Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

Beleidsartikel 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s

Algemene Doelstelling

Het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving, die door de inwoners van Nederland ook als zodanig wordt ervaren.

Rollen en Verantwoordelijkheden

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor een gezonde en veilige leefomgeving. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • •  De normstelling en regels waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden. Het daarvoor gewenste beschermingsniveau wordt bij voorkeur op Europees of internationaal niveau vastgelegd en nationaal geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), bij de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH) en bestrijdingsmiddelen (Biocidenverordening, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), bij risicovolle bedrijven en bij het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail, buisleidingen en weg) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt. Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze internationale regels.
  • •  Waar Europese regels (deels) ontbreken, of waar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels voor de veiligheid van de omgeving noodzakelijk maken, wordt in dialoog met stakeholders gezocht naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij de regelgeving rond buisleidingen, risicovolle bedrijven, de emissies van zeer zorgwekkende stoffen en het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Met dat laatste wordt een balans gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid. De voorgenomen verplichting om asbestdaken te saneren is in 2015 aangekondigd en krijgt in 2018/2019 zijn juridische vormgeving. In Nederland vormen asbestdaken de belangrijkste bron van verspreiding van asbestvezels in de leefomgeving.
  • •  Waar nieuwe technologische ontwikkelingen aanleiding zijn om na te gaan of beleid en regelgeving daarmee nog in de pas lopen, kan het overwegen van nieuw of aanvullend beleid en regulering aan de orde zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de beleidsontwikkeling ten behoeve van de veilige toepassing voor mens en milieu van nieuwe vormen van nanotechnologie en biotechnologie.
  • •  Het reduceren van de regeldruk wordt onder meer nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken worden door 29 Omgevingsdiensten (OD’s) uitgevoerd, waarbij zes OD’s een specialisatie in BRZO12-taken hebben. De Minister heeft hierin een regisserende rol als voorzitter van het bestuurlijk omgevingsberaad (BOB) en als verantwoordelijke voor het VTH-stelsel.
  • •  Tegengaan van lastendruk is ook een centrale invalshoek bij het transport van gevaarlijke stoffen. Om die reden stelt Nederland in principe geen hogere eisen aan verpakkingen en voer- of vaartuigen dan in de relevante internationale verdragen is vastgelegd, conform de EU-Kaderrichtlijn transport gevaarlijke stoffen.
  • •  Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu bij activiteiten met GGO’s.
  • •  Het verlenen van vergunningen voor een beperkt aantal bedrijven met een verhoogd risico voor de externe veiligheid in Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor een gezonde en veilige leefomgeving vormen om deze risico’s te identificeren en te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die, bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening of vergunningverlening, keuzes maken die invloed hebben op een gezonde en veilige leefomgeving. De Minister stimuleert:

  • •  Het in beeld (doen) brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s en het stimuleren van de aanpak daarvan, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie, het volgen van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van hormoonverstoring en gecombineerde blootstelling aan stoffen en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s. De eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en andere overheden is daarbij een belangrijk anker, onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. De Risicokaart (in overleg met het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontwikkeld) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Het landelijk asbestvolgsysteem voorziet alle ketenpartijen van de nodige informatie. Om de sanering van asbestdaken tijdig op gang te brengen wordt het voorgenomen verbod begeleid door een subsidieregeling die in 2016 is ingegaan. Naar verwachting zal het in totaal beschikbare bedrag van € 75 miljoen in 2019 volledig zijn besteed. In 2016 is een samenwerkingsverband met alle betrokken partijen opgericht om onder meer met behulp van een meerjarig uitvoeringsprogramma de sanering van de asbestdaken te begeleiden. Hiermee moet worden voorkomen dat er een capaciteitsprobleem ontstaat bij de inventarisatie- en verwijderingsbedrijven en dat er een handhavingsprobleem ontstaat na inwerkingtreding van het verbod. Decentrale overheden verkennen momenteel de mogelijkheden voor financieringsconstructies, bijvoorbeeld gekoppeld aan andere verduurzamingsmaatregelen.
  • •  Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.
  • •  Een continue verbetering van de omgevingsveiligheid bijvoorbeeld met behulp van het instrument van de Safety Deals.
  • •  Dat veiligheid en gezondheid van meet af aan in innovaties wordt meegenomen, door via kennisontwikkeling en opleiding dit veiligheidsdenken te ontwikkelen en te integreren. Daardoor kunnen op termijn gezonde en veilige producten en processen tot stand komen, hetgeen tevens bijdraagt aan realiseren van een circulaire economie («Veilig aan de Voorkant», Safe-by-design).

Verder is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en Toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Veiligheid en veiligheidsbeleving zijn niet eenvoudig objectief te meten. Het streven is gericht op het voorkomen van onveiligheid: vermeden onveilige situaties laten zich niet meten. Op dit terrein worden daarom kwantitatieve kengetallen gehanteerd.

REACH

In het kader van de Europese stoffenregelgeving (REACH) worden stoffen beoordeeld en waar nodig van maatregelen voorzien (geharmoniseerde classificatie en labeling, autorisatie, restrictie). Nederland levert een bijdrage aan dat proces, waarbij de Nederlandse inzet wordt bepaald door de eerder ontwikkelde beleidsprioriteringscriteria en de mate waarin de betreffende stof voor Nederland zorgen oplevert, of hier geproduceerd of gebruikt wordt. Onderstaande tabel geeft aan wat de realisatie is in 2017 bij deze producten van het Europese systeem en wat naar verwachting de Nederlandse inbreng en voor de hele EU is in 2018 en 2019. Daarbij betreft de Nederlandse bijdrage de door Nederland ingebrachte dossiers en door andere lidstaten ingebrachte dossiers waar Nederland veelal actief input op levert.

Tabel resultaten REACH in 2017, 2018 en 2019
   

Realisatie 2017

Geraamd 2018

Geraamd 2019

   

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven.

95

211

120

420

80

395

2

Door Nederland uitgevoerde (en beoordeelde ontwerpbesluiten van) stofevaluaties.

2

22

2

(30)

45

2

(25)

50

3a

Door Nederland gescreende stoffen.

   

Circa 12

n.v.t.

Circa 20

n.v.t.

3b

Door Nederland ingediende (en becommentarieerde) RMO-analyses.

4

(10)

n.v.t.

5

(10)

n.v.t.

6

(10)

n.v.t.

4a

Door Nederland ingebrachte (en becommentarieerde) Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen.

1

(10)

10

2

(15)

15

2

(25)

25

4b

Door Nederland gerapporteerde (en becommentarieerde) clusters van autorisatieverzoeken.

3

(35)

40

1–2

(5–10)

5–10

1–2

(15)

15

5

Door Nederland gerapporteerde (en becommentarieerde) restrictiedossiers.

2

(9)

9

2

(5–7)

5–7

2

(8)

8

6

Door Nederlandse ingebrachte (en becommentarieerde) voorstellen voor geharmoniseerde classificatie & labeling.

6

(51)

53

6–11

(30)

50

6–11

(40)

85

7

Behandelde vragen door de REACH & CLP helpdesk.

668

n.v.t.

600

n.v.t.

450

n.v.t.

Bronnen: RIVM, Werkprogramma 2018 Bureau REACH en Jaarverslag 2017 Bureau REACH. ECHA, Programming Document 2019–2021 – Draft 1 (december 2017).

Toelichting:

Het beoordeling- en besluitvormingstraject met betrekking tot de REACH-werkprocessen stofevaluatie, autorisatieverzoeken en restrictiedossiers beperkt zich veelal niet tot één kalenderjaar waarmee de daarmee samenhangende werklast over meerdere jaren wordt verspreid. De getallen betreffen door NL becommentarieerde dossiers of door NL RAC- en SEAC-leden gedragen (co)rapporteurschappen. De aantallen door Nederland becommentarieerde dossiers staan steeds tussen haakjes. Voor de Nederlandse bijdrage in 2018 en 2019 staan bandbreedtes (onzekerheidsmarge) vermeld daar afstemming over de daadwerkelijke Nederlandse inzet nog niet is afgerond. Bij het prioriteren wordt de nadruk gelegd op stoffen die relevant zijn voor de Nederlandse situatie.

Ad 1) In 2018 valt de laatste deadline voor preregistratie dossiers, waardoor ECHA een stijging in ontwerpbesluiten m.b.t. testvoorstellen voorziet.

Ad 2) Het aantal stofevaluaties kende in 2017 een dip vanwege de interferentie met compliance check uitgevoerd door ECHA en is voor 2018 en 2019 weer terug op het oude niveau.

Ad 3a) Het screeningswerk om tot de selectie te komen voor kandidaten voor risico reducerende maatregelen (stofevaluatie, classificatie, autorisatie of restrictie) maakte voorheen nog geen deel van uit van de tabel.

Ad 4a) De Nederlandse inbreng aan Annex XV SVHC dossiers wordt voor 2019 op twee dossiers geschat. Het lastige daarbij is wel om tot geschikte stoffen te komen, deze volgen veelal uit andere processen zoals RMO-analyse en stofevaluatie.

Ad 4b) De taken met betrekking tot de autorisatieverzoeken laten zich lastig beschrijven in aantallen. De autorisatieaanvragen betreffen in de regel 1 tot 3 gebruiken die afzonderlijke opinies behoeven. Aanvragen worden veelal geclusterd in groepen van vergelijkbare aanvragen die door dezelfde rapporteurs worden behandeld uit efficiëntieoverwegingen.

Ad 5) Nederland levert input op alle restrictiedossiers.

Ad 6) ECHA voorziet voor 2019 een forse toename in CLH dossiers.

Ad 7) Het RIVM beantwoordt zowel vragen van de REACH Helpdesk als de CLP-Helpdesk. De verwachting is dat het aantal vragen af zal nemen na het verstrijken van de laatste registratie deadline medio 2018.

Asbestdaken

Het beleid is er op gericht dat alle asbestdaken verantwoord worden verwijderd. De juridische maatregelen die daartoe verplichten hebben vorm gekregen in 2018 (wettelijke grondslag in Wet milieubeheer) of zullen vorm krijgen in 2019 (algemene maatregel van bestuur ter uitwerking).

Het aantal vierkante meters asbestdak in Nederland is in 2012 ingeschat op 120 mln. Het Ministerie van IenW volgt de sanering van de asbestdaken en brengt per kwartaal in beeld hoeveel daken er zijn gesaneerd. In onderstaande tabel wordt op jaarbasis de stand van zaken en de planning van de saneringsoperatie in beeld gebracht. Omdat verschillende provincies de asbestdaken op hun gebied in kaart brengen op basis van feitelijke waarnemingen, kan onderstaand overzicht met betrekking tot het resterend aantal vierkante meters in de loop van 2019 mogelijk worden geactualiseerd.

Sanering asbestdaken (aantallen in miljoenen m2):
 

gesaneerd

resterend

2012

(-)

120

2013

4,5

115,5

2014

5,9

109,6

2015

6,9

102,7

2016

9,9

92,8

2017

10,8

82,0

2018

14,01

68,0

2019

17,0

51,0

Noot 1: de aantallen in de jaren 2018 en 2019 zijn inschattingen.

Bron: Startmeldingenbestand van de Inspectie SZW (meldingen saneerders bij aanvang sanering), bewerkt door RWS.

Bevt

Voor het oplossen van knelpunten veroorzaakt door het Basisnet is de milde saneringsregeling Bevt (Besluit externe veiligheid transport) gestart.9 Deze regeling heeft betrekking op het oplossen van huidige en mogelijke toekomstige knelpunten bij bestaande woningen langs basisnetroutes. Bij aanvang van deze regeling was er sprake van 42 kwetsbare objecten en per 1 januari 2018 resteren nog 11 woningen. Deze regeling loopt nog tot en met 2020 (bron: RWS).

GGO’s

Er is gekozen om over de uitvoering van de GGO-regelgeving niet alleen kengetallen te vermelden maar ook indicatoren. Immers, kengetallen geven uitsluitend een beeld van wat de bestede middelen voor vergunningverlening aan resultaten hebben opgeleverd, maar zij bieden geen inzicht in de mate waarin vergunningverlening aan het bereiken van het beleidsdoel heeft bijgedragen.

Kengetallen zijn de aantallen ontvangen vergunningaanvragen, aanvragen voor wijziging van vergunningen, kennisgevingen, wijzigingen op kennisgevingen en art.2.8-verzoeken.

Indicatoren zijn het percentage van het aantal vergunningaanvragen, kennisgevingen of art.2.8 verzoeken voor handelingen waarbij het risico voor mens en milieu gelijk of lager is dan een verwaarloosbaar risico.

De GGO-regelgeving is op 1 maart 2015 gewijzigd10 waarbij naast vergunningen ook algemene regels, de mogelijkheid tot het doen van kennisgevingen en verzoeken ingevolge art. 2.8 van het Besluit ggo milieubeheer 2013 zijn geïntroduceerd en de structuur van de vergunningverlening is gewijzigd. Dit gegeven zorgt ervoor dat nog maar een beperkte set historische kengetallen voorhanden is. De prognose voor 2019 is dat de realisatie eenzelfde beeld als 2017 en 2018 te zien zal geven.

De realisatie in 2017 is als volgt:

 

Kengetal

2017

Indicator

2017

Ingeperkt gebruik:

   

Vergunningaanvragen

120

100%

Kennisgevingen1

267

100%

Meldingen2

83

n.v.t.

Verzoeken ex art. 2.8 Besluit ggo

123

100%

Introductie in het milieu, landbouw (inclusief marktaanvragen)

Introductie in het milieu, medisch, veterinair

6

100%

Totaal

599

n.v.t.

Noot 1: Het betreft kennisgeving op niveau I, II-k, II-v, en III, inclusief de wijzigingen op de respectievelijke niveaus

Noot 2: Tussen 7 september 2016 en 31 december 2017 kan voor beperkte wijzigingen op een vergunning die voor 1 maart 2015 is verleend volstaan worden met een melding in plaats van een vergunningswijziging.

Bron: RIVM, bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen.

Majeure risicobedrijven

Jaarlijks rapporteert de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer de Staat van de Veiligheid bij de majeure risicobedrijven. De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven schetst vanuit een breed perspectief een beeld van de veiligheidssituatie van de majeure risicobedrijven in Nederland. Met deze benadering wordt vanuit verschillende invalshoeken het beeld over de veiligheid bij deze groep bedrijven losgekoppeld van de individuele casuïstiek bij bedrijven. Op basis van een jaarlijks terugkerende rapportage (eerste rapportage in 2014) kunnen tevens trends en ontwikkelingen over de veiligheid bij de majeure risicobedrijven zichtbaar worden en waar nodig specifieke sturingsmaatregelen worden genomen. De Staat van de Veiligheid majeure risicobedrijven is een monitoringsinstrument voor de stelselverantwoordelijke departementen (IenW, JenV en SZW). Op 9 juli 2018 (Kamerstukken II 2017–2018, 26 956, nr. 211) is de Staat van de Veiligheid over 2017 aan de Kamer aangeboden.

Beleidswijzigingen

Binnen het programma Duurzame Veiligheid 2030 (DV2030) wordt ernaar gestreefd om per 2030 een (petro)chemische industrie zonder noemenswaardige incidenten te bewerkstelligen. Partners uit het bedrijfsleven, wetenschap en overheid werken hiertoe samen in vijf themagewijze roadmaps. In deze roadmaps worden diverse projecten en onderzoeken uitgevoerd. Voor 2019 staat onder andere de derde fase van het Just Culture project en de follow-up van de nulmeting van de staat van de industriële installaties op de agenda. DV2030 werkt verder aan het concept van de «Safety Delta Nederland» waardoor de (petro)chemische industrie in Nederland in 2030 de veiligste ter wereld moet worden. Een eerste stap hierin is het maken van één gezamenlijke Kennisagenda Duurzame Veiligheid voor de (petro)chemie. De uitwerking van de Safety Delta Nederland staat prominent op de agenda voor 2019.

In het met de andere overheden uit te voeren programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) wordt in het deelprogramma Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV) 2019 verdere invulling gegeven aan de implementatie van de alternatieve invulling van het groepsrisico met aandachtsgebieden.

De aandachtsgebieden geven inzicht in de risico’s in de omgeving die veroorzaakt worden door het verwerken, het vervoeren of het opslaan van gevaarlijke stoffen. Op kaarten worden deze gebieden gemarkeerd.

Doordat de risico’s visueel worden gemaakt, zullen ruimtelijke ordenaars in hun plannen eerder rekening houden met de gevaren, zoals een brand, explosie of giftige wolk. In 2019 ligt het accent op het vaststellen van de aandachtsgebieden rondom Seveso-bedrijven, individueel en in groepsverband. De invulling van het groepsrisico is in de Omgevingswet opgenomen.

Veiligheid en gezondheid moeten, mede als voorwaarde voor het realiseren van een circulaire economie, van meet af aan in een innovatie worden meegenomen omdat alleen dan ook in de toekomst een gezonde en veilige leefomgeving realiseerbaar is. Safe-by-Design («Veilig aan de Voorkant») lijkt een geschikt concept te zijn om invulling te geven aan die voorwaarde en is daarom van groot belang voor het voorkomen van milieurisico’s. Met de brief «Beleidsaanpak omgevingsveiligheid en milieurisico’s» is de Kamer geïnformeerd over deze nieuwe ambities voor de aanpak van milieurisico’s en de acties die daar in 2019 en verder uit voortvloeien (Kamerstukken II 2017–2018, 28 089, nr. 88). In 2019 zal verder invulling worden gegeven aan de beleidsmodernisering (Programma Veiligheid Biotechnologie) die in de Kabinetsreactie Trendanalyse Biotechnologie11 is aangekondigd. Het doel van de beleidsmodernisering is ten minste te waarborgen dat de veiligheid van mens, dier en milieu is gewaarborgd bij toepassingen van biotechnologie en beleid en regelgeving zijn toegesneden op toekomstige ontwikkelingen. In 2019 ontvangt de Kamer een tweede voortgangsbrief.

In 2019 worden nieuwe versies van de Regeling vervoer land van gevaarlijke stoffen (VLG), de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over het spoor van gevaarlijke stoffen gepubliceerd. Hiermee blijven de veiligheidseisen aan transport van gevaarlijke stoffen gekoppeld aan de laatste stand van zaken in wetenschap en techniek.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 22 Omgevingsveiligheid en Milieurisico's (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

38.226

45.904

29.349

43.010

48.895

49.681

62.362

Uitgaven:

45.430

52.171

33.802

45.565

43.370

49.831

62.362

Waarvan juridisch verplicht

   

90%

       

22.01

Veiligheid chemische stoffen

5.867

11.486

7.345

8.146

7.955

7.955

7.885

22.01.01

Opdrachten

3.383

6.428

4.773

5.544

5.443

5.443

5.373

22.01.02

Subsidies

537

2.717

235

265

175

175

175

 

– NANoREG

51

2.182

0

0

0

0

0

 

– Overige subsidies

486

535

235

265

175

175

175

22.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.958

2.341

2.337

2.337

2.337

2.337

2.337

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.946

2.341

2.337

2.337

2.337

2.337

2.337

22.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

22.02

Veiligheid biotechnologie

2.952

3.000

2.770

4.770

2.770

2.770

2.770

22.02.01

Opdrachten

2.952

3.000

2.770

4.770

2.770

2.770

2.770

22.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

22.03

Veiligheid bedrijven en transport

36.611

37.685

23.687

32.649

32.645

39.106

51.707

22.03.01

Opdrachten

3.805

5.565

4.251

20.533

22.029

21.390

24.691

 

– Omgevingsveiligheid

1.305

1.223

1.979

16.160

16.160

15.480

18.160

 

– Overige opdrachten

2.500

4.342

2.272

4.373

5.869

5.910

6.531

22.03.02

Subsidies

27.298

27.072

14.869

7.549

6.049

13.149

22.449

 

– Asbest

26.347

23.091

10.783

3.194

3.194

10.294

19.594

 

– Overige subsidies

951

3.981

4.086

4.655

2.855

2.855

2.855

22.03.03

Bijdrage aan agentschappen

1.896

2.002

1.521

1.521

1.521

1.521

1.521

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.896

2.002

1.521

1.521

1.521

1.521

1.521

22.03.04

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

0

0

0

 

– Bijdragen programma Externe Veiligheid

0

0

0

0

0

0

0

22.03.05

Bijdragen aan internationale organisaties

0

0

0

0

0

0

0

22.03.09

Inkomensoverdrachten

3.612

3.046

3.046

3.046

3.046

3.046

3.046

 

Ontvangsten

726

2.432

250

250

250

250

250

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

893

787

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.06 Externe Veiligheid van het Infrastructuurfonds

893

787

0

0

0

waarvan

         

18.06

Externe veiligheid

893

787

0

0

0

Budgetflexibiliteit

22.01 Veiligheid chemische stoffen

De uitgaven voor subsidies en de agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten, waaronder opdrachten in de sfeer van wettelijke taken inzake het (inter)nationale stoffenbeleid evenals de vergunningverlening op dat gebieden het (interdepartementale) meerjarenprogramma Gezondheidsrisico’s straling zendmasten (elektromagnetische velden) en de jaarlijkse bijdragen aan de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel heeft met name betrekking op het uitvoeren van de programma’s REACH, waaronder ook de onderzoeken in het kader van de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen, Gezondheid in het milieubeleid (GiM) en Safe-by-Design («Veilig aan de voorkant»).

22.02 Veiligheid biotechnologie

Het grootste deel van de uitgaven is juridisch verplicht als gevolg van de jaarlijkse bijdrage aan de COGEM en de uitgaven in het kader van het meerjarenonderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering veiligheid biotechnologie.

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

De uitgaven voor inkomensoverdrachten en de agentschapsbijdragen zijn volledig juridisch verplicht. Van het subsidiebudget worden de budgetten voor de subsidieregelingen Verwijderen Asbestdaken en Versterking omgevingsveiligheid chemische sector 2019 in de Staatscourant gepubliceerd en zijn hiermee juridisch verplicht. Van het opdrachtenbudget is een deel juridisch verplicht als gevolg van doorlopende opdrachten. Meer specifiek betreft het opdrachten en subsidies in de sfeer van (wettelijke) taken inzake omgevingsveiligheid, vervoer gevaarlijke stoffen (beëindigen van chloortransporten over het spoor) en basisnetten.

Het niet-juridisch verplichte deel van dit artikelonderdeel wordt voor een deel aangewend voor uitgaven in het kader van de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid, veiligheid BRZO-bedrijven in Caribisch Nederland, vuurwerkcampagnes en het beheer van het VTH-stelsel (Stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving).

Toelichting op de financiële instrumenten

22.01 Veiligheid chemische stoffen

22.01.01 Opdrachten

In dit kader worden opdrachten verstrekt aan onder andere de Gezondheidsraad voor de uitvoering van wettelijke taken op het gebied van asbest, chemische stoffen en externe veiligheid en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor de uitvoering van het werkprogramma. Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor het meerjarig onderzoekprogramma elektromagnetische velden (EMV), de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van zeer zorgwekkende stoffen in relatie tot andere overheden (vergunningverlening), voor de uitvoering van taken op de gebieden «veiligheid en gezondheid» (asbest) en «nieuwe risico’s en security» (nanotechnologie en synthetische biologie).

22.01.02 Subsidies

De subsidies hebben betrekking op de bijdrage aan het Platform EMV.

22.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor voornamelijk de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op het beleidsonderwerp «asbest». Daarbij wordt inzet geleverd voor het beheer en verdere ontwikkeling van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS).

22.02 Veiligheid biotechnologie

22.02.01 Opdrachten

Ter uitvoering van de wettelijke taak wordt jaarlijks een opdracht verstrekt aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) voor het maken van beoordelingen inzake risico’s verbonden aan werkzaamheden met genetisch gemodificeerde organismen en het adviseren over maatregelen risicobeheersing en monitoring die bij de uitvoering van werkzaamheden met GGO's kunnen worden toegepast. Daarnaast worden de uitgaven in het kader van het meerjarige onderzoeksprogramma Biotechnologie en Veiligheid hier verantwoord.

22.03 Veiligheid bedrijven en transport

22.03.01 Opdrachten

Omgevingsveiligheid

Het betreft hier uitgaven in het kader van de Impuls omgevingsveiligheid (IOV 2019–2020) voor de deelprogramma’s Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO), Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS), Informatie/Kennisinfrastructuur en lokaal externe (omgeving) veiligheidsbeleid. Door middel van een programmatische aanpak wordt ingezet op het creëren van een veiligere leefomgeving. Het programma wordt uitgevoerd onder auspiciën van het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOB).

Overige opdrachten

Het betreft hier opdrachten voor (wettelijke) taken in het kader van BRZO bedrijven, olieterminals in Caribisch Nederland en vuurwerk, de monitoring van basisnetten (weg, water, spoor), aanpassing regelgeving vervoer gevaarlijke stoffen als gevolg van wijzigingen internationale verdragen, modellenbeheer buisleidingen (Bevb), onderhouden Activiteitenbesluit voor het realiseren vermindering regeldruk bedrijven en de stelselontwikkeling en het beheer van standaarden voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Daarnaast worden opdrachten verstrekt voor onderzoek en implementatie van risicoreductie maatregelen alsmede de ondersteuning en begeleiding van het verwijderen van asbestdaken.

22.03.02 Subsidies

Asbest

Het betreft hier de uitgaven in het kader van de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken die door de RVO wordt uitgevoerd. Jaarlijks wordt in de Staatscourant het beschikbare jaarbudget gepubliceerd.

Overige subsidies

Het betreft hier de uitgaven in het kader van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid chemische sector, die door de RVO wordt uitgevoerd. Jaarlijks wordt in de Staatscourant het beschikbare jaarbudget gepubliceerd. De overige subsidies hebben voornamelijk betrekking op de vuurwerkcampagnes, subsidies aan organisaties die een bijdrage leveren aan het samenwerkingsprogramma «verwijderen asbestdaken» en het vervolmaken van het stelsel van Omgevingsdiensten. Daarnaast kunnen hier ook als onderdeel van de uitvoeringsagenda BRZO ook subsidies worden toegekend onder de noemer «Safety Deals». De Safety Deals zijn complementair aan de maatregelen die versterking van toezicht en handhaving tot doel hebben. Het gaat hier om het creëren van een duurzame veiligheidscultuur bij onder meer de bedrijfsprocessen binnen de chemiesector.

22.03.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van de uitvoering van InfoMil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving) op de beleidsonderwerpen «kennisoverdracht omgevingsveiligheid» en «vergunningverlening». Daarnaast vinden hier uitgaven plaats voor werkzaamheden van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van RWS in het kader van basisnetten en vervoer gevaarlijke stoffen.

22.03.09 Inkomensoverdrachten

De inkomensoverdrachten hebben betrekking op het honoreren van incidentele aanvragen in het kader van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienst gerelateerde slachtoffers van mesothelioom (TNS). Deze regeling is bedoeld voor iedereen die de ziekte van maligne mesothelioom heeft als gevolg van contact met asbest buiten de werksituatie.

Noot 9: Staatscourant 2015, nr. 10961, Beleidsregel verwerven van woningen langs basisnetroutes.

Noot 10: Stb. 2014, 57 en Stcrt. 2014, 11317

Noot 11: Brief aan TK, Beleidsnota Biotechnologie, reactie op Trendanalyse Biotechnologie 2016 «Regelgeving Ontregeld», 12-12-2016 (Kamerstukken II 2016–2017, 27 428, nr. 335).