Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

1. Arbeidsmarkt

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • •  Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);
  • •  Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);
  • •  Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);
  • •  Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);
  • •  Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);
  • •  Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);
  • •  De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;
  • •  De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;
  • •  Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;
  • •  Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;
  • •  Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;
  • •  Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;
  • •  Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;
  • •  De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Per 2020 structurele LKV voor Banenafspraak en scholingsbelemmerden.

Het Loonkostenvoordeel voor Banenafspraak en scholingsbelemmerden is niet langer beperkt tot 3 jaar maar geeft per 2020 structureel recht op LKV. De uitbreiding is bedoeld om het arbeidsmarktperspectief van mensen met een arbeidsbeperking duurzaam te vergroten.

Wet arbeidsmarkt in balans (Wab)

Met het oog op het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeidsovereenkomsten werkt het kabinet meerdere maatregelen uit. Het gaat hierbij om een nieuwe ontslaggrond in te voeren, de mogelijkheden om een flexibele arbeidsovereenkomst aan te gaan te verruimen waar de aard van het werk dit vereist, de proeftijd te verlengen, de transitievergoeding voor langdurige arbeidsovereenkomsten te verlagen en tegelijkertijd vanaf de eerste dag recht op transitievergoeding te laten ontstaan, regels te stellen ter voorkoming van permanente beschikbaarheid van werknemers met oproepcontracten, te bewerkstelligen dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij payrolling wordt voorkomen, een WW-premie in te voeren waarvan de hoogte afhankelijk is van de contractvorm en de sectorpremies af te schaffen. De beoogde invoeringsdatum van de Wab is 1-1-2020.

Vervanging wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)

Het kabinet werkt in 2019 maatregelen uit ter vervanging van de Wet DBA waarmee, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden, wordt tegengegaan (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 311, nr. 207). Daarnaast beogen de maatregelen zekerheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers dat geen sprake is van een dienstbetrekking.

Leven Lang Ontwikkelen (LLO)

Het kabinet wil een doorbraak realiseren op het gebied van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en een positieve en sterke leercultuur tot stand brengen. Voor het jaar 2019 wordt € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld voor de verbetering van randvoorwaarden daarvoor.

Herziening wettelijk minimumloon

Om beter aan te sluiten bij veranderende sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen en bij wat internationaal gangbaar is, is in 2017 besloten tot een stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumjeugdloon. Als laatste stap (per 1-7-2019) krijgen werknemers vanaf 21 jaar (in plaats vanaf 22 jaar), recht op het volledige minimumloon en gaat het minimumjeugdloon voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar verder omhoog.

Herziene Detacheringsrichtlijn

Op 21 juni 2018 is de Raad van Ministers van de EU formeel akkoord gegaan met de herziene Detacheringsrichtlijn. De implementatie van deze richtlijn (Richtlijn (EU) 2018/957) moet uiterlijk 30 juli 2020 zijn afgerond. De herziene Detacheringsrichtlijn vervangt de huidige detacheringsrichtlijn uit 1996 en bevat onder andere een gewijzigde definitie van loon. Daarnaast krijgen gedetacheerde werknemers na 12 maanden detachering recht op de arbeidsvoorwaarden van het gastland met uitzondering van de regels met betrekking tot ontslag en aanvullend pensioen.

Brexit

In maart 2019 treedt het Verenigd Koninkrijk uit de EU. Als er op dat moment geen uittredingsakkoord is afgesproken tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU, zal onder meer de toegang tot de arbeidsmarkt voor VK-burgers die in Nederland werken voor 29 maart 2019 via nationale wetgeving moeten worden geregeld. Om voorbereid te zijn wordt een wijziging in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen voorbereid en wordt bezien of aanpassing van sociale verzekeringswetten nodig is.

Meldingsplicht voor dienstverleners uit de Europese Unie.

In 2019 wordt de meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Dit betekent dat dienstverrichters uit andere lidstaten die werkzaamheden in Nederland starten, hiervan melding moeten doen. De invoering van de meldingsplicht gaat samen met een communicatiecampagne. Op basis van de verzamelde gegevens kunnen de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving. De Inspectie SZW handhaaft de meldingsplicht.

Programma Preventie van beroepsziekten

Het in 2018 gestarte vierjarige programma Preventie beroepsziekten, nu gericht op veilig werken met gevaarlijke stoffen, bereidt in 2019 de toevoeging voor van het onderwerp «Voorkomen van gezondheidsschade door fysieke belasting tijdens het werk». Daarnaast worden in 2019 samen met branches en beroepsgroepen effectieve interventies opgesteld en geïmplementeerd. Ook zal samen met partijen bestaande kennis beter toegankelijk worden gemaakt en wordt het ontwikkelen en toepassen van innovaties gestimuleerd. Hiervoor is in totaal € 2 miljoen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Versterking arbeidsgerelateerde zorg en evaluatie van de wetswijziging Arbeidsgerelateerde zorg

Per 1 juli 2018 is de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet volledig van kracht (Tweede Kamer, 2015–2016, 34 375, nr. 2). In 2019 zullen onderzoeken worden gedaan en data worden verzameld om in 2020 te kunnen vaststellen welk effect de wetswijziging en de beleidsmatige inzet op het versterken van de arbeidsgerelateerde zorg heeft gehad. Hiervoor zijn middelen in de vorm van opdrachten beschikbaar. Parallel worden bedrijfsartsen gestimuleerd om de veranderde rol gericht op preventie vorm te geven en hierbij effectief samen te werken met andere arbodeskundigen. Daarnaast worden initiatieven ondersteund om het vak van bedrijfsarts aantrekkelijker en toegankelijker te maken om zo een tekort aan bedrijfsartsen af te wenden.

Effectieve interventiemix

In het regeerakkoord is geld beschikbaar gesteld voor het intensiveren van de handhavingsketen op eerlijk, gezond en veilig werk. Doel hiervan is onder andere het bevorderen van goed werkgeverschap. Een speerpunt in 2019 is het verbeteren van de preventie in bedrijven met een mix van interventies. Dit omvat interventies van alle betrokken partijen zoals brancheorganisaties, bedrijven, intermediairs en (Inspectie) SZW. Een belangrijk speerpunt van het beleid is het versterken van een cultuur waarin gezond en veilig werken de norm is. Er worden pilots uitgevoerd met interventies voor gedragsverandering en aandacht voor gezond en veilig werken in de opleidingen van toekomstige werkenden.

Innovatie van de Arbobeleidscyclus

De Staat van de Arbeidsveiligheid 2018 (Tweede Kamer, 2017–2018, 25 883, nr. 325) geeft aan dat ongevallen en beroepsziekten nog steeds veel voorkomen. Indicatoren over de toepassing van preventiemechanismen in bedrijven wijzen uit dat de naleving hiervan verbetering behoeft, met name in kleinere bedrijven. We gaan bezien of de arbobeleidscyclus op onderdelen kan worden aangescherpt. Ook wordt onderzocht of de uitvoering van sommige elementen van het arbobeleid eenvoudiger kan. Hiervoor zijn middelen in de vorm van subsidies en opdrachten beschikbaar.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

20.064

495.131

949.905

903.885

905.191

899.896

895.618

Uitgaven

15.854

495.755

949.968

903.973

905.256

899.988

895.686

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

1.805

479.300

925.629

881.762

882.895

878.902

874.600

Lage-inkomensvoordeel

0

479.300

503.629

507.037

498.170

494.177

489.875

Minimumjeugdloonvoordeel

0

0

130.000

82.725

82.725

82.725

82.725

Loonkostenvoordelen

0

0

292.000

292.000

302.000

302.000

302.000

Vakantiedagen

1.805

0

0

0

0

0

0

               

Subsidies

3.173

2.225

3.725

2.345

2.345

2.345

2.345

               

Opdrachten

6.807

10.138

11.830

11.382

11.532

10.257

10.257

               

Bekostiging

125

100

100

100

100

100

100

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

100

4.792

4.492

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZK

0

100

3.800

3.800

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

0

992

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

3 944

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

RIVM

3 944

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

3 892

               

Ontvangsten

29.240

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 45%. Dit betreft verschillende subsidies voor bijvoorbeeld Stichting van de Arbeid en de stichting Fairwork, Ook is er een subsidie voor duurzame inzetbaarheid in het mkb, het programma Beroepsziekten en het programma voor Arbeidsgerelateerde zorg.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 16%. De middelen worden ingezet voor bijvoorbeeld het Arboportaal, Certificering en Normalisatie (NEN) en voor het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Daarnaast zijn middelen verplicht voor onderzoek.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College toelating gewasbestrijdingsmiddelen (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten1

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdloonvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De regelingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2020 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2019 in dienst zijn. De Wtl-regelingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

A1. Lage-inkomensvoordeel

Het LIV bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel om banen te creëren en te behouden voor werknemers met een laag inkomen. Per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 110% van het minimumloon is de tegemoetkoming aan werkgevers € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per kalenderjaar. Bij een uurloon tussen de 110 en 125% van het minimumloon is de tegemoetkoming € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per jaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitgaven aan het LIV zijn in 2019 en verder hoger dan in 2018. Dit heeft te maken met de ingroei van beschut werk en de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2017 en 2019. Hierdoor vallen naar verwachting meer werknemers onder het LIV.

A2. Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Door de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 573, nr. 5), zijn de loonkosten van jongeren gestegen. Per 1 juli 2019 zal het minimumloon voor jongeren andermaal omhooggaan. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers voor deze loonkostenstijgingen.

De hoogte van het Jeugd-LIV is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer. Tabel 3.1.2 geeft de maximale compensatie voor werkgevers weer. In 2018 (uitbetaling in 2019) zijn alle (maximale) tegemoetkomingen van het Jeugd-LIV eenmalig hoger, zodat werkgevers niet alleen voor de hogere minimumjeugdlonen in 2018 gecompenseerd worden, maar ook voor het laatste halfjaar van 2017.

Tabel 3.1.2 Tegemoetkoming werkgevers uit hoofde van het Jeugd-LIV (x € 1)1Werkgevers ontvangen de tegemoetkomingen na afloop van het kalenderjaar.

Leeftijd begin van het jaar

Bedrag per uur over 2018

Maximumbedrag per werknemer over 2018

18

0,23

478,40

19

0,28

582,40

20

1,02

2.121,60

21

1,58

3.286,40

Budgettaire ontwikkelingen

Het Jeugd-LIV is dit jaar ingegaan en wordt na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Daarom zijn er nog geen uitgaven in 2017 en 2018. In de ramingen is te zien dat de eenmalig hogere tegemoetkoming in 2019 wordt uitbetaald. Vanwege de verlaging van de leeftijd dat recht geeft op het reguliere minimumloon, vallen sommige jongeren niet meer in het Jeugd-LIV, maar wel in het LIV.

A3. Loonkostenvoordelen

De LKV’s bestaan sinds 2018. Er zijn momenteel vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt aan een baan te helpen. De LKV’s komen in de plaats van de mobiliteitsbonussen voor ouderen en arbeidsgehandicapten.

LKV Ouderen

Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Arbeidsgehandicapten

Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten

Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten. De tegemoetkoming is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van de tegemoetkoming is 1 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer onder de doelgroep Banenafspraak aanneemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Vanaf 2020 is er geen maximale duur meer van de LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Tot die tijd is de maximale duur van de tegemoetkoming 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

Budgettaire ontwikkelingen

De LKV’s zijn dit jaar ingegaan en worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Daarom zijn er nog geen uitgaven in 2017 en 2018. Vanaf 2021 stijgen de uitgaven met € 10 miljoen. Dit komt met name doordat de LKV Banenafspraak structureel beschikbaar wordt, in plaats van maximaal 3 jaar per dienstverband.

B. Subsidies

Naast de uitgaven aan subsidies die bij budgetflexibiliteit zijn genoemd wordt onder andere nog circa € 1 miljoen ingezet voor het Programma Beroepsziekten.

C. Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Bijvoorbeeld voor verschillende communicatiecampagnes (arbeidsmarktdiscriminatie, arbeid en zorg, balans arbeidsmarkt en leven lang ontwikkelen) is bijna € 2 miljoen gereserveerd. Een ander voorbeeld is het programma Beroepsziekten waarvoor € 1 miljoen beschikbaar is. Ook is een bedrag van bijna € 1 miljoen beschikbaar voor het NCvB en de Arbeidsmarktpanels van het SCP. Daarnaast is € 1 miljoen beschikbaar voor het Arboportaal, voor onderhoud van de normalisatie infrastructuur en ten behoeve van voorlichting.

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van EZK ten behoeve van de financiering van het Ctgb. De bijdrage aan de begroting van het Ministerie van VWS bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

De inschatting van de boeteopbrengsten is gebaseerd op de realisatie van de voorgaande jaren. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de uiteindelijke realisatie, waaronder de incassoratio en de restitutie van boetes.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.1.3 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

Arbeidskorting

18.328

18.836

18.490

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.001

2.058

1.778

Btw laag tarief arbeidsintensieve diensten

938

966

796

Kerncijfers

Arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt bevindt zich in een hoogconjunctuur. In 2017 was het aantal werkenden groter dan ooit. De werkloosheid daalt al jaren gestaag voor alle leeftijdscategorieën maar is nog niet op het niveau van voor de crisis (3,7% of 381.000 werklozen in 2008). Voor 2018 en 2019 verwacht het CPB een verdere groei van de werkgelegenheid en een daling van de werkloosheid.

Tabel 3.1.4 Kerncijfers Arbeidsmarkt
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Werkloosheidspercentage

6,9

6,0

4,9

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

11,3

10,8

8,9

 

waarvan migrantenjongeren

19,9

18,1

14,9

25 tot 45 jaar

5,6

4,6

3,7

45 tot 75 jaar

6,5

5,6

4,4

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

614

538

438

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.294

8.403

8.579

Gezond en veilig werken

In 2017 heeft 1,6% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in de periode 2014–2017 vrijwel stabiel gebleven. Werknemers verzuimen gemiddeld vier op de honderd werkdagen. In 2017 vonden er 3 incidenten met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6.

Tabel 3.1.5 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,4

1,4

1,6

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,1

Ziekteverzuim (%)3

3,9

3,9

4,0

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

3

6

3

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

80

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)

1,9

Noot 1: CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden.

Noot 2: CBS/TNO, zelfstandigenenquête arbeidsomstandigheden. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Noot 3: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

Noot 4: Inspectie SZW, administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

Noot 5: Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Noot 6: CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen, en deels aan cao’s waaronder het ene jaar meer dan wel minder werknemers vallen dan in het andere jaar.

Tussen 2016 en 2017 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen die zijn afgegeven op basis van de quotumregeling Aziatische horeca die sinds 1 oktober 2016 in werking is getreden.

Tabel 3.1.6 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.500

5.551

5.625

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.743

4.793

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

757

758

835

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,0

7,7

8,9

Noot 1: SZW, administratie.

Noot 2: UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Op de terreinen Gezond en Veilig en Eerlijk is sprake van handhavingstoezicht. Op het terrein van Werk en Inkomen betreft het stelseltoezicht. Daarnaast voert de Inspectie SZW in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

A. Inspectie Control Framework (ICF)

Het kabinet Rutte III heeft besloten om jaarlijks extra middelen (oplopend tot 50 miljoen in 2021) aan de Inspectie SZW ter beschikking te stellen voor de versterking van de handhavingsketen. In 2019 ligt de focus op de uitbreiding van de voor de inspectieprogramma’s benodigde medewerkers en disciplines. In haar Jaarplan 2019 zal de Inspectie SZW hier nader op ingaan.

In haar Jaarplan 2018 heeft de Inspectie SZW aangegeven de extra middelen conform het ICF over de genoemde doelen te verdelen:

  • •  75% voor het doel eerlijk werk;
  • •  10% voor het doel gezond en veilig werk;
  • •  5% voor bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s en zware ongevallen (Brzo) en;
  • •  10% voor de versterking van datagericht werken.

Deze verhouding kan anders uitvallen als gevolg van toekomstige ontwikkelingen die van invloed zijn op de inzet door de Inspectie SZW.

B. Van output- naar effectsturing

De Inspectie SZW heeft de afgelopen jaren geïnvesteerd in risicogestuurd en effectgericht programmatisch werken. De Inspectie SZW stuurt daarbij op het behalen van resultaten en effecten die bijdragen aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. De Inspectie SZW wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daar waar effect wordt bereikt, is het vaak niet mogelijk om een causaal verband tussen interventies en effect aan te tonen. In die gevallen zal de Inspectie SZW zich richten op het plausibel maken van dit verband. Dit borgt tevens een doeltreffende en doelmatige inzet van de uit het Inspectie Control Framework voortvloeiende middelen.

De Inspectie SZW organiseert haar werk in programma’s. Dat doet zij om de bij de medewerkers van de Inspectie SZW aanwezige kennis, ervaring, denk- en uitvoeringskracht op een wendbare en flexibele manier risicogericht te kunnen inzetten. Vanwege de gewenste wendbaarheid en flexibiliteit kan het aantal programma’s en de inhoud ervan van jaar tot jaar variëren.

Tabel 3.1.7 Inspectie SZW: Inspectie control framework, capaciteitsinzet en effecten1Inspectie SZW, jaarverslag 2017 en jaarplan 2018.
 

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2023

Inspectie Control Framework

         

Verhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

30:70

30:70

2

50:50

 

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo-inspecties (%)

60

60

>90

 
Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)3
4

2

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)5

1

2

Capaciteitsinzet6
         

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

45

35

Brzo (%)

8

10

Eerlijk (%)

44

53

Werk en Inkomen (%)

3

2

Effect

         

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

55

>50

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo)

21

≤50

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo

44

40

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk

50

>50

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk

39

≤50

<50

<50

<50

Noot 2: Geen raming 2019 of 2020 beschikbaar. Zie toelichting bij de tabel.

Noot 3: Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol».

Noot 4: Geen realisatie 2017 beschikbaar. Het betreft een kerncijfer dat in de SZW Begroting 2018 is geïntroduceerd. De Inspectie SZW heeft haar administratie zo aangepast dat realisaties voor het eerst over 2018 beschikbaar komen.

Noot 5: Betreft het aandeel van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is en waar de inspectie SZW toezicht heeft gehouden.

Noot 6: Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma’s.

De Inspectie SZW heeft in haar Jaarplan 2018 de geraamde resultaten voor zowel de beoogde effecten als het ICF en de capaciteitsinzet weergegeven. Voor het ICF en de capaciteitsinzet zijn deze alleen voor 2020 en 2023 geformuleerd. Voor de tussenliggende jaren heeft de Inspectie SZW geen tussentijdse doelen opgesteld. De Inspectie SZW moet eerst het «fundament verstevigen voordat er verdiepingen kunnen worden gebouwd.» Daarnaast duurt het enige tijd voordat nieuwe inspecteurs zijn ingewerkt. Bovendien kost het inwerken van nieuwe inspecteurs ook capaciteit. De jaarverslagen van het Ministerie van SZW en de Inspectie SZW zullen de realisaties voor de tussenliggende jaren wel weergeven. De Inspectie SZW zal in haar jaarplannen voor de tussenliggende jaren specifieker ingaan op de per programma beoogde resultaten.

1. Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wendt de door het kabinet Rutte III toegekende ICF-middelen aan om in 2020 een evenredige verhouding in de capaciteitsinzet op actieve en reactieve inspecties op het terrein van Veilig en Gezond tot stand te brengen en het aandeel van de gezamenlijk met de andere Brzo-toezichthouders uitgevoerde inspecties tenminste 90% te laten zijn. Bovendien beoogt de Inspectie SZW een verhoging van de mate waarin zij informatiegestuurd werkt van niveau 2 naar niveau 3 in 2023 (zie de eerste voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Daarnaast wil de Inspectie SZW deze middelen inzetten om de inspectiedekking op het vlak van eerlijk werk te verdubbelen naar 2% in 2023.

2. Capaciteitsinzet

De toekomstige capaciteitsverdeling is een uitvloeisel van de inzet van de ICF-middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW. De tabel laat zien dat in 2023 het relatieve aandeel van toezicht op «oneerlijk werk» zal zijn toegenomen.

3. Effecten

Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Bij meer dan de helft van de bij eerste inspectie bezochte bedrijven moet hiervan sprake zijn. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij niet-nalevende werkgevers. Bij minder dan de helft hiervan mag nog maar sprake zijn van regelovertreding.

Bij het inspecteren van Brzo-bedrijven bestaat geen onderscheid tussen eerste en herinspectie. De Inspectie SZW bezoekt vooral Brzo-bedrijven die vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden als hoogrisico bedrijven zijn aangemerkt. Door het gezamenlijk optrekken met de andere Brzo-toezichthouders zal de Inspectie SZW ook niet-hoogrisico bedrijven bezoeken. Hierdoor zal het handhavingspercentage in 2023 naar verwachting lager zijn dan nu.

Artikel

Noot 1: De inkomensoverdrachten op dit artikel betreffen overdrachten aan werkgevers.