Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2. INFRASTRUCTUURAGENDA

In de infrastructuuragenda wordt de agenda op projectniveau gepresenteerd, met aandacht voor de mijlpalen in het lopende infrastructuurprogramma. Zo wordt inzichtelijk gemaakt welke projecten in 2018 worden opgeleverd en bij welke projecten de uitvoering in 2019 begint. Daarna volgt een toelichting op begroting op hoofdlijnen.

Mijlpalen en resultaten 2019

In 2019 wil IenW onder meer de volgende activiteiten in het kader van beheer, onderhoud en vervanging uitvoeren:

Beheer, onderhoud en vervanging

Mijlpaal

Project

Hoofdwegen

– Verkeersmanagement waaronder inzet weginspecteurs bij incidenten, het op alle bemeten wegvakken inwinnen van betrouwbare reis en route- informatie. Deze informatie tijdig aan de NDW te leveren, het realiseren van benuttingsmaatregelen en connecting mobility.

– Beheer en onderhoud waaronder verhardingsonderhoud, onderhoud aan kunstwerken en onderhoud aan Dynamisch Verkeersmanagement (DVM) systemen.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties waaronder het programma Stalen Bruggen.

Spoorwegen

– Verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

– Regulier beheer en onderhoud, waaronder het inspecteren en schouwen van de infrastructuur, functieherstel bij verstoringen, het saneren van geluidsschermen en het onderhouden en schoonmaken van stations.

– Groot onderhoud, waaronder het slijpen van spoorstaven en het seizoenbestendig houden van de sporen.

– Het vervangen van spoorstaven, dwarsliggers en wissels en de vervanging van andere systemen, zoals energie, transfer en treinbeveiliging en treinbeheersing.

Hoofdvaarwegen

– Verkeersmanagement waaronder activiteiten in het kader van verkeersbegeleiding, bediening van objecten en vaarwegmarkering.

– Beheer en onderhoud maatregelen om de breedte en diepte van de vaarweg te handhaven en maatregelen om de kunstwerken (sluizen en bruggen) en verkeersvoorzieningen blijvend te laten functioneren.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties en afronding «NoMo AOV» achterstallig onderhoud vaarwegen programma.

Voor een nadere toelichting op de stand van zaken van beheer, onderhoud en vervanging wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Overzicht 2019.

Aanleg

Hieronder volgen de mijlpalen die IenW in 2019 wil halen per modaliteit.

Hoofdwegennet

Mijlpaal

Project

Openstelling

– A1/A6/A9 Schiphol–Amsterdam–Almere (deeltraject A6 Almere)

Start realisatie

– A1 Apeldoorn Azelo

– A15 Papendrecht Sliedrecht

– A16 Rotterdam

– N33 Zuidbroek–Appingedam

Spoorwegen

Mijlpaal

Project

Openstelling

– PHS Veenendaal Klompersteeg

– Diverse deelprojecten bij landelijke programma’s (o.a. fietsparkeren, toegankelijkheid stations, overwegenaanpak, kleine functiewijzigingen)

Start realisatie

– PHS Geldermalsen

– Diverse deelprojecten bij landelijke programma’s (o.a. fietsparkeren, toegankelijkheid stations, overwegenaanpak, kleine functiewijzigingen)

Hoofdvaarwegennet

Mijlpaal

Project

Openstelling

– Vaarweg Lemmer–Delfzijl, fase 1

– Lekkanaal: derde kolk Beatrixsluis en verbreding kanaalzijde/uitbreiding ligplaatsen

Start realisatie

– Toekomstvisie Waal

– Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen Beneden–Lek

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor het lopende programma wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Overzicht 2019.

Regionale/lokale infrastructuur

Voor de grote regionale en lokale infrastructuurprojecten (hoger dan € 112,5 miljoen respectievelijk € 225 miljoen van de meest kosteneffectieve oplossing) ligt de verantwoordelijkheid voor voorbereiding, aanleg, beheer en onderhoud en exploitatie bij de betreffende regionale of lokale overheid. IenW is dus niet zelf verantwoordelijk, maar kan een bijdrage leveren in de aanlegkosten van een dergelijk project als nut en noodzaak zijn aangetoond en het project van (boven)regionaal belang is. Op artikelonderdeel 14.01 zijn de grote regionale/lokale projecten nader aangeduid.

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor de lopende programma’s wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen, de voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer en het MIRT Overzicht 2019.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2018. Een volledig overzicht van de mutaties is terug te vinden in verdiepingsbijlage.

Begroting op hoofdlijnen (bedragen x € 1.000)
   

art

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024–2031

2032

Stand begroting 2018

 

6.241.305

6.408.559

6.451.970

6.421.743

6.500.159

6.329.056

44.406.807

0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2018

 

596.382

961.293

458.752

86.512

93.286

95.191

760.648

0

Stand 1e suppletoire begroting 2018

 

6.837.687

7.369.852

6.910.722

6.508.255

6.593.445

6.424.247

45.167.455

0

Belangrijkste mutaties Infrastructuurfonds

 

– 636.715

– 1.818

267.120

647.428

94.234

381.253

1.090.322

5.827.978

 

Kaderrelevante mutaties IF

                 

1

Aanvullende post Infrastructuurfonds

Div.

– 2.759

– 1.500

– 3.500

– 3.500

– 3.500

– 3.500

– 10.500

 

2

Bijdragen derden

                 
 

– Hoofdwegennet

12

5.283

1.497

 

326

1

     
 

– Spoorwegen

13

760

919

– 1.000

– 922

– 345

1.038

13.311

 
 

– Hoofdvaarwegennet

15

14.045

             
 

– Megaprojecten verkeer en vervoer

17

           

15.121

 
 

– Verkenningen

20

     

30.000

 

17.500

   

3

Extrapolatie Infrastructuurfonds

                 
 

– Bijdragen aan Infrastructuurfonds

Div.

             

5.460.859

 

– Ontvangsten van derden

12/13

             

237.619

4

Kasschuiven Infrastructuurfonds

                 
 

– Kasschuif Infrastructuurfonds

Div.

– 700.000

 

300.000

400.000

       
 

– Kasschuif voor het Rijksbrede budgettair beeld

Div.

 

– 100.000

– 150.000

   

250.000

   
 

– Kasschuif tussen Infrastructuur- en Deltafonds

Div.

   

– 100.000

100.000

       

5

Loon- en prijsbijstelling

Div.

109.786

123.659

114.409

103.851

105.951

101.908

815.728

101.527

6

Meeropbrengsten Eurovignet

   

13.000

31.000

31.000

31.000

31.000

248.000

31.000

7

Ontvangstenschuiven

Div.

– 59.932

– 13.394

85.830

– 5.120

– 34.666

– 12.486

39.768

 

8

Overboeking afroming eigen vermogen RWS

18

– 6.167

– 8.970

– 4.870

– 2.700

       

9

Weg- en vaarweginfrastructuur Afsluitdijk

                 
 

– Aandeel hoofdwegennet

12

 

– 6.606

– 2.430

– 2.430

– 2.430

– 2.430

– 19.440

– 2.430

 

– Aandeel hoofdvaarwegennet

15

 

– 2.469

– 1.345

– 1.345

– 1.345

– 1.345

– 10.760

– 1.345

 

Diversen

Div.

2.269

– 7.954

– 974

– 1.732

– 432

– 432

– 906

748

                     
 

Mutaties binnen kader IF

                 

10

Grootprojectstatus PHS

13

– 203.908

– 261.697

– 193.486

– 336.491

– 422.570

– 417.026

– 1.168.199

 
   

17

203.908

261.697

193.486

336.491

422.570

417.026

1.168.199

 

11

Kasschuiven tussen modaliteiten

12

16.540

– 8.970

– 54.870

– 2.700

– 220.000

– 100.000

375.000

– 5.000

   

13

– 75.000

– 225.000

– 85.000

– 125.000

255.000

387.500

– 137.500

5.000

   

15

     

150.000

   

– 150.000

 
   

17

75.000

125.000

– 15.000

– 25.000

– 35.000

– 37.500

– 87.500

 
   

18

– 16.540

108.970

154.870

2.700

 

– 250.000

   

12

Resterende beleidsruimte kabinet-Rutte II

12

           

277.714

 
   

13

           

205.041

 
   

15

           

36.336

 
   

18

           

– 519.091

 

13

Vorming artikel 20

12

– 12.000

– 34.000

– 37.900

– 36.304

– 50.000

– 193.526

– 2.358.891

– 19.876

   

13

 

– 29.897

– 26.726

– 27.867

– 104.135

– 128.135

– 1.467.273

– 197.642

   

15

           

– 234.253

– 9.000

   

18

– 5.000

– 5.000

– 5.000

– 5.000

– 5.000

– 5.000

– 2.398.408

– 1.684.321

   

20

17.000

68.897

69.626

69.171

159.135

326.661

6.458.825

1.910.839

Stand ontwerpbegroting 2019

 

6.200.972

7.368.034

7.177.842

7.155.683

6.687.679

6.805.500

46.257.777

5.827.978

Ad 1. Aanvullende post Infrastructuurfonds

Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 beschikbaar gesteld. Daarnaast is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. De aanvullende programmering leidt tot een hogere apparaatsbehoefte. De apparaatsuitgaven van IenW worden op de begroting Hoofdstuk XII verantwoord. Hiertoe wordt bij de begroting 2019 € 28,8 miljoen overgeheveld naar de begroting Hoofdstuk XII. Voor een nadere toelichting op de aanwending van de aanvullende middelen wordt verwezen naar «Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord» in de infrastructuuragenda.

Ad 2. Bijdragen derden

Deze post bestaat uit diverse bijdragen van derden. De belangrijkste bijdragen zijn:

  • •  Hoofdwegennet: A73 Venlo Maastricht (€ 2,7 miljoen) en N31 Leeuwarden (€ 1,5 miljoen).
  • •  Spoorwegen: hogere HSL-concessievergoeding (€ 18,7 miljoen) en lagere concessievergoeding voor het hoofdrailnet (– € 5,7 miljoen).
  • •  Hoofdvaarwegennet: Maasroute fase 2 (€ 9,0 miljoen) en hogere ontvangsten voor verkeersbegeleiding (€ 4,9 miljoen).
  • •  Megaprojecten Verkeer en Vervoer: Zuidasdok (€ 15,1 miljoen).
  • •  Nieuwe verkenningen: A15 Papendrecht–Gorinchem (€ 30,0 miljoen) en A58 Breda–Tilburg (€ 17,5 miljoen).

Ad 3. Extrapolatie Infrastructuurfonds

Bij de begroting 2019 wordt de looptijd van het Infrastructuurfonds met een jaar verlengd tot en met 2032. Het niveau van extrapolatie is gelijk aan het jaar 2031 stand begroting 2018 na verwerking van structurele begrotingsmutaties. Daarnaast zijn de structurele bijdragen van derden doorgetrokken. Met de verlenging tot en met 2032 komt in totaal – inclusief structurele ontvangsten – een ruimte van circa € 5,7 miljard beschikbaar op het Infrastructuurfonds. Deze ruimte wordt bij voorrang ingezet voor het dekken van de doorlopende verplichtingen, zoals de uitgaven die zijn benodigd voor de instandhouding van het huidige areaal. Hiervoor is in 2032 circa € 3,8 miljard benodigd. De ruimte die in 2032 resteert na aftrek van de doorlopende verplichtingen bedraagt circa € 1,8 miljard en wordt toegevoegd aan de generieke investeringsruimte ten behoeve van de vorming van het Mobiliteitsfonds.

Ad 4. Kasschuiven Infrastructuurfonds

Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 beschikbaar gesteld. Daarnaast is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. Door de aard van de infrastructurele planning en de noodzakelijke voorbereidende besluitvorming is een aanloopperiode nodig, voordat de daadwerkelijke uitgaven aan projecten gedaan worden. Dit betekent dat een deel van de in 2018 jaar beschikbaar gestelde middelen niet besteed worden. Daarnaast zijn ook de uitgavenramingen van lopende projecten en programma’s geactualiseerd. Een nadere toelichting over de projecten en programma’s is opgenomen in de productartikelen en het MIRT-overzicht. Er wordt daarom € 700 miljoen verschoven van 2018 naar de jaren 2020 en 2021. Voor een nadere toelichting op de aanwending van de aanvullende middelen wordt verwezen naar «Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord» in de infrastructuuragenda.

Daarnaast faciliteert IenW op het Infrastructuurfonds ten behoeve van het Rijksbrede financiële beeld een kasschuif van € 100 miljoen en € 150 miljoen uit respectievelijk 2019 en 2020 naar 2023.

Tot slot zijn de beschikbare budgetten en uitgavenramingen op de investeringsfondsen uit balans geraakt door actualisaties van projectramingen en de verwerking van het regeerakkoord. Met behulp van een kasschuif tussen het Infrastructuurfonds en Deltafonds wordt de mismatch in 2020 en 2021 tussen beschikbare budgetten en de uitgavenramingen deels hersteld.

Ad 5. Loon- en prijsbijstelling 2018

Dit betreft de verwerking van de loon- en prijsbijstelling voor het jaar 2018. De middelen die bij de eerste suppletoire begroting 2018 voor de loon- en prijsbijstelling aan de begroting Hoofdstuk XII zijn toegevoegd, worden toebedeeld naar diverse artikelen op de begroting Hoofdstuk XII en de investeringsfondsen.

Ad 6. Meeropbrengsten Eurovignet

Het Eurovignet is een heffing voor zware vrachtwagens voor het gebruik van de hoofdwegen van een aantal Europese landen. Het Eurovignetverdrag wordt gewijzigd. Op 6 december 2017 hebben de vijf Eurovignet-lidstaten een protocol tot wijziging van het Eurovignetverdrag getekend. Volgens huidig inzicht in de ratificatieprocessen van de deelnemende landen, treden de nieuwe tarieven medio 2019 in werking. De wijziging van het verdrag leidt tot hogere heffingsontvangsten voor de Nederlandse overheid. De geraamde meeropbrengsten worden toegevoegd aan de investeringsruimte van Hoofdwegennet op het Infrastructuurfonds.

Ad 7. Ontvangstenschuiven

Dit betreft het effect op de uitgavenramingen van bijdragen van derden die in de tijd verschuiven. Met name op de bijdragen van derden voor de projecten A7 Zuidelijke Ringweg Groningen, Nieuwe Sluis Terneuzen en Zuidasdok doen ontvangstenverschuivingen voor.

Ad 8. Overboeking afroming eigen vermogen Rijkswaterstaat

Het eigen vermogen van een baten-lastenagentschap is via de Regeling agentschappen gebonden aan een maximumomvang van 5 procent van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar. De maximale omvang van het eigen vermogen is in 2016 door Rijkswaterstaat overschreden. In lijn met het zwaartepunt van de herkomst zijn deze middelen vorig jaar toegevoegd aan artikel 18 Overige uitgaven en ontvangsten van het Infrastructuurfonds. Een deel van de middelen wordt benut om problematiek op de begroting Hoofdstuk XII te dekken. Hiertoe wordt € 22,7 miljoen overgeheveld naar de begroting Hoofdstuk XII.

Ad 9. Weg- en vaarweginfrastructuur Afsluitdijk

De Afsluitdijk wordt versterkt en vernieuwd. In 2018 is de aanbesteding van het project Afsluitdijk afgerond. Het vernieuwen en onderhouden van weg- en vaarweginfrastructuur maakt onderdeel uit van het contract. Hiertoe worden middelen overgeheveld vanuit artikel 12 Hoofdwegennet en artikel 15 Hoofdvaarwegennet naar het Deltafonds, waar het project Afsluitdijk wordt verantwoord.

Ad 10. Grootprojectstatus Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Op 24 januari 2018 is aan de Tweede Kamer voorgesteld om het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) aan te wijzen als groot project (Kamerstukken II 2017–2018, 32 404, nr. 82). De Kamer heeft hiermee op 6 februari 2018 ingestemd. De grote projecten van het Infrastructuurfonds worden verantwoord op artikel 17 Megaprojecten Verkeer en Vervoer. Hiertoe worden de budgetten van PHS overgeheveld naar artikel 17. Op artikel 17 is hiervoor artikelonderdeel 17.10 Programma Hoogfrequent Spoorvervoer gecreëerd. Voor een nadere toelichting op de grootprojectstatus van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer wordt verwezen naar de groeiparagraaf. De groeiparagraaf treft u in de leeswijzer van deze begroting.

Ad 11. Kasschuiven tussen modaliteiten

Op de verschillende modaliteiten treden diverse autonome wijzigingen van de programmering op. Om een betere verdeling van de overprogrammering over de verschillende modaliteiten te verkrijgen, zijn budgettair neutrale kasschuiven over de diverse jaren tussen alle modaliteiten in het Infrastructuurfonds noodzakelijk.

Ad 12. Resterende beleidsruimte kabinet-Rutte II

Het vorige kabinet heeft bij de verlenging van het Infrastructuurfonds tot en met 2030 besloten een deel van de investeringsruimte apart te zetten voor een volgend kabinet, de zogenoemde beleidsruimte. Met het aantreden van het kabinet-Rutte III wordt de beleidsruimte betrokken bij de budgettaire besluitvorming. De beleidsruimte tot 2030 wordt middels de eerder genoemde verdeelsleutel2 over de modaliteiten verdeeld. De beleidsruimte in 2030 blijft – conform het regeerakkoord – gereserveerd voor het Mobiliteitsfonds.

Ad 13. Vorming artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte

In 2017 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het voornemen om bij de begroting 2019 het artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte te creëren (TK 34 775 A, nr. A). Dit betreft de budgettaire verwerking van het nieuwe artikel, waarbij de uitgangspunten zijn gehanteerd zoals opgenomen in de Kamerbrief «Aanvullende informatie productartikel 20» (TK 34 775 A, nr. 60). De investeringsruimte van Hoofdwegennet, Spoorwegen en Hoofdvaarwegennet, alsmede de generieke investeringsruimte, wordt naar artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte overgeheveld. Aanvullend worden de reserveringen voor de gebiedsprogramma’s, de middelen voor korte termijn mobiliteitsmaatregelen, en nieuwe verkenningen overgeheveld naar het nieuwe artikel. Voor een nadere toelichting op de vorming van artikel 20 wordt verwezen naar de groeiparagraaf. De groeiparagraaf treft u in de leeswijzer van deze begroting.

Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord

Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 beschikbaar gesteld. Daarnaast is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. Met uitzondering van eenmalig € 100 miljoen voor fietsinfrastructuur en € 5 miljoen per jaar voor de exploitatie van infrastructuur op Caribisch Nederland, zijn deze middelen conform de bestaande verdeelsleutel3 tussen Hoofdwegennet, Spoorwegen en Hoofdvaarwegennet verdeeld. Vanaf het jaar 2030 wordt de jaarlijkse ophoging niet meer verdeeld naar modaliteit, maar toegevoegd aan de generieke investeringsruimte ten behoeve van de vorming van het Mobiliteitsfonds.

De aanvullende middelen voor het Infrastructuurfonds worden bij de begroting 2019 ingezet voor nieuwe projecten en programma’s. Bij Hoofdwegennet gaat het om A2 Den Bosch–Deil (€ 449,9 miljoen), A15 Papendrecht–Gorinchem (€ 100,0 miljoen), A58 Breda–Tilburg (€ 35,0 miljoen), Korte termijnaanpak files (€ 100,0 miljoen) en Meer veilig (€ 50,0 miljoen). Bij Spoorwegen gaat het om Grensoverschrijdend Spoorvervoer (€ 10,0 miljoen), Programma Behandelen en Opstellen (€ 150,0 miljoen), Programma Kleine Functiewijzigingen (€ 75,0 miljoen), Programma Overwegen (€ 50,0 miljoen), Programma Spoorgoederenvervoer (€ 70 miljoen), studie en innovatiebudget (€ 25,0 miljoen), Vervolgfase Beter en Meer (€ 11,0 miljoen) en vijfde en zesde spoor Amsterdam Zuid (€ 165,0 miljoen). Bij Hoofdvaarwegennet gaat het om de opwaardering van de Vaarweg Lemmer–Delfzijl en het Wilhelminakanaal en de aanpak van knelpunten op de Maas (€ 141,5 miljoen). De aanvullende programmering leidt tot een hogere apparaatsbehoefte. Het gaat om zowel hogere apparaatsuitgaven van Rijkswaterstaat (€ 97,9 miljoen) als IenW (€ 28,8 miljoen).

De inzet van middelen aan nieuwe projecten en programma’s geschiedt via het MIRT-spelregelkader. In het MIRT Overzicht en de productartikelen van het Infrastructuurfonds treft u nadere informatie aan over bovengenoemde projecten en programma’s.

Vanuit de extra middelen uit het regeerakkoord zijn nieuwe maatregelen aangekondigd en is voortvarend gestart met de voorbereiding van de bovengenoemde projecten. De rest van de middelen is benodigd voor het realiseren van de overige ambities uit het regeerakkoord, zoals de aanpak van de A12 en de A1, stedelijk en regionaal openbaar vervoer.

Voordelig saldo 2018

Infrastructurele projecten zijn echter niet van vandaag op morgen gerealiseerd. Door de aard van de infrastructurele planning en de noodzakelijke voorbereidende besluitvorming is een aanloopperiode nodig, voordat de daadwerkelijke uitgaven aan projecten gedaan worden. Dit betekent dat een deel van de in 2018 beschikbaar gestelde middelen niet besteed worden. Anticiperend hierop wordt nu € 700 miljoen voordelig saldo voor 2018 ingeboekt en toegevoegd in de jaren 2020 en 2021 om te besteden aan de in het regeerakkoord genoemde doelen.

Overprogrammering

De in de begroting 2014 geïntroduceerde overprogrammering wordt gebruikt om te zorgen dat de budgetten voor aanleg van infrastructuur ook daadwerkelijk tot besteding komen in de jaren waarin deze beschikbaar zijn gesteld. Doordat met overprogrammering wordt gewerkt leiden vertragingen bij individuele projecten niet automatisch tot onderuitputting van het beschikbare budget.

De overprogrammering wordt uitsluitend gedurende de begrotingsperiode (de begroting tot en met het jaar 2023) toegepast op de artikelen voor aanleg. In de totale periode tot en met 2032 is het volledige programma altijd gedekt. Overprogrammering wordt hoofdzakelijk gebruikt op de budgetten voor verkenning- en planuitwerking. In deze projectfases is de onzekerheid rondom de planningen – en daarmee het risico op vertraging – namelijk het hoogst. In de onderstaande tabel is de omvang van deze overprogrammering weergegeven.

Overprogrammering Infrastructuurfonds (bedragen x € 1 miljard)
 

Tot en met 2023

Vanaf 2024

Totaal

Aanlegprogramma

23,3

14,3

37,6

Aanlegbudget

21,4

16,1

37,6

Overprogrammering (–)

– 1,8

1,8

0,0

Op de artikelen voor realisatie is er sprake van een beperktere overprogrammering. Zowel de omvang als het ritme hiervan is inzichtelijk gemaakt in de projecttabellen bij de realisatieartikelen van de modaliteiten. Over de begrotingsperiode (de begroting tot en met het jaar 2023) genomen is het volledige programma gedekt op de artikelen voor realisatie (oftewel de overprogrammering is per saldo nul).

Gemiddelde uitgaven

Onderstaand zijn de gemiddelde jaarlijkse uitgaven per productartikel in de periode 2018–2032 gepresenteerd.

Gemiddelde jaarlijkse uitgaven van het Infrastructuurfonds 2018–2032 (bedragen x € 1 miljoen; gemiddeld per jaar: € 6.232 miljoen) Gemiddelde jaarlijkse uitgaven van het Infrastructuurfonds 2018–2032 (bedragen x € 1 miljoen; gemiddeld per jaar: € 6.232 miljoen)

Flexnorm

In de begroting 2018 is de flexnorm geïntroduceerd, waarmee het inzicht in de meerjarige hardheid van de bestuurlijke afspraken is aangescherpt. De flexnorm is een percentage dat aangeeft welk aandeel van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte) naar mening van het kabinet flexibel is om bij nieuwe planvorming te betrekken. Het betreft de ruimte binnen de begroting waar nog geen definitieve oplossing is bepaald en gekozen kan worden voor een alternatieve aanwending of oplossing. Overigens geldt ook dat waar wél bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, maar er nog geen juridische verplichtingen zijn aangegaan, de budgetten nog altijd onverminderd door de Tweede Kamer te amenderen zijn.

In de begroting 2019 worden alle planflexibele budgetten van het Infrastructuurfonds overgeheveld naar een nieuw artikel, namelijk artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte. Hiermee wordt het inzicht in de flexnorm verder verbeterd. Voor een nadere toelichting op het nieuwe artikel wordt verwezen naar de groeiparagraaf. De groeiparagraaf treft u in de leeswijzer van deze begroting.

In onderstaande tabel is weergegeven welke budgetten in de begroting 2019 conform hierboven geschetste flexnorm flexibel zijn om bij nieuwe planvorming te betrekken.

Artikel onderdeel

Omschrijving

Budgetten t/m 2032 (€ mln.)

20.01

Verkenningen

1.036

20.02

Korte termijn mobiliteitsmaatregelen

100

20.03

Reserveringen

515

20.04

Generieke investeringsruimte

4.024

20.05

Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

3.938

Totaal

9.613

Als percentage van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte)

21%

Noot 2: Hoofdwegennet 53,5%, Spoorwegen 39,5% en Hoofdvaarwegennet 7%.

Noot 3: Hoofdwegennet 53,5%, Spoorwegen 39,5% en Hoofdvaarwegennet 7%.