Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

Beleidsartikel 21 Duurzaamheid

Algemene Doelstelling

Bevorderen van de circulaire economie met als doelen het behouden van natuurlijke hulpbronnen, zicht op de economische keten en het gebruik van hulpbronnen, het verbeteren van de voorzieningszekerheid van grondstoffen, het verminderen van emissies en het versterken van de Nederlandse economie.

Rollen en verantwoordelijkheden

Regisseren

Duurzaamheid moet expliciet onderdeel uit gaan maken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen in Nederland. Om dit te bereiken worden belemmeringen weggenomen, instrumenten ontwikkeld en samenwerkingsverbanden georganiseerd met de maatschappelijke partners. De Minister is hierbij verantwoordelijk voor:

  • •  De transitie naar een circulaire economie7 die wezenlijk bijdraagt aan het verminderen van de milieudruk en het halen van de klimaatdoelstelling, het verbeteren van de voorzieningszekerheid en het versterken van het verdienvermogen van de Nederlandse economie en het vitaal houden van ons natuurlijk kapitaal;
  • •  Het borgen van verduurzaming via wetgeving op nationaal, op EU- en internationaal niveau, bijvoorbeeld om de markt voor secundaire grondstoffen te vergroten, slim ontwerp van producten te stimuleren, het marktaandeel van circulaire producten te verhogen, ongewenste emissies te voorkomen, de kwaliteit van de leefomgeving in verdichte gebieden te verbeteren;
  • •  Het met behulp van de minimumstandaarden in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) verder realiseren van hoogwaardige afvalverwerking;
  • •  Het coördineren van beleid in Europees en in mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken;
  • •  Het toepassen van slimme marktprikkels door het beprijzen van milieuschade;
  • •  Het coördineren van het interdepartementale plan van aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen overheden 2015–20208.

Stimuleren

Zowel producenten als consumenten moeten concrete stappen kunnen zetten naar een meer circulaire economie. Om dit te bereiken steunt IenW duurzame initiatieven in de samenleving. Daarom stimuleert de Minister in samenwerking met andere ministers:

De verduurzaming van productketens waarbij bedrijven worden gestimuleerd om efficiënter om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen. Hiertoe worden partijen gefaciliteerd via bijvoorbeeld de Transitieagenda’s, aanpassing van regelgeving, Green Deals en ketenprojecten;

  • •  Samenwerking met andere organisaties om begrippen als «duurzaam consumeren» en «maatschappelijk verantwoord ondernemen» concreet en hanteerbaar te maken voor (kleine) bedrijven en burgers;
  • •  Investeringen in productietechnieken met een lagere milieuschade. Bijvoorbeeld door het stimuleren van de aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen door middel van financiële stimulering (MIA/VAMIL) en Groen Beleggen;
  • •  Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) bij zowel het Rijk als decentrale overheden te vergroten/versterken, met speciale aandacht voor klimaatneutraal en circulair inkopen.

Indicatoren en Kengetallen

Duurzame ontwikkeling kan op meerdere manieren inzichtelijk worden gemaakt. In internationaal verband zijn najaar 2015 in de Verenigde Naties de Sustainable Development Goals vastgesteld. Over de stand van zaken in Nederland wordt regelmatig gerapporteerd («Meten van SDGs, een eerste rapportage voor Nederland», CBS, november 2016). Ook is hierop aansluitend vanaf Verantwoordingsdag 2018 de jaarlijkse Monitor Brede Welvaart door het CBS beschikbaar, als opvolger van de Monitor Duurzaam Nederland (brief mEZ, december 2016).

Voor het Rijksbrede programma Circulaire Economie is door het Planbureau voor de Leefomgeving, Centraal Bureau voor de Statistiek en het RIVM samen met de Universiteit Utrecht een monitoringprogramma ontwikkeld met indicatoren en een nulmeting, zoals gevraagd in de motie-Van Veldhoven c.s. (Kamerstukken II 2016–2017, 32 852, nr. 36). Dit werd op 15 januari 2018 aangeboden aan de Kamer als bijlage bij de brief van de Staatssecretaris van IenW (Kamerstukken II 2017–2018, 32 852, nr. 53). Ook voor de transitieagenda’s Biomassa en Voedsel, Kunststof, Consumentengoederen, Maakindustrie en Bouw werden indicatoren en een sturingsprogramma ontwikkeld in 2018 en vanaf de ontwikkeling gemonitord.

Voor het afvalbeleid zijn doelen vastgesteld in het Landelijk Afvalplan (LAP), waaronder:

  • •  Beperking van het afval aanbod door huishoudens en bedrijven, bevordering van afvalscheiding en (voorbereiding voor) nuttig hergebruik, liefst door hoogwaardige recycling. LAP3 is eind 2017 in werking getreden.
  • •  Preventie van afvalstoffen, zodanig dat de in de periode 1985–2014 bereikte ontkoppeling tussen de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP) en de ontwikkeling van het totale afvalaanbod wordt versterkt. Dit houdt in dat het totaal afvalaanbod in 2023 niet groter mag zijn dan 61 Mton en in 2029 niet groter mag zijn dan 63 Mton.
  • •  Het van 2012 tot 2022 halveren van de hoeveelheid Nederlands afval dat de economie «verlaat» via afvalverbrandingsinstallaties en/of stortplaatsen (in 2012 betrof dit bijna 10 Mton).

Onderstaande grafieken laten cijfers realisatie afvalaanbod versus doelstelling (grafiek 1) zien. Afvalverwerking: storten, recyclen en verbranden (tabel 2). Tabel 3 is een weergave van het werkelijke afval als deze de groei van het bbp zou volgen. De ambitie is om de hoeveelheid afval die wordt gestort of verbrand terug te brengen van 10 Mton in 2012 naar circa 4,5 Mton in 2022. Dat moet bereikt worden door inzet in de gehele keten, door van de ontwerp- tot aan de afvalfase te werken aan preventie, hergebruik en recycling. De hoeveelheid huishoudelijk restafval is afgenomen terwijl de hoeveelheid bedrijfsafval is toegenomen. Het is aannemelijk dat voor dat laatste de aantrekkende economie een rol in speelt.

Grafiek1

Bron: RWS leefomgeving

Grafiek 2

Bron: RWS leefomgeving

Grafiek 3

Bron: RWS leefomgeving

Beleidswijzigingen

Het Rijksbrede programma «Nederland Circulair in 2050» geeft richting aan alle inspanningen die IenW (en de overige departementen) doet om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Op 15 januari 2018 zijn 5 transitie-agenda’s aangeboden aan het kabinet. Dat zijn voorstellen hoe het «Nederland Circulair in 2050» versterkt kan worden in samenwerking met maatschappelijke partijen. Het kabinet bepaalt welke inzet gepleegd gaat worden hiervoor. Die inspanningen zullen opgenomen worden in een uitvoeringsprogramma voor de komende periode.

Het derde circulaire economiepakket dat de Europese Commissie op 16 januari 2018 heeft gepubliceerd, versterkt en ondersteunt evenals de beide vorige pakketten de Nederlandse ambities voor een circulaire economie voor de komende periode. Het derde pakket bevat, naast een rapport over kritieke primaire grondstoffen, de kunststoffenstrategie en het snijvlak van stoffen-, product- en afvalstoffenwetgeving, tevens de voorstellen van de Commissie ten aanzien van monitoring van de transitie naar een circulaire economie. Over de wijzigingsvoorstellen van de Commissie is inmiddels overeenstemming bereikt tussen Raad, parlement en Commissie. De voornaamste maatregelen betreffen de doelstelling voor inzameling van huishoudelijk afval, uitfaseren van storten, uitbreiding van de producenten verantwoordelijkheid, avalpreventie, en verbetering in de toepassing van de concepten «einde-afval» en «bijproducten».

De Minister zet zich blijvend in voor een ambitieus circulair economiebeleid dat de transitie in Europa en daarmee in Nederland ondersteunt op basis van een gelijk speelveld voor bedrijven en het wegnemen van belemmeringen in regelgeving. Tevens is het stimuleren van de Europese markt voor secundaire grondstoffen een randvoorwaarde voor de transitie. Het streven is om de positie van Nederlandse bedrijven die bijdragen aan een circulaire economie te versterken. Een belangrijk instrument om de doelstellingen ten aanzien van Circulaire Economie te realiseren is Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). Dat betekent dat bij de inkoop van producten, diensten en werken de effecten op people, planet en profit worden meegenomen.

In 2019 komt het onderzoek van het RIVM naar de effecten van het programma «Transitiegericht Inkopen» uit de klimaatenveloppe 2018 beschikbaar. Ook gaat het RIVM in 2019 het onderzoek van 2017 naar de effecten van MVI herhalen om inzicht te krijgen in de voortgang.

Het Ministerie van IenW werkt ook aan de verduurzaming van zijn eigen beleid, uitvoering en bedrijfsvoering en heeft daarvoor ook een eigen Actieplan MVI opgesteld. Gekozen is om hierbinnen inhoudelijk prioriteit te leggen op acties gericht op circulaire economie en klimaat.

Voor de uitvoering van de kabinetsreactie voor de delen waarvoor IenW verantwoordelijk is, worden binnen de IenW begroting middelen vrijgemaakt. Voor 2019 en 2020 maakt het kabinet in totaal € 16 miljoen vrij. Deze middelen worden ingezet voor o.a.: de rijksbrede coördinatie van het CE-programma, de monitoring van de voortgang en effecten, de uitvoering van een aantal doorsnijdende thema's uit de kabinetsreactie (zoals producentenverantwoordelijkheid, versnellingshuis, communicatie en circulair ontwerpen) en de versnelling en opschaling van de transitieagenda's waar IenW voor verantwoordelijk is.

Budgettaire gevolgen van beleid

art 21. Duurzaamheid (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

– 4.746

61.855

27.673

25.639

17.662

17.691

16.316

Uitgaven:

21.741

60.014

27.462

25.639

17.662

17.691

16.316

Waarvan juridisch verplicht

   

84%

       

21.04

Duurzaamheidsinstrumentarium

618

284

1.188

1.247

1.247

847

847

21.04.01

Opdrachten

618

284

1.188

1.247

1.247

847

847

21.04.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

21.05

Duurzame Productketens

20.445

25.325

25.436

23.470

15.493

15.522

14.147

21.05.01

Opdrachten

10.724

7.637

13.503

13.722

5.793

5.821

5.821

 

– Uitvoering Duurzame productketens

9.274

5.578

13.139

13.357

5.428

5.456

5.456

 

– Caribisch Nederland afvalbeheer

1.450

0

0

0

0

0

0

21.05.02

Subsidies

2.541

10.140

4.216

2.031

2.003

2.004

629

 

– Caribisch Nederland afvalbeheer

0

4.291

3.559

1.374

1.374

1.375

0

21.05.03

Bijdrage aan agentschappen

7.180

7.078

7.247

7.247

7.247

7.247

7.247

 

– waarvan bijdrage aan RWS

7.180

7.078

7.247

7.247

7.247

7.247

7.247

21.05.06

Bijdrage aan ZBO en RWT

0

470

470

470

450

450

450

21.06

Natuurlijk kapitaal

678

550

838

922

922

1.322

1.322

21.06.01

Opdrachten

678

550

838

922

922

1.322

1.322

21.06.02

Subsidies

0

0

0

0

0

0

0

21.06.03

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

0

0

0

0

0

0

21.07

Duurzame mobiliteit

0

33.855

0

0

0

0

0

21.07.01

Opdrachten

0

5.343

0

0

0

0

0

21.07.02

Subsidies

0

23.746

0

0

0

0

0

21.07.03

Bijdrage aan agentschappen

0

4.766

0

0

0

0

0

 

– waarvan bijdrage aan RWS

0

2.271

0

0

0

0

0

 

Ontvangsten

618

0

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2017

2018

2019

Vrijstelling groen beleggen box 3

44

39

37

Heffingskorting groen beleggen

27

26

25

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

114

99

107

VAMIL

27

40

32

Budgetflexibiliteit

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzaamheidsinstrumentarium.

21.05 Duurzame productketens

De uitgaven voor subsidies (zie hiervoor de subsidiebijlage) en agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. De subsidies hebben een tijdshorizon en de agentschapsbijdragen hebben een structureel karakter. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten.

De budgettaire reeks Caribisch Nederland heeft betrekking op de wederopbouw van Saba en Sint-Eustatius en verbetering van het afvalbeheer op Bonaire en Sint-Eustatius.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein duurzame productketens.

21.06 Natuurlijk kapitaal

Meer specifiek betreft het opdrachten die betrekking hebben op de uitvoering van wettelijke taken onder andere door RWS op het gebied van biomassa en ecosystemen.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor diverse (onderzoeks)opdrachten op het beleidsterrein natuurlijk kapitaal.

Toelichting op de financiële instrumenten

21.04 Duurzaamheidsinstrumentarium

Het ontwikkelen van een duurzaamheidsinstrumentarium en het verbeteren van het economisch functioneren van de huidige verdienmodellen, zodat alle (maatschappelijke) kosten een rol gaan spelen bij de afwegingen van consumenten.

21.04.01 Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling en implementatie van duurzaamheidsinstrumentarium, zoals monitoring, onderzoek en kennisontwikkeling en stimuleren van circulair ondernemen.

21.05 Duurzame Productketens

Productketens worden onderzocht met het oog op de gevolgen van de winning, verwerking en het (her)gebruik van grondstoffen. Actie- en resultaatgerichte samenwerking in ketens en in de «gouden driehoek» (onderzoekers, ondernemers en overheid) wordt ondersteund om te komen tot een circulaire economie gericht op het maximaliseren van de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het minimaliseren van waardevernietiging.

Verduurzaming van de veehouderij is niet alleen van belang als onderdeel van transitie naar een circulaire economie, maar ook om te kunnen voldoen aan (Europese) doelen op het gebied van emissies en milieukwaliteit. Tevens is verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving rondom veehouderijen nodig voor het waarborgen van een goed en gezond woon- en leefklimaat.

21.05.01 Opdrachten

De opdrachten hebben betrekking op uitvoering van wettelijke taken op het gebied van het afvalbeleid (onder andere de uitvoering van het LAP3). Daarnaast heeft dit betrekking op opdrachten voor de uitvoering van «Nederland circulair in 2050». Dit betreft vooral de uitvoering van de prioriteiten kunststoffen, consumptiegoederen en het gedeelte infrastructuur van de prioriteit bouw.

Voor landbouw betreft het onder andere onderzoek naar toepassingen van maatregelen die de emissies uit veehouderijen naar de lucht en de leefomgeving verminderen en daarmee bijdragen aan een goed en gezond woon- en leefklimaat rond veehouderijen.

21.05.02 Subsidies

Dit betreft budget voor subsidieverlening in het kader van voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van productieprocessen. Daarnaast wordt subsidie verleend in het kader van het ontwikkelen, beheren en toetsen van transparante duurzaamheidcriteria.

De middelen voor de ontwikkeling van het afvalbeheer Bonaire en voor wederopbouw, ten behoeve van herstelwerkzaamheden na de geleden orkaanschade (IRMA), ten aanzien van het afvalbeheer Saba en Sint Eustatius staan op een subsidiebudget vanaf 2018.

21.05.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS in het kader van de transitie naar een Circulaire Economie (CE). Het betreft hier ook een opdracht aan RWS voor de uitvoering van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA), waar IenW – ook namens gemeenten en provincies – de opdracht voor verleent.

21.06 Natuurlijk Kapitaal

Biotische (materiaal)ketens in kader van het borgen van het natuurlijk kapitaal zijn een integraal onderdeel van de transitie naar een circulaire economie. Biotische ketens, zoals hout of biocomposiet, kunnen vaak een alternatief zijn voor materialen van fossiele of minerale oorsprong. Duurzaam geproduceerde biotische grondstoffen maken het mogelijk om goederen of diensten duurzaam te kunnen benutten als circulair alternatief.

21.06.01 Opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid van onder andere biomassa.

Verder betreft dit de opdracht aan RWS voor de uitvoering van het beleid op het gebied van biotische ketens. RWS wordt gevraagd om de relatie inzichtelijk te maken tussen de inzet van biotische materialen en de gevolgen voor materiaalgebruik, CO2-emissies en energiegebruik. Verder levert RWS ondersteuning van Green Deals en de City Deal Circulaire Stad. Verder gaat het om enkele taken in verband met het stortplaatsendossier, informatie- en kennisoverdracht op het gebied van milieubeleid en -regelgeving voor de landbouw.

21.07 Duurzame Mobiliteit

Op dit artikelonderdeel werden in 2018 met name opdrachten, subsidies en agentschapsbijdragen betreffende duurzame mobiliteit verantwoord. Vanaf 2019 vindt deze verantwoording plaats op artikel 14.

21.07.01 Opdrachten

Het Ministerie van IenW geeft uitvoerings- en onderzoeksopdrachten in het kader van de beleidsterreinen duurzame mobiliteit en industrie.

21.07.02 Subsidies

In het kader van de uitvoering van de Duurzame Brandstofvisie voor de transportsector (Kamerstukken II 2015–2016, 30 196, nr. 353) worden subsidies verstrekt voor technologieontwikkeling en innovatie duurzame mobiliteit en transport. De regeling DKTI is specifiek voor praktijktesten van initiatieven uit de markt, ondersteuning van de platforms die bij de uitvoering van de visie betrokken zijn en voor nationale bijdragen voor deelname aan Europese subsidieprojecten zoals calls van CEF, HORIZON en Fuel Cells land Hydrogen Joint Undertakings. Verder betreft dit budget voor de subsidie voor de uitreiking van de Koning Willem I-plaquette.

21.07.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft werkzaamheden die door RWS worden uitgevoerd. Het gaat om de uitvoering van werkzaamheden en het leveren van expertise op de beleidsterreinen duurzame mobiliteit en leefomgeving. Verder zit in deze bijdrage de opdracht vervat die het Ministerie van IenW jaarlijks aan de NEa verstrekt in het kader van de uitvoering van werkzaamheden op het gebied van energie en vervoer. Ook betreft dit een bijdrage aan het KNMI in het kader van Kenniscocreatie en kennislanding van wetenschap in beleid.

Noot 7: zoals uiteengezet in het Rijksbrede programma Circulaire Economie,

Noot 8: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2015Z16386&did=2015D33363