Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

Artikel 10 Apparaatsuitgaven

1. Inleiding

In dit niet-beleidsartikel wordt ingegaan op de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

319.857

354.008

310.823

297.798

287.892

281.102

277.969

                   

Uitgaven

322.291

359.583

311.042

298.017

287.992

281.102

277.969

 

– Personele uitgaven

220.646

255.627

240.167

232.583

228.436

221.918

218.777

   

waarvan eigen personeel

199.795

235.777

226.701

220.591

216.407

213.272

210.132

   

waarvan externe inhuur

16.405

15.112

10.064

8.697

8.847

5.559

5.558

   

waarvan overige personele uitgaven

4.446

4.738

3.402

3.295

3.182

3.087

3.087

 

– Materiële uitgaven

101.645

103.956

70.875

65.434

59.556

59.184

59.192

   

waarvan ICT

6.604

8.827

5.310

4.288

3.926

3.926

3.926

   

waarvan bijdrage SSO's

43.819

55.174

43.623

41.130

35.865

35.455

35.190

   

waarvan overige materiële uitgaven

51.222

39.955

21.942

20.016

19.765

19.803

20.076

                   

Ontvangsten

32.956

35.817

6.357

6.403

6.394

6.394

6.394

   

Overig

32.956

35.817

6.357

6.403

6.394

6.394

6.394

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Nadere uitsplitsing apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

                   

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie van VWS

322.291

359.583

311.042

298.017

287.992

281.102

277.969

                   

Personele uitgaven kerndepartement

140.400

164.190

148.134

140.584

137.208

130.685

130.323

   

waarvan eigen personeel

124.980

146.970

136.746

130.649

127.236

124.096

123.735

   

waarvan externe inhuur

11.400

13.247

8.751

7.405

7.555

4.267

4.266

   

waarvan overige personele uitgaven

4.020

3.973

2.637

2.530

2.417

2.322

2.322

                   

Materiële uitgaven kerndepartement

76.540

82.087

49.838

45.816

40.471

40.099

40.107

   

waarvan ICT

3.884

6.524

3.070

2.107

2.103

2.103

2.103

   

waarvan bijdrage SSO's

41.109

51.489

39.298

36.810

31.545

31.135

30.870

   

waarvan overige materiële uitgaven

31.547

24.074

7.470

6.899

6.823

6.861

7.134

                   

Personele uitgaven inspecties

63.145

71.776

74.148

73.465

73.115

73.119

73.116

   

waarvan eigen personeel

58.381

70.023

72.395

71.712

71.362

71.366

71.363

   

waarvan externe inhuur

4.338

988

988

988

988

988

988

   

waarvan overige personele uitgaven

426

765

765

765

765

765

765

                   

Materiële uitgaven inspecties

18.250

15.230

14.565

14.565

14.565

14.565

14.565

   

waarvan ICT

1.207

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

   

waarvan bijdrage SSO's

2.710

3.615

3.950

3.950

3.950

3.950

3.950

   

waarvan overige materiële uitgaven

14.333

10.065

9.065

9.065

9.065

9.065

9.065

                   

Personele uitgaven SCP en raden

17.101

19.661

17.885

18.534

18.113

18.114

15.338

   

waarvan eigen personeel

16.434

18.784

17.560

18.230

17.809

17.810

15.034

   

waarvan externe inhuur

667

877

325

304

304

304

304

   

waarvan overige personele uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

                   

Materiële uitgaven SCP en raden

6.855

6.639

6.472

5.053

4.520

4.520

4.520

   

waarvan ICT

1.513

753

690

631

273

273

273

   

waarvan bijdrage SSO's

0

70

375

370

370

370

370

   

waarvan overige materiële uitgaven

5.342

5.816

5.407

4.052

3.877

3.877

3.877

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Apparaatskosten agentschappen, ZBO’s en RWT’s (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatskosten agentschappen

438.525

460.353

468.896

474.765

483.861

484.086

             

Agentschap College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen

40.000

52.150

52.150

52.150

52.150

52.150

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

41.425

67.103

68.446

69.815

71.211

72.636

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

357.100

341.100

348.300

352.800

360.500

359.300

             

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

321.550

312.304

310.712

305.535

303.819

301.809

             

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

5.551

5.551

5.551

5.551

5.551

5.551

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

63.387

63.420

69.246

69.253

69.253

69.253

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

125.631

116.449

115.134

112.697

107.711

107.703

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

1.878

1.497

1.143

806

706

706

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Toetsingscommissies (METC’s)

4.387

4.228

4.169

3.810

3.810

3.810

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

59.260

57.455

57.455

57.455

57.455

57.455

Zorginstituut Nederland (ZiNL)

58.206

60.454

54.764

52.713

56.083

54.081

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

750

750

750

750

750

750

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

3. Toelichting op de instrumenten

3.1 Apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel geraamd die nodig zijn voor het functioneren van het kerndepartement.

De personele uitgaven kerndepartement bestaan uit alle personeelsuitgaven van het kerndepartement inclusief de inhuur van externen voor zowel primaire als ondersteunende processen. De materiële uitgaven hebben uitsluitend betrekking op de ondersteunende processen.

Dit omvat onder andere ICT, bijdragen aan shared service organisaties (SSO’s) en overige materiële kosten zoals huisvestingskosten.

De ontwikkeling van de apparaatsbudgetten van het kerndepartement voor 2019 en volgende jaren wordt beïnvloed door de personele taakstelling uit het kabinet Rutte I. Daarnaast hebben in de afgelopen jaren enkele gerichte intensiveringen plaatsgevonden, zoals de versterking van de informatiseringsfunctie en het structureel onderhoud en beheer van de diverse ICT-voorzieningen (beide gemeld in de eerste suppletoire begroting 2016). Daarnaast zijn de personeelsbudgetten in 2017 geïndexeerd voor loonbijstelling als gevolg van het bereiken van een CAO akkoord eind 2017 (gemeld in de tweede suppletoire begroting 2017). Tot slot zijn in de huidige budgettaire reeksen intensiveringen verwerkt die in 2018 zijn toegevoegd aan de begroting voor 2018 en latere jaren (gemeld in de eerste suppletoire begroting 2018). Dit betreft onder andere investeringen die samenhangen met de verhuizing van EMA naar Nederland en de gerichte versterking van het kerndepartement ten behoeve van de beleidsagenda van VWS, uitvoering van het Regeerakkoord en versterking van enkele staffuncties (bestuurlijk, financieel, juridisch en communicatie).

De actuele raming voor de uitgaven voor externe inhuur is aanmerkelijk lager dan de realisatie van de afgelopen jaren. Naar verwachting zal het budget (en de realisatie) voor externe inhuur in de loop van het begrotingsjaar hoger worden door interne herschikking van budgetten binnen het apparaatsbudget (bijvoorbeeld van budget voor eigen personeel naar budget voor de inhuur van externen). Daarnaast zullen de materiële uitgaven in 2019 hoger uitvallen dan nu in de begroting staat vermeld, doordat een aantal technische mutaties in het lopende jaar zullen worden verwerkt. Het betreft bijvoorbeeld kosten voor bijvoorbeeld ICT dienstverlening en huisvesting, waarvan de facturen van dit onderdeel centraal worden betaald aan de betreffende Shared Service Organisaties binnen het Rijk (SSO’s) en pas in het lopende jaar worden verrekend tussen de VWS dienstonderdelen. In de suppletoire begrotingen zullen deze mutaties worden gemeld en zo nodig toegelicht.

Apparaatsuitgaven kernministerie 2017 onderverdeeld naar Directoraat-Generaal (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Apparaatsuitgaven

Directoraat-generaal Volksgezondheid

27.070

Directoraat-generaal Curatieve zorg

18.545

Directoraat-generaal Langdurige zorg

26.786

Totaal beleid

72.401

Secretaris-generaal / (plaatsvervangend) secretaris-generaal

125.571

Totaal apparaatsuitgaven kerndepartement

197.972

3.2 Apparaatsuitgaven inspecties, SCP en raden

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

Per 1 oktober 2017 zijn de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) samengegaan in één organisatie, onder de naam Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

De IGJ houdt onafhankelijk toezicht op het brede veld van mensen en organisaties in de gezondheidszorg en jeugdhulp. De bewaking en bevordering van de veiligheid en kwaliteit van de zorg staat daarbij centraal. Omdat kennis en kunde over beide sectoren met de fusie zijn samengebracht, kan de IGJ efficiënt en effectief inspelen op veranderende vragen uit de samenleving en politiek.

In haar toezicht let de IGJ erop dat zorgaanbieders en fabrikanten van genees- en hulpmiddelen zich aan de wettelijke regels en normen houden en goede kwaliteit leveren. Daarbij kijkt ze ook of de zorg menslievend is en gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven. De inspectie onderzoekt of de zorg aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van de patiënt, de cliënt of de jongere. Een ander punt waar de IGJ goed op let, is de samenhang in de zorg rondom een persoon of gezin.

Bestuurders en professionals uit de gezondheidszorg en jeugdhulp zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die zij bieden. De IGJ vraagt hen klachten en calamiteiten goed te onderzoeken. De inspectie verwacht dat zij leren van wat er goed en niet goed gaat in de zorg, opdat zij hun zorgaanbod kunnen verbeteren. Ziet de IGJ de noodzakelijke verbeteringen niet, dan grijpt zij in.

De IGJ maakt haar bevindingen, oordelen en maatregelen openbaar naar de eisen van de wet. Deze informatie helpt bestuurders en professionals bij het leren en verbeteren van de zorg. Aansluitend is ook de openheid over de uitgangspunten van het toezicht en de werkwijze van de IGJ zelf een van haar prioriteiten. Alle belanghebbenden moeten immers van de IGJ weten wat ze van haar mogen verwachten. De IGJ treedt in contact met burgers en zorgverleners over wat zij belangrijk vinden in de zorg en analyseert ze de meldingen over zorg die bij haar binnenkomen.

Naast het toezicht op de verschillende sectoren heeft de inspectie specifiek aandacht voor netwerkzorg thuis. Samenwerking tussen zorg- en hulpverleners in de netwerken rondom de cliënt vindt nog niet vanzelfsprekend plaats en daarnaast zijn taken en verantwoordelijkheden aan het verschuiven. Omdat bij het toezicht op netwerkzorg thuis ook de ondersteuning die vanuit de gemeente wordt geboden een belangrijke rol speelt, werkt de inspectie samen met de gemeenten in hun rol als Wmo-toezichthouder. Vanaf 2018 zet de IGJ ook extra capaciteit in voor toezicht op de uitvoering van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg.

Sociaal en Cultureel Planbureau

Het SCP is opgericht bij koninklijk besluit op 30 maart 1973. Het koninklijk besluit is per 1 april 2012 vervangen door de «Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus». Het SCP is een professionele organisatie die wetenschappelijk werkt en dat op onafhankelijke wijze doet. Als kennisinstelling van de overheid verricht het SCP beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek. Het Sociaal en Cultureel Planbureau valt formeel onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het SCP ondersteunt de departementen bij het vervullen van hun kennisbehoefte. Het werkprogramma van het SCP wordt gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) volgt, verklaart en verkent het sociaal en cultureel welzijn van inwoners in Nederland. Het SCP verricht de monitoring van onder meer de leefsituatie en kwaliteit van leven in Nederland, evalueert in dat kader het overheidsbeleid en verricht verkenningen ten behoeve van toekomstig beleid. De planbureaufunctie van het SCP vraagt dat het zich minder met ad-hoc vragen bezighoudt en meer met het beantwoorden van de meerjarige, strategische kennisvragen op sociaal en cultureel terrein. De verbindingen tussen maatschappelijke domeinen als werk, gezondheid, opleiding, sociale participatie en veiligheid zijn in toenemende mate van belang. Hiertoe wordt gewerkt met drie doorsnijdende perspectieven die inhoudelijk de «waan van de dag» overstijgen en meerjarige maatschappelijke en beleidsrelevantie hebben én met acht onderzoeksprogramma’s.

Drie doorsnijdende perspectieven

  • 1.  Kwaliteit van leven. Kwaliteit van leven komt als onderwerp in veel programmalijnen van het SCP terug. Vanzelfsprekend zijn er dwarsverbanden op dit thema zoals de overgang van leren naar werken, gezondheidsbelemmeringen en maatschappelijke participatie, het combineren van zorgen en werken. In het perspectief Kwaliteit van leven onderzoeken we deze dwarsverbanden vanuit het perspectief van de kwaliteit van leven van burgers. Wat draagt wel en niet bij aan de kwaliteit van leven van mensen?
  • 2.  In- en uitsluiting. Dit perspectief richt zich op processen van in- en uitsluiting die zich binnen meerdere leefdomeinen in de samenleving af kunnen spelen. Deze processen hebben enerzijds betrekking op de ongelijkheid in kansen en in de verdeling van hulpbronnen over bevolkingsgroepen. Anderzijds gaat het om de verbindingen in de samenleving zoals die tot uiting komen in o.a. verschillen in identificatie en identiteit, gescheiden leefwerelden en conflicterende waarden en opvattingen. De processen worden gedragen door verschillende actoren: groepen burgers kunnen in- en uitsluiting teweegbrengen, maar ook het gedrag van werkgevers, uitvoeringsinstanties, media en nationale en lokale beleidsmakers is van belang. Het perspectief raakt direct aan drie gezichtsbepalende doelgroepgerichte onderzoeksthema's van het SCP die blijvend aandacht in ons onderzoek krijgen: etnische minderheden, emancipatie van vrouwen en mannen en LHBTI.
  • 3.  Veranderende verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat in reactie op veranderingen in de maatschappelijke context. Dat krijgt gestalte via nieuw overheidsbeleid en nieuwe verantwoordelijkheden voor individuele burgers, de civil society en marktpartijen op diverse terreinen, zoals de regulering van de arbeidsmarkt, de toegankelijkheid en het bereik van zorg en onderwijs, het zorgen voor voldoende bestaansmiddelen en inkomenscontinuïteit bij ziekte, ouderdom of werkloosheid, de maatschappelijke participatie en de realisatie van een meer duurzame samenleving. De wijze van institutionalisering kan per terrein echter sterk uiteenlopen, waardoor een programmadoorsnijdend perspectief potentieel grote meerwaarde heeft. Bovendien heeft de manier waarop de formele en informele maatschappelijke spelregels veranderen potentieel grote gevolgen voor de levenskansen van burgers en de gedragsverwachtingen waarmee zij worden geconfronteerd. Ook zijn de veranderende instituties van belang voor Nederland als geheel. Hierdoor legt dit perspectief een verbinding met enkele grotere maatschappelijke thema’s, zoals de opdeling van de samenleving, sociale cohesie en maatschappelijk ongenoegen.

Onderzoekprogramma’s

De maatschappelijke terreinen die van oudsher sinds de instelling van het SCP in 1973 in het SCP-onderzoek centraal staan (zorgen, arbeid, leren, participeren) blijven behouden en zichtbaar in de programma’s. De onderzoekprogramma’s zijn tijdelijk van karakter en maken het mogelijk dat het SCP flexibel inspringt op nieuwe of veranderende maatschappelijke kwesties. Daarnaast willen de programma’s zich richten op relevante maatschappelijke thema’s die domeindoorsnijdend zijn. De drie doorsnijdende perspectieven die inhoudelijk de «waan van de dag» overstijgen en meerjarige maatschappelijke en beleidsrelevantie hebben komen daarom terug in de acht onderzoeksprogramma’s. Programma’s worden aangepast al naar gelang de relevante maatschappelijke vraagstukken of kennisvragen vanuit departementen veranderen.

De komende drie jaar kent het SCP de volgende onderzoekprogramma’s:

  • 1.  Inkomen en bestaanszekerheid: sociale zekerheid, pensioenen, armoede, (gevolgen van) stelselwijzigingen op het terrein van sociale zekerheid.
  • 2.  Dynamiek op de arbeidsmarkt: inclusieve arbeidsmarkt, duurzame inzetbaarheid, waarde van betaalde en onbetaalde arbeid.
  • 3.  Opgroeien en leren: jeugd, gezin, opvang, gelijke kansen en toegankelijkheid van onderwijs, (gevolgen van) stelselwijzigingen in het onderwijs, leven lang leren.
  • 4.  Zorg en ondersteuning: vraag naar en aanbod van formele en informele zorg, wijzigingen in zorgarrangementen en zorggebruik, (on)toegankelijkheid van zorg.
  • 5.  Gezondheid en welzijn: focus op maatschappelijke uitkomsten, welbevinden, eenzaamheid, leefstijlen, vaardigheden, redzaamheid, voorzieningen en preventie alsook LHBT en (gevolgen van) decentralisaties in het sociaal domein
  • 6.  Maatschappelijke participatie: sociale netwerken, sociale scheidslijnen en organisatievormen in de civil society; de lokale samenleving; in- en uitsluiting van migrantengroepen; de invloed van technologie, activiteiten in de vrije tijd.
  • 7.  Waarden en zingeving: publieke opinie, sociaal-culturele integratie, religie en godsdienstige ontwikkelingen, zingeving, ethische kwesties, identiteit, ontwikkelingen in opvattingen ten aanzien van democratie en zeggenschap (lokaal, nationaal, Europees).
  • 8.  Duurzame samenleving: ecologische en maatschappelijke duurzaamheid, Sustainable Development Goals (SDG’s).

Raad voor Volksgezondheid en Samenleving

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) is een onafhankelijk adviesorgaan voor de regering en de beide kamers der Staten-Generaal. De RVS heeft tot taak strategische adviezen te geven over het te voeren beleid. De vraagstukken waarover de RVS adviseert zijn per definitie domeinoverstijgend. De RVS werkt aan een sterkere verbinding met VWS en met andere departementen, zoals OCW, BZK, SZW en JenV. Vanuit zijn onafhankelijke positie en opdracht laat de RVS zijn licht schijnen over toekomstige strategische beleidsvraagstukken voor zorg, volksgezondheid, welzijn en samenleving. Hierbij beziet de RVS de mogelijkheid om dit in samenwerking met andere kennisinstellingen te doen. De RVS werkt in zijn adviezen zoveel mogelijk in interactie met het «veld». Dit doet de RVS bovendien door naast schriftelijke adviezen op andere dan gebruikelijke manieren vraagstukken te agenderen, bijvoorbeeld met films, animaties, online activiteiten, veldraadplegingen, etc.

De RVS heeft bij zijn start gekozen voor het opstellen van een meerjarige werkagenda 2015–2018, met de volgende vier thema’s: (1) Veranderende verzorgingsstaat, (2) Verantwoord sturen, (3) De belofte van wetenschap en technologie en (4) De levensloop, levenslang en levensbreed. Het werken met een meerjarige werkagenda past bij de brede opdracht van de RVS en biedt ruimte om gedurende het jaar een vraag of probleem te agenderen. Dit kan leiden tot een gevraagd of ongevraagd advies van de RVS.

Het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG) is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de RVS. Het CEG publiceert over nieuwe ontwikkelingen op het snijvlak van ethiek, gezondheid en beleid. Het CEG brengt jaarlijks signalementen uit over ethische thema’s en geeft uitvoering aan de publieksfunctie, onder meer via de website www.ceg.nl (kennisbron over ethische thema’s) en diverse publieksbijeenkomsten, waaronder de jaarlijkse Els Borst Lezing.

Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad is een onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad die als taak heeft de regering en het parlement te adviseren door de actuele stand van de wetenschap aan te reiken voor gezondheidsbeleid. Vanuit verschillende disciplines werkt de raad aan hoogwaardige adviezen op het gebied van: optimale gezondheidszorg, preventie, gezonde voeding, gezonde leefomgeving, gezonde arbeidsomstandigheden en innovatie & kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit. De vraagstukken die onderwerp zijn van advies worden in belangrijke mate ingebracht vanuit diverse departementen en worden jaarlijks opgenomen in het werkprogramma. In september stelt de Minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast. Het werkprogramma en de actuele stand van zaken wordt gepubliceerd op de website van de Gezondheidsraad (www.gr.nl).