Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Buitenlandse Zaken 2019

35000 V B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vergaderjaar 2018-2019

B

Vastgesteld 29 maart 2019

De leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 19 november 20181, waarbij hij ingaat op de ratificatie van het facultatief protocol bij het VN Verdrag Handicap inzake het klachtrecht.2

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) op 11 december 2018 een brief gestuurd.

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid3 hebben eveneens kennisgenomen van de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 19 november 20184, waarbij hij ingaat op de ratificatie van het facultatief protocol bij het VN Verdrag Handicap. Daarnaast hebben zij kennisgenomen van de brief5 met vragen die de leden van de vaste Eerste Kamercommissie voor VWS in reactie op de voornoemde brief hebben verstuurd.

Naar aanleiding hiervan heeft de commissie voor Justitie en Veiligheid de Minister van Justitie en Veiligheid op 21 december 2018 een brief gestuurd.

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 28 maart 2019 gereageerd op beide brieven.

De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag,
Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Den Haag, 11 december 2018

De commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 19 november 2018 in reactie op de vragen over het facultatief protocol bij het VN-verdrag Handicap inzake het klachtrecht.6
De leden van de fracties van SP, PvdA, GroenLinks en 50PLUS danken de regering voor de beantwoording van hun vragen over de voortgang ten aanzien van het facultatief protocol bij het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap. Zij brengen graag in herinnering dat de toenmalige bewindspersoon op 12 april 2016 in het kader van de samenhang tussen de verschillende facultatieve protocollen de Kamer toezegde: «Met mijn collega's spreek ik af dat wij de Kamers nog voor de zomer zullen informeren over hoe we daar in finale zin over denken.» En: «Ik zeg toe om niet alleen met een standpunt te komen, maar ook na de zomer te zeggen: zo gaan we het doen.»7
Ondanks deze toezegging om voor de zomer van 2016 duidelijkheid te verschaffen, beperkte het antwoord van de regering van 31 augustus 2016 zich tot de mededeling dat de Kamer nader geïnformeerd zal worden, nadat het benodigde overleg zou zijn afgerond.8 In reactie op een nader verzoek om inlichtingen, antwoordde de regering op 30 januari 2017 dat de regering had besloten een start te maken met het facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR). De regering meldde bij die gelegenheid: «De goedkeuringsstukken worden voor advies naar de Raad van State gestuurd. De Raad zal daarbij worden verzocht aandacht te besteden aan de gevolgen die het facultatief protocol kan hebben voor de nationale rechtsorde. Aan de hand van die uitspraak zal het kabinet zich een oordeel vormen over de andere protocollen.»9
Op 14 februari 2017 onderstreepte de Kamer in een mondeling overleg dat het voor de door de regering benadrukte samenhang tussen de facultatieve protocollen raadzaam is ze alle drie voor advies aan de Raad van State voor te leggen of althans bij het advies over het facultatief protocol IVESCR ook de vraag te betrekken naar de werking van de andere facultatieve protocollen.10 De Staatssecretaris meldde op 30 maart 2017 in periodiek schriftelijk overleg over de stand van zaken toezeggingen op: «In dit overleg werd gevraagd na te gaan of de inzichten van de Raad van State in het kader van haar (sic) advies met betrekking tot het facultatief protocol inzake de Economische, Sociale en Culturele rechten een breder inzicht zouden kunnen bieden ten aan-zien van de werking van facultatieve protocollen in zijn algemeenheid. De Raad van State heeft aangegeven dat dit het geval zal zijn.»11
In het eerstvolgende schrijven van 22 augustus 2017 meldt de regering dat de Raad van State advies heeft uitgebracht en dat een reactie op dit advies aan het volgende kabinet wordt gelaten.12 Op 12 maart 2018 meldt de regering dat zij werkt aan een reactie op het advies en de Kamer zal «... informeren zodra die reactie gereed is.»13 Op 31 augustus 2018 is de stand van zaken dat de besluitvorming nog niet is afgerond en dat de Minister de Kamer zal «... informeren over het facultatief protocol bij het VN Verdrag Handicap zodra de besluitvorming over het facultatief protocol bij het IVESCR is afgerond.»14 In reactie op vragen van de Kamer om een concreter tijdpad en duidelijker perspectief aan te geven, antwoordt de Minister op 19 november 2018: «Ik zal in overleg treden met mijn collega van Buitenlandse Zaken of en wanneer wij u meer duidelijkheid kunnen geven over een tijdspad.»15

Dit relaas maakt voor de leden van deze fracties duidelijk dat de regering de afgelopen tweeënhalf jaar zeer terughoudend is geweest om haar toezegging gestand te doen en momenteel niet bereid is om dan ten minste een tijdpad of perspectief te delen met de Kamer. Zij zijn met dit antwoord niet tevreden en vragen de regering daarom in te gaan op de volgende vragen. Welke stappen zijn inmiddels gezet om tot besluitvorming over het facultatief protocol bij het IVESCR (FP-IVESCR) te komen? Wat zijn de procedurele of inhoudelijke belemmeringen om tot besluitvorming over het FP-IVESCR te komen? Welke vragen zijn voor de regering nog onbeantwoord ten aanzien van het FP-IVESCR? Is de regering bereid om uit het advies van de Raad van State het deel dat gaat over de andere facultatieve protocollen, waaronder specifiek het facultatief protocol bij het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap, met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Hoeveel tijd heeft de regering nog nodig om een tijdpad en perspectief te schetsen?

De leden van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 18 januari 2019.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Martens

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Minister van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 21 december 2018

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 19 november 201816, waarbij hij ingaat op de ratificatie van het facultatief protocol bij het VN Verdrag Handicap. Daarnaast hebben zij kennisgenomen van de brief17 met vragen die de leden van de vaste Eerste Kamercommissie voor VWS in reactie op de voornoemde brief hebben verstuurd (als kopie meegezonden).
Het verzoek van de Kamercommissies om de Kamer te informeren over de ratificatie van de protocollen komt voort uit de motie18 die de Eerste Kamer heeft aangenomen in het kader van haar debat over de staat van de rechtsstaat op 11 maart 2014. Mede gelet op deze oorsprong, het feit dat de regering de motie nu na ruim 4,5 jaar nog steeds niet heeft uitgevoerd en zelfs nog geen perspectief heeft geboden op uitvoering, hechten de leden van de fracties van PvdA, GroenLinks en 50PLUS er zeer aan dat deze vragen zo spoedig mogelijk worden beantwoord in voorbereiding op de derde termijn van het beleidsdebat over de staat van de rechtsstaat van 22 mei 2018. Tijdens dit debat heeft u toegezegd terug te komen op het individueel klachtrecht bij internationale mensenrechtenverdragen.19 De derde termijn van dit debat is voorzien voor 19 februari 2019.

De leden van de voornoemde fracties willen u hierbij op de hoogte stellen dat zij de beantwoording uiterlijk 18 januari 2019 verwachten5, maar in ieder geval vóór de derde termijn van het beleidsdebat, zodat zij daarover met u in debat kunnen gaan.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Duthler

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 maart 2019

Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken en Klimaat, Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de Minister voor rechtsbescherming over het standpunt van het kabinet ten aanzien van ratificatie van het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en, in het verlengde hiervan, ook de facultatieve protocollen bij het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-Verdrag Handicap) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (VN-Kinderrechtenverdrag). Deze brief geldt tevens als beantwoording van vragen die verschillende leden van de Staten-Generaal recent over deze protocollen hebben gesteld.20

Het IVESCR legt onder meer het recht op arbeid, gezondheid, onderwijs, sociale zekerheid en een behoorlijke levensstandaard vast. Partijen bij dit verdrag hebben de verplichting om passende maatregelen te nemen om die rechten te verwezenlijken. Het gaat voor een belangrijk deel om zogenaamde programmatische rechten, die een inspanningsverplichting op staten leggen.

Het Facultatief Protocol bij het IVESCR verleent het toezichthoudend comité bij het verdrag, het ESC-comité, de bevoegdheid klachten te behandelen van personen of groepen personen die menen slachtoffer te zijn van een schending van het verdrag door een staat die het protocol heeft geratificeerd, nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Ook geeft het protocol aan het ESC-comité de bevoegdheid op eigen initiatief een onderzoek in te stellen naar vermeende ernstige of systematische schendingen van de rechten onder het IVESCR. Daarnaast biedt het protocol aan lidstaten de mogelijkheid een klacht in te dienen bij het comité over vermeende schendingen van de ESC-rechten door een andere lidstaat. Bevindingen van het comité naar aanleiding van deze klachten of onderzoeken worden neergelegd in een zogenaamde zienswijze. Zienswijzen van het comité zijn niet juridisch bindende beslissingen, maar wel gezaghebbend. Indien in een voorkomend geval aan een zienswijze van een comité geen gevolg wordt gegeven, hecht het kabinet eraan dit zorgvuldig te motiveren.

De Facultatieve Protocollen bij het VN-Verdrag Handicap en het VN-Kinderrechtenverdrag, die nog niet door Nederland zijn ondertekend, bevatten vergelijkbare bepalingen als het IVESCR-protocol, waarbij met name het individuele klachtrecht van belang is. Ook voor de comités die toezien op deze verdragen geldt dat hun zienswijzen niet juridisch bindend zijn, maar wel gezaghebbend.

Het Koninkrijk der Nederlanden heeft het Facultatief Protocol bij het IVESCR op 24 september 2009 ondertekend. Het Facultatief Protocol is in werking getreden op 5 mei 2013. Sinds de inwerkingtreding heeft het ESC-comité 16 beslissingen dan wel zienswijzen gepubliceerd, waarvan vier tegen Ecuador, één tegen Portugal en 11 tegen Spanje. Op moment van schrijven van deze brief zijn er 47 zaken aanhangig bij het Comité, waarvan het merendeel tegen Spanje.

De Rijksministerraad heeft eerder op voorstel van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingestemd met het zenden van het voorstel van rijkswet voor de goedkeuring van het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten naar de Raad van State voor advies. Dit advies is enige tijd geleden aan de regering gestuurd en geeft aanleiding tot nadere overweging wegens de mogelijke financiële en juridische gevolgen van ratificatie. Het kabinet heeft daarom besloten de voortgang van de ratificatieprocedure bij dit protocol aan te houden. Om dezelfde reden heeft het kabinet besloten besluitvorming over ondertekening en ratificatie van de facultatieve protocollen bij het VN-Verdrag Handicap en het VN-Kinderrechtenverdrag aan te houden. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat deze verdragen behalve vergelijkbare, ook andersoortige bepalingen bevatten dan het IVESCR.

In VN-verband vindt momenteel een uitgebreide evaluatie plaats over het functioneren van de verdragscomités, die in 2020 wordt afgerond.21 Het past in de nadere overweging naar aanleiding van het advies van de Raad van State om de uitkomsten van deze VN-evaluatie af te wachten. Het kabinet zal de Staten-Generaal informeren over de uitkomsten.

Daarnaast wijst het kabinet erop dat de jurisprudentie van het IVESCR-Comité en van de comités bij het VN-Verdrag Handicap en het VN-Kinderrechtenverdrag zich nog grotendeels moet ontwikkelen. Ook daarom acht het kabinet het verstandig vooralsnog niet over te gaan tot ratificatie, dan wel ondertekening van de genoemde protocollen.

Bovenstaande laat onverlet dat het kabinet het belang van dit onderwerp onderkent. Het belang blijkt ook uit het gegeven dat er zowel op nationaal als internationaal niveau veel aandacht is voor de protocollen en de werkwijze van de comités. Juist daarom is het belangrijk een zorgvuldige beslissing te nemen over ondertekening en/of ratificatie, wanneer voldoende informatie beschikbaar is om de juiste afweging te maken.

De Minister van Buitenlandse Zaken,
S.A. Blok

Noot 1: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D.

Noot 2: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D.

Noot 3: Samenstelling: Kox (SP), Engels (D66), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA), (vice-voorzitter), Duthler (VVD), (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Knip (VVD), Backer (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), Kok (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Lokin-Sassen (CDA), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van de Ven (VVD), Bikker (CU), Baay-Timmerman (50PLUS), Van Zandbrink (PvdA), vacature (PVV), Fiers (PvdA), Andriessen (D66) en Vink (D66).

Noot 4: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D.

Noot 5: Kenmerk: 1632390.03u.

Noot 6: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D.

Noot 7: Handelingen I 2015/16, nr. 27, item 8, p. 18–19 (Toezegging T02290).

Noot 8: Kamerstukken I 2015/16, 34 300 XVI, G, p. 5.

Noot 9: Kamerstukken I 2016/17, 33 992 (R2034) / 33 990, F, p. 3.

Noot 10: Kamerstukken I 2016/17, 33 990 / 33 992 (R2034), C, p. 7 en 9.

Noot 11: Kamerstukken I 2016/17, 34 550 XVI, C, p. 8.

Noot 12: Kamerstukken I 2016/17, 34 550 XVI, D, p. 4.

Noot 13: . Kamerstukken I 2017/18, 34 775 XVI, F, p. 6.

Noot 14: Kamerstukken I 2017/18, 34 775, XVI, H, p. 5.

Noot 15: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D, p. 3.

Noot 16: Kamerstukken I 2018/19, 24 170, D.

Noot 17: Kenmerk: 1632390.03u.

Noot 18: Kamerstukken I 2013/14, 33 750 VI, M.

Noot 19: Toezegging T02604.

Noot 20: Brief van de Eerste Kamer van 11 december 2018, met kenmerk 1632390.03u; brief van de Eerste Kamer van 21 december 2018, met kenmerk: 163239.04u; Algemeen Overleg discriminatie op 14 Februari 2019; Eerste Kamer debat over de staat van de rechtsstaat op 19 februari 2019.

Noot 21: AVVN Resoluties 68/268 en 73/162. Zie voor meer info: https://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRTD/Pages/TBStrengthening.aspx