitgaven

857,3

963,1

954,0

931,2

903,0

897,8

 

Ontvangsten

7,3

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

15

Media

           
 

Uitgaven

976,8

960,8

970,3

953,4

967,6

945,3

 

Ontvangsten

179,3

163,0

166,4

144,3

152,2

125,6

16

Onderzoek en wetenschappen

           
 

Uitgaven

1.206,2

1.227,9

1.221,9

1.216,1

1.216,4

1.216,2

 

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

25

Emancipatie

           
 

Uitgaven

14,8

15,9

15,9

15,9

15,9

15,9

91

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

   

– 114,4

– 140,3

– 156,2

– 160,9

95

Apparaatskosten

           
 

Uitgaven

254,0

259,8

271,4

271,2

268,9

270,1

 

Ontvangsten

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Artikel 1 Primair onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het po wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. Hierdoor dalen de uitgaven. De stijging in 2019 t.o.v. 2018 is het gevolg van de oploop in een aantal intensiveringen uit het regeerakkoord zoals de middelen voor de verlaging van de werkdruk en de middelen voor de voor- en vroegschoolse educatie. De tranches 2020 en 2021 van de investering in het verlagen van de werkdruk (samen 193 mln.) staan nog op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het vo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. Hierdoor dalen de uitgaven.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

De begrotingen van de onderwijsartikelen volgen de leerlingen- of studentenraming en in het mbo wordt een daling van het aantal leerlingen geraamd. De stijging in 2020 wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de middelen voor de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven vanaf dat jaar op de OCW-begroting staan als een uitgavenregeling. De daling van de uitgaven in 2022 wordt met name veroorzaakt doordat het resultaatafhankelijk budget van 200 mln. is doorgeschoven naar 2023 (conform Bestuursakkoord mbo 2018–2022).

Artikel 6 Hoger beroepsonderwijs en Artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs

De uitgaven op beide artikelen stijgen. Dit heeft voornamelijk te maken met het feit dat er door de invoering van het studievoorschot extra middelen worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Deze middelen zijn voor zowel het hbo als het wo oplopend in de huidige meerjarenperiode.

Artikel 8 Internationaal onderwijsbeleid

De daling in de uitgaven in 2021 wordt met name veroorzaakt doordat de bekostiging van het Nationaal Agentschap Erasmus+ vanuit de onderwijsartikelen momenteel tot en met 2020 geregeld is.

Artikel 9 Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

De dalingen in de uitgaven wordt met name veroorzaakt doordat enkele subsidies aflopen, zoals de Impuls lerarentekorten en de projecten voor professionalisering.

Artikel 11 Studiefinanciering

De stijging van de uitgaven en ontvangsten komt voornamelijk doordat studenten meer lenen. De invoering van het studievoorschot heeft deze trend versterkt. Daarnaast neemt het aantal studenten in het hoger onderwijs toe, waardoor ook het aantal leningen en daarmee het totaal geleende bedrag toeneemt.

Artikel 12 Tegemoetkoming studiekosten

De daling van de uitgaven komt voornamelijk doordat in het vo een daling van het aantal leerlingen wordt geraamd. De uitgaven van dit artikel zijn hier voornamelijk van afhankelijk.

Artikel 13 Lesgelden

De ontvangsten onder dit artikel volgen voornamelijk de aantallen lesgeldplichtige studenten in het mbo en blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 14 Cultuur

Er zijn verschillende factoren die zorgen voor dit verloop van de uitgaven. In 2018 is er reeds 46,1 mln. overgeboekt naar artikel 16 voor de Koninklijke Bibliotheek. Per 2019 staat het budget op de begroting van OCW dat gemoeid is met de omvorming van de fiscale monumentenaftrek naar een uitgavenregeling. Daarnaast zijn er twee tranches (2018 en 2019, beide 25 mln.) van de regeerakkoordmaatregelen overgeboekt naar de begroting van OCW. Tenslotte zorgen de regeerakkoordmiddelen voor erfgoed en monumenten in de jaren 2018–2021 voor hogere uitgaven.

Artikel 15 Media

De uitgaven laten een dalende trend zien. Dit komt doordat ook de ontvangsten afnemen. De raming van de reclameopbrengsten van de STER loopt namelijk terug. Deze algemene trend verloopt schoksgewijs, aangezien er tijdens de even jaren meer reclameopbrengsten worden verwacht door grote (sport)evenementen. Hierdoor is er ook meer budget beschikbaar voor de publieke omroep. Dit is ook te zien in de raming van de ontvangsten.

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

De uitgaven blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 25 Emancipatie

De uitgaven blijven over de jaren heen vrij constant.

Artikel 91 Nominaal en onvoorzien

Dit artikel bevat een taakstelling van 114 miljoen in 2020 oplopend naar 161 miljoen in 2023 als gevolg van een autonome tegenvaller op de referentieraming en de studiefinancieringsraming en zal bij Voorjaarsnota 2019 ingevuld worden.

Artikel 95 Apparaatsuitgaven

De lagere uitgaven in 2019 worden voornamelijk veroorzaakt doordat de omvorming van de fiscale scholingsaftrek naar een uitgavenregeling op de begroting van OCW is uitgesteld. Het beschikbare budget is daarom weer van de OCW-begroting afgetrokken. De omvorming staat nu gepland voor 2020.

Nationale Schuld (Transactiebasis)

IXA NATIONALE SCHULD (TRANSACTIEBASIS)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

47.385,7

37.187,0

37.628,0

23.891,7

38.336,1

36.896,0

totaal niet-belastingontvangsten

43.399,2

33.672,0

36.131,4

22.420,6

36.546,9

34.267,5

1

Financiering staatsschuld

           
 

Uitgaven

45.603,5

35.655,3

36.017,3

22.160,3

36.481,3

35.008,3

 

Ontvangsten

32.435,0

24.178,0

28.576,0

16.436,0

30.442,0

29.273,0

2

Kasbeheer

           
 

Uitgaven

1.782,2

1.531,7

1.610,7

1.731,4

1.854,8

1.887,7

 

Ontvangsten

10.964,2

9.494,0

7.555,4

5.984,6

6.104,9

4.994,5

Financiering staatsschuld

Dit artikel heeft betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld. De uitgaven bestaan uit de rentelasten en aflossingen van vaste en vlottende schuld. De ontvangsten bestaan uit rentebaten en uitgifte van schuld. De hoogte van de aflossingen van de bestaande schuld ligt vast als gevolg van eerder gemaakte keuzes ten aanzien van de schuldfinanciering. De verwachte schulduitgifte neemt in de loop der jaren af doordat de financieringsbehoefte van het Rijk verder afneemt.

Kasbeheer

Op dit artikel staan de geldstromen die betrekking hebben op het schatkistbankieren van aan de schatkist gelieerde instellingen. De uitgaven bestaan enerzijds uit de rentevergoeding over de saldi die in de schatkist worden aangehouden door baten-lastendiensten, RWT’s (Rechtspersoon met een Wettelijke Taak) en sociale fondsen. Anderzijds bestaan de uitgaven uit verstrekte leningen aan baten-lastendiensten en RWT’s en, in sommige jaren, uit een afname van het rekening-couranttegoed van deze instellingen of van de sociale fondsen. De ontvangsten bestaan uit rentebaten, aflossingen op leningen door deelnemers aan het schatkistbankieren en, in sommige jaren, uit een toename van het rekening-couranttegoed van baten-lastendiensten, RWT’s of sociale fondsen. De schommelingen van de ontvangsten op dit artikel worden met name veroorzaakt door mutaties in de rekening-courant van de sociale fondsen.

Financiën

IXB FINANCIËN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

7.105,9

7.205,7

6.815,1

6.519,1

6.546,3

6.478,1

totaal niet-belastingontvangsten

3.162,8

2.385,1

2.405,3

2.212,8

2.252,4

2.619,1

1

Belastingen

           
 

Uitgaven

3.066,0

2.775,0

2.580,4

2.426,2

2.422,8

2.384,6

 

Ontvangsten

842,4

852,3

839,6

836,8

837,9

837,9

2

Financiele Markten

           
 

Uitgaven

23,1

25,0

23,4

23,3

23,3

23,3

 

Ontvangsten

14,2

7,4

9,4

9,4

9,4

9,4

3

Financ. act. Publiek-Private sector

           
 

Uitgaven

369,2

294,1

11,9

8,8

8,8

8,8

 

Ontvangsten

1.969,3

1.204,3

1.201,7

1.066,5

1.063,5

1.432,5

4

Internationale Fin. Betrekkingen

           
 

Uitgaven

104,4

33,2

23,9

9,7

6,7

6,8

 

Ontvangsten

3,5

11,3

65,5

158,4

199,9

197,6

5

Exportkrediet- en investeringsverzekering

           
 

Uitgaven

75,5

83,4

83,4

83,4

88,2

88,1

 

Ontvangsten

280,4

256,2

235,6

88,1

88,1

88,1

6

BTW-Compensatiefonds

           
 

Uitgaven

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

3.225,0

9

Douane

           
 

Uitgaven

 

416,2

427,2

422,3

422,0

421,5

 

Ontvangsten

 

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

10

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

0,0

98,4

186,8

67,1

96,2

66,6

21

Centraal Apparaat

           
 

Uitgaven

242,6

255,4

253,1

253,2

253,3

253,3

 

Ontvangsten

53,0

53,0

52,8

52,8

52,8

52,8

Artikel 1 Belastingen

De daling van de geraamde uitgaven van 2018 naar 2019 wordt vooral veroorzaakt doordat de Douane vanaf 2019 een eigen begrotingsartikel heeft. Daarnaast zijn er vanuit de Aanvullende Post incidentele middelen vrijgegeven voor de vertrekregeling en de investeringsagenda. Een deel van deze middelen voor 2019 en verder staat nog op de Aanvullende Post en artikel 10. Zie ook de financiële bijlage bij de Kamerbrief beheerst vernieuwen (Kamerstuk 2017–2018, 31 066, nr. 403) en de verdiepingsbijlage van de begroting van financiën.

Artikel 2 Financiele Markten

De piek in de uitgaven in 2019 wordt onder meer veroorzaakt door een budget voor ICT-zaken voor de Accountantskamer, tijdelijke bekostiging van de herziene Europese betaalwet Payment Services Directive 2 (PSD2) toezicht en een vervolg van de DNB-pilot Ongewenste Buitenlandse Financieringen. De hogere ontvangsten in 2018 ten opzichte van latere jaren worden verklaard door onder andere een eenmalige boeteontvangst van 1,6 mln. van AFM.

Artikel 3 Financ. act. Publiek-Private sector

In 2018 is er sprake van een hogere raming van de ontvangsten vanwege meevallende dividendontvangsten van de staatsdeelnemingen. In 2018 en 2019 zijn er hogere uitgaven door een kapitaalinjectie aan TenneT. Eind 2015 heeft TenneT de Staat als enig aandeelhouder verzocht om extra kapitaal ter beschikking te stellen om de wettelijk verplichte investeringen in het Nederlandse net te realiseren. Deze financiële transactie is niet relevant voor het EMU-saldo en het uitgavenkader. In 2023 worden er hogere ontvangsten verwacht van DNB, aangezien DNB dat jaar geen geld meer opzij hoeft te zetten in de voorziening ter dekking van risico’s van het QE-beleid van de ECB.

Artikel 4 Internationale Fin. Betrekkingen

De aflopende uitgavenreeks wordt verklaard door een terugloop in de teruggave van de winsten van het Securities Market Program aan Griekenland.De ontvangstenraming kent vanaf 2019 een oploop vanwege verwachte hogere renteopbrengsten op de leningen aan Griekenland, en de terugbetaling door Griekenland van de bilaterale lening.

Artikel 5 Exportkrediet- en investeringsverzekering

De hogere ontvangsten met betrekking tot de exportkredietverzekering (EKV) in de jaren 2018–2020 worden voornamelijk bepaald door de terugbetaling van Argentinië, naar aanleiding van het schuldenakkoord met de Club van Parijs (zie ook Kamerbrief 2013–2014, 33 750 IX, nr. 29). In 2020 wordt de laatste terugbetaling verwacht.

Artikel 6 BTW-Compensatiefonds

Op dit artikel wordt het BTW-compensatiefonds (BCF) verantwoord. Het BCF wordt uit het gemeente- en provinciefonds gefinancierd. De meerjarige raming is gebaseerd op realisatiecijfers over 2017. De uitgaven aan het BCF zijn stabiel de komende jaren, het gemeente- en provinciefonds fungeren als ventiel bij een onder- of overschrijding. Een onder- of overschrijding komt ten laste of ten gunste van het gemeente- en provinciefonds.

Artikel 9 Douane

Per 2019 heeft Douane een eigen artikel op begroting IXB Financiën.

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

Op artikel 10 is er onder andere geld gereserveerd voor de uitvoeringskosten van fiscale maatregelen en onvoorziene tegenvallers. De geraamde uitgaven voor 2019 en 2020 zijn hoger omdat er nog geld gereserveerd staat voor de vertrekregeling, zie ook de financiële bijlage bij de Kamerbrief beheerst vernieuwen (Kamerstuk 2017–2018, 31 066, nr. 403).

Artikel 21 Centraal Apparaat

De stijging in de uitgaven vanaf 2019 heeft onder meer te maken met de uitbreiding en versterking van het eigen personeel op het kerndepartement. Dit vloeit voort uit de aanbevelingen van de Commissie onderzoek Belastingdienst.

Defensie

X DEFENSIE
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

9.237,9

10.270,6

10.726,9

10.916,4

10.523,2

10.295,9

totaal niet-belastingontvangsten

500,3

310,3

279,3

277,8

278,5

331,6

1

Opdracht Inzet

           
 

Uitgaven

14,0

11,0

11,0

11,0

11,0

11,0

 

Ontvangsten

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

5,3

2

Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

           
 

Uitgaven

875,9

842,1

864,3

873,7

866,4

867,2

 

Ontvangsten

21,7

20,4

20,4

20,4

20,4

20,4

3

Taakuitvoering Landstrijdkrachten

           
 

Uitgaven

1.371,5

1.427,3

1.465,7

1.499,0

1.528,2

1.521,7

 

Ontvangsten

6,5

6,4

10,4

10,4

10,4

10,4

4

Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

           
 

Uitgaven

770,3

800,0

818,4

832,7

818,5

815,5

 

Ontvangsten

12,1

12,0

12,0

12,0

12,0

12,0

5

Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

           
 

Uitgaven

399,7

405,3

409,0

410,5

409,8

409,8

 

Ontvangsten

4,6

4,6

4,6

4,4

4,4

4,4

6

Investeringen Krijgsmacht

           
 

Uitgaven

1.817,1

2.840,0

3.130,7

3.256,1

2.875,7

2.665,8

 

Ontvangsten

234,2

123,1

75,2

65,1

58,3

96,0

7

Ondersteuning krijgsmacht door Defensie Materieel Org

           
 

Uitgaven

877,1

932,2

969,5

986,8

994,2

1.000,8

 

Ontvangsten

51,6

32,4

43,4

43,4

43,4

43,4

8

Ondersteuning krijgsmacht door Cdo Dienstencentra

           
 

Uitgaven

1.253,9

1.261,8

1.272,9

1.249,1

1.230,9

1.235,4

 

Ontvangsten

81,4

81,0

81,4

81,4

81,4

81,4

9

Algemeen

           
 

Uitgaven

114,8

105,8

100,4

101,9

102,1

102,1

10

Centraal apparaat

           
 

Uitgaven

1.660,6

1.626,0

1.574,9

1.607,1

1.582,7

1.568,9

 

Ontvangsten

82,9

25,0

26,6

35,4

43,0

58,3

11

Geheime uitgaven

           
 

Uitgaven

7,2

7,6

7,6

7,6

7,6

7,6

12

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

75,8

11,5

102,3

80,8

96,2

90,2

Artikel 1 Opdracht Inzet

Door de toevoeging van de eindejaarsmarge bij overige inzet is het bedrag in 2018 hoger dan in de jaren daarna.

Artikel 2 Taakuitvoering Zeestrijdkrachten

Op dit artikel wordt het uitgavenpatroon verklaard door een spreiding van de uitgaven aan materiele instandhouding en een geleidelijke stijging aan personele uitgaven ten behoeve van het verbeteren van de basisgereedheid.

Artikel 3 Taakuitvoering Landstrijdkrachten

Op dit artikel worden de oplopende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid.

Artikel 4 Taakuitvoering Luchtstrijdkrachten

Op dit artikel worden de fluctuerende uitgaven verklaard door het stapsgewijs toevoegen van middelen door het kabinet ten behoeve van de basisgereedheid en het overboeken van budget naar andere artikelen voor het uitvoeren van de opgedragen taken door de Luchtstrijdkrachten.

Artikel 5 Taakuitvoering Koninklijke Marechaussee

Het uitgavenbudget voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) stijgt geleidelijk door het vergroten van het personeelsbestand. Dit heeft te maken met de extra VTE benodigd voor grensbewaking en extra controles als gevolg van de aanstaande Brexit.

Artikel 6 Investeringen Krijgsmacht

Het fluctuerende verloop van dit artikel wordt deels verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting door het kabinet. De hogere uitgaven in 2019 zijn het gevolg van het verschuiven van budget van de afgelopen jaren naar dit jaar na herijkingen van de investeringsplannen. Het investeringsprogramma bepaalt door de planning van materiele investeringen het verloop van de uitgaven. De verwachte onderuitputting in 2018 wordt samen met de bijbehorende eindejaarsmarge bij ontwerpbegroting 2019 reeds verwerkt waardoor de uitgaven in 2020 en 2021 hoger zijn dan in de jaren erna.

Artikel 7 Defensie Materieel Organisatie

Het verloop van dit artikel wordt enerzijds verklaard door de extra middelen die zijn toegevoegd aan de Defensiebegroting ten behoeve van de verbetering van de basisgereedheid. Anderzijds kunnen de oplopende uitgaven grotendeels worden verklaard door de toegenomen personele uitgaven als gevolg van het samengaan van JIVC met het agentschap OPS.

Artikel 8 Commando Dienstencentra

Op dit artikel stijgen de uitgaven in 2019 en 2020 door het project «Behoud & Werving» met als doel het behouden van gekwalificeerd personeel en het verhogen van de instroom van nieuw personeel. Daarnaast wordt extra geïnvesteerd in het internationale functiebestand.

Artikel 9 Algemeen

De uitgaven op dit artikel betreffen het exploitatiedeel van de bijdragen aan de NAVO, verschillende subsidies en opdrachten en bekostiging. De piek in 2018 is te verklaren aan de hogere uitgaven aan «opdrachten aan derden». De bijdrage aan internationale samenwerking stijgt geleidelijk, maar heeft geen sterk effect op de totale uitgaven.

Artikel 10 Centraal Apparaat

Dit artikel toont de apparaatskosten van de bestuursstaf, de MIVD en de defensiebrede pensioenen, uitkeringen en wachtgelden. De meerjarige daling van de uitgaven weerspiegelt met name de daling van de overtolligheidsuitgaven als gevolg van eerdere reorganisaties. Door de pensionering van voormalige werknemers met een wachtgeldregeling uit deze reorganisaties dalen deze uitgaven. Daarnaast dalen de pensioenuitgaven licht door de effecten van het ophogen van de pensioenleeftijd.

Artikel 11 geheime uitgaven

Op dit artikel zijn de uitgaven stabiel.

Artikel 12 Nominaal en Onvoorzien

Op artikel 12 staat het restsaldo van de nog niet uitgedeelde meerjarige loonbijstelling. Dit is gereserveerd voor onvoorziene uitgaven. In 2019 is een dip zichtbaar door het aanwenden van middelen van artikel 12 om het gewijzigde kasritme vanuit de Defensienota te faciliteren.

Infrastructuur en Waterstaat

XII INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

8.275,9

9.527,0

9.269,4

9.304,9

9.148,9

9.361,2

totaal niet-belastingontvangsten

30,6

19,4

15,6

16,4

14,5

14,3

11

Integraal waterbeleid

           
 

Uitgaven

34,4

31,0

30,9

31,3

33,0

33,0

 

Ontvangsten

0,3

         

13

Ruimtelijke Ontwikkeling

           
 

Uitgaven

39,0

41,4

35,0

139,6

137,7

138,4

 

Ontvangsten

 

4,5

 

2,0

   

14

Wegen en verkeersveiligheid

           
 

Uitgaven

43,6

49,9

41,0

37,2

35,9

34,7

 

Ontvangsten

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

6,8

16

Openbaar vervoer en spoor

           
 

Uitgaven

19,3

13,2

13,9

14,2

14,2

12,2

17

Luchtvaart

           
 

Uitgaven

18,8

26,0

19,6

8,7

8,5

7,6

 

Ontvangsten

1,9

1,4

1,3

0,9

0,9

0,8

18

Scheepvaart en havens

           
 

Uitgaven

40,3

37,5

33,6

3,5

3,5

4,0

 

Ontvangsten

0,2

 

0,8

     

19

Klimaat

           
 

Uitgaven

47,6

40,6

40,9

40,3

40,9

40,5

 

Ontvangsten

0,4

         

20

Lucht en geluid

           
 

Uitgaven

32,2

27,6

27,6

28,5

28,6

30,4

21

Duurzaamheid

           
 

Uitgaven

60,0

27,5

25,6

17,7

17,7

16,3

22

Omgevingsveiligheid en milieurisico's

           
 

Uitgaven

52,2

33,8

45,6

43,4

49,8

62,4

 

Ontvangsten

2,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

           
 

Uitgaven

51,1

51,8

48,2

41,8

45,0

42,3

24

Handhaving en toezicht

           
 

Uitgaven

110,5

108,1

107,3

107,2

107,2

107,2

25

Bijdrage BDU

           
 

Uitgaven

929,6

900,0

898,5

887,4

887,4

887,4

26

Bijdrage investeringsfondsen

           
 

Uitgaven

6.387,7

7.796,0

7.564,9

7.582,1

7.417,2

7.622,4

97

Algemeen departement

           
 

Uitgaven

121,4

62,1

63,7

57,1

57,2

57,1

 

Ontvangsten

3,7

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

98

Apparaatsuitgaven Kerndepartement

           
 

Uitgaven

308,1

296,6

286,9

280,6

280,9

280,8

 

Ontvangsten

14,9

5,4

5,4

5,4

5,4

5,4

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

– 20,1

– 16,0

– 13,8

– 15,8

– 15,8

– 15,8

Artikel 11 Integraal waterbeleid

Naar aanleiding van de herverkaveling volgend uit het Regeerakkoord Rutte III van de Omgevingswet naar BZK zijn budgetten vanuit beleidsartikel 13 die samenhangen met algemeen waterbeleid overgedragen naar dit artikel.

Artikel 13 Bodem en ondergrond

De oploop vanaf 2021 wordt grotendeels veroorzaakt door reeds meerjarig overgeboekte budgetten naar het Gemeentefonds en Provinciefonds in het kader van het Convenant Bodem en Ondergrond 2016–2020. Vanaf 2021 staan de budgetten nog op dit artikel. De geactualiseerde ontvangsten betreft de ontvangsten voor de verkoop van grond voor de saneringsopgave Stormpolderdijk van de gemeente Krimpen a/d IJssel.

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

De geleidelijke daling van budget na 2018 is het gevolg van het aflopen van projecten binnen het programma Beter Benutten. De incidentele piek in 2019 komt door overheveling van budgetten vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 16 Openbaar vervoer en spoor

Vanaf 2018 daalt de omvang van dit artikel hoofdzakelijk omdat de subsidieregeling Beheersing GSM-R interferentie stopt. GSM-R is een radiosysteem dat wordt gebruikt in treinen. De subsidieregeling is een tegemoetkoming in de kosten die spoorvervoerders moeten maken voor de aanpassing of vervanging van aanwezige GSM-R treinradio’s.

Artikel 17 Luchtvaart

De hogere bedragen in 2018, 2019 en 2020 worden verklaard door 1) middelen die via de Incidentele Suppletoire Begroting inzake Wederopbouw Saba en Sint Eustatius (15,5 mln.) zijn toegevoegd en 2) extra middelen die vanuit herschikking van IenW budgetten beschikbaar zijn gesteld voor ambities uit het Regeerakkoord Rutte III op de programma’s Schiphol, Luchtruimherziening en Lelystad.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

Het meerjarenprogramma Topsector Logistiek loopt af in 2020. Dit verklaart de daling van de budgetten vanaf 2021. De ontvangsten in 2018 zijn kosten voor de ACM die deels doorbelast worden aan de sector. De ontvangsten in 2020 zijn te ontvangen deelnemersbijdragen en sponsorbijdragen aan het door Nederland te organiseren vierjaarlijkse symposium van de IALA (International Association on Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities).

Artikel 19 Uitvoering milieubeleid en internationaal

In de jaren 2018–2019 zijn de budgetten op dit artikel hoger vanwege een herschikking binnen de begroting voor het bereiken van de doelstelling uit het Energieakkoord en het uitvoeren van extra maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan. Tevens was er overheveling van budgetten vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 20 Lucht en geluid

De hogere uitgaven in 2018 worden veroorzaakt doordat de financiële afwikkeling en nabetaling in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit in dat jaar is voorzien.

Artikel 21 Duurzaamheid

De piek in 2018 betreft grotendeels de toegevoegde middelen voor IenW vanuit de Enveloppe Klimaat vanuit het Regeerakkoord Rutte III. Tevens zijn er budgetten overgeheveld vanuit de herverkaveling met EZK en de daaropvolgende herinrichting van het Ministerie van IenW.

Artikel 22 Omgevingsveiligheid en milieurisico’s

De lagere stand op dit artikel in het jaar 2019 wordt verklaard door een overboeking naar het Provinciefonds ten behoeve van het Programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Na 2018 stijgt het budget. Dit hangt samen met de oploop in het beschikbare budget voor het Programma IOV.

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

De lagere stand op dit artikel vanaf 2020 is het gevolg van de lagere contributie van het KNMI aan EUMETSAT, het Europese programma voor aardobservatie. De hogere uitgaven in 2018 en lagere uitgaven in 2021 zijn het gevolg van een kasschuif voor het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) waarmee de budgettaire reeks in overeenstemming wordt gebracht met de actuele raming van de contributiebetaling aan EUMETSAT.

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Op dit artikel wordt de financiële bijdrage van IenW aan de Inspectie Leefomgeving en transport (ILT) geraamd.

Artikel 25 Bijdrage BDU

Het budget van de Brede Doeluitkering ligt in 2018 hoger vanwege een overboeking vanuit het Infrastructuurfonds voor het project Beter Benutten.

Artikel 26 Bijdragen Investeringsfondsen

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord. De ontwikkeling van dit artikel wordt toegelicht in de horizontale toelichting van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Artikel 97 Algemeen Departement

De hogere stand in 2018 wordt verklaard door 1) middelen voor de reservering voor de vervanging van het regeringsvliegtuig en 2) middelen die via de Incidentele Suppletoire Begroting inzake Thermphos zijn toegevoegd.

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement

De uitgaven aan apparaat nemen af als gevolg van lagere uitgaven aan eigen personeel en externe inhuur. De hogere ontvangsten in 2018 bestaan uit bijdragen van agentschappen voor uitgaven bedrijfsvoering.

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

Er is een structurele minregel, oplopend van 20 mln. in 2018 – 2020 naar 23 mln. vanaf 2021, ingeboekt op de IenW-begroting in afwachting van concrete invulling. In de loop van het jaar wordt dit concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt. Tevens zijn de Cybersecurity middelen, een oplopende reeks van 4 mln. in 2019 naar 7 mln. structureel, vanuit het Regeerakkoord Rutte III op dit artikel geplaatst.

Economische Zaken en Klimaat

XIII ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

5.057,9

4.460,6

5.077,7

4.971,3

5.053,4

5.136,2

totaal niet-belastingontvangsten

4.061,5

4.179,8

4.560,4

4.429,9

4.169,0

4.121,0

1

Goed functionerende economie en markten

           
 

Uitgaven

198,6

193,7

189,8

191,8

191,3

191,4

 

Ontvangsten

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

31,1

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

           
 

Uitgaven

899,0

868,6

919,9

899,0

897,9

903,3

 

Ontvangsten

125,4

113,2

111,1

111,9

105,7

107,1

3

Toekomstfonds

           
 

Uitgaven

207,9

182,0

190,1

191,3

180,9

161,3

 

Ontvangsten

33,6

28,5

34,6

44,0

45,3

50,2

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

           
 

Uitgaven

2.409,2

2.797,4

3.476,1

3.393,1

3.499,9

3.606,0

 

Ontvangsten

3.626,3

2.232,2

2.908,2

3.067,5

3.111,5

3.257,8

5

Een veilig Groningen met perspectief

           
 

Uitgaven

151,3

140,5

40,0

39,0

19,9

8,9

 

Ontvangsten

99,9

1.749,5

1.450,0

1.150,0

850,0

650,0

6

Een concurr., duurz.en veilige agro-, viss.- en voedeselket.

           
 

Uitgaven

617,3

         
 

Ontvangsten

50,2

         

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

           
 

Uitgaven

           
 

Ontvangsten

           

8

Natuur en biodiversiteit

           
 

Uitgaven

116,0

         
 

Ontvangsten

57,2

         

40

Apparaat (EZK)

           
 

Uitgaven

383,7

278,4

272,7

268,1

274,6

275,4

 

Ontvangsten

36,4

25,4

25,4

25,4

25,4

24,8

41

Nog onverdeeld (EZK)

           
 

Uitgaven

   

– 11,0

– 11,0

– 11,0

– 10,0

42

Apparaat (LNV)

           
 

Uitgaven

41,4

         
 

Ontvangsten

1,5

         

43

Nog onverdeeld (LNV)

           
 

Uitgaven

33,6

         

Artikel 1 Goed functionerende economie en markten

De uitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de bijdragen aan agentschappen (Agentschap Telecom, RVO) en bijdragen aan ZBO’s/RWT’S (Metrologie en CBS). Het licht dalende verloop van de uitgaven in 2018–2020 wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere uitgavenramingen voor CBS en RVO. De ontvangsten hebben voornamelijk betrekking op boetes die toezichthouders van EZK opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

De uitgaven op dit artikel zijn met name bestemd voor bijdragen aan (inter)nationale organisaties, bijdragen aan TNO en de Kamer van Koophandel en subsidies ter stimulering van innovatie en (duurzaam) ondernemen. De lagere uitgaven in 2019 worden onder andere veroorzaakt door ramingsbijstellingen van de garantieregeling Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). Vanwege de huidige economische situatie nemen naar verwachting de komende jaren de schadebetalingen op de BMKB als gevolg van faillissementen af. De hogere uitgaven in 2020 volgen onder andere uit de overgehevelde middelen voor Ruimtevaart vanuit de Regio-enveloppe van de Aanvullende Post. De ontvangsten zijn grotendeels afkomstig uit de BMKB en Garantie Ondernemersfinanciering, de Rijksoctrooiwet en de luchtvaartkredietregeling. De afloop in de ontvangstenreeks komt met name doordat de raming octrooiontvangsten op korte termijn omhoog is bijgesteld.

Artikel 3 Toekomstfonds

Het Toekomstfonds kent een 100% eindejaarsmarge, waardoor overtollige middelen in enig jaar volledig meegenomen kunnen worden naar het volgende jaar. De niet benutte middelen in 2017, die bij Voorjaarsnota 2018 aan de begroting 2018 van het Toekomstfonds zijn toegevoegd, zijn voor de diverse instrumenten gespreid over de komende jaren. De verschillende instrumenten binnen het Toekomstfonds zijn geheel of gedeeltelijk revolverend. De ontvangsten komen voornamelijk uit Fund of funds, Innovatiekredieten en Seed.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

De uitgaven op dit artikel stijgen door de oplopende uitgaven aan de SDE+-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie+). Deze uitgaven stijgen vanwege het toenemende aantal SDE+-subsidies om tegemoet te komen aan de afspraak in het Energieakkoord voor duurzame energie dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft (en in 2023 16%). De ontvangsten op artikel 4 vloeien voornamelijk voort uit de ODE (Opslag Duurzame Energie). De ODE-ontvangsten stijgen om de toenemende uitgaven aan de SDE+ zoals vastgelegd in het Energieakkoord te financieren. Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 34 960, nr. 10) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel (artikel 5). Hierdoor zijn de aardgasbaten met ingang van 2019 van artikel 4 naar artikel 5 verplaatst.

Artikel 5 Een veilig Groningen met perspectief

De uitgaven op artikel 5 bestaan voornamelijk uit subsidies voor de verduurzamingsopgave, de betalingen van schadevergoedingen voor gedupeerden van aardbevingen door gaswinning, de bijdrage aan RVO.NL voor de uitvoering van de schadeafhandeling en de kosten voor de TCMG. De ontvangsten worden voornamelijk bepaald door de aardgasbaten. Op basis van Motie Nijboer (Kamerstuk 34 960, nr. 10) presenteert EZK voortaan alle activiteiten betreffende gaswinning, schade, versterken en de toekomst van Groningen op één begrotingsartikel. Hierdoor zijn de aardgasbaten met ingang van 2019 van artikel 4 naar artikel 5 verplaatst. Het kabinet heeft op 29 maart 2018 besloten om de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Hierdoor wordt de gasbatenreeks verlaagd tot 650 mln. in 2023. Conform de begrotingsregels zijn beslissingen over het winningsvolume relevant voor het uitgavenplafond. Ook zijn de volgende ontwikkelingen verwerkt in de gasbaten: het Akkoord op Hoofdlijnen dat is afgesloten met Shell en ExxonMobil wat leidt tot een andere verdeling van kosten en opbrengsten, bijgestelde kosten voor schade en versterken (bovengronds), kosten voor de operatie van de gaswinning (ondergronds) en de gasbaten zijn doorberekend tegen de meest actuele prijzen. Daarnaast staan de ontvangsten van de NAM voor de schadevergoedingen aan gedupeerden en de uitvoeringskosten van de publieke schadeafhandeling op dit begrotingsartikel.

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Artikel 6 is vanaf 2019 als artikel 11 onderdeel van de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt daarom bij de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Artikel 8 is vanaf 2019 als artikel 12 onderdeel van de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt daarom bij de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 40 Apparaat (EZK)

De uitgaven voor artikel 40 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven. De daling van de uitgaven komt met name door de splitsing van het voormalig Ministerie van Economische Zaken in een Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en een Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het budget voor personele en materiële uitgaven dat bestemd is voor LNV is vanaf 2019 overgeheveld naar de begroting van LNV.

Artikel 41 Nog onverdeeld (EZK)

Een taakstellende reeks is gereserveerd als dekking voor problematiek van het voorjaar 2018. Deze problematiek bestaat voornamelijk uit de uitbreiding van de klimaat- en energiedirecties, de versterking van de organisatie van SodM en het op orde brengen van de informatiebeveiliging. Het budget voor Nog onverdeeld dat bestemd is voor LNV, is vanaf 2019 overgeheveld naar de begroting van LNV.

Artikel 42 Apparaat (LNV)

De uitgaven voor artikel 50 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van het Ministerie van LNV. Voor 2019 en verder is dit budget daarom overgeheveld van de begroting van EZK naar artikel 50 op de begroting van LNV (hoofdstuk XIV). De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt op de begroting van LNV toegelicht.

Artikel 43 Nog onverdeeld (LNV)

Dit artikel betreft de post Nog onverdeeld van LNV. Voor 2019 en verder zijn de bedragen overgeheveld van de begroting van EZK naar artikel 51 Nog onverdeeld op de begroting van LNV. De horizontale ontwikkeling van de middelen wordt op de begroting van LNV toegelicht.

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

XIV LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

852,2

826,2

813,3

798,5

805,0

totaal niet-belastingontvangsten

 

88,6

75,8

73,2

66,8

62,4

11

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedsel

           
 

Uitgaven

 

595,3

584,2

585,4

569,8

576,3

 

Ontvangsten

 

40,0

38,5

37,9

37,9

35,0

12

Natuur en biodiversiteit

           
 

Uitgaven

 

118,3

122,1

114,8

115,6

115,6

 

Ontvangsten

 

45,9

34,5

32,6

26,1

23,9

50

Apparaat

           
 

Uitgaven

 

107,4

105,8

104,0

104,0

104,0

 

Ontvangsten

 

2,8

2,8

2,8

2,8

3,4

51

Nog onverdeeld

           
 

Uitgaven

 

31,2

14,1

9,1

9,1

9,1

Artikel 11 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

De uitgaven op artikel 11 bestaan voornamelijk uit de bijdragen van LNV aan de NVWA, RVO.nl en Wageningen Research en uit subsidies en opdrachten op het gebied van onder andere kennisontwikkeling, integraal voedselbeleid, mestbeleid en diergezondheid. De ontvangsten zien voornamelijk op het gebied van kennisontwikkeling, visserij en onttrekkingen uit begrotingsreserves. De lagere ontvangsten in 2019 ten opzichte van 2018 zit voornamelijk op minder onttrekkingen uit begrotingsreserves. De middelen op artikel 11 zijn in de jaren voor 2019 als artikel 6 onderdeel van de begroting van EZK geweest.

Artikel 12 Natuur en biodiversiteit

De uitgaven laten een gelijke trend zien en bestaan voornamelijk uit de bijdragen van LNV aan Staatsbosbeheer en RVO.nl, rente en aflossingen voor bestaande leningen en uit opdrachten voor Natuur en biodiversiteit op land en voor de Grote Wateren. De ontvangsten zien op landinrichtingsrente en verkoop van gronden en laten een dalende trend zien door een verlaging van de ontvangsten op landinrichtingsrente en door het wegvallen van ontvangsten door verkoop van gronden. De middelen op artikel 12 voor de jaren tot en met 2018 zijn als artikel 8 onderdeel van de begroting van EZK.

Artikel 50 Apparaat

De uitgaven voor artikel 50 hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van het Ministerie van LNV. Voor de jaren 2019 en verder is dit budget overgeheveld van artikel 42 van de begroting van EZK. De stijging van 2019 ten opzichte van de uitgaven in 2018 heeft te maken met de oprichting van het Ministerie van LNV.

Artikel 51 Nog onverdeeld

Voor de jaren 2019 en verder zijn de bedragen overgeheveld van de begroting van EZK naar de begroting van LNV. Dit betreft hoofdzakelijk het restant van de bij Voorjaarsnota toegekende middelen voor de herinrichting van LNV/EZK. Een groot deel van de toegekende middelen is verdeeld over de andere begrotingsartikelen. Het hier nog resterende bedrag betreft met name de voor de inrichting van LNV geraamde investeringen in ICT. Deze middelen zullen bij Najaarsnota 2018 en Voorjaarsnota 2019 worden verdeeld naar de relevante onderdelen. In de begroting van het Ministerie van EZK stonden deze middelen op artikel 43 Nog onverdeeld.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

34.598,3

36.135,4

36.341,2

36.591,3

36.823,7

37.644,3

totaal niet-belastingontvangsten

1.878,9

1.870,9

1.925,9

1.997,4

2.042,7

2.056,5

1

Arbeidsmarkt

           
 

Uitgaven

495,8

950,0

904,0

905,3

900,0

895,7

 

Ontvangsten

24,0

24,0

24,0

24,0

24,0

24,0

2

Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

           
 

Uitgaven

7.145,8

7.079,1

7.149,7

7.351,5

7.507,2

7.631,3

 

Ontvangsten

17,7

2,6

       

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,9

4

Jonggehandicapten

           
 

Uitgaven

3.282,3

3.359,4

3.440,6

3.470,5

3.444,9

3.460,0

 

Ontvangsten

25,6

         

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

114,6

157,1

128,0

130,3

138,5

148,7

 

Ontvangsten

3,4

         

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

7,8

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

7

Kinderopvang

           
 

Uitgaven

2.964,8

3.286,7

3.346,1

3.378,3

3.388,5

3.402,9

 

Ontvangsten

1.532,0

1.580,6

1.626,8

1.661,4

1.678,4

1.682,6

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

23,7

26,1

26,0

27,1

27,9

26,7

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

1,2

1,2

1,2

1,2

1,3

1,3

10

Tegemoetkoming ouders

           
 

Uitgaven

5.510,0

5.721,5

6.134,2

6.112,3

6.070,8

6.048,1

 

Ontvangsten

232,1

223,3

226,7

249,6

277,3

287,6

11

Uitvoeringskosten

           
 

Uitgaven

506,5

448,0

442,7

434,2

430,1

429,7

 

Ontvangsten

9,6

         

12

Rijksbijdragen

           
 

Uitgaven

13.850,6

14.246,0

13.997,7

13.834,9

13.883,2

14.542,0

 

Ontvangsten

2,5

         

13

Integratie en maatschappelijke samenhang

           
 

Uitgaven

323,5

312,0

246,6

209,4

198,2

195,5

 

Ontvangsten

1,6

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

96

Apparaat

           
 

Uitgaven

314,9

331,6

345,7

363,8

375,2

372,4

 

Ontvangsten

30,0

39,1

47,4

61,3

61,9

61,4

98

Algemeen

           
 

Uitgaven

33,0

34,8

27,8

28,3

28,7

28,6

 

Ontvangsten

0,4

0,4

       

99

Nominaal en onvoorzien

           
 

Uitgaven

23,1

173,6

142,6

335,8

420,8

452,9

Artikel 1 Arbeidsmarkt

De oploop vanaf 2019 binnen dit beleidsartikel komt voornamelijk doordat vanaf 2019 LKV en jeugd-LIV uitbetaald zullen worden. Dit zijn regelingen voor werkgevers, met het doel om werknemers met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden.

Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagen

De uitgaven op artikel 2 lopen op, met name als gevolg van een oplopend macrobudget Participatiewet. Deze oploop hangt samen met de invoering van een aantal wetswijzigingen vanaf 2015 (zoals de invoering Participatiewet) en het extra beroep op de bijstand als gevolg van de verhoogde asielinstroom. Daarnaast nemen ook de uitgaven aan de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werkloze werknemers (IOAW) de komende twee jaar toe. Dit komt door een hogere IOAW-instroom door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur (mensen stromen in na 3 jaar WW) en vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd waardoor mensen langer in de IOAW zitten. Vanaf 2020 is de gunstige conjunctuur terug te zien en zullen naar verwachting minder mensen gebruik maken van de IOAW. De uitgaven aan de Toeslagenwet (TW) nemen de komende jaren af. De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten.

Artikel 4 Jonggehandicapten

De verwachte uitgaven stijgen in de eerste jaren na 2018 vooral doordat de gemiddelde uitkering stijgt. Dit komt onder andere doordat de nieuwe instroom duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft en daarom een volledige uitkering zal ontvangen, terwijl van de personen die uitstromen een deel slechts een gedeeltelijke uitkering heeft, omdat zij wel werken.

Artikel 5 Werkloosheid

Voor 2018 betreft dit naast de IOW-uitgaven voor een groot deel uitgaven aan de tijdelijke regeling tegemoetkoming dagloonbesluit. De tegemoetkoming dagloonbesluit leidt alleen in 2018 tot uitgaven. Vanaf 2019 liggen de uitgaven dus lager, omdat het dan weer vrijwel alleen IOW-uitgaven betreft. De IOW-uitgaven nemen meerjarig toe, omdat de gemiddelde IOW-duur toeneemt als gevolg van de WW-duurverkorting en de AOW-leeftijdsverhoging.

Artikel 7 Kinderopvang

De grootste post op dit artikel betreft de uitgaven kinderopvangtoeslag. De stijging in 2019 komt grotendeels door de intensivering uit het Regeerakkoord. Daarnaast leidt de gunstige conjuncturele ontwikkeling in 2019 tot een hoger gebruik van kinderopvang in dat jaar. Omdat het gebruik van kinderopvang naar verwachting als gevolg van de intensivering uit het Regeerakkoord geleidelijk verder toeneemt (gedragseffect), stijgen de uitgaven ook in latere jaren.

Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang

De uitgaven op dit beleidsartikel nemen de komende jaren af vanwege de afnemende instroom van vluchtelingen. Dat is van invloed op de uitgaven voor voorinburgering, maatschappelijke begeleiding en het leenstelsel, evenals kleinere posten zoals uitvoeringskosten DUO. Daarnaast nemen de uitgaven Remigratieregeling af, doordat de aanscherping van de Remigratiewet in 2013 nu zichtbaar begint te worden.

Artikel 96 Apparaat

Meerjarig stijgen de uitgaven enerzijds vanwege de opbouw van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) en anderzijds vanwege het bij regeerakkoord toevoegen van meerjarige middelen aan de begroting van SZW voor het versterken van de handhavingsketen volgens het Inspectie Control Framework (ICF).

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

14.775,1

16.392,8

18.967,3

21.419,6

22.758,9

24.180,3

totaal niet-belastingontvangsten

126,5

87,6

82,9

82,9

82,9

82,9

1

Volksgezondheid

           
 

Uitgaven

674,7

730,8

683,9

676,4

695,0

691,5

 

Ontvangsten

8,4

11,9

11,9

11,9

11,9

11,9

2

Curatieve zorg

           
 

Uitgaven

3.490,9

3.174,9

3.257,7

3.295,5

3.387,0

3.458,0

 

Ontvangsten

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

3

Langdurige zorg en ondersteuning

           
 

Uitgaven

3.975,8

5.165,0

7.463,0

9.631,7

10.563,3

11.532,9

 

Ontvangsten

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

3,4

4

Zorgbreed beleid

           
 

Uitgaven

1.163,5

1.210,8

1.140,8

1.105,8

1.016,7

1.005,2

 

Ontvangsten

71,0

58,7

58,4

58,4

58,4

58,4

5

Jeugd

           
 

Uitgaven

134,3

101,1

103,0

85,1

74,0

71,2

 

Ontvangsten

4,5

4,5

0,1

0,1

0,1

0,1

6

Sport en bewegen

           
 

Uitgaven

92,8

409,5

407,2

409,7

411,3

413,0

 

Ontvangsten

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

7

Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

           
 

Uitgaven

280,0

260,8

245,2

230,3

215,7

201,6

 

Ontvangsten

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

           
 

Uitgaven

4.609,3

5.051,8

5.385,2

5.703,8

6.126,8

6.541,0

9

Algemeen

           
 

Uitgaven

35,6

21,7

21,7

27,0

21,7

21,7

 

Ontvangsten

0,6

         

10

Apparaatsuitgaven

           
 

Uitgaven

344,6

297,7

291,3

286,8

279,9

276,8

 

Ontvangsten

35,8

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

11

Nominaal en Onvoorzien

           
 

Uitgaven

– 26,4

– 31,2

– 31,6

– 32,7

– 32,4

– 32,7

Artikel 1 Volksgezondheid

De uitgaven op artikel 1 vertonen een piek in 2019 vanwege de eenmalige inhaalvaccinatie voor de leeftijdscohorten van 15-, 16- en 17-jarigen (30 mln. in 2019) tegen de meningokokkenziekte. Dalende uitgaven in de jaren 2019–2021 aan subsidies voor ziektepreventie verklaren gedeeltelijk de afloop in latere jaren.

Artikel 2 Curatieve zorg

De afloop van de uitgaven op dit artikel tussen 2018 en 2019 wordt grotendeels verklaard door de afloop in de rijksbijdrage aan het zorgverzekeringsfonds die voor 4 jaar is afgesproken om het effect van de overhevelingen naar de Zvw in het kader van de hervorming langdurige zorg op de premie te dempen. Vanaf 2019 draagt voornamelijk de stijging van de rijksbijdrage 18- bij aan de stijging van artikel 2.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

Dit artikel neemt aan de uitgavenkant toe door een stijging van de Rijksbijdrage Wlz en de Bijdrage In Kosten van Kortingen (BIKK) in de Wlz. De Rijksbijdrage Wlz is geïntroduceerd zodat het vermogen van het Fonds langdurige zorg grosso modo op nul wordt gehouden. Door de stijgende Wlz uitgaven neemt ook de Rijksbijdrage de komende jaren toe. De hoogte van de BIKK hangt o.a. samen met de ontwikkeling van de heffingskortingen in de inkomensbelasting. Deze rijksbijdrage compenseert het Wlz-fonds voor wijzigingen in de ontvangsten die ontstaan door de ontwikkeling van de heffingskortingen.

Artikel 4 Zorgbreed Beleid

De uitgaven op artikel 4 stijgen in 2019 en nemen daarna geleidelijk af. Dit is onder andere het gevolg van de uitgaven aan de onderzoeksprogramma’s van ZonMw. Deze uitgaven bedragen 165,3 mln. in 2018, 197,4 mln. in 2019 en lopen daarna geleidelijk af tot 129 mln. in 2023. Een deel van de transitiekosten van het kwaliteitskader verpleeghuissector (67,5 mln.) loopt tot en met 2021. Dit verklaart een deel van de afloop tussen 2021 en 2022. De zorgkosten voor zorg op Caribisch Nederland zorgen voor een stijging van 117,2 mln. in 2018 tot 139,1 mln. in 2023.

Artikel 5 Jeugd

Het artikel Jeugd laat een afname zien van de uitgaven. In 2018 is het budget hoger dan in latere jaren doordat er tijdelijk extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor transitiekosten van de decentralisatie van het jeugdbeleid. Daarnaast daalt de subsidie voor jeugdhulp van 91,7 mln. in 2020 structureel naar 73,4 mln. in 2021 omdat de subsidieregeling overgang bekostiging huisvesting gesloten jeugdzorg afloopt in 2020.

Artikel 6 Sport en Bewegen

De oploop tussen 2018 en latere jaren is het gevolg van de overdracht van de budgettaire verantwoordelijkheid van de BTW-vrijstelling voor sportclubs per 2019 van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van VWS. VWS voert hiertoe sportaccommodatiebeleid gericht op bouw en onderhoud, duurzaamheid en toegankelijkheid van sportaccommodaties. De bijbehorende middelen zijn onderverdeeld in een specifieke uitkering voor gemeenten (152 mln.) en een subsidieregeling voor sportverenigingen, stichtingen en andere niet winst beogende investeerders in sportaccommodaties (87 mln.). Daarnaast heeft de jaarlijkse storting in het Gemeentefonds voor buurtsportcoaches van ca. 47 mln. in 2018 al plaatsgevonden maar in de latere jaren nog niet.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinneringen Tweede Wereldoorlog

Door afname van het aantal verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII dalen de uitgaven aan pensioenen en uitkeringen op dit artikel.

Artikel 8 Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten

De toename van de uitgaven op dit artikel geeft met name de ontwikkeling van de zorgtoeslag weer. De stijging van de zorgtoeslag is grotendeels het gevolg van de toename van de zorgpremie.

Artikel 9 Algemeen

Het verschil tussen 2018 en latere jaren ontstaat door een eenmalig hogere eigenaarsbijdrage aan het RIVM (23,8 mln. in 2018 en 15,7 mln. in latere jaren) en eenmalige eigenaarsbijdrage aan het CIBG (8,3 mln. in 2018).

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

De uitgaven op dit artikel dalen na 2018 en hebben vanaf 2020 een stabiel verloop. Een deel van de piek in de uitgaven en ontvangsten in 2018 wordt veroorzaakt door overhevelingen en desalderingen ten behoeve van de projectdirectie Antoni van Leeuwenhoekterrein (35,8 mln.).

Artikel 11 Nominaal en Onvoorzien

Het verloop op dit artikel wordt grotendeels verklaard door nog niet uitgekeerde loon- en prijsbijstelling (6 mln.) en de taakstellende onderuitputting op de VWS-begroting (-41 mln.). De taakstellende onderuitputting wordt in de loop van het jaar concreet ingevuld met onderuitputting waarvan bij aanvang van het jaar nog niet bekend is waar deze precies optreedt.

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

XVII BUITENLANDSE HANDEL & ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

           

totaal niet-belastingontvangsten

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

9,4

45

Versterkte kaders voor ontwikkeling

           
 

Ontvangsten

15,7

13,4

13,1

9,8

9,6

9,4

Relatie begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De begroting van het ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bestaat uit HGIS-uitgaven, HGIS-ontvangsten en niet-HGIS-ontvangsten. De HGIS-uitgaven en -ontvangsten worden toegelicht in de horizontale toelichting van de HGIS. De niet-HGIS-ontvangsten worden hieronder toegelicht.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

De fluctuaties in de ontvangsten betreffen rente-inkomsten en restituties uit leningen van de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO). Deze NIO-leningen zijn in het verleden aangegaan en lopen tot uiterlijk 2038. Tot die tijd worden de ontvangsten uit rente en restituties verantwoord op de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Sociale Verzekeringen

SOCIALE VERZEKERINGEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

56.860,4

58.424,0

61.012,8

62.764,2

64.881,1

67.918,8

totaal niet-belastingontvangsten

323,0

310,3

321,4

332,3

342,5

353,0

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

9.778,2

10.237,3

10.737,8

11.214,6

11.721,6

12.150,7

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

4.290,2

3.739,6

3.598,3

3.730,9

3.997,0

4.280,7

 

Ontvangsten

323,0

310,3

321,4

332,3

342,5

353,0

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

2.779,4

2.899,3

3.811,4

3.662,9

3.559,8

3.709,2

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

38.172,6

39.603,8

40.836,8

42.080,4

43.445,6

45.577,7

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

376,6

365,1

361,6

359,2

355,7

344,0

11

Uitvoeringskosten

           
 

Uitgaven

1.463,3

1.578,9

1.666,9

1.716,3

1.801,4

1.856,4

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid

De totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA/WAZ) laten in de periode 2018–2023 een stijging zien. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen langer doorlopen. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 5 Werkloosheid

Het CPB verwacht dat de werkloosheid de komende jaren zal dalen, maar vanaf 2020 weer geleidelijk stijgt. Als gevolg van deze werkloosheidsontwikkeling vertoont het WW-volume de eerste jaren een dalend verloop en neemt het volume in latere jaren toe. De WW-uitkeringslasten ontwikkelen zich in lijn met deze volumeontwikkeling. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 6 Ziekte en zwangerschap

In het regeerakkoord is opgenomen dat het geboorteverlof en adoptieverlof vanaf 2019 worden verlengd. Daarnaast wordt vanaf 2020 het aanvullend geboorteverlof ingevoerd. Hierdoor stijgen de uitgaven. De stijging van 2019 naar 2020 is grotendeels het gevolg van het feit dat werkgevers vanaf 2020 compensatie kunnen aanvragen voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij het ontslag van langdurig zieke werknemers. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 8 Oudedagsvoorziening

De uitgaven aan de oudedagsvoorziening (de AOW en inkomensondersteuning AOW (IOAOW)) stijgen de komende jaren voornamelijk door een toename van het volume. Als gevolg van de vergrijzing neemt het AOW-volume de komende jaren toe, ondanks de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. In 2023 stijgen de AOW-uitgaven harder omdat in dat jaar de AOW-leeftijd niet wordt verhoogd. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 9 Nabestaanden

De uitkeringslasten dalen voornamelijk omdat de groep nabestaanden die bij inwerkingtreding van de huidige Anw al recht hadden op diens voorganger, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de komende jaren voor een groot deel uitstroomt vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. Tegelijkertijd zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Artikel 11 Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten van het UWV en de SVB wijzigen de komende jaren als gevolg van beleidswijzigingen en als gevolg van volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten. Daarnaast zorgt de nominale ontwikkeling voor een stijging in de uitgaven.

Premiegefinancierd Budgettair Plafond Zorg

PREMIEGEFINANCIERD BUDGETTAIR PLAFOND ZORG
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

69.183,5

74.089,9

78.437,8

82.696,8

87.124,6

92.459,4

totaal niet-belastingontvangsten

5.045,8

4.983,2

5.094,8

5.209,8

5.428,8

5.723,6

11

Zorgverzekeringswet

           
 

Uitgaven

47.619,1

50.359,8

52.549,8

54.607,4

56.931,6

60.337,8

 

Ontvangsten

3.207,7

3.114,9

3.147,9

3.181,3

3.315,2

3.498,0

12

Wet langdurige zorg

           
 

Uitgaven

21.564,4

23.730,1

25.888,0

28.089,4

30.193,0

32.121,6

 

Ontvangsten

1.838,1

1.868,3

1.946,9

2.028,5

2.113,6

2.225,6

Zorgverzekeringswet

De raming van de groei van de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) in de periode 2018–2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. De groei in 2022 en 2023 betreft een technische extrapolatie gebaseerd op deze raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling in combinatie met open pakketinstroom en epidemiologie. De groei is beperkt doordat VWS hoofdlijnenakkoorden heeft afgesloten met verschillende Zvw-sectoren en doordat VWS verschillende maatregelen neemt op het gebied van genees- en hulpmiddelen.

Wet langdurige zorg

De raming van de groei van de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) in de periode 2018 t/m 2021 is gebaseerd op de middellangetermijnraming van het CPB. De groei in 2022 en 2023 betreft een technische extrapolatie gebaseerd op deze raming van het CPB. Deze groei wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling en epidemiologie. Vanaf 2018 zijn de kosten voor de volledige implementatie van het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg in de Wlz-standen verwerkt. Hierbij is sprake van een ingroeipad om aan de personeelsnorm van het kwaliteitskader te kunnen voldoen. De structurele meerkosten van het kwaliteitskader komen uit op ruim 2 mld.

Gemeentefonds

B GEMEENTEFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

29.257,0

29.129,7

29.023,9

28.856,6

28.681,8

28.504,5

totaal niet-belastingontvangsten

0,2

         

2

Onderzoek

           
 

Uitgaven

2,7

1,7

1,7

2,0

2,0

2,0

 

Ontvangsten

0,2

         

3

Programma

           
 

Uitgaven

19.201,7

24.817,3

24.819,2

24.695,9

24.563,4

24.426,9

4

Integratie-uitkering sociaal domein

           
 

Uitgaven

10.052,6

4.310,7

4.203,0

4.158,7

4.116,4

4.075,7

Artikel 2 Onderzoek

Dit artikel heeft in het verleden voornamelijk tot doel gehad om bijdragen te doen aan derden, zoals de VNG en de Waarderingskamer. Nadat de Auditdienst Rijk bijdragen aan derden vanuit het gemeentefonds als onrechtmatig heeft aangemerkt zijn afspraken gemaakt om deze betalingen te beëindigen. Vanaf 2019 is dit artikel uitsluitend bedoeld voor kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van het gemeentefonds. In het bijzonder voor onderzoek.

Artikel 3 Programma

De toename in 2019 wordt met name verklaard door de accrestranche 2019 en door diverse onderdelen van de integratie-uitkering sociaal domein (artikel 4) die structureel worden overgeheveld naar de algemene uitkering. Ook worden er onder andere structurele middelen aan de algemene uitkering toegevoegd ten behoeve van het abonnementstarief WMO en de overgang van de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma. De aflopende reeks die vanaf 2020 zichtbaar is wordt grotendeels verklaard door de maatregel lagere apparaatskosten gemeenten en door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn en aflopen.

Artikel 4 Integratie-uitkering sociaal domein

De afname in 2019 wordt met name verklaard doordat diverse onderdelen van de integratie-uitkering sociaal domein structureel worden overgeheveld naar de algemene uitkering (artikel 3). De daling in dit budget die in latere jaren zichtbaar is hangt vooral samen met de aflopende reeks van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Dit komt doordat dit een afgesloten regeling is waarbij geen nieuwe instroom is, maar wel uitstroom.

Provinciefonds

C PROVINCIEFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

2.314,2

2.407,7

2.372,0

2.270,9

2.250,7

2.240,7

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Provinciefonds

           
 

Uitgaven

2.314,2

2.407,7

2.372,0

2.270,9

2.250,7

2.240,7

Artikel 1 Provinciefonds

De toename wordt verklaard door toevoeging van de accrestranche 2019. De aflopende reeks die in latere jaren zichtbaar wordt, wordt grotendeels verklaard door diverse decentralisatie-uitkeringen die tijdelijk van aard zijn en aflopen. Een deel van de aflopende reeks wordt verklaard door de maatregel minder provincies die uiteindelijk niet is doorgevoerd, maar waarvan de bijbehorende korting op het provinciefonds is gehandhaafd.

Infrastructuurfonds

A INFRASTRUCTUURFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

6.201,0

7.368,0

7.177,8

7.155,7

6.687,7

6.805,5

totaal niet-belastingontvangsten

6.201,0

7.368,0

7.177,8

7.155,7

6.687,7

6.805,5

12

Hoofdwegennet

           
 

Uitgaven

2.618,7

3.099,6

2.948,6

3.035,2

2.797,3

3.075,3

 

Ontvangsten

107,3

73,1

112,4

104,8

135,2

58,3

13

Spoorwegen

           
 

Uitgaven

2.097,2

2.009,4

2.064,0

1.918,4

1.912,5

1.819,0

 

Ontvangsten

255,9

195,4

189,0

194,6

200,2

205,0

14

Regionaal, lokale infra

           
 

Uitgaven

199,8

192,8

158,4

69,6

47,3

1,8

15

Hoofdvaarwegennet

           
 

Uitgaven

873,1

1.291,4

1.187,7

1.067,8

862,4

762,6

 

Ontvangsten

76,9

105,6

149,7

85,2

14,7

 

17

Megaprojecten Verkeer en Vervoer

           
 

Uitgaven

377,0

692,1

717,7

934,5

878,0

771,7

 

Ontvangsten

154,5

72,0

89,2

106,6

28,5

20,4

18

Overige uitgaven en ontvangsten

           
 

Uitgaven

18,1

0,9

0,8

     
 

Ontvangsten

91,1

         

19

Bijdrage andere begrotingen Rijk

           
 

Ontvangsten

5.515,2

6.921,9

6.637,5

6.634,5

6.309,1

6.504,2

20

Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

           
 

Uitgaven

17,0

81,9

100,6

130,2

190,1

375,2

 

Ontvangsten

     

30,0

 

17,5

Artikel 12 Hoofdwegennet

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor aanleg en beheer, vervanging en onderhoud van hoofdwegennet. De fluctuaties hangen samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen) in de komende jaren, het toegevoegde saldo 2017 in 2018 en de middelen die vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Verhoging Infrastructuurfonds beschikbaar zijn gesteld (toegevoegd bij 1e suppletoire begroting 2018). De hogere uitgaven in 2023 worden verklaard door de aanlegprojecten waaronder A27 Houten-Hooipolder, A4 Haaglanden en A28 Knooppunt Hoevelaken.

Artikel 13 Spoorwegen

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor de aanleg en beheer, vervanging en onderhoud van spoorwegen. De fluctuaties zijn het gevolg van de variatie in het kasritme bij projecten en het aanpassen van de budgetten aan de beschikbare capaciteit voor spoorwerkzaamheden. Daarnaast zijn de middelen die vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Verhoging Infrastructuurfonds beschikbaar zijn gesteld (toegevoegd bij 1e suppletoire begroting 2018) een verklaring voor de hogere budgetten in de eerste jaren.

Artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur

De uitgaven op dit artikel hangen samen met grote projecten die regionale overheden aanleggen. De fluctuatie van de budgetten is groot door de planning van deze grote regionale projecten. Zo worden er in de periode 2018–2020 hogere uitgaven verwacht door onder andere de regionale projecten Utrecht Tram naar de Uithof, de Ombouw Amstelveenlijn, de Rotterdamsebaan en HOV-NET Zuid-Holland Noord. Aanvullend worden er in deze periode uitgaven gedaan aan het Regiospecifiek Pakket Zuiderzeelijn.

Artikel 15 Hoofdvaarwegennet

De toename van de uitgaven en ontvangsten in de jaren 2019 en 2020 wordt enerzijds veroorzaakt door de aanleg van de Nieuwe Sluis Terneuzen waar ook derden aan bijdragen.

Artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer

De uitgaven op dit artikel lopen op doordat de uitgaven voor de megaprojecten ERTMS, PHS en ZuidasDok sterk oplopen richting 2022. De geraamde ontvangsten betreffen voornamelijk de bijdragen van medeoverheden aan het project ZuidasDok.

Artikel 18 Overige uitgaven en ontvangsten

De budgetten op dit artikel bestaan voor de periode 2018–2020 hoofdzakelijk uit een reservering voor de implementatie van de Omgevingswet. De piek in de budgetten voor 2018 wordt verklaard door het surplus aan eigen vermogen 2017 bij Rijkswaterstaat dat conform de Regeling agentschappen wordt afgeroomd en wordt toegevoegd aan het Infrastructuurfonds. De ontvangsten in 2018 zijn dit eigen vermogen en het toegevoegde voordelig saldo 2017.

Artikel 19 Bijdragen andere begrotingen Rijk

Dit artikel betreft de voeding van het Infrastructuurfonds vanuit de begroting van IenW (XII). Het verloop, lager budget in 2018 en een hoger budget in 2019 komt voort vanuit de toegevoegde Regeerakkoordmiddelen en een schuif daarvan vanuit 2018 naar de jaren 2020 en 2021. Deze is ook verwerkt op de artikelen Hoofdwegennet, Spoorwegen en Megaprojecten Verkeer en Vervoer.

Artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

Op dit artikel staan de planflexibele middelen van het Infrastructuurfonds. Dit artikel is geïntroduceerd bij Ontwerpbegroting 2019. De middelen bestaan uit de vrije investeringsruimte afkomstig van artikel 12, 13 en 15 en reserveringen voor gebiedsprogramma’s, middelen voor beheer en onderhoud infrastructuur BES vanuit het Regeerakkoord Rutte III en middelen voor korte termijn mobiliteitsmaatregelen.

Diergezondheidsfonds

F DIERGEZONDHEIDSFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

totaal niet-belastingontvangsten

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

1

Bewaking en bestrijding van dierziekten

           
 

Uitgaven

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

 

Ontvangsten

53,9

34,6

34,6

34,6

34,6

34,6

Bewaking en bestrijding van dierziekten – Uitgaven

De uitgaven voor 2019 zijn bijgesteld als gevolg van nieuwe aanbestedingen en realisatie in voorgaande jaren. De prognose voor 2020 en verdere jaren is voor de totale uitgaven conform de vigerende begrotingssystematiek gelijk gesteld aan de begroting 2019.

Bewaking en bestrijding van dierziekten – Niet-belastingontvangsten

De bijdrage LNV is in verband met de voorfinanciering van de sectorbijdrage in voorgaande jaren voor zowel 2018 als 2019 met € 6 mln. verlaagd tot € 4,4 mln. per jaar. De totale ontvangsten zijn conform de vigerende begrotingssystematiek gelijkgesteld aan de uitgaven. De prognose voor 2020 en verdere jaren is net zoals de uitgaven gelijk gesteld aan de begroting 2019.

Accres Gemeentefonds

ACCRES GEMEENTEFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

302,6

1.434,9

2.373,1

3.496,1

4.721,1

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Accres gemeentefonds

           
 

Uitgaven

   

1.010,6

1.847,7

2.849,5

3.941,4

2

Reservering BCF

           
 

Uitgaven

 

302,6

424,3

525,4

646,6

779,7

Accres gemeentefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2018 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2018 en 2019 zijn overgeboekt naar het gemeentefonds.

Reservering Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en het provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en het provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het gemeentefonds en het provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

Accres Provinciefonds

ACCRES PROVINCIEFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

41,8

153,4

244,7

350,8

466,3

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Accres provinciefonds

           
 

Uitgaven

   

94,2

171,1

259,8

356,2

2

Reservering BCF

           
 

Uitgaven

 

41,8

59,2

73,7

91,0

110,0

Accres provinciefonds

Het accres kent jaarlijks twee bijstellingsmomenten, Voorjaarsnota en Miljoenennota, en één vaststellingsmoment, bij het Financieel Jaarverslag Rijk. Op basis van dit vastgestelde accrespercentage heeft de afrekening dit voorjaar plaats gevonden. De accressen voor de jaren 2018 e.v. zijn aangepast aan de uitkomsten van de normeringssystematiek. De geraamde accressen voor 2018 en 2019 zijn overgeboekt naar het provinciefonds.

Btw compensatiefonds (BCF)

Het plafond van het BCF is per 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds. Het plafond wordt aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en het provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds en het provinciefonds. De toevoeging of onttrekking wordt over het gemeentefonds en het provinciefonds verdeeld conform de aandelen gezamenlijke gemeenten en provincies in het BCF in het gerealiseerde jaar.

BES-fonds

H BES-FONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

42,0

38,3

33,5

33,3

33,4

33,4

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

BES-fonds

           
 

Uitgaven

42,0

38,3

33,5

33,3

33,4

33,4

Artikel 1 BES-fonds

Via het BES-fonds krijgen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) middelen toebedeeld om hun publieke taken naar behoren uit te voeren. In 2018 en 2019 liggen de uitgaven hoger omdat rekening is gehouden met wisselkoersverschillen.

Deltafonds

J DELTAFONDS
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

1.102,9

1.042,9

1.118,1

1.104,9

1.263,5

1.271,8

totaal niet-belastingontvangsten

1.102,9

1.042,9

1.118,1

1.104,9

1.263,5

1.271,8

1

Investeren in waterveiligheid

           
 

Uitgaven

499,7

407,2

472,0

483,6

633,1

448,8

 

Ontvangsten

201,0

165,8

190,7

157,3

155,4

153,7

2

Investeren in zoetwatervoorziening

           
 

Uitgaven

27,2

25,2

47,9

42,8

1,5

2,8

 

Ontvangsten

0,8

3,0

0,0

     

3

Beheer, Onderhoud en vervanging

           
 

Uitgaven

191,8

180,3

128,0

137,6

138,4

160,8

4

Experimenteren cf. art.111 Deltawet

           
 

Uitgaven

27,4

32,5

28,8

42,6

53,2

234,9

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

           
 

Uitgaven

314,4

313,3

314,3

310,9

305,3

330,2

 

Ontvangsten

28,1

         

6

Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XII

           
 

Ontvangsten

872,5

874,0

927,4

947,6

1.108,1

1.118,1

7

Investeren in Waterkwaliteit

           
 

Uitgaven

42,5

84,4

127,2

87,4

131,9

94,4

 

Ontvangsten

0,5

         

Artikel 1 Investeren in waterveiligheid

De jaarlijkse uitgaven en ontvangsten op het artikel investeren in waterveiligheid variëren. Het verloop hangt samen met de planning van de uitgaven van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen). De hogere uitgaven in 2022 worden verklaard door een piek in de overige aanleg projecten waterveiligheid, met name het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

Artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening

Op dit artikel worden de producten op het gebied van zoetwatervoorziening verantwoord. De daling van budgetten na 2021 hangt samen de afloop van het Deltaplan Zoetwater waarbij maatregelen worden genomen in de periode 2015–2021. De hogere budgetten in 2020 en 2021 hangen samen met het realisatieprogramma zoetwatervoorziening waar verschillende uitgaven via subsidies, waterschappen en het Provinciefonds onder vallen.

Artikel 3 Beheer, Onderhoud en vervanging

De budgetten voor beheer, onderhoud en vervanging van zowel waterveiligheid (bescherming tegen overstromen door hoogwater) als de zoetwatervoorziening tonen een lagere stand in 2020, 2021 en 2022. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het verloop van de uitgaven van de diverse projecten, waaronder het project GVO Stuwen in de Lek.

Artikel 4 Experimenteren cf. artikel111 Deltawet

In 2018 is het DBFM-contract voor het project Afsluitdijk ondertekend. De DBFM-omzetting heeft plaatsgevonden waarbij een beschikbaarheidsvergoeding in het benodigde kasritme voor het project Afsluitdijk is geplaatst op dit artikel. Het verloop op dit artikel wordt hier sterk door beïnvloed.

Artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

Op dit artikel worden de apparaatskosten van RWS en de Deltacommisaris geraamd en de investeringsruimte. Ook worden op dit artikel de overige netwerkgebonden uitgaven van RWS en programma-uitgaven van de Deltacommissaris geraamd. Dit zijn uitgaven die niet direct aan de afzonderlijke projecten uit het Deltafonds zijn toe te wijzen, zoals kosten voor de landelijke taken basisinformatie, ICT en kennisontwikkeling & innovatie. De hogere uitgaven in 2023 worden veroorzaakt door een kleine oploop in de investeringsruimte.

Artikel 6 Bijdragen ten laste van begroting Hoofdstuk XII

Dit artikel betreft de voeding van het Deltafonds vanuit de begroting van IenW (XII).

Artikel 7 Investeren in Waterkwaliteit

Op dit artikel worden maatregelen op gebied van waterkwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) verantwoord. De piek in 2020 wordt vooral verklaard door het budget voor de Verruiming vaargeul Westerschelde, waarbij het zwaartepunt van uitgaven aan onder andere wrakkenberging en vaargeulwandverdediging in dat jaar zijn voorzien. Het budget voor de realisatie van de 2e en 3e tranche KRW heeft een piek in 2022. Daarnaast zijn aan dit artikel in de jaren 2018 – 2020 middelen vanuit het Regeerakkoord Rutte III voor Natuur en waterkwaliteit toegevoegd.

Prijsbijstelling

PRIJSBIJSTELLING
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

618,2

1.226,5

1.782,4

2.355,5

2.930,9

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

Rijksbegroting in enge zin

           
 

Uitgaven

 

540,5

1.042,9

1.510,2

1.992,2

2.475,0

2

SZA

           
 

Uitgaven

 

7,6

15,8

23,1

31,3

39,0

3

ZORG

           
 

Uitgaven

 

2,1

3,5

5,1

5,9

7,5

4

Niet-relevant

           
 

Uitgaven

 

68,1

164,2

244,0

326,1

409,3

11

Rijksbegroting in enge zin

           
 

Uitgaven

           

12

SZA

           
 

Uitgaven

           

13

ZORG

           
 

Uitgaven

           

14

Niet-relevant

           
 

Uitgaven

           

Op de aanvullende post Prijsbijstelling worden de middelen gereserveerd die worden gebruikt om de prijsgevoelige uitgaven op de diverse begrotingen te compenseren voor de prijsontwikkeling. Deze compensatie wordt jaarlijks van deze aanvullende post overgeboekt naar de departementale begrotingen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat voor elk jaar een tranche wordt gereserveerd om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

Arbeidsvoorwaarden

ARBEIDSVOORWAARDEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

2.005,4

3.906,7

5.662,0

7.423,1

9.177,4

totaal niet-belastingontvangsten

           

1

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng

           
 

Uitgaven

 

1.907,3

3.721,9

5.397,7

7.086,2

8.768,7

2

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ

           
 

Uitgaven

 

80,0

155,2

220,9

289,2

349,6

3

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z

           
 

Uitgaven

 

18,1

29,6

43,4

47,7

59,2

11

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Programma

           
 

Uitgaven

           

12

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-eng Apparaat

           
 

Uitgaven

           

21

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZ Programma

           
 

Uitgaven

           

31

arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn Z Programma

           
 

Uitgaven

           

42

indexering rijksbijdragen Apparaat

           
 

Uitgaven

           

Op de aanvullende post Arbeidsvoorwaarden worden middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.

Koppeling Uitkeringen

KOPPELING UITKERINGEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

 

450,9

918,4

1.398,8

1.876,8

2.390,8

totaal niet-belastingontvangsten

 

34,0

69,2

105,2

142,5

148,7

2

Bijstand, Prticipatiewet en Toeslagenwet

           
 

Uitgaven

 

144,4

311,7

485,6

651,4

826,3

3

Arbeidsongeschiktheid

           
 

Uitgaven

 

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

4

Jonggehandicapten

           
 

Uitgaven

 

85,9

186,7

286,0

386,8

496,5

5

Werkloosheid

           
 

Uitgaven

 

2,1

5,9

10,2

15,1

20,8

6

Ziekte en zwangerschap

           
 

Uitgaven

 

0,1

0,2

0,3

0,4

0,4

7

Kinderopvang

           
 

Uitgaven

 

120,9

194,0

267,8

350,5

438,8

 

Ontvangsten

 

29,7

58,5

89,2

121,2

121,2

8

Oudedagsvoorziening

           
 

Uitgaven

 

0,5

1,0

1,6

2,2

2,1

9

Nabestaanden

           
 

Uitgaven

 

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

10

Tegemoetkoming ouders

           
 

Uitgaven

 

97,0

218,7

347,1

470,2

605,6

 

Ontvangsten

 

4,2

10,7

16,0

21,4

27,6

Op hoofdstuk 83 Koppeling Uitkeringen worden de uitgaven voor de indexering van de begrotingsgefinancierde sociale-zekerheidsuitgaven geraamd. De mutaties in uitgaven op de artikelen komen met name tot stand door aanpassingen van de WKA (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden)-index, door wijzigingen in prijsontwikkeling en door grondslageffecten bij de uitkeringen en programma-uitgaven. Aanpassing van de WKA-index en prijsontwikkeling vinden plaats op basis van cijfers van CPB en CBS. De uitgaven betreffen jaarlijkse tranches voor de komende vijf jaar, dit verklaart de oploop op de verschillende artikelen.

Algemeen

ALGEMEEN
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

620,1

2.485,2

1.883,5

1.933,1

2.816,6

2.655,6

totaal niet-belastingontvangsten

           

4

Eindejaarsmarge

           
 

Uitgaven

 

– 52,8

– 913,0

– 1.000,0

   

55

Diversen

           
 

Uitgaven

467,6

648,0

307,8

320,5

399,2

413,5

81

RA Openbaar bestuur

           
 

Uitgaven

 

202,1

230,6

225,0

200,0

200,0

82

RA Veiligheid

           
 

Uitgaven

54,5

238,8

175,6

203,6

227,1

157,1

83

RA Defensie

           
 

Uitgaven

 

110,0

110,0

110,0

110,0

110,0

84

RA Bereikbaarheid

           
 

Uitgaven

           

85

RA Milieu

           
 

Uitgaven

 

300,0

656,0

908,0

830,0

828,0

86

RA Landbouw

           
 

Uitgaven

 

126,0

129,0

61,0

25,0

15,0

87

RA Onderwijs, onderzoek en innovatie

           
 

Uitgaven

 

95,3

107,9

213,9

326,9

326,8

88

RA Zorg

           
 

Uitgaven

 

44,2

47,4

30,7

37,8

25,1

89

RA Sociale zekerheid

           
 

Uitgaven

   

110,0

110,0

110,0

100,0

90

RA Overdrachten bedrijven

           
 

Uitgaven

30,0

500,0

500,0

500,0

500,0

470,0

92

RA Overige uitgaven

           
 

Uitgaven

68,0

273,7

422,2

250,4

50,6

10,0

Op de Aanvullende Post Algemeen staan middelen waarvan op het moment van reservering de definitieve aanwending nog niet kan worden aangegeven. Dit betreffen onder andere Regeerakkoordmiddelen. Daarnaast staat op de Aanvullende Post de in=uit-taakstelling op artikel 4 eindejaarsmarge.

Artikel 4 Eindejaarsmarge

Departementen kunnen onbestede middelen in 2017 met behulp van de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2018. HGIS-middelen kunnen worden doorgeschoven naar de drie opvolgende jaren. Als tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling op de Aanvullende Post ingeboekt, onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge. De in=uit-taakstelling is voor begrotingsjaar 2018 reeds ingevuld.

Daarnaast is de verwachte onderuitputting en de bijbehorende eindejaarsmarge voor de investeringen bij Defensie en het voordelig saldo voor de investeringen bij IenW budgettair verwerkt. Hiervoor geldt reeds een 100% eindejaarsmarge; op de verwerking hiervan wordt nu binnen de kabinetsperiode meerjarig geanticipeerd zodat de middelen beschikbaar blijven voor besteding in latere jaren. Conform reguliere systematiek staat tegenover deze eindejaarsmarge staat een in=uittaakstelling van gelijke omvang. De in=uittaakstelling is daarmee voor 2020 en 2021 verhoogd.

Artikel 55 Diversen

De stand op artikel 55 wordt hoofdzakelijk gevormd door reserveringen voor de wederopbouw Sint Maarten, de BNI-revisie EU-afdrachten en Groningen. Daarnaast staan nog middelen gereserveerd voor de Investeringsagenda Belastingdienst en Generieke Digitale Infrastructuur.

Artikelen 81 t/m 92

Op de artikelen 81 tot en met 92 staan de intensiveringsmiddelen uit het Regeerakkoord gereserveerd die nog niet zijn overgeboekt naar de verschillende begrotingen. Over de nog niet uitgekeerde middelen zal nog besluitvorming plaatsvinden. Op basis van die besluitvorming zullen dan ook de resterende middelen worden overgeheveld naar de verschillende begrotingen. Voor een exacte uitsplitsing van de Regeerakkoordmiddelen zie ook bijlage 15: Regeerakkoordmiddelen op de Aanvullende Post.

Consolidatie

CONSOLIDATIE
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

totaal uitgaven

– 6.387,7

– 7.796,0

– 7.564,9

– 7.582,1

– 7.417,2

– 7.622,4

totaal niet-belastingontvangsten

– 6.387,7

– 7.796,0

– 7.564,9

– 7.582,1

– 7.417,2

– 7.622,4

1

Nog niet toegerekend

           
 

Uitgaven

– 6.387,7

– 7.796,0

– 7.564,9

– 7.582,1

– 7.417,2

– 7.622,4

 

Ontvangsten

– 6.387,7

– 7.796,0

– 7.564,9

– 7.582,1

– 7.417,2

– 7.622,4

De post Consolidatie wordt gebruikt voor het corrigeren van de Rijksbegroting voor dubbeltellingen die ontstaan door het brutoboeken van bijdragen. Het brutoboeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het ontvangende departement raamt daarnaast de te ontvangen bijdragen ook aan de ontvangstenkant van de begroting. Hierdoor wordt het rekenkundig niveau van de totale rijksuitgaven en de rijksontvangsten hoger dan het feitelijk niveau. Op de post Consolidatie wordt hiervoor gecorrigeerd. De hoogte van de post wordt in belangrijke mate bepaald door de bijdragen van de begroting van Infrastructuur & Milieu aan het Infrastructuurfonds.

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HOMOGENE GROEP INTERNATIONALE SAMENWERKING
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal uitgaven

5.338,1

5.308,3

5.353,8

5.436,1

5.594,1

5.835,1

Totaal niet-belastingontvangsten

195,8

147,6

148,2

147,9

147,9

147,9

             

5. Buitenlandse Zaken

           

Uitgaven

1.520,6

1.480,2

1.489,6

1.530,2

1.510,8

1.548,5

Ontvangsten

103,8

75,8

76,3

76,3

76,3

76,3

             

Artikel 41: Internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten

           

Uitgaven

120,8

123,5

121,5

115,6

115,7

115,7

             

Artikel 42: Veiligheid en stabiliteit

           

Uitgaven

292,5

291,0

288,1

289,5

289,5

290,3

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

             

Artikel 43: Europese Samenwerking

           

Uitgaven

245,0

248,8

248,3

252,9

206,8

206,8

Ontvangsten

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

             

Artikel 44: Consulaire belangenbehartiging

           

Uitgaven

62,8

50,3

49,2

47,9

47,9

47,9

Ontvangsten

57,4

47,9

48,4

48,4

48,4

48,4

             

Artikel 46: Nominaal en onvoorzien

           

Uitgaven

6,2

25,9

39,5

71,3

98,2

133,2

             

Artikel 47: Apparaat

           

Uitgaven

793,2

740,7

742,9

753,0

752,8

754,6

Ontvangsten

45,0

26,4

26,4

26,4

26,4

26,4

             

6. Justitie en Veiligheid

           

Uitgaven

46,3

33,3

33,3

33,3

33,3

33,3

             

7. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

           

Uitgaven

0,4

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

             

8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

           

Uitgaven

60,3

60,3

60,3

60,3

60,3

60,3

             

9B. Financiën

           

Uitgaven

253,5

328,5

230,7

178,5

287,2

337,1

Ontvangsten

4,0

4,0

4,2

4,1

4,1

4,1

             

10. Defensie

           

Uitgaven

287,2

206,4

206,4

206,4

206,4

206,4

Ontvangsten

21,4

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

             

12. Infrastructuur en Waterstaat

           

Uitgaven

28,9

25,8

25,8

25,8

20,0

18,5

             

13. Economische Zaken en Klimaat

           

Uitgaven

57,3

25,8

25,7

24,3

24,4

24,4

             

14. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

           

Uitgaven

 

30,1

30,1

29,7

29,7

29,7

             

15. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

           

Uitgaven

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

             

16. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

           

Uitgaven

23,1

21,0

10,6

5,1

5,1

5,1

             

17. Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

           

Uitgaven

3.060,1

3.096,1

3.240,7

3.341,8

3.416,3

3.571,3

Ontvangsten

66,6

66,3

66,2

66,1

66,1

66,1

             

Artikel 41: Duurzame handel en investeringen

           

Uitgaven

544,2

524,3

515,7

503,1

490,1

490,3

Ontvangsten

6,6

6,5

6,4

6,3

6,3

6,3

             

Artikel 42: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

           

Uitgaven

707,6

723,5

743,5

743,9

743,9

743,9

             

Artikel 43: Sociale vooruitgang

           

Uitgaven

786,3

767,1

764,7

763,0

762,7

762,7

             

Artikel 44: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

           

Uitgaven

795,0

777,3

767,3

767,3

767,3

767,3

             

Artikel 45: Versterkte kaders voor ontwikkeling

           

Uitgaven

227,0

304,0

449,5

564,6

652,3

807,1

Ontvangsten

60,0

59,8

59,8

59,8

59,8

59,8

             

86. Algemeen

           

Uitgaven

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een budgettaire overzichtsconstructie, waarin de uitgaven aan internationale samenwerking van de verschillende departementen worden gebundeld. Het uitgavenniveau van de HGIS wordt aangepast voor macro-economische ontwikkelingen.

Het merendeel van de HGIS-uitgaven wordt verantwoord via de begroting van Buitenlandse Zaken en de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom wordt het verloop van de HGIS-uitgaven van deze twee begrotingen voor de relevante artikelen toegelicht. Voor de overige begrotingen wordt de toelichting per departement gepresenteerd.

5. Buitenlandse Zaken

Artikel 46 Nominaal en onvoorzien

Het budget op dit artikel loopt de komende jaren op. De budgettaire ruimte betreft een HGIS-reservering voor de loon- en prijsindexatie en voor overige onvoorziene uitgaven. Ook worden prijscorrecties voor het non-ODA deel van de HGIS op dit artikel verwerkt.

6. Veiligheid en Justitie

De uitgaven in 2018 zijn eenmalig hoger door vertraagde uitgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf uit 2017.

7. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De HGIS middelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffen enkele attachés. Het budget is in 2018 eenmalig hoger vanwege een bijdrage aan de UN Public Day.

8. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De HGIS middelen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffen bijdragen aan internationale onderwijsinstellingen.

9B. Financiën

De contributiebijdragen aan de Wereldbank staan op de Financiënbegroting.

10. Defensie

De hogere ontvangsten in 2018 worden verklaard doordat in deze jaren teruggaven worden verwacht vanuit de Verenigde Naties voor kosten die worden gemaakt voor de MINUSMA-missie in Mali.

12. Infrastructuur en Milieu

De hogere HGIS-uitgaven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2018 hangen samen met de start van het nieuwe programma Water Internationaal in 2016 als opvolger van het programma HGIS Partners voor Water.

13. Economische Zaken

De hogere HGIS-uitgaven in 2018 komen voort uit de inzet van de eindejaarsmarge HGIS 2017.

15. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De HGIS-middelen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betreffen enkele attachés.

16. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De HGIS-middelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betreffen enkele attachés. De hogere uitgaven in 2018–2020 worden veroorzaakt door de komst van het European Medicines Agency (EMA) naar Nederland.

17. Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Artikel 41 Duurzame handel en investeringen

De fluctuaties in uitgaven op dit artikel komen voort uit fluctuaties in het kasritme van het Dutch Good Growth Fund (DGGF). Met het DGGF wordt beoogd het speerpunt voor een versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden te realiseren.

Artikel 42 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Op dit artikel worden de uitgaven aan duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid en water verantwoord.

Artikel 43 Sociale vooruitgang

Op dit artikel staan uitgaven die bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevordering van inclusieve economische groei van mannen en vrouwen in ontwikkelingslanden.

Artikel 44 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Dit budget neemt toe a.g.v. extra uitgaven uit het RA. De uitgaven hebben betrekking op vrede en veiligheid voor ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van conflictsituaties en het bevorderen van rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, legitieme en democratische staatsstructuren en het bestrijden van corruptie. Daarnaast is het budget ook bestemd voor het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.

Artikel 45 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Dit betreft onder andere het parkeer- en verdeelartikel van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Op dit artikel worden aanpassingen als gevolg van de BNI-ontwikkeling en de toerekening van de kosten van eerstejaarsasielopvang verwerkt