Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2. Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet

Algemene doelstelling

De overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.

Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid er naar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.

De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert hij de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.

De Minister is verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  De vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;
  • •  Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor startende zelfstandigen;
  • •  Het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
  • •  Het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;
  • •  De budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van het in de integratie-uitkering sociaal domein opgenomen SZW-aandeel en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;
  • •  De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en het UWV (TW);
  • •  De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Dit budget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, welke een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.

Beleidswijzigingen

Banenafspraak/quotum (resultaten driemeting)

De banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor de doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2017 is om 33.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting; 23.000 in de sector markt en 10.000 in de sector overheid. De doelstelling van 33.000 banen is met 36.904 extra banen ruim gehaald. Met 30.432 banen heeft de sector markt de doelstelling van 23.000 banen ruim overtroffen. Helaas hebben de overheidswerkgevers de doelstelling ook in 2017 niet gehaald. Waar de doelstelling voor de overheid op 10.000 banen ligt, hebben de overheidswerkgevers 6.471 extra banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd. Dit resultaat van de sector overheid geeft geen aanleiding om de quotumregeling te deactiveren. Halen de overheidswerkgevers over 2019 de banenafspraak weer niet, dan wordt een heffing opgelegd van € 5.000 per niet-ingevulde baan van een individuele overheidswerkgever.

Tabel 3.2.1 Indicatoren banenafspraak
 
Realisatie 20171
Streefwaarde 20172

Streefwaarde 2018

Streefwaarde 2019

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

30.432

23.000

31.000

40.000

Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidsector t.o.v. nulmeting op 1/1/2013

6.471

10.000

12.500

15.000

Noot 1: Berekening SZW op basis van metingen UWV.

Noot 2: Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Tweede Kamer, 2013–2014, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing.»

Offensief voor werk voor mensen met arbeidsbeperking

In het afgelopen jaar heeft het kabinet het voornemen uit het regeerakkoord om over te gaan op loondispensatie in de Participatiewet nader uitgewerkt. Tijdens deze uitwerking is gebleken dat het niet mogelijk is om loondispensatie in de Participatiewet zo in te richten dat het voor iedereen simpeler en beter wordt. Het kabinet ziet daarom af van invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Het doel van het kabinet blijft ongewijzigd: meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk. Daartoe zet het kabinet in op een breed offensief voor vereenvoudiging en meer werk voor mensen met een arbeidsbeperking. Het kabinet heeft de Tweede Kamer hierover bij brief van 7 september geïnformeerd (Tweede Kamer, 2018–2019, 34 352, nr. 115). Voor de begrotingsbehandeling van SZW zal het kabinet een nadere uitwerking naar de Tweede Kamer sturen.

Armoede en schulden

Het kabinet wil het aantal mensen met problematische schulden terugdringen en mensen met schulden effectiever helpen. Het kabinet stelt voor drie jaar in totaal € 80 miljoen ter beschikking voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen. De middelen hebben als doel om te leiden tot een kwaliteitsverbetering van het gemeentelijk armoede- en schuldenbeleid. Ruim € 71 miljoen wordt via een decentralisatie-uitkering, ondersteund door bestuurlijke afspraken met de VNG, aan gemeenten toegekend om een impuls te geven aan de verbetering van de toegang tot en de effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de versterking van de lokale regie van het (kindgericht) armoedebeleid in lijn met de kabinetsreactie op advies van de SER «Opgroeien zonder armoede» en op het rapport van de Kinderombudsman «Alle kinderen kansrijk» (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 430). Hoe gemeenten hier invulling aan geven is afhankelijk van de lokale context. Bijna € 9 miljoen wordt ingezet ter versterking van de landelijke ondersteuning van gemeenten door kennisontwikkeling, professionalisering, kennisuitwisseling, monitoring en coördinatie. Er wordt voortgebouwd op reeds goed lopende projecten en programma’s, waaronder de programma’s «Schouders eronder» en «Vakkundig aan het werk.»

Armoede en schulden hangen vaak samen met andere problematieken zoals schooluitval en gezondheidsproblemen. Door actief in te zetten op het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden, kunnen kosten in andere domeinen worden voorkomen of verminderd. Dat maakt dat gemeenten, mede doordat gemeenten als uitvoerder van het armoedebeleid dichtbij de burger staan, het beste in staat zijn om de middelen en de expertise doeltreffend en doelmatig in te zetten om het armoede- en schuldenbeleid verder te versterken. Het Rijk en de VNG geven, via de bestuurlijke afspraken, samen invulling aan de monitoring en evaluatie van deze middelen, passend bij de decentrale bevoegdheden van gemeenten.

Het kabinet heeft in 2018 de brede schuldenaanpak gepresenteerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 24 515, nr. 431). In het bijbehorende actieplan zijn de maatregelen uitgewerkt en gericht op het terugdringen van het aantal mensen met problematische schulden en op een effectievere dienstverlening aan mensen met schulden. Binnen de brede schuldenaanpak worden drie actielijnen onderscheiden. Ten eerste preventie en vroegsignalering, ten tweede ontzorgen en ondersteunen en ten slotte zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. Het gaat hier om een gezamenlijke aanpak van ministeries, gemeenten en andere betrokken partijen. Naast nieuwe maatregelen bevat het actieplan ook reeds lopende maatregelen die onverkort en met urgentie worden voortgezet, zoals de implementatie van de vereenvoudiging van de beslagvrije voet en de verbreding van het beslagregister. 2019 zal in het teken staan van de uitwerking/uitvoering van verschillende maatregelen.

Door een versterkte inzet op preventie en vroegsignalering worden problematische schulden tegengegaan. Zo zal in 2018 en 2019 een wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening worden voorbereid om ten behoeve van vroegsignalering gegevensuitwisseling te faciliteren. In het kader van ontzorgen en ondersteunen zullen het Rijk en gemeenten in het kader van het Interbestuurlijk Programma afspraken uitwerken om tot een vernieuwende schuldenaanpak en een verbeterde toegang tot de schuldhulpverlening te komen.

Vereenvoudiging beslagvrije voet

Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die moet voorkomen dat schuldenaren bij beslaglegging te weinig geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien, worden knelpunten van de huidige regeling ondervangen. De wet wijzigt de berekeningswijze van de beslagvrije voet, de gegevens die daarvoor met verschillende instanties dienen te worden uitgewisseld, alsmede het uiteindelijke proces tot vaststelling van de beslagvrije voet. De vereenvoudiging van de beslagvrije voet ziet, net als de verbreding van het beslagregister, op de realisatie van een hoge mate van gegevensuitwisseling tussen een groot aantal partijen. Een toekomstbestendige inbedding van deze gegevensuitwisseling in de ICT-systemen van de verschillende organisaties vraagt de nodige inspanning van en samenwerking tussen de betrokken organisaties en vraagt meer tijd dan eerder werd voorzien. De basis hiervoor is in 2017 en 2018 gelegd, zodat in 2019 en 2020 verdere stappen kunnen worden gezet om tot realisatie van de met beide trajecten beoogde doelen te komen.

Onderstand Caribisch Nederland

In reactie op het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 IV, nr. 45) heeft het kabinet besloten de onderstand voor personen die zelfstandig wonen in 2019 te verhogen naar minimaal het niveau van 55% van het wettelijk minimumloon (Wml). De inkomensgrens voor bijzondere onderstand wordt tijdelijk verhoogd naar 120% Wml. Daarnaast ontvangen alleenstaande AOV-gerechtigden via de onderstand een toeslag op het inkomen tot Wml. De onderstand wordt verhoogd om de leefomstandigheden in Caribisch Nederland te verbeteren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2.2 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 2 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

6.751.201

7.059.942

7.037.743

7.129.435

7.348.572

7.506.769

7.631.337

waarvan garantieverplichtingen

– 55

           

Uitgaven

6.809.474

7.145.810

7.079.146

7.149.731

7.351.507

7.507.204

7.631.337

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Inkomensoverdrachten

6.673.695

7.014.229

6.994.795

7.088.532

7.298.243

7.456.970

7.581.638

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.900.666

6.213.528

6.215.835

6.311.591

6.509.467

6.654.382

6.758.576

TW

456.000

470.846

458.901

454.913

463.404

470.474

472.130

AIO

268.134

286.972

286.997

290.955

294.280

300.939

319.671

Bijstand zelfstandigen

42.866

36.554

26.167

23.861

23.861

23.861

23.861

Bijstand overig

1.500

1.200

1.150

1.100

1.050

1.000

950

Onderstand en re-integratie (Caribisch Nederland)

2.729

5.129

5.745

6.112

6.181

6.314

6.450

Participatiebudget

1.800

0

0

0

0

0

0

Garanties

5

5

0

0

0

0

0

               

Subsidies

132.858

105.913

56.291

27.502

20.421

18.396

18.361

               

Opdrachten

1.553

12.947

16.185

21.793

21.379

20.374

19.874

               

Bekostiging

1.064

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

ZonMw

1.064

2.403

1.655

1.739

1.297

1.297

1.297

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

299

313

220

165

167

167

167

ZonMw

299

313

220

165

167

167

167

               

Bijdrage aan sociale fondsen

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Pensioenfonds Wsw

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

               

Ontvangsten

48.492

17.711

2.572

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. De rijksbijdragen aan de uitvoerende instellingen, gemeenten, het UWV en de SVB, worden ruim voor het begrotingsjaar bekend gemaakt. Inkomensoverdrachten die worden gedeclareerd, zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve ook voor 100% juridisch verplicht.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 88% juridisch verplicht. De aanvragen in het kader van de subsidieregelingen, zoals voor de sectorplannen, armoede en schulden en Doorstart naar nieuw werk, zijn beschikt of nog in procedure. Evenzo geldt dit deels voor de incidentele subsidies, zoals voor armoede onder kinderen, of de subsidies aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM), Nibud of de gesubsidieerde cofinanciering Europees Fonds Meest Behoeftigen (EFMB) die voor meerdere jaren zijn toegekend aan de desbetreffende organisaties.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 10% juridisch verplicht. Het gaat om ruim € 1 miljoen.

Bekostiging:

Met de goedkeuring in 2015 van het meerjarige kennisprogramma, zoals dat door ZonMw wordt uitgevoerd, is het kasbudget 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

Analoog aan het instrument bekostiging is de bijdrage voor de uitvoeringskosten van ZonMw ook voor 100% verplicht.

Bijdrage aan sociale fondsen:

De bijdrage aan sociale fondsen is voor 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1. Macrobudget participatiewetuitkeringen

Op grond van de Participatiewet verstrekt het Ministerie van SZW jaarlijks aan gemeenten een budget voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2019 geraamd op ruim € 6 miljard. In 2019 wordt hiervan een bedrag van € 108 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2017. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee al rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten van wie het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort dat over 2017 meer bedraagt dan 5% en over 2016 en 2017 samen ook meer bedraagt dan 5% van het budget 2017, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2017. In tabel 3.2.3 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.

Tabel 3.2.3 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (x € 1.000)
 

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming

5.900.666

6.213.528

6.215.835

6.311.591

6.509.467

6.654.382

6.758.576

               

Macrobudget participatiewetuitkeringen

5.889.6101

6.215.974

6.219.663

6.315.419

6.513.295

6.658.210

6.762.404

Algemene bijstand en loonkostensubsidie

5.497.394

5.806.690

5.797.122

5.891.722

6.097.413

6.255.844

6.382.585

IOAW

361.723

377.614

389.169

388.413

378.613

363.320

340.375

IOAZ

30.493

31.670

33.372

35.284

37.269

39.046

39.444

Intertemporele tegemoetkoming2

11.056

-2.446

-3.828

-3.828

-3.828

-3.828

-3.828

Noot 1: Toelichting definitief macrobudget participatiewetuitkeringen; berekening SZW.

Noot 2: SZW, financiële administratie

Algemene bijstand en loonkostensubsidies

De Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien. Het Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidies. Dit budget wordt samen met de middelen voor IOAW en IOAZ over de gemeenten verdeeld. Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2019 circa € 32 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en onvoldoende over eigen middelen van bestaan beschikt, kan in aanmerking komen voor bijstand.

Hoe hoog is de bijstand?

De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 3.2.4 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.

Tabel 3.2.4 Netto bijstandsnormen van 21-jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

1.423,66

Alleenstaande (ouder)

996,56

Budgettaire ontwikkelingen

Hieronder volgt een toelichting op de bijstellingen voor de algemene bijstand, loonkostensubsidies en de intertemporele tegemoetkoming. De toelichting voor de IOAW, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers volgen later in het artikel.

De door het CPB geraamde werkloosheidsdaling als gevolg van de maatregelen uit het regeerakkoord leidt tot lagere uitgaven in de bijstand in 2019. De meerjarige oploop van de uitgaven daarna hangt samen met een lichte stijging van de door het CPB verwachte werkloosheid in latere jaren en de invoering van een aantal wetswijzigingen, waaronder de invoering van de Participatiewet, de AOW-leeftijdsverhoging en de invoering van het onderdeel WW-duurverkorting in de Wet werk en zekerheid. Daarnaast is de systematiek aangepast voor de verwerking van statushouders in de bijstandsraming, zodat de verhoogde instroom van statushouders al in het uitvoeringsjaar wordt verwerkt in de bijstandsraming voor cohort 2018 en 2019. Het bijstandsbudget wordt daarmee voor 2018 en 2019 hoger dan eerder geraamd. In latere jaren wordt het hiervoor bestemde budget neerwaarts bijgesteld, in lijn met de verwachting dat een deel van de statushouders dan weer uit de uitkering stroomt. Bovendien is de meerjarige prognose van het aantal verwachte vergunninghouders bij gemeenten naar beneden bijgesteld aan de hand van nieuwe cijfers van het Ministerie van J&V. Dit leidt in latere jaren tot lagere verwachte realisaties dan waar op voorhand rekening mee was gehouden.

In het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken. De verrekening van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 met de gemeentelijke budgetten Participatiewetuitkeringen vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.5 Kerncijfers Participatiewet
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)2

398

394

392

Volume Participatiewet (x 1.000 huishoudens, ultimo)

390

3

 

waarvan verblijfsduur minder dan 1 jaar

76

 

waarvan verblijfsduur 1 tot 5 jaar

166

 

waarvan verblijfsduur 5 jaar of meer

147

Noot 1: CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Noot 2: Dit cijfer is exclusief volume loonkostensubsidie.

Noot 3: Dit cijfer wordt niet geraamd.

Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.

De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.

Wie komt er voor in aanmerking?

De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:

  • •  Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;
  • •  Werknemers die na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.

De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige.

Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?

Per 1 juli 2015 geldt voor de IOAW en de IOAZ een kostendelersnorm. In de IOAW en IOAZ geldt de kostendelersnorm alleen voor alleenstaande kostendelers. Nieuwe aanvragers ontvangen 50% van de gehuwdennorm. Voor huidige alleenstaanden en alleenstaande ouders wordt de norm trapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2018 is de norm 55%. Per 1 januari 2019 ontvangen alleenstaanden en alleenstaande ouders, indien zij samenwonen met één of meer meerderjarige personen, 50% van de gehuwdennorm.

Tabel 3.2.6 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

1.524,62

Alleenstaande (ouder) zonder meerderjarige medebewoners

1.177,30

Alleenstaande (ouder) met een of meer meerderjarige medebewoners

866,05

Budgettaire ontwikkelingen

De IOAW-uitgaven stijgen in 2019 door de vertraagde doorwerking van de conjunctuur. De vertraging treedt op doordat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar WW-gerechtigd is geweest. Vanaf 2020 is de gunstige conjunctuur terug te zien in de volumeontwikkeling van de IOAW. Het tweede belangrijke effect op de IOAW-uitgaven wordt veroorzaakt door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. Dit leidt er toe dat vanaf 2020 minder mensen gebruik kunnen maken van de IOAW. De verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd vermindert daarentegen de daling van de IOAW-uitgaven. De uitgaven aan de IOAZ nemen vooral toe door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.7 Kerncijfers IOAW en IOAZ
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

24

26

27

Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

1,9

2,0

2,1

Noot 1: CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 3.2.8 Kerncijfers WWB/Participatiewet (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1
     

Gepercipieerde detectiekans (%)

82

77

75

Kennis van de verplichtingen (%)

90

88

88

       
Opsporing2
     
Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

29

30

31

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

66

71

69

       
Terugvordering4
     

Incassoratio cohort 2013 (%)

37

43

47

Incassoratio cohort 2014 (%)

22

28

33

Incassoratio cohort 2015 (%)

14

25

31

Incassoratio cohort 2016 (%)

5

16

26

Incassoratio cohort 2017 (%)

15

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

Noot 2: SZW-berekeningen op basis van CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

Noot 3: Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

Noot 4: CBS-onderzoek incassoratio 2016. Deze cijfers zijn overigens door het CBS herzien.

Noot 5: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A2. Toeslagenwet (TW)

De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.

Wie komt er voor in aanmerking?

Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van één van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag.

De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:

  • •  een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;
  • •  een alleenstaande/alleenstaande ouder met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon.

Hoe hoog is de toeslag?

De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon. Voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder, die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lagere norm. De kostendelersnorm is per 1 juli 2016 in de TW ingevoerd en wordt stapsgewijs afgebouwd. Vanaf 1 januari 2018 bedraagt de kostendelersnorm 55% van het Wml. Per 1 januari 2019 zal de kostendelersnorm 50% van het Wml bedragen.

Tabel 3.2.9 Normbedragen TW bruto per dag, exclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

73,30

Alleenstaande (ouder) van 22 jaar en ouder

54,13

Alleenstaande (ouder) van 22 jaar en ouder met een of meer meerderjarige medebewoners

39,82

Budgettaire ontwikkelingen

De TW-uitgaven hangen samen met de volumeontwikkelingen in de moederwetten. In 2018 stijgen TW-uitgaven met name omdat de Wajong-uitkering voor Wajonggerechtigden met arbeidsvermogen is verlaagd, waardoor zelfstandig wonende alleenstaanden in deze groep in aanmerking kunnen komen voor een aanvulling op grond van de TW. Hierdoor neemt het TW-volume in 2018 toe. In 2019 dalen de TW-uitgaven met name vanwege de daling van het aantal WAO- en WW-uitkeringen, waardoor ook het aantal toeslagen op die uitkeringen afneemt.

Beleidsrelevante kerncijfers

In 2018 is het TW-volume hoger dan in 2017. Doordat de uitkering voor Wajong-gerechtigden met arbeidsvermogen is verlaagd, komt een deel van deze mensen nu in aanmerking voor een aanvulling op grond van de TW. Omdat deze groep relatief lage TW-uitkeringen ontvangt, komt de gemiddelde toeslag in 2018 lager uit dan in 2017. In 2019 is er een lichte daling in het TW-volume. Deze daling wordt vooral gedreven door een daling van het aantal WAO- en WW-uitkeringen.

Tabel 3.2.10 Kerncijfers TW
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)

103

129

126

Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)

4.385

3.569

3.665

Noot 1: UWV, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers handhaving vertonen een lichte stijging in 2017 ten opzichte van voorgaande jaren. De incassoratio’s blijven op een gelijk niveau.

Tabel 3.2.11 Kerncijfers TW (fraude en handhaving)1UWV, jaarverslag.
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Opsporing

     
Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)2

2,4

1,7

2,0

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

5,8

5,6

6,7

       

Terugvordering

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

47

54

61

Incassoratio cohort 2014 (%)

39

48

56

Incassoratio cohort 2015 (%)

18

40

51

Incassoratio cohort 2016 (%)

3

17

33

Incassoratio cohort 2017 (%)

16

Noot 2: Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande begrotingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

Noot 3: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A3. Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

Ouderen met een onvolledig AOW-pensioen kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.

Hoe hoog is de AIO?

De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met één of meer meerderjarige personen waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.

Tabel 3.2.12 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd /samenwonend

1.533,18

Alleenstaande (ouder)

1.121,43

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten van AIO nemen de komende jaren toe, vanwege een verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden als gevolg van de vergrijzing. Daarnaast neemt de gemiddelde uitkering de komende jaren naar verwachting iets toe, omdat als gevolg van het vervallen van de AOW-partnertoeslag huishoudens die een AIO-uitkering aanvragen, gemiddeld een hogere uitkering ontvangen dan bestaande AIO-gerechtigden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal huishoudens met een AIO-uitkering neemt komende jaren naar verwachting toe vanwege de vergrijzing. Daarnaast is door het afschaffen van de AOW-partnertoeslag in 2015 het aantal aangevraagde AIO-uitkeringen toegenomen. Daarentegen heeft de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd de komende jaren een matigend effect op het aantal huishoudens dat een AIO-uitkering aanvraagt.

Tabel 3.2.13 Kerncijfers AIO
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)

44

46

46

Noot 1: CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

Handhaving

De kerncijfers handhaving tonen in 2017 een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 3.2.14 Kerncijfers AIO (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1
     

Gepercipieerde detectiekans (%)

75

77

77

Kennis van de verplichtingen (%)

87

88

89

       
Opsporing2
     
Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,0

0,9

1,2

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln)

2,2

2,0

2,3

       

Terugvordering

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

49

53

56

Incassoratio cohort 2014 (%)

19

27

31

Incassoratio cohort 2015 (%)

14

31

38

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

12

22

Incassoratio cohort 2017 (%)

6

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

Noot 2: SVB, jaarverslag.

Noot 3: Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

Noot 4: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Bijstand zelfstandigen (Bbz 2004)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steuntje in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor gevestigde ondernemers of in bedrijfskredieten (starters en gevestigde ondernemers).

Wie komt er voor in aanmerking?

Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is, het inkomen onvoldoende is en de onderneming levensvatbaar is.

Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het krediet?

De uitkering voor levensonderhoud is in principe gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 3.2.4) als aanvulling voor levensonderhoud. De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskredieten wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.

Tabel 3.2.15 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)
 

1 januari 2018

Startende zelfstandige

36.155

Gevestigde zelfstandige

196.381

Budgettaire ontwikkelingen

Voor de verstrekking van bedrijfskredieten en uitkeringen voor levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een afzonderlijke specifieke uitkering. Deze uitgaven maken geen onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen en zijn voor 2019 geraamd op € 26 miljoen. Uit onderzoek is gebleken dat gemeenten de daling van de omvang van de kredietverlening vooral verklaren uit een afname van het aantal aanvragen èn uit gemiddeld lagere bedragen, waarbij door de verbetering van de economische situatie er minder behoefte is aan Bbz-krediet. Daarnaast wordt de daling veroorzaakt doordat de uitgaven, die voor de gemeenten gezamenlijk worden geraamd, gesaldeerde uitgaven zijn. Bij individuele gemeenten verschillen de uitgaven van jaar op jaar aanzienlijk met als gevolg dat een aantal gemeenten te weinig voorschot ontvangt en andere gemeenten teveel, zodat een aantal gemeenten achteraf nabetaald krijgt en andere gemeenten voorschotten terug moeten betalen.

Bijstand voor levensonderhoud van startende ondernemers bedraagt in 2019 € 32 miljoen en maakt onderdeel uit van het Macrobudget participatiewetuitkeringen (zie tabel 3.2.3)

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.16 Kerncijfers Bbz
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)

3,8

3,8

3,8

Noot 1: CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

A5. Bijstand overig

Onder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.

Budgettaire ontwikkelingen

De verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden naar verwachting afneemt. Voor de repatriëringsregeling zijn geen uitgaven voorzien.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal personen dat in het buitenland een bijstandsuitkering ontvangt, daalt de komende jaren naar verwachting licht.

Tabel 3.2.17 Kerncijfers bijstand overig
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume bijstand overig (x 1.000 gerechtigden, ultimo)

0,1

0,1

0,1

Noot 1: SVB, jaarverslag.

A6. Onderstand en re-integratie Caribisch Nederland

De overheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand en waar nodig ook re-integratieondersteuning.

Budgettaire ontwikkelingen

Er is een toename in de uitgaven. Dit is het saldo van twee effecten. De uitgaven aan Onderstand stijgen door de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland. Dit leidt tot een beperkte toename van de uitgaven in 2019 en heeft in latere jaren een groter effect. Anderzijds lopen de uitgaven aan re-integratieprojecten (€ 2,3 miljoen) per 2020 af. Per saldo resulteren beide effecten in een lichte toename van de uitgaven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.2.18 Kerncijfers Caribisch Nederland
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)

0,6

0,5

0,6

Noot 1: SZW-unit RCN.

B. Garanties

Voor 2019 zijn geen garanties meer voorzien.

C. Subsidies

In totaal is in 2019 € 56,3 miljoen voor subsidies beschikbaar. € 25 miljoen is bestemd voor de uitfinanciering van de sectorplannen, € 22,2 miljoen voor het armoede- en schuldenbeleid, waarvan € 15 miljoen specifiek voor kinderen. Voor de «Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt» (DWSRA) is € 3,8 miljoen beschikbaar. Verder maken incidentele subsidies, cofinanciering van Europese subsidieregelingen, waaronder EFMB, en de subsidies aan het Nibud en de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) voor ruim € 5 miljoen onderdeel uit van het subsidiebudget.

D. Opdrachten

Deze middelen zijn met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (ca. € 11,3 miljoen), armoedebestrijding en schuldhulpverlening (ca. € 4,4 miljoen) en bevordering ondernemerschap (ca. € 0,5 miljoen). De middelen bevordering arbeidsparticipatie worden mede ingezet ten behoeve van het programma Sociaal Domein (dat in samenwerking tussen gemeenten en de ministeries van OCW, BZK, J&V en VWS is opgepakt), het programma Matchen op Werk en verbeteren van de werkgeversdienstverlening, het programma Perspectief op Werk en ondersteuningsprogramma’s op het terrein van vakmanschap. Uit de middelen voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening worden onder andere diverse ondersteuningsprogramma gefinancierd ter verbetering van de het (gemeentelijke) armoedebeleid en de (gemeentelijke) schuldhulpverlening. Dit laatste mede in het kader van de brede schuldenaanpak, waarover de Tweede Kamer in 2018 is bericht.

E. Bekostiging

Voor de bekostiging van het meerjarige Kennisprogramma vakkundig aan het werk, dat wordt uitgevoerd door ZonMw, is in 2019 € 1,7 miljoen beschikbaar. Dat is € 0,6 miljoen minder dan in 2018 en wordt veroorzaakt door een versnelling in de uitvoering van het Kennisprogramma in 2018, waardoor de geraamde kasuitgaven in 2018 zijn verhoogd en in 2019 zijn verlaagd.

F. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de uitvoering van het Kennisprogramma vakkundig aan het werk is voor uitvoeringskosten voor ZonMw ruim € 0,2 miljoen beschikbaar in 2019.

G. Bijdrage sociale fondsen

Met ingang van 2018 is een financiële tegemoetkoming van € 10 miljoen per jaar beschikbaar gesteld aan het Wsw-pensioenfonds PWRI, onder de voorwaarde dat sociale partners zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds.

H. Ontvangsten

De geraamde ontvangsten 2019 hebben betrekking op de boedelscheiding van de SVB-Nederlandse Antillen.

Kerncijfers

Tabel 3.2.19 bevat cijfers over re-integratie door gemeenten.

Tabel 3.2.19 Re-integratie gemeentelijk domein
 

2015

2016

2017

Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000)1

43

43

45

Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)2

33

35

44

 

waarvan personen met een loonkostensubsidie Participatiewet

1,2

2,2

9,1

 

waarvan personen met beschut werk

<0,1

<0,1

0,6

 

waarvan tijdelijke loonkostensubsidie voor werklozen of ID/WIW

5,2

3,7

3,2

         
Werknemersbestand WSW (x 1.000)3

96

91

87

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen

36

37

37

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen

6,6

6,5

6,6

         
Aantal voorzieningen Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)4

209

222

256

Aantal personen met een voorziening Participatiewet/WWB (x 1.000, ultimo)

166

174

190

Noot 1: CBS, Uitstroom na re-integratie.

Noot 2: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

Noot 3: Panteia, Wsw-rapportage.

Noot 4: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

Artikel