Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

5. Toelichting op de belastingontvangsten

5.1 Inleiding

In deze bijlage wordt de inschatting van de toekomstige belasting- en premieontvangsten nader toegelicht. Daarbij wordt op het gebruikte model en welke plaats dit model inneemt binnen het proces om te komen tot een inschatting van de belasting- en premieontvangsten voor het lopende (2018) en komende jaar (2019) ingegaan. De resultaten zijn gepresenteerd in deze Miljoenennota (paragraaf 2.3 en bijlage 4). Daarna wordt op de conclusies en de aanbevelingen van de onafhankelijke Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten ingegaan (bijlage 6). Vervolgens wordt in deze bijlage ingegaan op de inschatting van de belastingsoorten die als eerste naar belastingjaar (transactiebasis) geraamd worden (loon- en inkomensbelasting, btw en de vennootschapsbelasting), aan de hand van deze raming worden vervolgens de kasontvangsten bepaald.

5.2 Het doel van de raming van de belasting- en premieontvangsten en de politiek-bestuurlijke context

Een raming van de belasting- en premieontvangsten is nodig voor de raming van het begrotingssaldo (EMU-saldo). Het Ministerie van Financiën maakt immers de rijksbegroting op. De belasting- en premieontvangsten zijn in tegenstelling tot de totale overheidsuitgaven sterk afhankelijk van de economische ontwikkelingen. Zo leiden ceteris paribus hogere lonen en een grotere werkgelegenheid tot hogere loonheffingsontvangsten en hogere consumptieve bestedingen van huishoudens tot hogere btw-ontvangsten.

Overigens vormt de gevoeligheid van de belasting- en premieontvangsten voor macro-economische ontwikkelingen een onderbouwing om niet op het EMU-saldo te sturen bij de opstelling van de begroting. Volgens de begrotingsregels van het kabinet («trendmatig begrotingsbeleid») mogen de overheidsinkomsten meebewegen met de economische ontwikkelingen. Dat werkt stabiliserend op de economie. Binnen dit begrotingsbeleid leidt een opwaartse bijstelling van de inkomsten en daarmee van het EMU-saldo niet tot intensivering van de overheidsuitgaven of lastenverlichting. Fiscale beleidsmaatregelen zijn daarbij wel begrensd. Met het inkomstenkader heeft het kabinet als doelstelling vast te houden aan een pad van beleidsmatige lastenverlichting of lastenverzwaring over een kabinetsperiode (zie ook bijlage 3). Dat pad spreekt het kabinet bij de start van de kabinetsperiode af in de Startnota.

Een zo trefzeker mogelijke raming kan er – abstraherend van de economische ontwikkelingen die totaal anders kunnen uitvallen en beleidsbeslissingen – voor zorgen dat het uiteindelijk gerealiseerde EMU-saldo (relatief) in de buurt ligt van de raming in de begroting. Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat het gaat om een raming gebaseerd op een macro-economisch model. De uitkomsten van het belasting- en premiemodel blijven macro-inschattingen en zijn daarmee vooral sterk afhankelijk van de raming van macro-economische variabelen, die als basis in het model gebruikt worden.

5.3 Ramingsmethodiek Ministerie van Financiën

Voor deze inschatting (raming) van de ontvangsten gebruikt het Ministerie van Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten van het meest recente volledige jaar zoals aangeleverd door de Belastingdienst en de ramingen van macro-economische variabelen van het Centraal Planbureau (CPB) voor de toekomstige jaren. Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming van de macro-economische ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant op de economische ramingen van het CPB. Daarmee is gegarandeerd dat er niet politiek gestuurd kan worden op de cijfers over de economie. Naast de geraamde economische ontwikkeling beïnvloeden beleidsmaatregelen de belasting- en premieontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.

Vervolgens speelt zogenoemde «expert opinion» een rol. De uitkomsten van het model – de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen – worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten in het lopende jaar (als daar al sprake van is), informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifieke (beleids)informatie. Ook de trefzekerheid van het model in de meest recente jaren wordt daarbij bezien. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2018 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli van 2018 bekend en meegenomen in de raming.17 Voor een gedeelte is 2018 dus gerealiseerd. De mate waarin een ramingsjaar gerealiseerd is, hangt af van het ramingsmoment. De raming voor de belasting- en premieontvangsten voor 2019 is juist een voorbeeld van een raming, waar nog geen kasgegevens voor beschikbaar zijn. De raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2018 werkt wel door op de raming van deze ontvangsten voor 2019.

Een voorbeeld waarbij uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol speelt, is de vpb-raming voor 2016. Zo bleken ondernemingen vaker dan in het verleden om een (aangepaste) voorlopige aanslag gevraagd te hebben om op een later moment geen belastingrente te hoeven betalen. Ook het actiever opleggen van aanslagen door de Belastingdienst vormde een uitvoeringsgerelateerde verklaring voor de sterke stijging van de kasontvangsten in 2016. Deze stijging in 2016 ging overigens ten koste van de ontvangsten in 2017. Dergelijke «kasschuiven» spelen ook een rol in de overwegingen rond de raming voor de belasting- en premieontvangsten.

Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de bpm. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar. Deze informatie wordt naast de modeluitkomst gehouden en indien nodig wordt de modeluitkomst dan aangepast.

5.4 Reactie conclusie en aanbevelingen rapport Commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten

De Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten heeft op het verzoek van de Minister van Financiën een onafhankelijke toetsing verricht voor de systematiek van de raming van de belasting- en premieontvangsten. Voorzitter van de commissie was Honorair hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) Mr. C.A. (Flip) de Kam.

In zijn algemeenheid is de commissie positief over hoe het Ministerie van Financiën de belasting- en premieontvangsten raamt. De commissie concludeert dat het lastig is om de huidige ramingsmethoden op korte termijn te verbeteren. Afwijkingen tussen de raming en de uiteindelijke realisatie van de belasting- en premieontvangsten zullen altijd onvermijdelijk zijn. Dat blijkt ook uit de verschillen tussen ramingen en realisaties die in sommige jaren substantieel zijn. Gemeten over de periode 2003–2017 betekent een gemiddelde absolute voorspelfout van 3,4 procent voor het jaar 2017 een verschil van 9 miljard euro – 7 miljard euro wanneer het crisisjaar 2009 buiten beschouwing blijft.

De commissie heeft aanbevelingen geformuleerd om onderdelen van het ramingsmodel en de bij de raming gevolgde procedures te verbeteren. De aanbevelingen zijn in grote lijnen herkenbaar. De komende periode zal bezien worden in hoeverre de verschillende aanbevelingen opgevolgd worden. Hieronder wordt alvast op alle aanbevelingen kort ingegaan. Onderstaand staan deze aanbevelingen beschreven. Vervolgens wordt per aanbeveling de reactie gegeven.

De eerste aanbeveling luidt als volgt: «Onderzoek samen met het Centraal Planbureau of modelvariabelen dan wel vuistregels zijn te construeren die de voorspelkracht van de ramingen vergroten. Besteed daarbij in het bijzonder aandacht aan de raming van de opbrengst van de vennootschapsbelasting.»

Mogelijkerwijs zijn er variabelen met een sterkere voorspellende waarde te gebruiken dan de nu gehanteerde variabelen. De Commissie noemt als voorbeeld de grondslag van de vennootschapsbelasting. De nu gehanteerde variabelen weerspiegelen niet op een goede manier de fiscale winst, met verliesverrekening wordt bijvoorbeeld niet afdoende rekening gehouden. Dat komt mede door verschillen tussen de huidige variabele die hoofdzakelijk gebaseerd is op de commerciële winstontwikkeling die sterk afwijkt van de fiscale winstontwikkeling.18

In samenspraak met het CPB loont het de moeite om te kijken naar betere macro-economische variabelen, die de raming kunnen verbeteren. Het kan gaan om nieuwe variabelen, maar ook om een verbeterde trefzekerheid van reeds bestaande variabelen. De vraag zal voorliggen of het CPB deze variabelen kan verstrekken of ramen. Concrete voorbeelden van macro-economische indicatoren waarbij de kwaliteit bezien kan worden zijn de vpb-grondslag en de nieuwverkochte auto’s (van belang voor de bpm). De grondslag van de vpb is niet alleen afhankelijk van de winstgevendheid van bedrijven, maar ook van andere zaken zoals hoeveel verlies uit vorige jaren bedrijven nog kunnen verrekenen. De bpm is een heffing op nieuwverkochte auto’s. Mocht inzicht verkregen worden op en een goede raming te maken voor het aantal nieuwverkochte auto’s en de CO2– uitstootontwikkeling van deze auto’s, dan ligt het voor de hand om dit te gebruiken voor de raming van de bpm. Dit zijn concrete voorbeelden en is geen uitputtende lijst. Mogelijkerwijs zijn er meer mogelijkheden om de raming op dit vlak te verbeteren. Dat zal met het CPB bezien worden.

De tweede aanbeveling luidt: «Zoek samen met het Centraal Planbureau naar samenwerking met belastingramers in omringende landen om te profiteren van elders met belastingramingen opgedane kennis en ervaring.»

Mogelijk bestaan kennis en ervaring in omringende landen op het gebied van belastingraming waarvan het Ministerie van Financiën meer gebruik zou kunnen maken. Dat zou kunnen leiden tot betere belastingramingen. In samenspraak met het CPB loont het de moeite om te bezien met welke landen overleg over de belastingraming nuttig kan zijn. Met het in het kader van de commissie gedane onderzoek door het Ministerie van Financiën naar de methodiek en institutionele inbedding van belastingramingen is het buitenland (zie ook de bijlage van het rapport) is hiervoor reeds de eerste stap gezet.

De derde aanbeveling luidt: «Onderzoek of de opbrengst van andere belastingen (dan de premies voor de werknemersverzekeringen) trefzeker(der) kan worden geraamd met een microsimulatiemodel. Dit geldt primair voor de vennootschapsbelasting, dit gezien de omvang van de ramingsfout bij de huidige ramingsmethode.»

Volgens de commissie scoort de raming van de premies van de werknemersverzekering het beste van de onderzochte heffingen. Een mogelijke verklaring is het beperkte aantal beleidswijzigingen bij deze heffingen. Daarnaast is de grondslag van de premies werknemersverzekering – net als die van de loonheffing – erg robuust en daarmee relatief goed te ramen. Een andere mogelijke verklaring van de commissie is dat deze raming gebaseerd is op het microsimulatiemodel van het CPB. Het CPB raamt de premies werknemersverzekeringen immers met een microsimulatiemodel, en stelt daarom dat dit mogelijk ook de trefzekerheid van andere ramingen zou kunnen verbeteren. Om een aantal redenen is een bredere inzet van een microsimulatiemodel de beste manier om de trefzekerheid van de ramingen te verbeteren niet overtuigend:

  • •  Het CPB raamt de loonheffing en de inkomensheffing ook met een microsimulatiemodel. Uit het rapport van de commissie blijkt dat de absolute gemiddelde voorspelfout voor de loonheffing van de op een macro-economische vergelijking gebaseerde raming van het Ministerie van Financiën iets lager uitkomt dan de voorspelfout van raming van de loonheffing door het CPB. Dat verschil is niet significant, waarmee de uitkomsten van beide methodologische keuzes voor de loonheffing vergelijkbaar uitpakken. Dat geldt ook voor de inkomensheffing. Daarnaast blijkt de inkomensheffing ook als deze geraamd wordt door het microsimulatiemodel van het CPB een relatief lage trefzekerheid te kennen.
  • •  Tevens komt uit de landenvergelijking geen voorbeeld van een land naar voren, dat een microsimulatiemodel gebruikt voor de raming van de totale vpb-ontvangsten. Wel wordt in deze landenvergelijking geconstateerd dat vooral de raming van de vpb-opbrengst problematisch is qua trefzekerheid.

Het rapport biedt geen overtuigende onderbouwing dat een microsimulatiemodel tot een betere raming zou leiden. Een dergelijk ambitieus project zou dus zeer onzekere uitkomsten hebben. In zijn algemeenheid geldt dat microsimulatie ook in het buitenland vooral wordt toegepast voor het ramen van beleidsmaatregelen. Dat doet het Ministerie van Financiën ook, en steeds meer. Vooralsnog ligt daar de prioriteit en zal vooralsnog het verbeteren van de macroramingsmodellen het uitgangspunt vormen de komende periode. Omdat de ruimte om de trefzekerheid te verbeteren bij de vpb relatief groot is zal bezien worden of het mogelijk is meer zicht op verliesverrekening te krijgen via (micro)uitvoeringsinformatie, en dat te combineren met de macro-ramingsopzet.

De vierde aanbeveling luidt: «Raam de opbrengst van de loonheffing en de premies voor de werknemersverzekeringen in de toekomst met dezelfde methode». De commissie komt tot deze aanbeveling omdat de grondslagen van de loonheffing en de werknemersverzekering zeer vergelijkbaar zijn.»

Nader onderzoek naar een mogelijke ramingssystematiek kan hier lonen. De loonheffing raamt Financiën nu zelf met een macrovergelijking met gebruik van macrovariabelen zoals de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de lonen, terwijl de premies werknemersverzekeringen van het CPB worden overgenomen. Het CPB raamt de premies werknemersverzekeringen met een microsimulatiemodel. Mogelijk kan een schatting van een macrovergelijking van de premies werknemersverzekering de raming van de premies werknemersverzekering in lijn brengen met de raming van de loonheffing, omdat de grondslag van premies werknemersverzekering en de loonheffing grote overeenkomst vertonen.

De vijfde aanbeveling luidt: «Ga om de vier jaar systematisch na of de vergelijkingen van het ramingsmodel op onderdelen bijstelling behoeven.» De commissie beveelt aan op regelmatige basis de modelvergelijkingen te herschatten. De commissie oppert om eens in de vier jaar de vergelijkingen te herschatten.

Periodiek herschatten voorkomt dat de periode tussen twee momenten waarop herschat wordt te groot wordt en dat is een zinvol uitgangspunt. Het ligt voor de hand om in het najaar van 2018 te starten met het empirische herschatten van de ramingsvergelijkingen van het model. De vorige keer dat dat gebeurde was namelijk in 2015 en dat is in het komende najaar bijna vier jaar geleden.

De zesde aanbeveling luidt: «Onderzoek samen met de Belastingdienst op een resultaatgerichte manier of het mogelijk is meer gedetailleerde aangifte- en aanslaggegevens beschikbaar te stellen, waarbij een aanslag of aangifte gevolgd kan worden totdat deze leidt tot kasontvangsten. Zorg dat essentiële informatie over belangrijke keuzen in de handhaving en over verstoringen in de uitvoering tijdig ten dienste staat van de belastingramers.»

De beschikbaarheid van uitvoeringsinformatie kan de belastingraming wellicht verbeteren. Zo kan de aansluiting tussen de kasontvangsten en aanslag- of aangiftegegevens de raming verbeteren. Ook meer zicht op verliesverrekening en fiscale aftrekposten binnen bijvoorbeeld de vpb of inkomensheffing, kan de raming verbeteren. Het kan lonen om te bezien of deze informatie, verstrekt op een tijdige wijze, kan helpen bij verbetering van de raming. Tegelijkertijd geldt dat het genuanceerd ligt. Het moet gaan om bruikbare informatie. Ook zijn de informatiestromen binnen de Belastingdienst omvangrijk, niet alles is relevant voor de raming. De aansluiting tussen uitvoeringspraktijk en ramen is niet (altijd) evident.

De zevende aanbeveling luidt: «Vergroot de transparantie van opbrengstramingen door aanpassingen op het oordeel van deskundigen in een bijlage bij de raming te verantwoorden.» De commissie vraagt om het deskundigenoordeel voor de belasting- en premieraming te publiceren om de uitlegbaarheid van de raming te vergroten.

In bijlage 4 van de Miljoenennota wordt het deskundigenoordeel bij de raming van de verschillende belastingsoorten gepubliceerd en op hoofdlijnen toegelicht.

De achtste aanbeveling luidt: «Leg – waar mogelijk – systematisch vast in hoeverre geraamde en gerealiseerde budgettaire effecten van beleidsmaatregelen van elkaar verschillen en wat daarvan de oorzaken zijn.»

In de praktijk zal het zeer moeilijk zijn om deze aanbeveling vorm te geven voor alle maatregelen. De commissie geeft dan ook terecht de begrenzing aan «waar mogelijk». Vaak ontbreekt de benodigde informatie. Hoe de wereld zonder de beleidsmaatregel eruit had gezien, is achteraf niet vast te stellen. Voor een beperkt aantal gevallen is dit met enige mate van nauwkeurigheid wel mogelijk. De invoering van de afkoop van de Pensioen in Eigen Beheer van afgelopen jaar is een voorbeeld. Het streven zal zijn om in zoveel mogelijk gevallen aan de hand van meer uitvoeringsinformatie de ramingen aan realisaties te toetsen. Overigens werken eventuele incorrect geraamde beleidsmaatregelen niet meerjarig door in de belasting- en premieontvangstenraming. De belasting- en premieontvangstenraming neemt als startpunt de gerealiseerde ontvangsten van het voorafgaande jaar.

5.5 Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten

In het ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten wordt rekening gehouden met beleidsmatige en economische ontwikkelingen. Zo beïnvloeden beleidsmatige keuzes de hoogte van de belastingtarieven en de belastinggrondslagen. Economische ontwikkelingen beïnvloeden tegelijkertijd de belastinggrondslagen. Zo zal een aantrekkende huizenmarkt met gemiddeld stijgende huizenprijzen en een stijgend aantal woningtransacties leiden tot een hogere opbrengst van de overdrachtsbelasting. Het ramingsmodel bestaat ten slotte uit meerdere vergelijkingen. Elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort. Deze ramingsvergelijkingen zijn geschat.

Bovenstaand kan samengevat worden in onderstaande vergelijking:

Tt = Tt–1 + At + Et

Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t

Tt–1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1

At = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar t

Et = Effect van economische ontwikkelingen op ontvangst belastingsoort in jaar t

De geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is dus gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de verandering door beleid en de verandering als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming is dus de recentst gerealiseerde stand van de belasting- en premieontvangsten. Voor deze Miljoenennota is het recentst gerealiseerde jaar 2017. Nadere informatie over de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten over 2017 staat in het Financieel Jaarverslag Rijk 2017. Met deze stand van de belasting- en premieontvangsten in 2017 en de beleidsmatige veranderingen en geraamde veranderingen door economische ontwikkelingen zijn de belasting- en premieontvangsten voor 2018 geraamd. De raming voor de belasting- en de premieontvangsten voor 2019 maakt gebruik van de ramingsstand van de belasting- en premieontvangsten van 2018 en de beleidsmatige en geraamde economische veranderingen van 2019. De systematiek voor de raming voor de beleidsmatige veranderingen en de economische veranderingen wordt hierna toegelicht.

Beleidsmatige ontwikkeling

Beleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de belasting- en premieontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel wordt vanaf de begroting van 2018 ex ante met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect vastgesteld.19 In hoofdstuk 3 van de Miljoenennota 2018 is een box opgenomen over de systematiek van de eerste-orde-gedragseffecten. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect gaat dus over de best mogelijk inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende grondslag of tarief. Dat staat los van de economische impact. Dat wordt immers apart geraamd en opname zou daarmee leiden tot een dubbeltelling.

Endogene ontwikkeling

De verdere verandering van de belasting- en premieontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier dan bijvoorbeeld om hogere opbrengsten van een belasting door hogere consumptie van huishoudens of hogere lonen door een gunstige economische ontwikkeling. Om de belastingopbrengst van een bepaalde belastingsoort voor het aankomende jaar te ramen moet de endogene ontwikkeling geraamd worden.

De endogene ontwikkeling van elke belastingsoort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de desbetreffende belastingsoort. De raming van de macro-economische variabelen voor de raming van de belasting- en premieontvangsten van deze Miljoenennota heeft het CPB gepubliceerd in de Macro-economische Verkenning 2019 (MEV 2019).

De macro-economische ontwikkeling loopt vaak niet één-op-één met de endogene verandering van de belastingopbrengst. Daarom wordt de relatie tussen de relevante macro(-economische) ontwikkeling en de endogene verandering van de belastingopbrengst weergegeven door een coëfficiënt. In onderstaande tabel met de vergelijkingen staat de grootte van de coëfficiënten weergegeven. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. De coëfficiënten zijn vastgesteld op basis van een empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. Deze coëfficiënten zijn dus niet in beton gegoten. In 2015 zijn voor het laatst alle vergelijkingen van het model herschat en tegen het licht gehouden. De beschikbaarheid van (specifieke) macro-economische variabelen en de kwaliteit daarvan is een duidelijke randvoorwaarde bij het empirisch schatten van de ramingsvergelijkingen. Bij bijvoorbeeld de bpm en MRB is bij het herschatten van de vergelijkingen in 2015 gekozen voor koppeling aan het bbp in plaats van meer specifieke «auto»-gerichte variabelen vanwege de beperkte voorspelkracht van laatstgenoemde variabelen.

De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. Omdat de begroting en de verantwoording op EMU-basis – doorgaans de een-maands-verschoven-kas – plaatsvindt, wordt deze raming voor de meeste belastingsoorten gecorrigeerd met het verschil tussen de verwachte kasontvangsten in januari van jaar t en jaar t+1.20
De grootste belastingsoorten – de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing – worden niet op kasbasis geraamd.21 Die belastingsoorten worden op «transactiebasis» geraamd. Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit de belastingopbrengst voortkomt zich heeft voorgedaan. Deze ontvangsten komen verdeeld over verschillende kasjaren binnen. Dat maakt een betere raming mogelijk, mede omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst de kasrealisaties uit naar transactiejaren, maar door deze systematiek is de (op transactiebasis) gerealiseerde belastinginkomsten pas enkele jaren later bekend. De transactiebasisraming dient vervolgens vertaald te worden in kasontvangsten. Kas-transparameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasontvangsten. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belastingsoort en uitvoeringsinformatie van de belastingdienst. Met ingang van deze Miljoenennota publiceert Financiën de btw-ontvangsten voor de EMU-definitie op transactiebasis. Het CBS heeft voor de btw de EMU-definitie aangepast. De transactiebasisraming wordt vanaf heden dus gepubliceerd in tabellen met de EMU-definitie. Voor de kasraming van de btw dient nog wel gebruikt gemaakt te worden van kas-transparameters.
Verklarende variabelen

Afkorting

Variabele

arbvu

Arbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatie

bbpvu

BBP marktprijzen, volumemutatie

bbpwu

BBP marktprijzen, waardemutatie

Box2

Waardemutatie grondslag box 2

Box3

Waardemutatie grondslag box 3

Clpu

Contractloonstijging

hznpu

Huizenverkoop prijsmutatie

hznvu

Huizenverkoop volumemutatie

ihhyptr

Grondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait

incpu

Incidentele loonstijging

iond

Waardemutatie inkomen box 1 ondernemers

invpu

Invoer, prijsmutatie

invvu

Invoer, volumemutatie

ivswu

Investeringen in woningen, waardemutatie

oiwu

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

pcdwu

Consumptie van duurzame goederen, waardemutatie

pcvgvu

Consumptie van voeding en genot, volumemutatie

pcwu

Particuliere consumptie, waardemutatie

prpsv

Aftrekbare premies loonheffing, waardemutatie

Tcf

Tabelcorrectiefactor

verr

Waardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingen

winstwu

Waardemutatie winst marktsector

wozwu

Waardemutatie gemiddelde wozwaarde

Overzicht ramingsvergelijkingen

Belastingsoort

Ramingsvergelijking voor Et

Accijns op lichte oliën

– 0,005 + 0,2 bbpvut + 1 * tcft

Accijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën

0,83 * bbpvut + 1 * tcft

Afvalstoffenbelasting

1 * bbpvut + 1 * tcft

Alcoholaccijns

– 0,034 + 1,6 * pcvgvut

Assurantiebelasting

0,85 * pcwut

Bankbelasting

0

Belasting zware motorrijtuigen (bzm)

1,4 * bbpvut

Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)

– 0,035 + 1 * bbpvut + 1 * tcft

Bieraccijns

0,5 * bbpvut

Dividendbelasting

1 * bbpvut

Energiebelasting

– 0,022 + 0,6 * bbpvut + 1 8 tcft

Erf- en schenkbelasting

1 * hznput

Inkomensheffing

 
 

Box 1 ondernemers

1 * iondt

 

Box 2

1 * box2t

 

Box 3

1 * box3t

Eigen woning

1 * ihhyptrt

Inkomensheffing overig

1 * verrt

Kansspelbelasting

1 * pcwut

Loonheffing

0,6 * arbvut + 1,6 * clput – 0,6 * tcft – 0,7 * prpsvt

Motorrijtuigenbelasting (mrb)

1 * bbpvut + 1 * tcft

Omzetbelasting (btw)

0,61 * pcwut + 0,13 * pcdwut + 0,15 * ivswut + 0,11 * oiwut

Overdrachtsbelasting

1 * hznvut + 1 * hznbut

Rechten bij invoer en uitvoer

1 * invvut + 0,7 * invvput

Tabaksaccijns

– 0,007 + 2,1 * pcvgvut

Vennootschapsbelasting

1 * winstwut

Verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

0,9 * pcvgvut

Verhuurderheffing

1 * wozwut

Waterbelasting

0,005 + 1 * tcft

Wijnaccijns

1,2 * pcvgvut

Als voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort nemen we de bieraccijns, een belastingsoort die op kasbasis wordt geraamd. Volgens bovenstaande vergelijking zijn de geraamde bieraccijnsontvangsten afhankelijk van de volumemutatie van de «consumptie van voeding en genot». De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie. Als het CPB een hogere consumptie van voeding en genot raamt, dan leidt dit tot hogere geraamde bieraccijnsontvangsten. De grootte van de coëfficiënt bedraagt 0,5 en betekent dat de bieraccijnsontvangsten met 1% stijgen ten opzichte van voorgaand jaar als het CPB een stijging van het volume van de consumptie van voeding en genot raamt met 2% in dat jaar. Deze uitkomst is ceteris paribus. Er zijn in dit voorbeeld geen beleidsmatige ontwikkelingen. Voorts wordt deze uitkomst uit het ramingsmodel in het lopend jaar 2018 vergeleken met de reeds gerealiseerde kasontvangsten in dat jaar. Dergelijke overwegingen spelen ook een rol bij de totstandkoming van de geraamde bieraccijnsontvangsten.

Hieronder wordt eerst de belasting- en premieontvangsten op kasbasis nader toegelicht en vervolgens de ramingen van de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, de btw en de vpb toegelicht.

5.6 De belastingramingen voor 2018 en 2019

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 5.6.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2017 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2018. Tabel 5.6.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2018 naar de Ontwerpbegroting 2019. De tabellen zijn op kasbasis. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar beleidsmatige mutatie en endogene mutatie. Beleidsmatige mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale beleidsmaatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 5.6.1 Raming belastingontvangsten 2018 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2017

Beleidsmatige mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2018

Indirecte belastingen

83.428

200

3.432

4,1%

87.060

Invoerrechten

3.103

0

– 10

– 0,3%

3.093

Omzetbelasting

49.749

22

2.651

5,3%

52.421

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.039

– 41

221

10,9%

2.219

Accijnzen

11.789

33

164

1,4%

11.986

– Accijns van lichte olie

4.310

0

87

2,0%

4.397

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.906

– 1

21

0,5%

3.925

– Tabaksaccijns

2.450

36

37

1,5%

2.522

– Alcoholaccijns

330

0

3

0,8%

332

– Bieraccijns

445

0

6

1,3%

451

– Wijnaccijns

349

– 1

11

3,1%

359

Belastingen van rechtsverkeer

5.190

3

266

5,1%

5.458

– Overdrachtsbelasting

2.715

3

120

4,4%

2.838

– Assurantiebelasting

2.475

0

145

5,9%

2.620

Motorrijtuigenbelasting

4.060

6

65

1,6%

4.131

Belastingen op een milieugrondslag

4.968

177

– 33

– 0,7%

5.113

– Afvalstoffenbelasting

91

0

3

3,6%

94

– Energiebelasting

4.597

177

– 38

– 0,8%

4.736

– Waterbelasting

279

0

4

1,3%

283

– Brandstoffenheffingen

2

0

– 2

– 121,2%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

261

0

6

2,3%

267

Belasting op zware motorrijtuigen

173

0

7

3,9%

180

Verhuurderheffing

1.618

0

95

5,9%

1.714

Bankbelasting

478

0

0

0,0%

478

           

Directe belastingen

86.118

– 1.643

3.943

4,6%

88.418

Loon- en inkomstenbelasting

59.092

– 1.132

399

0,7%

58.359

Dividendbelasting

3.660

– 271

528

14,4%

3.917

Kansspelbelasting

470

18

20

4,3%

508

Vennootschapsbelasting

21.456

– 246

2.486

11,6%

23.696

– Gassector

400

0

300

75,0%

700

– Niet-gassector

21.056

– 246

2.186

10,4%

22.996

Erf- en schenkbelasting

1.441

– 12

509

35,3%

1.938

           

Overige belastingontvangsten

289

– 1

– 75

– 25,9%

213

           

Totaal belastingen op kasbasis

169.835

– 1.443

7.300

4,3%

175.692

Tabel 5.6.2 Raming belastingontvangsten 2019 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2018

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2019

Indirecte belastingen

87.060

3.485

3.636

4,2%

94.182

Invoerrechten

3.093

0

148

4,8%

3.241

Omzetbelasting

52.421

2.931

2.773

5,3%

58.126

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.219

– 74

56

2,5%

2.201

Accijnzen

11.986

53

211

1,8%

12.250

– Accijns van lichte olie

4.397

0

53

1,2%

4.450

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.925

5

91

2,3%

4.021

– Tabaksaccijns

2.522

48

47

1,8%

2.617

– Alcoholaccijns

332

0

3

0,8%

335

– Bieraccijns

451

0

6

1,3%

456

– Wijnaccijns

359

0

11

3,2%

370

Belastingen van rechtsverkeer

5.458

0

100

1,8%

5.558

– Overdrachtsbelasting

2.838

0

– 9

– 0,3%

2.829

– Assurantiebelasting

2.620

0

109

4,2%

2.729

Motorrijtuigenbelasting

4.131

8

136

3,3%

4.275

Belastingen op een milieugrondslag

5.113

681

69

1,4%

5.863

– Afvalstoffenbelasting

94

95

4

3,8%

192

– Energiebelasting

4.736

586

61

1,3%

5.383

– Waterbelasting

283

0

5

1,7%

288

– Brandstoffenheffingen

0

0

0

0,0%

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

0

6

2,4%

273

Belasting op zware motorrijtuigen

180

9

6

3,6%

196

Verhuurderheffing

1.714

– 123

130

7,6%

1.720

Bankbelasting

478

0

0

0,0%

478

           

Directe belastingen

88.418

2.317

4.007

4,5%

94.743

Loon- en inkomstenbelasting

58.359

– 231

3.657

6,3%

61.785

Dividendbelasting

3.917

1.517

123

3,1%

5.556

Kansspelbelasting

508

2

25

4,9%

536

Vennootschapsbelasting

23.696

1.045

566

2,4%

25.308

– Gassector

700

0

50

7,1%

750

– Niet-gassector

22.996

1.045

516

2,2%

24.558

Erf- en schenkbelasting

1.938

– 16

– 364

– 18,8%

1.558

           

Overige belastingontvangsten

213

– 12

0

0,0%

201

           

Totaal belastingen

175.692

5.790

7.643

4,4%

189.125

Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2018 komt op kasbasis 5,9 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2017 (zie tabel 5.6.1). Deze stijging is het saldo van de beleidsmatige mutatie van – 1,4 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 7,3 miljard euro. Voor 2019 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 13,4 miljard euro ten opzichte van 2018. Dit is het totaal van een beleidsmatige mutatie van 5,8 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 7,6 miljard euro (zie tabel 5.6.2). De hiernavolgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze beleidsmatige en endogene mutaties.

Beleidsmatige mutaties

De belastingontvangsten in 2018 nemen met 1,4 miljard euro af als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 5.6.3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2018 hebben plaatsgevonden.

Tabel 5.6.3 Effecten beleidsmaatregelen (waaronder nabetalingen) op belastingontvangsten in 2018 op kasbasis in mln euro
 

Kas 2018

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2018 (bijlage)

– 1.253

Mutatie vanwege nabetalingen

134

Mutatie vanwege beleid

– 324

Totaal maatregelen

– 1.443

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord, maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen en maatregelen van eerdere kabinetten met effecten in 2018. Daarnaast hebben er mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 5.6.3 laat zien dat dit in 2018 dit tot een mutatie in de belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid van 0,1 miljard ten opzichte van wat in Miljoenennota 2018 aan nabetalingen werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, zijn eventuele verschuivingen sowieso niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.

Voor 2019 bedraagt de geraamde beleidsmatige mutatie van de belastingontvangsten per saldo 5,8 miljard euro (tabel 5.6.2). Deze mutatie betreft voor 0,8 miljard euro aan verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuivingen zijn zoals hierboven vermeld niet relevant voor het EMU-saldo. Het «echte» – dat wil zeggen voor het EMU-saldo relevante – beleidsmatige deel van de mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft de mutatie van 5,0 miljard euro. Een toelichting op de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten is te vinden in bijlage 4 van de Miljoenennota 2019.

Endogene mutaties

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2019 met 7,6 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 4,4 procent. Bijlage 4 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen vormen.

Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische zaken, (Begroting XIII). Deze bijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 5.6.4 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 5.6.4 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Jaar T

10.220

11.578

14.565

16.430

17.683

18.930

Jaar T-1

2.671

3.837

5.518

4.211

5.172

5.509

Jaar T-2

821

445

828

629

407

427

Jaar T-3

– 154

– 152

– 172

– 102

– 154

– 187

Jaar T-4 en ouder

– 447

– 101

– 17

– 112

– 112

– 120

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

13.111

15.607

20.722

21.056

22.996

24.558

Per saldo is de verwachte endogene mutatie van 2017 naar 2018 2,2 miljard euro bij de niet-gassector. Beleidsmaatregelen hebben in 2018 per saldo een neerwaarts effect op de ontvangsten (246 miljoen euro). De totale mutatie in 2018 komt daarom uit op 1,9 miljard euro. In 2019 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,5 miljard euro. Het beleidsmatige effect is opwaarts (1,0 miljard euro). Per saldo bedraagt de totale toename in de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2019 afgerond 1,6 miljard euro.

Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In eerste instantie wordt door inhoudingsplichtigen maandelijks loonbelasting afgedragen op basis van het loon of de uitkering van de belastingplichtigen. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens de belastingplichtige voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor zijn per saldo de opbrengsten van de inkomensheffing licht negatief, al wordt de «nulgrens» in de ramingsperiode overgestoken. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze bijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 5.6.5 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2017

2018

2019

Opbrengst op transactiebasis

100.941

102.230

102.973

       

Mutatie

 

1.289

743

waarvan endogeen

 

3.007

5.233

waarvan autonoom

 

– 1.718

– 4.490

       

Endogene groei (in %)

 

3,0%

5,1%

In tabel 5.6.5 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2018 en 2019 te zien. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2018 3,0 miljard euro. In 2019 wordt een endogene groei van 5,2 miljard euro geraamd. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel 5.6.6 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2019 van het CPB.

Tabel 5.6.6 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing
 

2018

2019

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

3,4%

1,4%

Contractloonstijging

2,1%

2,7%

Incidentele loonstijging

0,6%

0,7%

Tabelcorrectiefactor

0,8%

1,2%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2018 neemt de werkgelegenheid toe met 3,4 procent. De contractloonstijging komt uit op 2,1 procent en ook de incidentele loonontwikkeling draagt met 0,6 procent bij aan de stijging van de loonheffingontvangsten. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2018 van 3,0 miljard op transactiebasis. In 2019 neemt de werkgelegenheid met 1,4 procent toe. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 2,7 procent en 0,7 procent in 2019 positief uit. Per saldo leidt dit in 2019 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 5,2 miljard euro op transactiebasis.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de beleidsmaatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 5.6.7 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2017

2018

2019

Inkomensheffing op transactiebasis

79

1.493

4.525

       

mutatie

 

1.415

3.032

waarvan endogeen

 

1.809

1.291

waarvan autonoom

 

– 395

1.741

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in zowel 2018 als 2019 positief, met een groei van respectievelijk 1,8 en 1,3 miljard euro. Onderliggend is er sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing tot gevolg. Tegelijkertijd trekken de inkomens van zelfstandigen, die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting aan in 2019.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 5.6.8 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2018 en 2019
 

2018

2019

Particuliere consumptie, waardemutatie

4,3%

4,9%

Investeringen in woningen, waardemutatie

11,4%

8,8%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

5,9%

7,1%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een laag btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten. In hoogconjunctuur is sprake van het omgekeerde.

De btw-ontvangsten op transactiebasis bedragen naar verwachting 53,1 miljard euro in 2018. Ook in 2019 wordt een positieve ontwikkeling naar 59,6 miljard euro verwacht.

Tabel 5.6.9 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2017

2018

2019

Omzetbelasting op transactiebasis

50.037

53.145

59.636

       

mutatie

 

3.108

6.491

waarvan endogeen

 

3.083

3.236

waarvan autonoom

 

25

3.256

       

Endogene mutatie in procent

 

6,2%

6,1%

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2018 positief: 4,3 procent. De investeringen in woningen vallen met een mutatie van 11,4 procent positief uit. Voorts nemen de overheidsinvesteringen met 5,9 procent toe. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (3,1 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2018 verwacht. In 2019 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 4,9 en 8,8 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 7,1 procent in 2019 positief. Dat leidt tot een positieve endogene ontwikkeling (3,2 miljard) van de btw-ontvangsten op transactiebasis. Beleidsmatig is in 2019 sprake van extra ontvangsten, voor het grootste gedeelte door de verhoging van het verlaagd btw-tarief.

Noot 17: Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, welke relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het om de één-maands-verschoven-kas. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten ten behoeve van het EMU-saldo voor 2017 zijn dat de relevante kasontvangsten in de maanden van februari 2017 tot en met januari 2018. De inkomensheffing, de vennootschapsbelasting, erf- en schenkbelasting en de dividendbelasting zijn uitzonderingen. Voor deze belastingsoorten is de EMU-basis gelijk aan kasbasis. Ook de btw is sinds deze Miljoenennota een uitzondering. Conform de herziening van de EMU-definitie voor de btw door het CBS wordt de EMU-raming voor de btw nu op transactiebasis gegeven en niet langer op de een-maands-verschoven-kas.

Noot 18: Zie ook een nadere toelichting op de problemen die dat veroorzaakt voor de trefzekerheid van de vpb-raming in bijlage 12 bij Miljoenennota 2018.

Noot 19: In het verleden bevatte een deel van de ramingsvergelijkingen een variabele om de uiteindelijke raming te corrigeren voor gedragseffecten. Met het meenemen van eerste orde gedragseffecten in de ex-ante inschattingen van beleid is daar geen noodzaak meer toe en zijn de ramingsvergelijkingen aangepast.

Noot 20: Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten ten behoeve van het EMU-saldo voor 2018 zijn de relevante kasontvangsten in de maanden van februari 2018 tot en met januari 2019. De inkomensheffing, de vennootschapsbelasting, erf- en schenkbelasting en de dividendbelasting zijn uitzonderingen. Van deze belastingsoorten is de EMU-definitie voor 2018 gelijk aan de kasontvangst van de maanden januari 2018 tot en met december 2018. Ook de btw is een uitzondering. Met ingang van deze Miljoenennota is de EMU-definitie voor deze belastingsoort gelijk aan transactiebasis. Dat is conform de nieuwe CBS-definitie voor de btw.

Noot 21: De inkomensheffing neemt aanvullend daarop een aparte positie in: de verschillende onderdelen van de IH (box 1 ondernemers, box 2, box 3, overig (voornamelijk verrekende heffingskortingen en dividendbelasting) worden apart op transactiebasis geraamd, mede op basis van de meest recente aanslaggegevens uitgesplitst naar onderdeel.