Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.1 Beleidsprioriteiten

1. Inleiding

Met de oprichting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het kabinet zich sterk gepositioneerd in het agro- en natuurdomein, zowel in Nederland als internationaal. Met de instelling van een nieuw Ministerie van LNV wordt tegelijk een stevige ambitie neergezet. Het beleidsterrein van LNV kent grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de verbinding van natuur en landbouw, het behoud en herstel van de biodiversiteit, het verduurzamen van de veehouderij, aandacht voor de plattelandsregio’s, circulaire landbouw en een duurzaam en veilig voedselsysteem. Om al deze uitdagingen aan te kunnen gaan en om de ambities van het kabinet op de LNV-terreinen waar te maken, wordt hard gewerkt om een volwaardig functionerend departement neer te zetten. In mijn brief van 28 mei jl. heb ik uw Kamer hier nader over geïnformeerd (Kamerstuk 34 775-XIII, nr. 138). Dit is de eerste begroting van LNV sinds de oprichting van het departement op 26 oktober 2017 (Kamerstuk 34 700, nr. 44).

Het Ministerie van LNV staat voor een eerlijke en verantwoorde landbouw en visserij. Voor boeren, tuinders en vissers is economisch perspectief van belang en zij produceren in verbondenheid met waarden van duurzaamheid en welzijn. Samen met alle betrokkenen wordt er gewerkt aan het herstel en behoud van Nederlandse natuur. Het Ministerie van LNV wil de internationale koppositie van de agrarische sector verstevigen met een nadruk op het ontwikkelen en benutten van kennis en innovatie. Daarmee draagt Nederland bij aan de aanpak van het wereldvoedselvraagstuk (voldoende en veilig voedsel). Verder stimuleert het Ministerie de vitalisering van de plattelandsregio’s in Nederland en is de Minister van LNV in het kabinet verantwoordelijk voor de samenwerking tussen Rijk en regio op meervoudige opgaven die bijdragen aan brede welvaart in Nederland (Regio Deals).

2. Prioriteiten

2.1 Zorgvuldig gebruik van hulpbronnen, minimale impact op mens, dier, klimaat, natuur en milieu (kringlooplandbouw)

In een duurzaam Nederland heeft de landbouw idealiter geen negatieve invloed meer op de kwaliteit van lucht, is het effect op de gezondheid van omwonenden minimaal, wordt de bodem blijvend gezond gehouden, zijn de insectenpopulaties weer gezond en stabiel en worden dieren gehouden op een manier die tegemoet komt aan hun natuurlijke behoeften. Ook de visserij en aquacultuur zijn duurzaam, met respect voor natuur, waterkwaliteit en dierenwelzijn. Dit vraagt om een aantal grote systeemveranderingen die met kleine stappen worden gerealiseerd – bijvoorbeeld door kringlopen te sluiten, het gebruik van kunstmest terug te dringen en uit te gaan van beste landbouwpraktijken en bedrijfsvoering – met verduurzamingsopgaven in aanvulling op de reeds bestaande verduurzamingsplannen.

2.1.a Gezonde bodem en circulaire landbouw

Een gezonde bodem staat aan de basis van een circulaire landbouw. De bodemgesteldheid is van belang voor het stimuleren van natuurlijke bodemvruchtbaarheid, optimaliseren van het waterbergend- en vochtleverend vermogen en voor het vastleggen van koolstof in de bodem om klimaatdoelstellingen te realiseren. Hiertoe heeft LNV een bodemstrategie opgesteld die samen met externe partijen wordt uitgewerkt in een bodemprogramma (Kamerstuk 30 015, nr. 54).

LNV wil bijdragen aan het zetten van verdere stappen door telers in geïntegreerde gewasbescherming te ondersteunen, door samen met het bedrijfsleven via onderzoek alternatieve maatregelen te ontwikkelen voor het bestrijden van ziekten en plagen, door in de Europese Unie (EU) en op nationaal niveau te werken aan het sneller beschikbaar komen van laagrisico middelen en basisstoffen en door in diverse onderzoeks- en beleidsprojecten met het bedrijfsleven te werken aan oplossingen voor de verduurzaming van gewasbescherming in specifieke teelten. Voorbeelden zijn de Nationale Proeftuin Precisielandbouw, de kennisimpuls groene gewasbescherming en pilots rondom systeemaanpak (Kamerstuk 27 858, nr. 417).

Als onderdeel van de voedseltransitie is de veehouderij onderdeel van een circulair agro-ecosysteem waarin biomassa optimaal wordt ontsloten en hoogproductieve voedselkringlopen duurzaam worden gesloten. Naast voedsel levert de veehouderij andere belangrijke producten voor de samenleving zoals duurzame energie, natuur- en landschapskwaliteit en biobased grondstoffen. Dit vraagt om brongerichte aanpassing van bestaande en om nieuwe emissiearme houderijsystemen, waarbij integraal verbeteringen worden doorgevoerd op maatschappelijke duurzaamheidsthema’s zoals volksgezondheid, milieu en dierenwelzijn.

Geuroverlast door varkenshouderijen zorgt in toenemende mate voor aantasting van het leefklimaat, maatschappelijke onrust en daarmee een negatieve waardering van de sector. Het kabinet reserveert daarom € 120 mln. voor het op korte termijn verminderen van de geuroverlast door varkensbedrijven in veedichte gebieden door het saneren en beëindigen van locaties of bedrijven die willen stoppen. Daarbij wordt tevens, conform het regeerakkoord, gestreefd naar het in veedichte gebieden verminderen van risico’s voor de gezondheid van omwonenden en het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Voor het spoor van innovatie in stal- en veehouderijsystemen en brongerichte verduurzaming reserveert het kabinet € 60 mln., waarvan € 40 mln. in de varkenshouderij. Voorts is het van belang bij de sanering ook de verbinding te leggen met andere doelen, zoals die in het klimaatakkoord. De aanpak via de twee sporen van saneren enerzijds en verduurzamen anderzijds is vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord warme sanering varkenshouderij (Kamerstuk 28 973, nr. 200). De maatregelen uit het akkoord worden in de tweede helft van 2018 nader uitgewerkt, in nauwe samenwerking met de ketenpartijen uit de coalitie Vitale Varkenshouderij, provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Utrecht) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het is de verwachting dat de regelingen in de eerste helft van 2019 gepubliceerd kunnen worden.

De definitieve verdeling vindt vervolgens plaats op basis van een evaluatie van de resultaten (onder meer op doelmatigheid en doeltreffendheid) van de eerste tranche van de sanerings- en beëindigingsregeling.

2.1.b Klimaat

Er wordt met veel partijen gewerkt aan het Klimaatakkoord. Op 10 juli jl. is een voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord gepresenteerd, als eerste stap naar een Klimaatakkoord dat voor het einde van het jaar gereed zou moeten zijn. Doel van het Klimaatakkoord is om over de volle breedte van de Nederlandse samenleving afspraken te maken om de emissies van broeikasgassen te reduceren. Een van de tafels waaraan gewerkt wordt aan een Klimaatakkoord is de tafel Landbouw en Landgebruik.

De transitie in landbouw en landgebruik om aan de klimaatopgave te voldoen, zeker voor de langere termijn, vraagt om nieuwe standaarden en normen, investeren in kennis, innovaties en grote systeemveranderingen, mede vanwege langjarige biologische processen.

2.1.c Mestbeleid

In 2018 heeft de Europese Commissie Nederland voor een periode van twee jaar een derogatie verleend in het kader van de Nitraatrichtlijn. Hierdoor is het voor Nederlandse agrarische ondernemers mogelijk om onder voorwaarden meer dierlijke mest te gebruiken dan de Europese norm uit de Nitraatrichtlijn. Daarbij heeft de Europese Commissie Nederland verzocht te komen met een handhavingsstrategie. Op basis daarvan zal gesproken worden over een derogatie voor de periode 2020–2021. Om agrarische ondernemers tijdig duidelijkheid te bieden wordt er op ingezet in 2019 overeenstemming te bereiken met de Europese Commissie over deze derogatie. Vanuit de middelen uit het regeerakkoord voor Natuur en Waterkwaliteit is € 60 mln. gereserveerd voor de uitvoering van het zesde actieprogramma nitraatrichtlijn. Deze middelen zullen worden ingezet voor onder andere onderzoeksprogramma’s zoals aangekondigd in het actieprogramma, investeringen in handhaving en communicatie over de maatregelen in het actieprogramma en goede landbouwpraktijk.

Vanuit het traject herbezinning op het mestbeleid zal LNV in 2019 mede op basis van een externe consultatie aangeven hoe zij aankijkt tegen de toekomst van het mestbeleid. Deze herbezinning heeft als doel te bekijken of het mogelijk is te komen tot een robuust en daarmee minder fraudegevoelig mestbeleid met een verlaging van de administratieve lasten van ondernemers en uitvoeringskosten bij de overheid. Dit traject is aangekondigd in de Kamerbrief van 22 december 2017 (Kamerstuk 33 037, nr. 250).

2.1.d Dierenwelzijn en -gezondheid

Dierenwelzijn is integraal onderdeel van duurzaam ondernemen en de verbetering van het dierenwelzijn van landbouwhuisdieren is van groot belang. Speciale aandacht vanaf 2019 is daarbij voor het terugdringen van stalbranden, verbeteren van transport en de inzet op verbetering van het dierenwelzijn en een gelijk speelveld in Europa en daarbuiten. Bij handelsverdragen wordt niet getornd aan de Europese standaarden. Om de NVWA als organisatie te versterken ontvangt zij vanaf 2019 structureel € 5 mln. [en eenmalig € 4 mln.] extra, onder andere om het toezicht op dierenwelzijn aan te scherpen en de reputatie van de Nederlandse agro- en foodsector beter te beschermen. Voorkomen van mishandeling en verwaarlozing van dieren én de opvang van in bewaring en in beslag genomen dieren blijft een aandachtspunt. Bij gezelschapsdieren ligt de focus op het bevorderen van verantwoord houden van deze dieren, een gezonde fokkerij van rashonden en katten, werken aan het tegengaan van illegale handel in pups (onder andere de witte lijst van bonafide handelaren) en het bevorderen van verantwoord houderschap door huisdiereigenaren (onder andere de positieflijsten en hoog risico honden).

Gezonde dieren zijn de norm, ziekte de uitzondering. Dit uitgangspunt in beleid moet leiden tot een minimaal en verantwoord gebruik van antibiotica wat bijdraagt aan het voorkomen van de ontwikkeling en verspreiding van antibioticaresistentie. In 2019 wordt het sectorspecifieke antibioticabeleid verder voortgezet. In overleg met sectoren en dierenartsen wordt ingezet op activiteiten om de sectorspecifieke reductiedoelstellingen – die in het najaar 2018 in afstemming met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) worden vastgesteld – voor het antibioticagebruik te realiseren. Daartoe zullen sectoren hun sectorplannen voor vermindering van het antibioticagebruik uit 2016 aanscherpen (Kamerstuk 29 683, nr. 220). LNV zal in nauwe samenwerking met VWS bijdragen aan specifieke projecten, waaronder pilots om het effect van kritische succesfactoren uit te testen op bedrijven die veel antibiotica gebruiken.

Nederland wil internationaal voorop lopen in de Transitie proefdiervrije innovatie (TPI); het versnellen en experimenteren naar mogelijkheden voor onderzoek en testen zonder dieren. In de Kamerbrief van 1 juni 2018 is aangegeven (Kamerstuk 32 336, nr. 71) hoe aan TPI vorm wordt gegeven samen met maatschappelijke partijen en andere ministeries. LNV neemt, op verzoek van de Tweede Kamer, de regie over dit transitietraject.

2.2 Bevorderen dat de positie van de mensen die ons voedsel produceren in de keten wordt versterkt

Voor de ondernemers en al diegenen die voor hun bestaan mede afhankelijk zijn van wat zij in het voedselsysteem kunnen verdienen, is van belang dat zij de veranderingen die in de toekomst besloten liggen kunnen dragen; voor hun levensonderhoud nu en ook omdat ze een levensvatbaar bedrijf willen overdragen aan de volgende generatie. Ondernemers hebben daarvoor passende marktstrategieën en verdienmodellen nodig.

Hier ligt niet alleen een uitdaging voor Nederland, maar ook wereldwijd waar voldoende en veilig voedsel niet vanzelfsprekend is en een duurzame voedselproductie voor (mega)stad en platteland een belangrijke uitdaging is. Hier kan Nederland zijn kennis en kunde op het gebied van landbouw en voedsel internationaal inzetten en oplossingen bieden. Dit levert ook weer nieuwe (markt)kansen voor Nederlandse producenten.

Het gemiddelde inkomen uit bedrijf voor de land- en tuinbouwbedrijven in 2017 werd geraamd op circa € 70.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid. Dat is een forse stijging ten opzichte van 2016 en historisch gezien een zeer hoog niveau. Er zijn echter grote verschillen tussen en binnen de sectoren. Akkerbouwers kenden in 2017 een lage prijs voor uien, suikerbieten en aardappelen en daardoor lagere inkomens. Voor melkveehouders ging het gemiddeld wat beter en de varkenshouderij hield het relatief hoge inkomen van 2016 vast. In de pluimveesector kenden we winnaars en extreme verliezers vanwege de fipronil-affaire (eieren).

Ondanks de sterke groei van de landbouwexport en het inkomen neemt het aantal bedrijven in de Nederlandse land- en tuinbouw nog steeds af. De daling in de minst sterk grondgebonden sectoren – de intensieve veehouderij en de glastuinbouw – zit op het niveau van het gemiddelde in de periode 2000 -2015. In de melkveehouderij komt de afname van het aantal bedrijven in 2016 met 1,2% overeen met het gemiddelde van de laatste vijf jaar. In de opengrondstuinbouw is dit fors hoger dan het langjarig gemiddelde, namelijk een afname van 8% in 2016.

2.2.a Positie van de boer in de keten, mededinging en oneerlijke handelspraktijken

Het versterken van de positie van de boer in de keten is een belangrijke beleidsprioriteit. In het kader daarvan zal er in 2019 worden gewerkt aan de uitvoering van verschillende maatregelen zoals aangekondigd in de Kamerbrief d.d. 29 juni 2018 (Kamerstuk 28 265, nr. 257) met betrekking tot de mogelijkheden tot samenwerking in de land- tuinbouw, in het bijzonder met het oog op duurzaamheid, de prijzen die boeren en tuinders ontvangen voor bovenwettelijke eisen en initiatieven die de verbinding tussen boer en burger versterken. Thans hebben boeren niet altijd voldoende inkomen om maatregelen te kunnen betalen die noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de effecten op het milieu te verminderen. In lijn met het regeerakkoord zullen oneerlijke handelspraktijken worden aangepakt, waarbij in 2019 voorbereiding zal worden getroffen voor de uitvoering van het Commissievoorstel voor een richtlijn Oneerlijke handelspraktijken in nationale wet- en regelgeving.

2.2.b Jonge boeren, bedrijfsovername fonds

Voor de Nederlandse landbouwsector is de continuïteit van gezinsbedrijven belangrijk om een bijdrage te kunnen blijven leveren aan verduurzaming van de voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking. Onder het huidige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is een aantal maatregelen dat zich richt op jonge boeren, zoals de regeling Jonge Landbouwers en de top-up van de inkomenssteun. Deze maatregelen staan open voor alle jonge boeren en richten zich niet specifiek op het ondersteunen van bedrijfsovernames. Met het oog op het laatste is in het regeerakkoord € 75 mln. vrijgemaakt. Hieruit zullen jonge boeren worden ondersteund om de overname van het gezinsbedrijf en investeringen in innovatie te financieren. Hierbij zijn ook ondersteuning van coaching en begeleiding van het overnameproces van belang.

2.2.c Visserij-innovatie

Hoewel in de zeevisserijsector in de achterliggende jaren goed is verdiend, zijn er enkele grote uitdagingen die in 2019 een belangrijke rol spelen in het overheidsbeleid, ten aanzien van de pulsvisserij, de aanlandplicht, de Brexit en windmolenparken op zee. Ook in de kust- en binnenvisserij spelen grote vraagstukken die in 2019 om aandacht vragen.

Ook voor visserij is de inzet in 2019 gericht op een transitie naar betere verdienmogelijkheden voor een duurzame visserijvloot. Dit door gerichte oplossingen per gebied te zoeken waarin voedsel, energie en natuur integraal worden gewogen. Innovatie is ook hier belangrijk: een toekomstbestendige visserij is duurzamer, selectiever, met minder uitstoot, minder bodemberoering en minder ongewenste bijvangsten.

In het regeerakkoord is € 15 mln. uitgetrokken ter cofinanciering van een innovatieprogramma in de visserij. Na de zomer van 2018 wordt een voorstel over hoe deze middelen te besteden aan de Tweede Kamer gezonden Daarnaast zal in 2019 onderhandeld worden over de nieuwe verordening van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV).

In de visserij wordt in 2019 verder gewerkt aan kaders en regelgeving ten behoeve van verduurzaming van de visserij. Belangrijk daarbij is dat de uitvoerbaarheid in het oog gehouden wordt en vereenvoudiging wordt nagestreefd. In Brussel loopt het onderhandelingsproces rond de Verordening Technische Maatregelen, waarin Nederland nog steeds ijvert voor een toelating van pulsvisserij.

Ook in 2019 wordt uitvoering gegeven aan de motie De Groot (D66) (Kamerstuk 29 664, nr. 181) waarin wordt verzocht de vangstcapaciteit op het IJsselmeer structureel af te stemmen op de hoeveelheid verantwoord te onttrekken vis. Voor dit doel worden aanvullende maatregelen genomen op het IJsselmeer en worden diverse opties onderzocht.

2.2.d Nederlandse expertise in het buitenland

De internationale markt is een pilaar voor de versterking van het verdienmodel voor Nederlandse boeren en tuinders. Tegelijk kan Nederland met de inzet in derde landen en multilaterale fora en vanuit de unieke positie van het bedrijfsleven en kennisinstellingen een bijdrage leveren aan het invullen van de Sustainable Development Goals en internationale afspraken zoals het klimaatakkoord van Parijs. Uitgangspunten daarbij zijn effectiviteit en het verbinden van uitdagingen aan concrete oplossingen, ook door publiek private samenwerking. Thema’s waarop LNV zich in 2019 zal richten zijn klimaatslimme landbouw, het verminderen van food and waste losses en het benutten van genetische bronnen en oceanen.

2.3 Meer waardering voor voedsel

Maatschappelijke vraagstukken die aan eten gerelateerd zijn op het gebied van gezondheid en ecologische houdbaarheid vergen betrokkenheid van alle actoren binnen het voedselsysteem en een samenhangende aanpak. Belangrijk thema daarbij is de «waarde van voedsel», vooral de verschillende waarden bij voedsel die partijen in de samenleving hanteren.

Op basis van het WRR-advies Naar een voedselbeleid is in Nederland een beweging ingezet naar een integraal voedselbeleid. Centraal in dit integrale voedselbeleid – waar meerdere ministeries bij betrokken zijn – staan de thema’s «waarde van voedsel», «waarde van de productie van voedsel» en «beschikbaarheid van voldoende en verantwoord geproduceerd voedsel wereldwijd». Op veel plekken in de samenleving werken bedrijven, burgers, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen aan de transitie naar een toekomstbestendig voedselsysteem. LNV wil die maatschappelijke kracht blijven benutten, ruimte geven en waar mogelijk ondersteunen om zo invulling te geven aan de vijf onderscheiden actielijnen in het integrale voedselbeleid (Kamerstuk 31 532, nr. 193). De prioriteiten voor 2019 liggen op het verder stimuleren van gezonde en duurzame voedselkeuze, transparantie en de aanpak van voedselverspilling. Een randvoorwaarde hierbij is dat voedsel veilig is. Incidenten zoals met paardenvlees, salmonella in zalm en fipronil in eieren moeten worden voorkomen en zo nodig snel en effectief worden aangepakt. De verbeterpunten naar aanleiding van aanbevelingen van de Commissie Sorgdrager (Kamerstuk 26 991, nr. 529) worden zo snel mogelijk doorgevoerd. Hierin werkt LNV samen met VWS.

Om de voedselverspilling in 2030 te halveren, dragen we ervoor zorg dat de uitvoering van de agenda van de Taskforce Circular Economy in Food op schema ligt. Belangrijke onderdelen van de agenda zijn gericht op het bieden van concrete oplossingen om voedselverspilling te reduceren in de keten, inclusief bij huishoudens. In 2019 wordt ingezet op het stimuleren van het eten volgens de schijf van vijf zodat meer mensen kunnen eten volgens een gezond en duurzaam voedingspatroon. Dit gebeurt onder andere door het Voedingscentrum via gerichte media-inzet. Bij Jong Leren Eten ligt in 2019 het accent op Voorgezet onderwijs en MBO. Specifieke resultaten daarbij zijn professionalisering VO docenten, Gezonde schoolkantines en aandacht voor voedingscompetenties in specifieke beroepsgroepen die op MBO worden opgeleid.

In 2019 komt duidelijk zicht op kansrijke richtingen voor het ontwikkelen van True Pricing en langs welke routes het beste (efficiënt, effectief, politiek en maatschappelijk gewenst) gestuurd kan worden op het reduceren van de externe kosten of bewustwording van consumenten.

De roep om transparantie in de keten is groot. De resultaten van de pilots trusted source en blockchain krijgen een concrete doorwerking in de keten. Korte ketens, al dan niet gecombineerd met het gebruik van keurmerken, dragen ook bij aan transparantie voor de consument. Een belangrijke andere reden om voedsel in en nabij de stad te produceren is dat op die manier beter inhoud gegeven kan worden aan het principe van de circulaire economie: afval is grondstof. Hiervoor is het noodzakelijk om claims ten aanzien van duurzaamheid, klimaat, inclusiviteit enz. te kunnen objectiveren. Begin 2019 zullen de resultaten bekend zijn van de monitoring van verbrede landbouw uitgebreid met korte ketens.

2.4 Landbouw en natuur zoveel mogelijk verbinden

Versterking van de verbinding tussen natuur en landbouw is een belangrijke beleidsprioriteit. Natuur en landbouw moeten meer met elkaar in balans worden gebracht en meer gebruik maken van elkaars potentieel. Natuur dient als basis voor voedselproductie (onder andere bodembiodiversiteit) en landbouw als leefgebied voor plant- en diersoorten (biodiversiteit).

In 2019 zet LNV in op de uitvoering van de afspraken uit het interbestuurlijk programma Vitaal Platteland waarin de verbinding van landbouw en natuur een grote rol speelt. Die afspraken zijn in 2018 tussen provincies, waterschappen, gemeenten en het Rijk gemaakt. Veel inzet wordt verwacht op experimenten en proeftuinen op dit gebied en op het verzamelen en ontsluiten van kennis. Vanuit het oogpunt van natuur gaat het daarbij om bijvoorbeeld de natuurinclusieve landbouw. Waar mogelijk zal hierbij ook worden geanticipeerd op de ambities en ideeën uit het deltaplan biodiversiteit, dat door maatschappelijke partijen in voorbereiding is.

2.4.a Natuur en grote wateren

In het regeerakkoord heeft het kabinet in totaal € 275 mln. vrijgemaakt voor het thema Natuur & Waterkwaliteit. De Nederlandse natuur is een belangrijk goed voor de gehele Nederlandse samenleving. Iedere Nederlander is gebaat bij een sterke natuur; natuur zorgt voor een gezonde leefomgeving om in te wonen en te recreëren en levert de basis voor talloze producten en diensten. Uit onderzoek van onder meer het Planbureau van de Leefomgeving en het Centraal Bureau van de Statistiek is gebleken dat de natuur in natuurgebieden iets verbetert maar ook dat het herstel kwetsbaar is. De biodiversiteit buiten de natuurgebieden gaat nog steeds achteruit. Er is extra inspanning nodig om de natuur te versterken en de achteruitgang tegen te gaan.

Het Ministerie versterkt het fundament voor een gezonde en veerkrachtige natuur in Nederland, draagt bij aan de natuur elders in de wereld en geeft ook mede invulling aan Europese en mondiale afspraken om de achteruitgang van natuur te stoppen, waar mogelijk te herstellen en duurzaam te benutten.

Samen met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wordt geïnvesteerd in de ecologie van de Grote Wateren, die zowel nationaal als internationaal van grote betekenis zijn. Vanuit de regeerakkoordmiddelen Natuur en Waterkwaliteit is hier € 95 mln. voor vrijgemaakt in de periode 2018–2020. Het gaat daarbij onder meer om inrichtingsmaatregelen in de Zuidwestelijke Delta en het Waddengebied. De komende jaren zal LNV, in de aanpak Grote Wateren en de Gebiedsagenda’s voor de Grote Wateren, samen met met IenW, Rijkswaterstaat en de regio in kaart brengen welke maatregelen het best kunnen worden uitgevoerd. Met IenW worden de vervolgstappen in kaart gebracht voor de planuitwerking van het doorlaatmiddel voor de Brouwersdam/Grevelingen, de verkenning buitendijkse slibinvang Eems-Dollard en enkele onderzoeken in Waddenzee en Markermeer die zijn gericht op toekomstige maatregelen.

Met IenW, BZK en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wordt gewerkt aan een duurzame afstemming tussen de energietransitie (wind op zee), ander energiegebruik, klimaatadaptatie en de benodigde ecologisch ruimte. Een toenemende vraag naar energie leidt zeer waarschijnlijk tot een hogere doelstelling voor wind op zee, zolang dat binnen de kaders past. Het is van belang dat de bescherming van de kwetsbare natuur en de van nature voorkomende soorten en habitats gewaarborgd blijft met Natura 2000, de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie en het OSPAR-verdrag (Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan).

3. Horizontale prioriteiten

3.1 Regio

3.1.a Het belang van de regio’s voor brede welvaart

De regio’s zijn de plek waar burgers wonen, werken en leven, waar ondernemers en werknemers nieuwe producten en diensten ontwikkelen en waar mensen genieten van natuur, landschap en recreatie. De regio is ook de plek waar maatschappelijke problemen, bijvoorbeeld over werkloosheid, sociale achterstanden of milieuproblemen zich concreet manifesteren. De regio is de omgeving waar maatschappelijke opgaven (kansen én uitdagingen) samenkomen, of het nu gaat om het stimuleren van de economie, het oplossen van ecologische uitdagingen of het versterken van de sociale cohesie. Als Rijk, regionale overheden en de bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in regio’s samen optrekken om deze opgaven aan te pakken kunnen we meer doen voor de regio en dragen we bij aan de brede welvaart in Nederland. Dit is het uitgangspunt van de Regio Deals.

3.1.b Regio Deals: in partnerschap werken aan opgaven die in de regio spelen

Met de Regio Deals wil het kabinet in partnerschap met de regio’s meervoudige opgaven aanpakken die bijdragen aan de brede welvaart. Samen met publieke en private partners werken we aan een integrale aanpak van economische, sociale en ecologische opgaven die in de regio spelen. Elke regio staat voor verschillende opgaven, of het nu gaat om het verzilveren van groeipotenties, het verbeteren van de kwaliteit van leven of leefomgeving of het bieden van nieuwe perspectieven aan burgers en bedrijven. Vandaar dat het van belang is dat de regio’s zelf met voorstellen voor Regio Deals komen, dat ze aangeven wat ze zelf kunnen doen om opgaven aan te pakken en helder maken waar het Rijk voor nodig is om tot oplossingen te komen. Het kabinet streeft naar concrete afspraken die op relatief korte termijn tot uitvoering kunnen komen en ook tot merkbare resultaten leiden voor burgers en bedrijven. De afspraken in de Regio Deals kunnen gaan over de inzet van financiële middelen, maar ook over andere zaken zoals het aanpakken knellende wet- en regelgeving of ruimte voor experimenten.

Bij de formatie is uitvoerig stilgestaan bij de uitdagingen waar de regio’s voor staan. Het kabinet is er voor heel Nederland, voor stedelijke regio’s en voor het landelijk gebied. Vanuit samenhang, krachtenbundeling en gedeelde belangen, niet vanuit tegenstellingen. Hier is een nieuwe taak uit voortgekomen die bij het constituerend beraad aan de portefeuille van het Ministerie van LNV is toegevoegd: regie aanpak regionale knelpunten en regionale deals. In 2018 is een tranche gestart met een omvang van € 200 mln. vanuit de Envelop Regionale knelpunten voor het ontwikkelen van Regio Deals (Kamerstuk 29 697, nr. 48). De deals uit deze komende tranche worden naar verwachting uiterlijk in het voorjaar van 2019 ondertekend. De Minister van LNV coördineert in het kabinet de besluitvorming over de Envelop Regionale knelpunten in overleg met de Minister van BZK.

De regio is van belang voor LNV. Dit betreft niet alleen de inzet van de in het regeerakkoord genoemde € 950 mln. in de Envelop Regionale knelpunten en het afsluiten van Regio Deals. Het gaat breder om het voelen en nemen van verantwoordelijkheid om – samen met betreffende regio’s – uitdagingen waar de regio voor staat aan te pakken.

Een belangrijke uitdaging voor LNV is het «landelijk gebied». Nederland is, ondanks het dichtbevolkte karakter, een groen land; meer dan vier vijfde van het oppervlak is in gebruik voor natuur, bos, landbouw en recreatie. Het beleid van LNV, de transities op het gebied van landbouw en natuur, heeft hiermee direct impact op de omgeving en leefbaarheid van het landelijk gebied. Naast de impact ligt ook de oplossing voor zowel het behoud van leefbaarheid als voor landelijk spelende opgaven als verduurzaming veehouderij, klimaat, de sociaal economische vitaliteit van de voedselsector, behoud van biodiversiteit en de verbinding tussen landbouw en natuur in het samen met en in de regio zelf werken aan die oplossingen. Het is hiermee niet alleen onderdeel van de ambitie van het kabinet, maar ook van de aanpak van LNV bij het realiseren van de maatschappelijke opgaven.

3.2 Kennis en innovatie

Nederland loopt voorop met kennis en innovaties voor landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Inzet op kennis en innovatie is cruciaal voor het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke opgaven zoals kringlooplandbouw, een verdere verduurzaming van de landbouw en voedselproductie, voor het stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit en het versterken van de verbinding tussen natuur en landbouw. Dat vraagt om een stevige kennisbasis, een innovatief bedrijfsleven en overheid en een sterkere verbinding van de primaire sector, (groene) onderwijs- en kennisinstellingen, topsectoren, bedrijfsleven en ngo’s, gericht op de maatschappelijke opgaven.

Zo zijn de Kennis- en Innovatieagenda’s van de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen recent geactualiseerd (Kamerstuk 31 532, nr. 193). De programmering richt zich via missiegedreven programma’s nog meer op de maatschappelijke opgaven in het agro- en voedseldomein.

In het najaar van 2018 zal een brede Strategische Kennis- en Innovatieagenda (SKIA) worden gepubliceerd. Deze agenda zal zich richten op de noodzakelijke systeemtransities. Het kabinet is voornemens om deze agenda vanaf 2019 in de vorm van meerjarige missiegedreven programma’s, samen met maatschappelijke partners, uit te voeren. Ook het Groen Onderwijs en praktijkgericht onderzoek maken daar deel van uit, opdat kennis en kunde worden benut en toegepast in de praktijk. Systeemveranderingen vragen ook om innovatief ondernemerschap. Halverwege 2019 wordt een steunpunt bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) ingericht, gericht op professionalisering van duurzaam ondernemerschap en waarde creatie in het groen onderwijs. In 2019 start de tweede fase van de uitvoering van het Groenpact als innovatieplatform voor groen onderwijs en onderzoek. Hierbij worden de HBO-centers of expertise en de MBO-centra voor innovatief vakmanschap doorontwikkeld.

Nederlandse kennis en kunde wordt internationaal verder op de kaart gezet. Bijvoorbeeld door concrete programma’s naar verduurzaming van de visteelt in Azië en klimaatslimme landbouw en veehouderij in Oost-Afrika. In 2019 wordt de samenwerking via het Borderless Network (internationaal onderwijsnetwerk) gecontinueerd. Ook aansluiting tijdens missies en deelname aan internationale programma’s zijn hierbij van belang.

In 2019 zal de Europese Commissie de strategische programmering starten voor de eerste werkprogramma’s van Horizon Europa (2021–2027). Vooral de mogelijkheden voor onderzoek en innovatie in het onderdeel «Voedsel en Natuurlijke hulpbronnen» kunnen mogelijk een grote steun bieden aan de maatschappelijke opgave van LNV. Daarom zal LNV zich in Europa inzetten om dat programma zo nauw mogelijk te laten aansluiten bij de Nederlandse beleidsprioriteiten.

3.3 Gemeenschappelijk landbouwbeleid en Brexit

Het jaar 2019 zal in het teken staan van de hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De Nederlandse inzet, conform het regeerakkoord, is dat het toekomstige GLB minder gericht wordt op inkomensondersteuning en meer op innovatie en duurzaamheid, met andere woorden zorg draagt voor een moderne landbouw die economie, mens en leefomgeving verbindt en daarmee draagvlak en maatschappelijke legitimiteit heeft. Daarnaast moet het GLB samenwerking tussen landbouwers faciliteren en bijdragen aan risicomanagement in de sector. Tegelijkertijd met modernisering zet het kabinet in op vereenvoudiging van het GLB en daarmee op een verlaging van de regeldruk vanuit de EU. Hervorming van het GLB valt onder de onderhandelingen over het toekomstig meerjarig financieel kader (MFK). Een modern en vereenvoudigd GLB draagt bij aan een toekomstgericht en financieel houdbaar MFK.

Daarbij staan drie opgaven centraal:

  • •  De opgave op sociaal vlak is om te zorgen dat boeren en tuinders, juist ook vanwege dat krimpende GLB-budget, in staat worden gesteld om een eerlijke prijs te bedingen voor hun producten, die recht doet aan de productiekosten, inclusief kosten voor duurzaamheid.
  • •  De opgave op economisch vlak is om, bij een krimpend GLB-budget, de koploperspositie van de landbouw en bijbehorende agroketens te behouden en duurzaam te versterken. Dat vraagt met behoud van de marktoriëntatie om verduurzaming en integratie met meer regionale, circulaire landbouw en inzet op korte ketens, zodat een sterkere verbinding wordt gelegd tussen burger en boer en tussen stad en platteland.
  • •  De opgave met betrekking tot de leefomgeving is om te zorgen dat de landbouw bijdraagt aan het tegengaan van en aanpassen aan klimaatverandering (die ook mede door de landbouw veroorzaakt wordt), in evenwicht komt met natuur en milieu, en samengaat met het behoud van het historisch cultuurlandschap en versterking van de biodiversiteit en het dierenwelzijn. Een landbouw die primair gericht is op de wereldmarkt en daarom intensief en grootschalig is, zal de kosten daarvan niet altijd willen of kunnen verdisconteren. Het GLB moet ertoe bijdragen dat ook in een marktgerichte landbouw de «zwakke» maatschappelijke waarden actief worden beschermd.

Onafhankelijk van hoe de relatie met het VK er na de Brexit uit zal gaan zien, zal die hoe dan ook gevolgen hebben voor de handel in agrifoodproducten als ook voor de visserijsector, waarvoor blijvende toegang tot de Britse wateren van groot belang is. De inzet voor de handel in agrifoodproducten en voor de visserijsector is daarbij om de negatieve gevolgen van de Brexit tot een minimum te beperken.

De NVWA en overige keuringsdiensten binnen LNV zijn reeds gestart met de voorbereidingen op de Brexit. In 2019 heeft het kabinet hier ten behoeve van LNV € 22 mln. voor vrijgemaakt. De voorbereiding bij de NVWA loopt langs drie sporen: werving van extra medewerkers, in het bijzonder dierenartsen; de mogelijkheden in kaart brengen om de export- en importcontroles zo efficiënt mogelijk te laten verlopen en goede afstemming met ministeries, andere overheidsdiensten en bedrijfsleven (Kamerstuk 23 987, nr. 228).

4 Handhaving en uitvoering

4.1 NVWA

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht bij bedrijven en instellingen op de naleving van wetten en voorschriften en draagt zo bij aan de realisatie van de ambities van de visie en beleidsagenda. Een deel van de extra beschikbaar gestelde middelen uit het regeerakkoord dragen bij aan een versterking van het toezicht. Verbeteringen hiertoe zijn al ingezet in het plan van aanpak NVWA 2020. Daarbij gaat de NVWA als toezichthouder uit van vertrouwen, maar treedt stevig op als dat vertrouwen beschaamd wordt. Met de in het regeerakkoord beschikbaar gestelde middelen wordt specifiek ingezet op de aanscherping van het toezicht, teneinde het dierenwelzijn en de voedselveiligheid te borgen. Voor 2019 en verder is een eerste tranche middelen hiervoor beschikbaar gesteld. Door toezicht aan te scherpen wordt mede ingezet op het beschermen van de reputatie van de Nederlandse agro-foodsector. Ook wordt de openbaarmaking van inspectiegegevens voortgezet; transparantie biedt handelingsperspectief aan bedrijven en burgers en draagt bij aan de naleving.

4.2 RVO.nl

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) stimuleert ondernemend Nederland bij duurzaam, agrarisch innovatief en internationaal ondernemen. RVO.nl zet zich in voor een kwalitatief hoogwaardige uitvoering van het beleid. RVO.nl werkt ook mee aan de hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid. Daarnaast werkt RVO.nl in 2019 verder aan de implementatie van het landbouwperceelsregister in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), een basisregistratie van de Nederlandse Overheid.