Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3.7 Art.nr. 11 Studiefinanciering

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering 2018 per maand in euro’s

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 291,61

€ 104,73

n.v.t.

Basisbeurs

€ 269,45

€ 82,56

Aanvullende beurs

€ 279,25

€ 257,41

€ 391,00

Aanvullende beurs

€ 361,76

€ 339,96

Maximaal leenbedrag

€ 299,60

€ 299,60

€ 479,46

Maximaal leenbedrag

€ 179,86

€ 179,86

Collegegeldkrediet

€ 171,67

€ 171,67

€ 171,67

Collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1.042,13

€ 833,41

€ 1.042,13

Totaal

€ 811,07

€ 602,38

Peildatum 1 september 2018

C. Beleidswijzigingen

Rondom het stopzetten van het studentenreisproduct, is in december 2017 een pakket maatregelen aangekondigd met als doel het aantal ov-boetes flink te laten afnemen. (Oud-)studenten lopen tegen zo’n ov-boete aan als ze hun studentenreisproduct te laat stopzetten wanneer zij daar geen recht meer op hebben. Voor een deel van de aangekondigde maatregelen is een wetswijziging nodig, die momenteel wordt voorbereid en wordt voorzien per 1 januari 2019. Een voorbeeld van zo’n maatregel is dat studenten straks alleen nog maar een boete hoeven te betalen als ze daadwerkelijk met hun studentenreisproduct hebben gereisd nadat het recht daarop is verlopen. Een ander voorbeeld is dat het boetebedrag (van € 97,– per halve maand) wordt aangepast naar € 75,– per halve kalendermaand over de eerste twee halve kalendermaanden en € 150 voor de daaropvolgende halve kalendermaanden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.563.829

6.366.611

5.602.726

5.205.161

5.268.330

5.771.030

5.842.009

Totale uitgaven

4.563.829

6.366.611

5.602.726

5.205.161

5.268.330

5.771.030

5.842.009

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdracht

1.496.930

3.140.876

2.220.767

1.739.603

1.723.781

2.157.234

2.163.739

Basisbeurs

741.403

524.363

380.511

344.925

330.287

342.500

362.906

 

Gift (R)

1.108.885

1.155.285

1.085.819

856.222

612.764

426.784

382.979

 

Prestatiebeurs (NR)

– 367.482

– 630.922

– 705.308

– 511.297

– 282.477

– 84.284

– 20.073

Aanvullende beurs

777.233

820.399

834.064

834.773

836.856

832.746

824.541

 

Gift (R)

608.481

638.027

661.126

681.149

700.255

710.348

713.681

 

Prestatiebeurs (NR)

168.752

182.372

172.938

153.624

136.601

122.398

110.860

Reisvoorziening

146.568

1.729.181

977.121

559.083

580.231

1.026.159

1.044.856

 

Gift (R)

695.717

746.167

741.716

770.035

802.373

813.106

834.351

 

Prestatiebeurs (NR)

187.869

142.061

150.076

139.401

123.157

128.260

121.032

 

Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)

– 859.409

– 863.612

– 866.639

– 883.638

– 899.046

– 914.184

– 927.555

 

Kosten contract OV-bedrijven (R)

122.391

1.704.565

951.968

533.285

553.747

998.977

1.017.028

Overige uitgaven

– 168.274

66.933

29.071

822

– 23.593

– 44.171

– 68.564

 

Overige uitgaven relevant (R)

285.356

105.352

90.082

92.110

99.137

111.165

118.192

 

Caribisch Nederland (R)

3.491

3.671

3.860

4.059

4.268

4.488

4.719

 

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

– 457.121

– 42.090

– 64.871

– 95.347

– 126.998

– 159.824

– 191.475

                   

Leningen

2.934.328

3.124.063

3.284.173

3.364.876

3.442.892

3.511.301

3.574.979

 

Rentedragende lening (NR)

2.612.321

2.745.533

2.900.819

2.994.622

3.063.453

3.126.395

3.185.302

 

Collegegeldkrediet (NR)

322.007

378.530

383.354

370.254

379.439

384.906

389.677

               

Bijdrage aan agentschappen

132.571

101.672

97.786

100.682

101.657

102.495

103.291

Dienst Uitvoering Onderwijs

132.571

101.672

97.786

100.682

101.657

102.495

103.291

Ontvangsten

826.628

850.274

893.224

948.557

1.015.860

1.087.009

1.155.007

 

Ontvangen rente en relevant hoofdsom (R)

106.887

96.527

91.550

96.535

110.808

126.955

137.656

 

Kortlopende vorderingen (R)

93.778

81.545

81.045

80.545

80.045

78.545

76.045

 

Terugontvangen hoofdsom (NR)

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 11.3 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

relevante uitgaven:

2.097.483

3.591.127

2.765.718

2.153.904

1.975.154

2.253.179

2.246.686

niet relevante uitgaven:

2.466.346

2.775.484

2.837.008

3.051.257

3.293.176

3.517.851

3.595.323

relevante ontvangsten:

200.665

178.072

172.595

177.080

190.853

205.500

213.701

niet relevante ontvangsten:

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2019 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

In tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» is vanaf dit jaar gekozen voor een verhelderende opzet voor de uitgaven aan de reisvoorziening. De reisvoorziening wordt nu op vergelijkbare manier weergegeven als de basisbeurs en de aanvullende beurs. De boekingswijze van de reisvoorziening is complex, omdat het naast de prestatiebeurssystematiek, ook gaat over betalingen aan de OV-bedrijven en werkt met tegenboekingen om te voorkomen dat middelen twee keer worden geboekt (als uitgave aan het OV en als uitgave aan de student).

Het betreft vier wijzigingen. Ten eerste zijn de uitgaven die betrekking hebben op het reisproduct nu geheel zichtbaar onder de post reisvoorziening. Voorheen zat een deel van de reisvoorziening in de overige uitgaven niet-relevant. Het betrof de niet-relevante uitgaven op de toekenningen en de niet-relevante tegenboeking van de omzettingen. Dit bedrag is nu zichtbaar onder de post prestatiebeurs (NR) zoals dit ook is opgezet bij de basisbeurs en de aanvullende beurs.

Ten tweede is de post die voorheen prestatiebeurs (R) werd genoemd, nu zichtbaar onder de post bijdrage studerenden aan OV-contract. Hiermee wordt duidelijker aangegeven welk bedrag studenten krijgen opgeboekt voor het gebruik van het reisproduct en dus welk bedrag zij indirect voor het reisproduct betalen aan de OV-bedrijven. Voor studenten die binnen de prestatiebeurstermijn een diploma behalen, wordt dit bedrag omgezet in een gift.

In de derde plaats is ook voor bolstudenten van niveau 1 en 2 het bedrag dat zij bijdragen aan het OV-contract negatief in deze post opgenomen. Aangezien deze studenten de reisvoorziening als gift krijgen zit dit bedrag tevens positief in de post reisvoorziening gift. Tot slot is de boekingsgang van de reisvoorziening buitenland studerenden (RBS) aangepast. Het bedrag aan RBS staat weliswaar niet apart in de tabel budgettaire gevolgen van beleid, maar in tabel 11.11. Voorheen bedroeg dit een relevant bedrag waarmee de suggestie kon worden gewekt dat RBS direct een gift is. RBS is echter een prestatiebeurs, behalve voor bolstudenten van niveau 1 en 2. Omdat voorheen de RBS ook werd tegengeboekt en niet-relevant werd geboekt, waren de prestatiebeursuitgaven per saldo wel correct. In het nieuwe schema zijn de prestatiebeursuitgaven RBS opgenomen onder de niet- relevante uitgaven aan de reisvoorziening.

Hieronder zijn de veranderingen schematisch weergegeven:

Was

Wordt

Overige uitgaven (NR)

Reisvoorziening prestatiebeurs (NR)

 

Overige uitgaven (NR)

Reisvoorziening prestatiebeurs (R)

Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)

Reisvoorziening gift (R) exclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening gift (R) inclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening prestatiebeurs (R) exclusief bol 1–2 studenten

Bijdrage studerenden aan OV contract (R) inclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening gift (R) inclusief boeking RBS

Reisvoorziening gift (R) exclusief boeking RBS

Reisvoorziening prestatiebeurs (R) inclusief boeking RBS

Bijdrage studerenden aan OV contract (R) exclusief boeking RBS

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot. De basisbeurs in het hoger onderwijs is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen mogelijk nog een basisbeurs. Voor mbo’ers van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg is de studiefinanciering onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 zijn destijds niet onder het prestatiebeursregime gebracht omdat deelnemers op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2.

Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 11.4 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Studerenden met basisbeurs

395.402

303.600

240.300

225.900

221.100

216.900

211.300

bol

230.764

225.400

221.900

220.800

218.500

215.500

210.500

hbo

132.213

71.700

15.400

4.300

2.100

1.100

600

wo

32.425

6.500

3.000

800

500

300

200

Studerenden zonder basisbeurs

393.096

487.600

548.600

564.900

571.600

577.200

581.100

bol

8.432

8.200

8.100

8.100

8.000

7.900

7.700

hbo

214.365

275.400

328.300

337.400

338.700

338.800

337.600

wo

170.299

204.000

212.200

219.400

224.900

230.500

235.800

Totaal

788.498

791.200

788.900

790.800

792.700

794.100

792.400

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018 – 2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere studerende die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studerenden met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vindt een verschuiving plaats van het aantal studerenden met een basisbeurs naar het aantal studerenden zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studerenden die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs gift (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol direct gift

79.275

77.632

77.648

76.802

74.922

72.240

73.550

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

225.966

240.811

239.702

237.401

233.666

229.987

235.760

ho direct gift

3.400

2.751

1.986

0

0

0

0

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

800.244

834.091

766.483

542.019

304.176

124.557

73.669

Totaal

1.108.885

1.155.285

1.085.819

856.222

612.764

426.784

382.979

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Tabel 11.6 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol toekenningen

249.783

248.148

244.258

243.454

241.935

239.891

235.503

bol omzettingen

– 225.976

– 240.811

– 239.702

– 237.401

– 233.666

– 229.987

– 235.760

ho toekenningen

406.754

193.631

49.418

17.468

11.229

8.168

6.652

ho omzettingen

– 798.043

– 831.890

– 759.282

– 534.818

– 301.975

– 102.356

– 26.468

Totaal

– 367.482

– 630.922

– 705.308

– 511.297

– 282.477

– 84.284

– 20.073

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.5 en 11.6 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalt het aantal toekenningen in het ho vanaf 2015.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studerenden in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 11.7 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol

112.894

110.500

108.800

108.200

107.000

105.200

102.700

hbo

88.376

88.500

87.600

87.100

86.900

86.700

86.200

wo

29.288

30.400

31.100

31.800

32.600

33.300

34.100

Totaal

230.558

229.400

227.500

227.100

226.500

225.200

223.000

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze tabel laat het aantal studerenden met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat de overheid er niet op aanstuurt dat meer of minder studerenden een aanvullende beurs ontvangen.

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beurs gift (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol direct gift

224.760

225.680

225.617

223.104

223.017

217.989

211.562

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

147.246

156.000

161.755

163.737

163.003

161.092

159.127

ho direct gift

51.251

52.455

53.251

53.124

53.886

54.057

54.110

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

185.224

203.892

220.503

241.184

260.349

277.210

288.882

Totaal

608.481

638.027

661.126

681.149

700.255

710.348

713.681

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Tabel 11.9 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol toekenningen

171.864

170.198

167.529

166.978

165.937

164.534

161.525

bol omzettingen

– 147.257

– 156.000

– 161.755

– 163.737

– 163.003

– 161.092

– 159.127

ho toekenningen

328.833

371.530

387.131

391.031

393.480

395.630

396.808

ho omzettingen

– 184.688

– 203.356

– 219.967

– 240.648

– 259.813

– 276.674

– 288.346

Totaal

168.752

182.372

172.938

153.624

136.601

122.398

110.860

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.8 en 11.9 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 257,41 of € 279,25 (zie tabel 11.1).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 391,00. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.10 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Aantal gebruikers van het reisrecht

771.330

781.600

779.500

780.500

779.200

777.400

774.500

bol

316.008

318.900

315.300

313.400

308.200

302.300

296.100

ho

455.322

462.700

464.200

467.100

471.000

475.100

478.400

Aantal RBS

20.480

20.800

20.800

20.900

21.100

21.200

21.400

bol

3.240

3.200

3.100

3.100

3.100

3.000

3.000

ho

17.240

17.600

17.700

17.800

18.000

18.200

18.400

Totaal

791.810

802.400

800.300

801.400

800.300

798.600

795.900

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Deelnemers in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Per 1 januari 2017 hebben ook minderjarige deelnemers in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor deelnemers in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 11.11 Uitgaven reisvoorziening (Bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Prestatiebeurs (NR)

Bol prestatiebeurs

303.575

306.312

306.083

310.326

311.351

311.571

311.201

 

Ho prestatiebeurs

504.786

505.927

508.972

520.962

534.843

549.476

563.404

 

RBS en overig prestatiebeurs

24.177

24.041

24.576

25.218

25.902

26.598

27.244

 

Bol naar gift omgezette prestatiebeurs

– 196.493

– 210.438

– 210.664

– 242.228

– 273.752

– 282.343

– 290.476

 

Ho naar gift omgezette prestatiebeurs

– 448.176

– 483.781

– 478.891

– 474.877

– 475.187

– 477.042

– 490.341

                   

Gift (R)

Bol direct gift

51.048

51.948

52.161

52.930

53.434

53.721

53.534

 

Bol naar gift omgezette prestatiebeurs

196.493

210.438

210.664

242.228

273.752

282.343

290.476

 

Ho naar gift omgezette prestatiebeurs

448.176

483.781

478.891

474.877

475.187

477.042

490.341

                   

Bijdrage studerenden aan OV-contract

 

– 859.409

– 863.612

– 866.639

– 883.638

– 899.046

– 914.184

– 927.555

Kosten contract OV-bedrijven

 

122.391

1.704.565

951.968

533.285

553.747

998.977

1.017.028

Totaal reisvoorziening

146.568

1.729.181

977.121

559.083

580.231

1.026.160

1.044.856

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018 – 2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bij de kosten contract OV-bedrijven is in 2017 een veel lager en in 2018 een veel hoger bedrag te zien dan in de overige jaren. Dit heeft te maken met een aantal kasschuiven. Voor de betaling van het reisproduct aan vervoerbedrijven heeft een kasschuif van 2017 naar 2016 van ongeveer € 747 miljoen plaatsgevonden en van 2018 naar 2016 van € 44 miljoen. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Contractueel is vastgelegd dat OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven. Op dit artikelonderdeel staan ook de uitgaven geraamd voor studerenden uit de Europese Unie, voorschotten en handbetalingen.

Leningen

Tabel 11.12 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Rentedragende lening

2.612.321

2.745.533

2.900.819

2.994.622

3.063.453

3.126.395

3.185.302

Collegegeldkrediet

322.007

378.530

383.354

370.254

379.439

384.906

389.677

Totaal

2.934.328

3.124.063

3.284.173

3.364.876

3.442.892

3.511.301

3.574.979

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld zoals de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet. Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het collegegeldkrediet loopt in latere jaren iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Hierdoor wordt het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten per collegejaar 2019–2020 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.13 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Hoofdsom (NR)

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Relevante rentedragende lening

971

925

882

840

801

763

727

Rente ontvangsten

105.783

95.476

90.548

95.581

109.899

126.089

136.826

Renteloos voorschot

133

126

120

114

108

103

103

Totaal ontvangsten

732.850

768.729

812.179

868.012

935.815

1.008.464

1.078.962

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De ontvangsten ontstaan door terugbetaling van studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend. De terugontvangen hoofdsom is een niet-relevante ontvangst en de ontvangen rente is relevant. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

Tabel 11.14 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Achterstallig Lager Recht (ALR)

53.632

41.838

41.838

41.838

41.838

40.838

38.838

Reisvergoeding

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

Overig

5.996

5.557

5.057

4.557

4.057

3.557

3.057

Totaal kortlopende vorderingen

93.778

81.545

81.045

80.545

80.045

78.545

76.045

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De kortlopende vorderingen ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd.