Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

8. Oudedagsvoorziening

Algemene doelstelling

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 95% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW) en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR).

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;
  • •  De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;
  • •  De vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);
  • •  De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Pensioencommunicatie

Het is de bedoeling dat vanaf september 2019 op www.mijnpensioenoverzicht.nl het te verwachten pensioen voor alle deelnemers wordt uitgedrukt in drie scenario’s: een verwacht, een optimistisch en een pessimistisch scenario. Zo krijgen deelnemers meer dan nu inzicht in hun te verwachten pensioen, waarbij ook duidelijk wordt gemaakt dat dit pensioen hoger of lager kan worden.

Waardeoverdracht klein pensioen

Kleine pensioenen (minder dan € 474,11 bruto per jaar, bedrag 2018) worden vaak vóór pensioeningangsdatum afgekocht, omdat pensioenuitvoerders onevenredig veel kosten moeten maken om deze aanspraken te blijven administreren. Door het voortijdig afkopen van kleine pensioenen is het voor met name mensen die in korte dienstverbanden werken moeilijk om een adequaat pensioen op te bouwen. Per 1 januari 2019 gaat automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen van start. Vanaf dit moment is afkoop van een klein pensioen voor pensioeningang niet meer mogelijk. Pensioenuitvoerders dragen zoveel mogelijk kleine pensioenen over aan de pensioenuitvoerder waar op dat moment pensioen wordt opgebouwd. Zo houden de kleine pensioenen de pensioenbestemming. Om de kosten bij pensioenuitvoerders te beperken, vervallen per 1 januari 2019 hele kleine pensioenen (€ 2 of minder bruto per jaar).

Wetsvoorstel pensioen bij scheiding

Medio 2019 wil de Minister een wetsvoorstel over pensioen bij scheiding indienen bij de Tweede Kamer. De hoofdlijnen van het wetsvoorstel zijn in maart 2018 aan de Tweede Kamer gestuurd. Ten eerste wordt het ouderdomspensioen straks automatisch verdeeld bij een scheiding, tenzij ex-partners andere afspraken hebben gemaakt. Ten tweede wordt de standaard verdeelmethode aangepast, conversie wordt de nieuwe standaard. Hierdoor krijgen beide ex-partners een eigen pensioenaanspraak en is er geen levenslange afhankelijkheid (op pensioenterrein) meer. En ten derde wordt de hoogte van het bijzonder partnerpensioen vastgesteld enkel over de huwelijkse periode. Het betreft een wetsvoorstel van de Minister van SZW en de Minister voor Rechtsbescherming.

Pensioenakkoord

In het regeerakkoord is een ambitieus pakket aan maatregelen opgenomen om het pensioenstelsel robuuster en persoonlijker te maken. De SER is om advies gevraagd. Na ontvangst van het SER-advies zal in samenwerking met sociale partners en de pensioensector de uitwerking ter hand worden genomen en wetgeving worden voorbereid.

AOV Caribisch Nederland

In reactie op het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 IV, nr. 45) heeft het kabinet besloten de AOV per 1-1-2019 met 5% te verhogen om de leefomstandigheden in Caribisch Nederland te verbeteren. Daarnaast ontvangen alleenstaande AOV-ers via de onderstand een toeslag op het inkomen tot Wml-niveau.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.8.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

24.175

23.724

26.057

25.992

27.072

27.901

26.682

Uitgaven

24.175

23.724

26.057

25.992

27.072

27.901

26.682

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

24.157

23.724

26.057

25.992

27.072

27.901

26.682

Overbruggingsregeling AOW

4.363

4.395

5.095

5.320

5.654

5.711

3.720

AOV incl. tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

19.794

19.329

20.962

20.672

21.418

22.190

22.962

               

Opdrachten

18

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Overbruggingsregeling AOW (OBR) en AOV.

Tabel 3.8.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Uitgaven

37.412.346

38.172.644

39.603.831

40.836.772

42.080.407

43.445.580

45.577.682

               

Inkomensoverdrachten

37.412.346

38.172.644

38.250.385

38.243.774

38.297.968

38.500.264

39.283.474

AOW

36.466.225

37.239.696

37.313.296

37.305.201

37.357.231

37.554.037

38.317.413

Inkomensondersteuning AOW

946.121

932.948

937.089

938.573

940.737

946.227

966.061

               

Nominaal

0

0

1.353.446

2.592.998

3.782.439

4.945.316

6.294.208

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1. Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden. Sinds 1 oktober 2016 kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd (de aanvraag moet wel worden gedaan vóór dat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Het inkomen waarbij er toegang ontstaat tot de OBR bedraagt voor alleenstaanden maximaal 200% van het wettelijk minimumloon en voor paren 300% van het wettelijk minimumloon. Dit is in de tweede helft van 2018 gelijk aan een bruto bedrag van € 3.188,40 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een alleenstaande en € 4.782,60 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een paar.

Voor de vermogenstoets wordt aangesloten bij de grens van het box 3-vermogen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Het heffingsvrije vermogen uit box 3 bedraagt in 2018 € 30.000 per persoon. Dit betekent voor een (volwassen) eenpersoonshuishouden dat er tot een vermogen van € 30.000 recht bestaat op een overbruggingsuitkering en voor een (volwassen) tweepersoonshuishouden tot een vermogen van € 60.000.

Hoe hoog is de OBR?

De maximale uitkeringshoogte van de overbruggingsregeling is afgeleid van het wettelijk minimumloon en komt netto overeen met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Inkomen uit arbeid wordt gedeeltelijk en inkomen uit uitkeringen wordt volledig in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. De hoogte is voorts afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de opbouwperiode overeenkomstig de systematiek van de AOW, en begrensd tot de hoogte van het inkomen uit vut- of prepensioen of het daarmee vergelijkbaar inkomen dat aan de OBR voorafging.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitkeringslasten OBR lopen de komende jaren op van circa € 5,1 miljoen in 2019 tot circa € 5,7 miljoen in 2021 en 2022. In 2023 nemen de uitgaven af, omdat er dan geen nieuwe instroom meer mogelijk is. De komende jaren neemt enerzijds de instroom in de OBR af, maar tegelijkertijd neemt de te overbruggen periode toe (dus langere duur OBR-uitkering). De verwachte uitgaven nemen jaarlijks iets toe, omdat het opwaartse effect van de langere overbruggingsperiode groter is dan het neerwaartse effect van een afnemende instroom.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting zal de instroom in de OBR verder afnemen, omdat de groep die in aanmerking kan komen voor de regeling steeds kleiner wordt.

Tabel 3.8.3 Kerncijfers OBR
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

1,5

1,1

0,8

Noot 1: SVB, jaarverslag.

A2. Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op St. Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

Tot 2021 wordt de AOV-gerechtigde leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 65 jaar. Het aantal 60-plussers neemt in deze jaren tegelijkertijd in geringe mate toe. Hierdoor fluctueren de uitgaven van de AOV van jaar tot jaar in enige mate. In 2019 nemen de geraamde uitgaven toe met circa € 1,6 miljoen.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.8.4 Kerncijfers AOV
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,2

4,2

4,3

Noot 1: SZW-unit RCN.

A3. Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2018 16 jaar) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2018 66 jaar) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als een persoon niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

In 2019 zal de AOW-gerechtigde leeftijd 66 jaar en vier maanden bedragen. Na 2019 zet de geleidelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd door. De AOW-gerechtigde leeftijd wordt in stappen verhoogd naar 67 jaar in 2021. Daarna wordt de AOW- gerechtigde leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De AOW-gerechtigde leeftijd voor 2022 en 2023 is vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%.

Tabel 3.8.5 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag en exclusief inkomensondersteuning AOW (in €)
 

1 juli 2018

Gehuwd / samenwonend

789,81

Alleenstaande

1.136,13

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De stijgende levensverwachting en de vergrijzing leiden de komende jaren tot een toename van het aantal AOW-gerechtigden en daarmee tot een stijging van de verwachte uitgaven aan de AOW. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd wordt deze ontwikkeling de komende jaren evenwel afgevlakt. Ook het afschaffen van de partnertoeslag voor nieuwe instroom heeft de komende jaren een matigend effect op de geraamde uitgaven. In het jaar 2019 bedraagt de geraamde uitgavenstijging circa € 74 miljoen. In 2023 nemen de verwachte uitgaven sterker toe, omdat in dit jaar de AOW-gerechtigde leeftijd niet wordt verhoogd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.8.6 Kerncijfers AOW
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.387

3.415

3.429

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

Gemiddeld kortingspercentage AOW-uitkering i.v.m. niet verzekerde jaren (%)

46

46

46

Noot 1: SVB, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van handhaving tonen een stabiel beeld vergeleken met voorgaande jaren.

Tabel 3.8.7 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Preventie1
     

Gepercipieerde detectiekans (%)

66

67

61

Kennis van de verplichtingen (%)

87

88

84

       
Opsporing2
     
Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

1,0

0,9

0,9

Totaal benadelingbedrag (x € 1 mln.)

4,0

3,2

3,3

       

Terugvordering

     

Incassoratio cohort 2013 (%)

72

74

75

Incassoratio cohort 2014 (%)

43

51

54

Incassoratio cohort 2015 (%)

22

44

50

Incassoratio cohort 2016 (%)

4

23

48

Incassoratio cohort 2017 (%)

31

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans 2017».

Noot 2: SVB, Jaarverslag.

Noot 3: Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling. In voorgaande verantwoordingsstukken werd alleen gerapporteerd over het aantal overtredingen van de inlichtingenplicht dat tot een boete of aangifte leidde.

Noot 4: Deze cijfers komen logischerwijs niet voor.

A4. Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Wie komt er voor in aanmerking?

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland.

Hoe hoog is de inkomensondersteuning AOW?

De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren en bedraagt maximaal € 24,93 bruto per maand (prijspeil 2018). De IOAOW wordt jaarlijks geïndexeerd.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de stijgende levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking neemt het aantal AOW’ers – en daarmee het aantal mensen dat recht heeft op de IOAOW – jaarlijks toe. Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd wordt deze stijging evenwel afgevlakt. In 2019 nemen de verwachte uitgaven aan de IOAOW toe met circa € 4 miljoen. In 2023 nemen de verwachte uitgaven sterker toe, omdat in dit jaar de AOW-gerechtigde leeftijd niet wordt verhoogd.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.8.8 Kerncijfers inkomensondersteuning AOW
 
Realisatie 20171

Raming 2018

Raming 2019

Volume inkomensondersteuning AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.387

3.415

3.429

Noot 1: SVB, jaarverslag.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.8.9 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

Pensioen niet-belaste premie

18.897

19.780

20.467

Pensioen belaste uitkering

– 12.759

– 13.024

– 12.643

Pensioen vrijstelling box 3

7.235

7.193

7.340

Lijfrente premieaftrek

546

572

593

Lijfrente belaste uitkering

– 381

– 389

– 378

Lijfrente vrijstelling box 3

216

215

219

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130%, alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen.

Het aantal pensioenfondsen is tot en met 2016 afgenomen en is in 2017 constant gebleven. De afname speelt vooral bij pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen – ook in termen van daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden – met een dekkingsgraad lager dan 130% is vergelijkbaar met dat van voorafgaande jaren.

Tabel 3.8.10 Kerncijfers aanvullende pensioenen1DNB, statistiek toezicht pensioenfondsen.
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Totaal aantal pensioenfondsen2

231

219

219

Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%

212

208

201

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.080

5.273

5.340

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.144

3.192

3.164

Noot 2: Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

Artikel