Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

5.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten

5.2.1 Inleiding

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt koopkrachtramingen om de effecten van voorgenomen beleid in beeld te brengen (met inbegrip van de algemene economische ontwikkeling, zoals lonen, prijzen, etc). Koopkracht geeft aan wat het besteedbaar inkomen is van huishoudens. Dat is het inkomen dat huishoudens nog kunnen uitgeven na het betalen van belastingen en premies en het ontvangen van toeslagen. De plaatjes zeggen iets over de verandering van de koopkracht ten opzichte van vorig jaar. Als de koopkracht gedurende een jaar niet verandert, betekent het dat een huishouden in staat is het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven.

De ramingen geven uitsluitend een beeld van de koopkracht wanneer er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ook wel statische koopkracht genoemd). Iemand kan echter werkloos worden of een extra periodiek krijgen, gaan samenwonen of scheiden of ineens voor een eenmalige uitgave staan: allemaal factoren die voor een huishouden vaak een stuk meer invloed hebben op het feitelijke niveau van de koopkracht (ook wel dynamische koopkracht genoemd) dan de reële loonontwikkeling of het beleid van het kabinet. Dergelijke veranderingen in de persoonlijke omstandigheden zijn voor individuele huishoudens niet goed vooraf in te schatten. Daarom zijn de gepresenteerde koopkrachtplaatjes niet geschikt om je eigen koopkracht te voorspellen, maar ze geven wel een goede inschatting van de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen huishoudens.

Koopkrachtplaatjes geven weliswaar zicht op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen van groepen, ze zeggen niets over het niveau van welvaart waarin huishoudens verkeren. Daarvoor kan beter gekeken worden naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen. Ook andere factoren zoals het financiële vermogen van huishoudens en het risico op armoede is hierbij relevant.

In dit hoofdstuk wordt de koopkrachtontwikkeling voor 2019 uitgebreid toegelicht. De externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden (conjunctuur) worden beschreven in paragraaf 5.2.2. Vervolgens wordt in paragraaf 5.2.3 ingegaan op de belangrijkste beleidswijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden. In paragraaf 5.2.4 worden de koopkrachtontwikkelingen voor 2019 weergegeven voor verschillende uitsplitsingen van huishoudens (naar inkomen, inkomensbron, huishoudtype en gezinssamenstelling). Het is onmogelijk om voor elk huishouden in Nederland het effect van beleid op de koopkracht te laten zien. Wel wordt de koopkrachtontwikkeling van oudsher ook weergegeven voor een aantal gestileerde voorbeeldhuishoudens. Deze zijn te vinden in paragraaf 5.2.5.

Verder wordt in paragraaf 5.2.6 ingegaan op de ontwikkeling van financiële prikkels bij werkaanvaarding. Ook wordt er stilgestaan bij de veranderingen in marginale en gemiddelde druk als gevolg van kabinetsmaatregelen. Een uitgebreidere lijst met maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken en een nadere toelichting, is te vinden in paragraaf 5.2.7. De hier gepresenteerde effecten en maatregelen hebben alleen betrekking op Europees Nederland. Paragraaf 5.2.8 bevat een overzicht van de maatregelen die de inkomens op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) raken.

5.2.2 Externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden

De belangrijke algemene ontwikkelingen die leiden tot het koopkrachtbeeld in 2019 zijn:

  • •  Een gemiddelde contractloonstijging van 3,0% in de markt;
  • •  De stijging van het minimumloon met 2,6%. Door de koppeling werkt dit ook door naar uitkeringen;
  • •  Stijging van de consumentenprijzen met 2,4%;
  • •  Een tabelcorrectiefactor van 1,2%;
  • •  Een dalende gemiddelde pensioenpremie voor werknemers blijft constant op 5,7%;
  • •  De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen nauwelijks geïndexeerd;
  • •  Een toename van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.308 naar € 1.4322.

5.2.3 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Het kabinet streeft naar een evenwichtig inkomensbeeld. Voorts heeft het kabinet in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken dat (meer) werken moet lonen. Om hier aan bij te dragen worden de lasten op arbeid vanaf 2019 fors verlaagd en wordt naar een tweeschijvenstelsel toegewerkt. Ook worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd. Werkenden met kinderen profiteren van de verhoging van de kinderopvangtoeslag en gezinnen worden daarnaast ondersteund met een verhoging van de kinderbijslag. Hier staat tegenover dat het lage btw-tarief in 2019 wordt verhoogd van 6% naar 9%.

Naast de externe factoren en los van reguliere indexaties zijn de belangrijkste beleidsmatige wijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden:

  • •  Een verhoging van de lage inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 5,65% naar 5,7%;
  • •  Beleidsmatige verhoging en verlaging van de normpercentages van de zorgtoeslag voor respectievelijk een alleenstaande en een paar. Hierdoor daalt de zorgtoeslag met € 3 voor een alleenstaande en stijgt de zorgtoeslag € 92 voor een paar. Dit komt bovenop de stijging van de zorgtoeslag als gevolg van de hogere zorgpremie. Per saldo stijgt de zorgtoeslag voor zowel alleenstaanden als paren;
  • •  Verhoging van het belastingtarief eerste schijf met 0,1%-punt tot 36,65%. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de eerste schijf voor hen uit op 18,75%;
  • •  Verlaging van het belastingtarief tweede en derde schijf met 2,75%-punt tot 38,10%. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de tweede schijf voor hen uit op 20,20%, het tarief in de derde schijf is voor hen ook 38,10%.
  • •  Verlaging van het belastingtarief vierde schijf met 0,2%-punt van 51,95% naar 51,75%;
  • •  Een beleidsmatige bevriezing van het eindpunt van de derde schijf op € 68.507 in 2019;
  • •  Een beleidsmatige verhoging van de algemene heffingskorting met € 184 tot € 2.477 in 2019;
  • •  Een beleidsmatige verhoging van de maximale arbeidskorting met € 111 tot € 3.399 in 2019. Tegelijkertijd is het afbouwtarief verhoogd van 3,6% naar 6,0%;
  • •  Een beleidsmatige verhoging van de ouderenkorting met € 160 tot € 1.596 en introductie van een gelijkmatig afbouwpad in plaats van een harde inkomensgrens;
  • •  Een beleidsmatige verhoging van het basiskinderbijslagbedrag met € 88,75 per jaar;
  • •  De kinderopvangtoeslag wordt verhoogd;
  • •  Afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon naar 1,75625 vanaf januari 2019 en 1,7375 vanaf juli 2019 en versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner naar 26,7% in 2019;
  • •  In 2019 gaat het lage btw-tarief van 6% naar 9%. Dit loopt mee in de inflatie.

Het koopkrachtbeeld voor 2019 is zeer positief. 96% van de huishoudens gaat erop vooruit en de mediane koopkracht over alle huishoudens komt uit op +1,5%. In het regeerakkoord heeft het kabinet de ambitie uitgesproken dat (meer) werken moet lonen. Om hier aan bij te dragen worden de lasten op arbeid vanaf 2019 fors verlaagd en wordt naar een tweeschijvenstelsel toegewerkt. Ook worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd. Werkenden met kinderen profiteren van de verhoging van de kinderopvangtoeslag en gezinnen worden daarnaast ondersteund met een verhoging van de kinderbijslag. Hier staat tegenover dat het lage btw-tarief in 2019 wordt verhoogd van 6% naar 9%.

In de augustusbesluitvorming heeft het kabinet aandacht gehad voor de koopkrachtontwikkeling van lage inkomens. Het kabinet heeft besloten om de algemene heffingskorting met € 44 extra te verhogen, bovenop de reeds in het regeerakkoord aangekondigde stijging van € 140. Per saldo wordt de algemene heffingskorting in 2019 dus beleidsmatig met € 184 verhoogd. Hiermee wordt de koopkrachtontwikkeling van lage inkomens extra ondersteund.

De verwachte mediane koopkracht voor uitkeringsgerechtigden is door de extra verhoging van de algemene heffingskorting met 0,4 procentpunt gestegen, voor gepensioneerden is dit 0,3 procentpunt en voor werkenden 0,2 procentpunt.

Een volledig overzicht van de beleidsmatige wijzigingen die inkomenseffecten met zich meebrengen en een uitgebreidere toelichting, is opgenomen in tabel 5.2.4 in paragraaf 5.2.7.

5.2.4 Algemeen koopkrachtbeeld (boxplottabel en puntenwolk)

De veranderingen in de koopkracht worden berekend met een microsimulatiemodel op basis van een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen (uit arbeid, onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie) meegenomen3.

Gewijzigde koopkrachtpresentatie

Gegeven dat de presentatie van koopkrachteffecten veel invloed kan hebben op politieke discussies, is het zinvol om ook regelmatig te kijken naar mogelijke verbeteringen van de manier waarop koopkrachteffecten worden berekend en vervolgens gepresenteerd. Er is daartoe een ambtelijke werkgroep opgezet met deelnemers vanuit het CPB en de ministeries van SZW, FIN en EZK. De recente overstap naar een actuele steekproef voor de koopkrachtramingen, in samenhang met de inzichten uit verschillende evaluaties (o.a. de Terugblik Inkomensbeleid en Koopkracht 2012–2017; de evaluatie van Keuzes in Kaart en de doorrekening het regeerakkoord door het CPB) vormden hiertoe de directe aanleiding.

De werkgroep heeft een viertal verbeterpunten gesignaleerd die vanaf de MEV en de SZW-begroting 2019 geïmplementeerd worden:

  • 1.  Hoewel de berekeningswijze overeenkomt (enkel de raming van de zorgpremie kan afwijken), sloten de koopkrachtpresentaties van SZW en CPB niet op elkaar aan; het CPB presenteert de medianentabel aangevuld met zes puntenwolken, in de begroting maakt SZW de spreiding inzichtelijk via een frequentietabel met één puntenwolk. Vanaf heden wordt de koopkrachtpresentatie op basis van de representatieve steekproef van huishoudens geharmoniseerd.
  • 2.  De indeling naar inkomensniveau wordt aangepast. De medianentabel (meest gebruikte indeling) bevatte een indeling naar inkomenshoogte opgesplitst in vier groepen (<= 175% WML, 175%–350% WML, 350%–500% WML en > 500% WML). Die groepen verschilden sterk in omvang. Vooral de eerste inkomensgroep was erg divers (deze bevatte in totaal 38% van alle huishoudens waaronder uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden en werkenden) en liep van minima tot ongeveer het modale inkomen. De koopkrachtontwikkeling binnen de groep kon daardoor sterk uiteenlopen, zodat de mediaan niet voor alle deelgroepen een goed beeld gaf. In de frequentietabel werd daartoe door SZW een aparte minimuminkomensgroep toegevoegd. Vanaf de MEV en de SZW-begroting 2019 worden huishoudens ingedeeld in vijf even grote groepen op basis van hun inkomen. Hierdoor wordt de spreiding binnen de groep teruggebracht. Bovendien kan de evenwichtigheid van de inkomensontwikkeling zuiverder in beeld worden gebracht. De andere gebruikelijke doorsnedes in de medianentabel (naar inkomensbron, huishoudtype en aanwezigheid van kinderen) blijven gehandhaafd. Oude indeling naar inkomensniveau: mediane koopkrachteffecten 2018–2021 gemiddeld per jaar (basispad + regeerakkoord)

    Inkomensniveau

    Mediaan

    Omvang

    <= 175% WML

    0,8

    38%

    175–350% WML

    1,3

    37%

    350–500% WML

    1,4

    14%

    > 500% WML

    1,4

    11%

    Nieuwe indeling naar inkomensniveau: mediane koopkrachteffecten 2018–2021 gemiddeld per jaar (basispad + regeerakkoord)

    Inkomensgroepen

    Mediaan

    Omvang

    1e (<= 115% WML)

    0,7

    20%

    2e (115–184% WML)

    1,0

    20%

    3e (184–268% WML)

    1,3

    20%

    4e (262–390% WML)

    1,4

    20%

    5e (>390% WML)

    1,4

    20%

  • 3.  De spreiding in koopkrachtontwikkeling die er binnen de verschillende groepen kan zijn, wordt weliswaar duidelijk uit de puntenwolken en de frequentietabel, maar blijft in de medianentabel zelf onderbelicht. Vanaf de MEV en de SZW-begroting 2019 wordt de relevante informatie uit de verschillende weergaves samengevoegd in een boxplottabel. Uit de boxplottabel is zowel de mediane koopkrachtontwikkeling (het middelste huishouden in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling) als de spreiding en het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling af te lezen. Daarmee wordt de belangrijkste informatie over de verdeling van de koopkrachtontwikkeling tussen en binnen groepen in één plaatje inzichtelijk. Naast de boxplottabel wordt één puntenwolk weergegeven, conform de gebruikelijke presentatie van SZW.
  • 4.  Op basis van de nieuwe steekproef heeft de koopkrachtwerkgroep gekeken of de huidige set voorbeeldhuishoudens nog voldoende recht doet aan de diversiteit aan huishoudsamenstellingen en inkomensverdelingen in Nederland. Er zijn twee groepen die voorheen niet gepresenteerd werden, maar vanwege de toegenomen omvang eigenlijk wel een plaats moeten hebben: hogere inkomensgroepen onder tweeverdieners en hogere inkomens bij gepensioneerden. De set voorbeeldhuishoudens is daarom uitgebreid met een tweeverdienershuishouden met een inkomen van 2,5 x modaal + modaal (met kinderen) en een paar met AOW + € 30.000 euro aanvullend pensioen.

Een uitgebreidere toelichting op de gewijzigde koopkrachtpresentatie is te vinden in het achtergronddocument van het CPB (CPB, 2018).

De complexe realiteit, en ook die van de regelgeving, zorgt ervoor dat effecten van conjunctuur en beleid nooit voor alle huishoudens hetzelfde uitvallen. Dat wordt duidelijk uit de boxplottabel (figuur 5.2.1) en de puntenwolk (figuur 5.2.2). De boxplottabel toont onder meer de mediane koopkrachtontwikkeling voor de verschillende huishoudgroepen. De mediaan laat het middelste huishouden zien in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens een lagere ontwikkeling heeft en de helft een hogere. De boxplottabel laat ook duidelijk de spreiding ontwikkeling zien binnen de verschillende groepen: het dikke blauwe balkje om elke mediaan heen omvat de helft van de huishoudens. De andere helft van de huishoudens heeft een ontwikkeling die hier buiten valt. Dit zijn de twee staarten van de boxplot. Het uiteinde van de staarten laten de laagste en de hoogste koopkrachtontwikkeling zien voor elke groep4. Ten slotte wordt het aandeel huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling weergegeven.
Figuur 5.2.1 Boxplot koopkrachtontwikkeling 2019

Bron: SZW-berekeningen

In de puntenwolk betreft iedere punt een huishouden uit de steekproef. De puntenwolk laten zien waar de concentratie van koopkrachteffecten zit en hoe groot de spreiding is.

Figuur 5.2.2 Statische koopkrachteffecten 2019 huishoudens naar bruto huishoudinkomen (incl. specifieke effecten)

Bron: SZW-berekeningen

Voor alle huishoudgroepen geldt dat de grote meerderheid van de huishoudens er in koopkracht op vooruit gaat. Over alle huishoudens bezien gaat zo’n 96% er per saldo op vooruit en circa 4% gaat erop achteruit. Het koopkrachtbeeld is in de breedte positief: binnen alle groepen gaat de overgrote meerderheid er in koopkracht op vooruit.

Binnen de groep werkenden gaat 96% er in koopkracht op vooruit. Werkenden hebben profijt bij de verlaging van de inkomstenbelasting en de verhogingen van de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Van de uitkeringsgerechtigden gaat 93% erop vooruit. Zij profiteren van de verhogingen van de algemene heffingskorting en – in het geval van respectievelijk een partner of de zorg voor een kind of kinderen – de hogere zorgtoeslag en kinderbijslag.

Van de gepensioneerden ervaart 97% een positieve inkomensontwikkeling. Zij profiteren ook van de verlaging van de inkomstenbelasting. Daarnaast hebben zij profijt van de verhoogde ouderenkorting en – in het geval van een partner – de verhoogde zorgtoeslag.

5.2.5 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens

We berekenen in Nederland al 50 jaar koopkrachtplaatjes. De eerste jaren werd één voorbeeldhuishouden doorgerekend: Jan Modaal. In de loop der tijd is deze set uitgebreid. De voorbeeldhuishoudens zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen die eenvoudig te interpreteren en makkelijker na te rekenen zijn. Weinig huishoudens voldoen precies aan de definitie, maar het gaat erom dat de voorbeeldhuishoudens representatief zijn voor veel soortgelijke huishoudens met een vergelijkbare koopkrachtontwikkeling.

Om die reden worden ook alleen generieke (inkomens)regelingen meegenomen waarop in principe alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken, zoals de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Specifieke inkomensbestanddelen, zoals de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag, fiscale aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek, en vermogen blijven in de voorbeeldhuishoudens buiten beeld.

Daarmee doen de voorbeeldhuishoudens niet volledig recht aan de complexe realiteit, zoals de steekproef van echt bestaande huishoudens dat wel doet. Anderzijds maakt juist de versimpeling dat de voorbeeldberekeningen makkelijk verifieerbaar zijn en daarom voor de meeste mensen goed toe te passen. Daarnaast geeft de boxplottabel geen zicht op specifieke groepen zoals mensen in de bijstand, AOW’ers zonder aanvullend pensioen of alleenstaande ouders. Die groepen maken weliswaar een klein aandeel uit van de totale bevolking, beleidsmatig zijn ze wel relevant. SZW presenteert daarom naast de koopkrachtontwikkeling op basis van een representatieve steekproef, ook de koopkrachtontwikkeling voor twintig voorbeeldhuishoudens. Deze wordt weergegeven in tabel 5.2.1. Voor huishoudens met kinderen wordt in de berekeningen uitgegaan van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.

Tabel 5.2.1 Standaard koopkrachteffecten in %
 

Raming 2018

Raming 2019

Actieven

   
     

Alleenverdiener met kinderen

   
Modaal1

0,1

2,2

2 x modaal

0,1

1,1

Tweeverdieners

   

Modaal + ½ x modaal met kinderen

0,6

1,2

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,5

1,0

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,4

0,9

Modaal + modaal zonder kinderen

0,3

2,1

2 x modaal + modaal zonder kinderen

0,4

1,6

Alleenstaande

   

Minimumloon

0,5

1,1

Modaal

0,3

2,1

2 x modaal

0,5

1,3

Alleenstaande ouder

   

Minimumloon

0,6

0,3

Modaal

0,3

1,6

     

Inactieven

   
     

Sociale minima

   

Paar met kinderen

– 0,3

1,7

Alleenstaande

– 0,4

0,9

Alleenstaande ouder

– 0,1

0,9

     

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

– 0,4

1,0

AOW + € 10.000

– 0,5

1,2

     

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

– 0,9

1,1

AOW + € 10.000

– 0,8

1,0

AOW + € 30.000

– 1,6

2,7

Noot 1: Het modaal inkomen bedraagt in 2019 bruto € 36.000.

5.2.6 Financiële prikkels voor werkaanvaarding

Naast een evenwichtig inkomensbeeld streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat werken en/of meer werken loont en niet leidt tot een armoedeval (verlies aan inkomen). Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar verschillende drempels die mensen kunnen ervaren bij het aanvaarden van (meer) werk.

De werkloosheidsval laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Een hoger percentage betekent dat werken meer lonend is geworden. Uit tabel 5.2.2 blijkt dat alleenstaanden en alleenstaande ouders er in 2019 meer op vooruit gaan bij het aanvaarden van werk tegen het minimumloon. Ondanks de verdere afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting blijft de prikkel om te gaan werken voor alleenverdieners vrijwel gelijk.

De doorgroeival brengt in beeld welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Dit wordt de marginale druk genoemd. Hoe lager de marginale druk, hoe groter de prikkel om meer te gaan werken of verdienen. Op het inkomenstraject tussen 100% en 150% van het minimumloon (van circa € 21.000 naar € 32.000) worden veel heffingskortingen en toeslagen afgebouwd, wat in sommige voorbeelden leidt tot een hoge marginale druk. In 2019 wordt de marginale druk verlaagd als gevolg van de verlaging van de inkomstenbelasting en aanpassingen in de arbeidskorting, de huurtoeslag en het kindgebonden budget.

De herintredersval toont de marginale druk wanneer de niet-werkende partner uit een kostwinnersgezin (weer) drie dagen aan het werk gaat. Tabel 5.2.2 laat zien dat de marginale druk voor alle groepen herintreders daalt.

De deeltijdval brengt in beeld hoeveel een huishouden inlevert als een in deeltijd werkende partner een dag meer gaat werken. Ook de deeltijdval wordt gemeten in termen van marginale druk. Tabel 5.2.2 laat zien dat de deeltijdval fors daalt ten opzichte van 2018. Dit komt voornamelijk door de verlaging van de inkomstenbelasting die het gevolg is van de ingroei van het tweeschijvenstelsel.

Tabel 5.2.2 Arbeidsmarktprikkels
 

2018

2019

Verschil1

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand tegen minimumloon, in %)

     
Alleenverdiener met kinderen2

4

3

0

Alleenstaande

27

27

1

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

10

12

1

       
Doorgroeival (marginale druk bij hogere beloning werk (van 100% WML naar 150% WML), in %)3
     

Alleenverdiener met kinderen

90

88

– 2

Alleenstaande

70

67

– 3

Alleenstaande ouder (werkt 4 dagen)

50

46

– 4

       

Herintredersval (marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner, %)

     

Hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6 x minimumloon)

63

62

– 1

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)

28

27

– 2

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)

31

25

– 6

       

Deeltijdval minstverdienende partner (marginale druk bij dag extra werk, %)

     

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8 x minimumloon)

51

41

– 10

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)

36

29

– 8

Hoofd 2 x modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)

51

41

– 10

Noot 1: Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste twee kolommen.

Noot 2: Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar en, indien beide partners werken, gebruik van buitenschoolse opvang.

Noot 3: Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld. Ook wordt uitgegaan van het (vervallen van) het recht op huurtoeslag.

Naast het monitoren van de verschillende armoedevallen in specifieke voorbeeldsituaties is het ook relevant om te kijken naar de gemiddelde marginale druk en de gemiddelde belastingdruk, die werknemers over het algemeen betalen. De gemiddelde belastingdruk heeft invloed op de participatiebeslissing en de marginale druk heeft invloed op de urenbeslissing. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. In tabel 5.2.3 is de ontwikkeling van de gemiddelde marginale druk voor werknemers weergegeven voor een bruto loonstijging van 3,0%. Dit verschilt van de situatie in tabel 5.2.2 waar het gaat om meer uren werken (behalve bij de doorgroeival). De marginale druk geeft hier aan hoeveel procent van de bruto loonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle fiscale en inkomensafhankelijke regelingen waar een huishouden mee te maken heeft.

Tabel 5.2.3 Gemiddelde marginale druk naar inkomenscategorie voor werknemers (%)

Bruto inkomen

2016

2017

2018

2019

Omvang (2018, in %)

< WML

23,2

23,1

23,3

21,9

24

1x-1,5x WML

49,6

50,5

50,9

49,7

21

1,5x-2x WML

51,5

52,5

52,6

51,8

20

2x-3x WML

52,8

52,9

53,0

53,0

22

>3x WML

54,9

55,0

55,0

55,6

12

Totaal

45,2

45,5

45,6

45,3

100

In 2019 ligt de gemiddelde marginale druk lager dan in 2018. Dit wordt veroorzaakt door de verlaging van de inkomstenbelasting die het gevolg is van de ingroei van het tweeschijvenstelsel. Bij een inkomen van meer dan driemaal het minimumloon neemt de marginale druk toe door de steilere afbouw van de arbeidskorting.

Figuur 5.2.3 geeft de gemiddelde marginale druk voor werkenden weer, evenals de extremen (5- en 95-procentpercentielen). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ester (Eerste Kamer, 2017–2018, 34 775, nr. O). In Nederland maakt de inkomstenbelasting het grootste deel van de marginale druk uit. Echter ook de uitgebreide inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw, zoals de zorgtoeslag, verhoogt de marginale druk. Een hoger inkomen betekent dan immers extra afbouw van deze toeslag. Zeker voor groepen met een huishoudinkomen tussen WML en modaal speelt dit een belangrijke rol. Dit geldt met name voor de huurtoeslag die een steil afbouwtraject kent. Per 2020 kent de huurtoeslag een geleidelijker afbouwtraject, zoals reeds is aangekondigd (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 940, nr. 3), waardoor de piek in de marginale druk bij circa € 22.000 (in geval van een alleenstaande) verdwijnt. Ook de verdere opbouw van de arbeidskorting en het opschuiven van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren, zorgen ervoor dat de extremen in de marginale druk deze kabinetsperiode worden beperkt.

Figuur 5.2.3 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2019

Bron: SZW-berekeningen

In Figuur 5.2.4 wordt, naar aanleiding van de motie van de leden Bruins en Omtzigt (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 785, nr. 59), de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2019 weergegeven (inclusief toeslagen en netto kosten van zorg en kinderopvang). De figuur laat zien dat de gemiddelde druk toeneemt met het inkomen, als gevolg van het progressieve belastingstelsel. Uit het individuele karakter van het belastingstelsel volgt dat een alleenstaande die hetzelfde verdient als een paar waarbij twee mensen werken voor het huishoudinkomen, meer belasting betaalt. Voor eenverdienershuishoudens geldt dat de gemiddelde druk tot aan een modaal inkomen in grote lijnen vergelijkbaar is met tweeverdienershuishoudens (in individuele gevallen kunnen de verschillen uiteraard groter zijn). Eenverdienershuishoudens ontvangen meer toeslagen terwijl tweeverdienershuishoudens meer heffingskortingen kunnen toepassen. Vanaf een modaal inkomen is het aandeel van toeslagen in het inkomen van eenverdieners beperkt, terwijl het voordeel van de heffingskortingen voor tweeverdieners minder snel afbouwt. Omdat één van beide partners vaak een klein inkomen verdient, valt de gemiddelde belastingdruk voor tweeverdieners ook lager uit door de tariefprogressie. Ook in het geval dat beiden evenveel verdienen doet de tariefprogressie de gemiddelde belastingdruk dalen. Met de overgang naar een tweeschijvenstelsel in deze kabinetsperiode, wordt dit verschil beperkt.

Figuur 5.2.4 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 2019

Bron: SZW-berekeningen

5.2.7 Maatregelen inkomensbeeld

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 5.2.4 staan de maatregelen die voor 2019 van belang zijn. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre deze maatregelen al dan niet in de puntenwolk en in de boxplottabel in paragraaf 5.2.4 zijn opgenomen. In alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn, worden deze betreffende effecten ook vermeld.

Tabel 5.2.4 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2019

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

In puntenwolk zichtbaar

1. Fiscaal generiek

     
 

Wijzigingen arbeidskorting

+/–

Ja

 

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Ja

 

Verhoging algemene heffingskorting

+

Ja

 

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan minstverdienende partner

Ja

 

Effect invoering tweeschijvenstelsel op tarieven eerste, tweede en derde belastingschijf

+/–

Ja

 

Wijzigingen tarief vierde belastingschijf

+

Ja

 

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Ja

 

Vaste voet in IACK naar € 0 en verhogen opbouwpercentage

+/–

Ja

 

Beperken 30%-regeling naar 5 jaar

Nee

 

Verruimen onbelaste vrijwilligersvergoeding

+

Nee

 

Verhoging ouderenkorting en introductie gelijkmatig afbouwpad in plaats van harde inkomensgrens

+/–

Ja

 

Inflatieverhogende maatregelen

Ja (via inflatie)

2. Kinderen

     
 

Intensiveringen kinderopvangtoeslag

+

Ja

 

Veranderingen kinderopvang

+/–

Ja

 

Verhoging kinderbijslag

+

Ja

3. Zorg

     
 

Aanpassingen zorgtoeslag

+

Ja

 

Introductie abonnementstarief voor de eigen bijdrage in de Wmo 2015 voor maatwerkvoorzieningen

+/–

Ja

 

Halvering vermogensinkomensbijtelling voor de eigen bijdragen in de Wlz en de Wmo 2015

+

Ja

 

Verkorten van de overgangstermijn van lage naar hoge eigen bijdrage rondom opname in een instelling of accommodatie voor beschermd wonen

Ja

 

Verlaging van de bestuursrechtelijke premie bij de wanbetalersregeling

+

Nee

4. Wonen

     
 

Beperking hypotheekrenteaftrek

Ja

 

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

– /0

Ja

 

Indexatie liberalisatiegrens

+

Ja

 

Afschaffing KAN-bepaling

Ja

 

Initiatiefwetsvoorstel partneralimentatie

+/–

Ja

5. Sociale zekerheid

     
 

Herziening wettelijk minimum(jeugd)loon

+

Ja

 

Pleegzorg- en adoptieverlof

+

Nee

 

Compensatieregeling zwanger en zelfstandig (ZEZ)

+

Nee

 

Overgangsrecht kostendelersnorm Anw/IOAW/IOAZ/TW

Ja

 

Versnelde verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

Nee

 

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in sociale zekerheid

Ja

De maatregelen uit de bovenstaande tabel worden hieronder verder toegelicht:

1. Fiscaal generiek

Wijzigingen arbeidskorting

Werkenden met een inkomen uit arbeid hebben recht op de arbeidskorting. In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om de arbeidskorting in 2019 te verhogen met € 111 tot € 3.399. Ook wordt het afbouwpercentage in de arbeidskorting verhoogd van 3,6% tot 6,0%. Deze beleidsmatige aanpassingen zorgen voor een maximaal positief inkomenseffect van 0,6% bij een inkomen op het minimumloon. Naarmate het inkomen hoger is, is het inkomenseffect kleiner. Het hogere afbouwpercentage leidt tot negatieve inkomenseffecten vanaf een inkomen van circa € 41.000. Het maximale negatieve inkomenseffect van – 2,3% wordt bereikt bij een inkomen van circa € 95.000. Boven een inkomen van circa € 135.000 is er geen inkomenseffect.

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Met ingang van 2011 wordt de bovengrens van de tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd. Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945. Personen geboren in 1945 of eerder zijn van deze maatregel uitgezonderd.

Verhoging algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. In het regeerakkoord heeft het kabinet de afspraak opgenomen om de algemene heffingskorting in 2019 met € 140 te verhogen. Daarnaast is in de augustusbesluitvorming met het oog op een evenwichtige koopkrachtontwikkeling besloten de algemene heffingskorting in 2019 met € 44 extra te verhogen. Per saldo wordt de algemene heffingskorting dus met € 184 verhoogd tot € 2.477. Deze beleidsmatige aanpassingen zorgen voor een maximaal positief inkomenseffect bij een alleenstaande op het sociale minimum van 1,9%. Naarmate het inkomen hoger is, is het inkomenseffect kleiner. Boven een inkomen van € 68.507 is er geen inkomenseffect.

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan minstverdienende partner

De minstverdienende partner die niet genoeg belastbaar inkomen heeft om de algemene heffingskorting te verzilveren, krijgt deze toch uitbetaald als de partner genoeg belasting betaalt. Om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt sinds 2009 stapsgewijs over een periode van vijftien jaar de uitbetaling van de algemene heffingskorting afgebouwd. Het gevolg hiervan is dat de minstverdienende partner een grotere prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 is uitgezonderd van de maatregel. Er zijn ongeveer 290.000 huishoudens die te maken hebben met de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. De uitbetaling aan de minstverdienende partner bedraagt nog 26,7% in 2019. Alleenverdienershuishoudens ondervinden een gemiddeld negatief inkomenseffect van – 0,4%.

Effect invoering tweeschijvenstelsel op tarieven eerste, tweede en derde belastingschijf

Vanaf 2019 wordt box 1 van de inkomstenbelasting omgevormd tot een tweeschijvenstelsel (voor mensen boven de AOW-leeftijd ontstaan drie schijven; omdat zij geen AOW-premie betalen zijn tarief tweede en derde schijf niet aan elkaar gelijk). Hiertoe wordt het tarief in de eerste schijf verhoogd met 0,1%-punt tot 36,65%. Het tarief in de tweede en derde schijf gaat met 2,75%-punt omlaag tot 38,10%. AOW-gerechtigden hebben een belastingtarief van 20,20% in de tweede schijf en 38,10% in de derde schijf. Bijna alle huishoudens profiteren van deze tariefsverlagingen, gemiddeld 1,0%. Bij huishoudens met een inkomen tot circa € 40.000 is het effect ongeveer 0,7%. Huishoudens met een inkomen tussen € 40.000 en € 75.000 hebben een inkomenseffect van gemiddeld 1,3% en bij huishoudens met een hoger inkomen is dit in doorsnee 1,9%.

Wijzigingen tarief vierde belastingschijf

Het tarief in de vierde schijf van box 1 daalt met 0,2%-punt tot 51,75%. De daling is het saldo van een verlaging met 0,15%-punt als gevolg van de ingroei van het tweeschijvenstelsel en een verlaging met 0,05%-punt ter compensatie van de verlaging van de hypotheekrenteaftrek, zoals vermeld onder het kopje «wonen». Voor circa 900.000 huishoudens betekent dit een positief inkomenseffect van gemiddeld 0,1%.

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Het eindpunt van de huidige derde schijf (de eerste schijf in de nieuwe tariefstructuur) wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op het niveau van 2018. Dat betekent dat deze schijf eindigt op € 68.507. Deze maatregel heeft negatieve inkomenseffecten voor de hoogste inkomens doordat ze over een groter deel van hun inkomen het hoogste belastingtarief betalen. Ongeveer 900.000 huishoudens ondervinden van deze maatregel een gemiddeld negatief inkomenseffect van – 0,3%.

Deze maatregel heeft ook invloed op de algemene heffingskorting, waarvan de afbouw eindigt op het eindpunt van de derde schijf. Het inkorten van de derde schijf zorgt voor een sterker afbouwpad en daarmee voor een lagere algemene heffingskorting voor burgers met een inkomen tussen circa € 40.000 en € 68.507 euro. Dat zorgt voor een gemiddeld inkomenseffect voor deze huishoudens van – 0,1%.

Vaste voet in IACK naar € 0 en verhogen opbouwpercentage

De opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) begint later en de vaste voet verdwijnt. Het opbouwpercentage wordt verhoogd naar 11,45% waardoor de maximale IACK gelijk blijft en al bij een lager inkomen wordt bereikt. Het verdwijnen van de vaste voet heeft bij alleenstaanden een maximaal negatief inkomenseffect van – 0,8% tot gevolg bij een inkomen op het minimumloon. Als gevolg van de steilere opbouw in de IACK neemt dit inkomenseffect af met het inkomen tot het vanaf circa € 26.000 positief wordt. Het maximale positieve inkomenseffect bij alleenstaanden (0,8%) wordt bereikt bij een inkomen van circa € 31.000. Hierna neemt het inkomenseffect af met het inkomen tot het stabiliseert op 0,1% vanaf een inkomen van circa € 35.000. Bij tweeverdieners met kinderen is het maximale negatieve inkomenseffect – 2,7% bij 1 + ½ keer modaal.

Beperken 30%-regeling naar 5 jaar

De 30%-regeling biedt werkgevers de mogelijkheid om onder voorwaarden een forfaitair bedrag van maximaal 30% van het loon onbelast te vergoeden aan bepaalde werknemers die tijdelijk buiten het land van herkomst werken. De looptijd van de 30%-regeling is per 2019 verkort van acht naar vijf jaar. Naar inschatting van de Belastingdienst worden maximaal circa 11.000 werknemers meteen per 1 januari 2019 door de verkorting geraakt.

Verruimen onbelaste vrijwilligersvergoeding

In 2019 wordt de onbelaste vrijwilligersvergoeding, die onder voorwaarden aan vrijwilligers kan worden verstrekt, met € 200 verhoogd tot € 1.700 per kalenderjaar. Dit heeft een positief inkomenseffect voor vrijwilligers die door de verruiming wel gebruik kunnen maken van de onbelaste vrijwilligersvergoeding.

Verhoging ouderenkorting en introductie gelijkmatig afbouwpad in plaats van harde inkomensgrens

De ouderenkorting wordt verhoogd met € 160 en tegelijkertijd wordt er een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw geïntroduceerd in plaats van de huidige harde afbouwgrens. De afbouw bedraagt 15%. Door de verhoging van de ouderenkorting gaan personen met een klein aanvullend pensioen er 1,0% op vooruit. Zij ontvingen in 2018 al het hoge ouderenkortingtarief. Dit inkomenseffect neemt af naarmate het inkomen uit aanvullend pensioen stijgt tot een aanvullend pensioen van circa € 22.000. Hier is het inkomenseffect 5,2%, omdat de ontvanger in 2018 onder het lage ouderenkortingtarief viel en in 2019 het recht op ouderenkorting ziet stijgen door het geleidelijke afbouwpad. Het inkomenseffect neemt af naarmate het inkomen uit aanvullend pensioen stijgt totdat de ouderenkorting geheel in afgebouwd bij een inkomen van circa € 47.000. Vanaf dit punt is het inkomenseffect – 0,2% door het vervallen van het lage ouderenkortingtarief.

Inflatieverhogende maatregelen

Vanaf 1 januari 2019 geldt er een aantal nieuwe fiscale maatregelen die effect hebben op de prijzen die de consument betaalt. Het gaat dan om de verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% en in mindere mate om de aanpassing van de btw-sportvrijstelling, een schuif en verlaging van de belastingvermindering in de energiebelasting en een hogere belasting op het verbranden en storten van afval. Deze maatregelen hebben een negatief effect op de koopkracht en worden meegenomen in de inflatie. De verhoging van het lage btw-tarief zorgt voor een 0,6% hogere inflatie.

2. Kinderen

Intensiveringen kinderopvangtoeslag

Het kabinet investeert vanaf 2019 € 248 miljoen structureel in de betaalbaarheid van de kinderopvang (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 365). De kinderopvangtoeslag voor zowel eerste als tweede en verdere kinderen wordt verhoogd, waardoor bijna alle ouders een hogere toeslag krijgen van de Belastingdienst. In de eerste kindtabel wordt het maximum vergoedingspercentage voor de laagste inkomens verhoogd van 94% naar 96%, gezinnen met een modaal inkomen krijgen 88,3% vergoed. Alleen voor de allerhoogste inkomens wordt de vergoeding niet verhoogd: de minimale vergoeding (vaste voet) blijft 33,3%. Wel wordt de inkomensgrens waarbij ouders voor het eerste kind de minimale vergoeding (33,3%) krijgen in 2019 verhoogd naar € 123.920. Het inkomenseffect voor ouders met kinderopvangtoeslag is in doorsnee 0,4%.

Veranderingen kinderopvang

Op 1 januari 2018 is de Wet Innovatie en Kwaliteit kinderopvang ingevoerd. Een deel van de kwaliteitsverbeterende maatregelen uit deze wet wordt per 2019 ingevoerd. Dit leidt tot hogere uurprijzen in de dagopvang en lagere uurprijzen in de bso; daarom wordt tegelijkertijd de vergoede maximum uurprijs voor dagopvang verhoogd en voor bso verlaagd. Dit geeft een beperkt koopkrachteffect voor alle huishoudens die gebruik maken van dagopvang en bso omdat zij altijd een deel van de kosten van de opvang zelf moeten dragen. Bij dagopvang is dit koopkrachteffect negatief en bij bso positief.

Verhoging kinderbijslag

In het regeerakkoord is overeengekomen om gezinnen extra te ondersteunen, om zodoende de inkomenspositie van gezinnen structureel te verbeteren. Per 1 januari 2019 wordt daartoe de basiskinderbijslag met € 88,75 per jaar verhoogd. Deze beleidsmatige verhoging heeft een positief effect op de koopkracht van ontvangers van kinderbijslag. Het maximale inkomenseffect (0,8%) doet zich voor bij een alleenstaande ouder op het sociaal minimum. Daarnaast wordt ook de extra tegemoetkoming AKW verhoogd met € 88,75 per jaar. Dit extra bedrag aan kinderbijslag wordt toegekend aan ouders met een thuiswonend gehandicapt kind die tevens alleenstaande of alleenverdienende ouder zijn.

3. Zorg

Aanpassingen zorgtoeslag

Via de zorgtoeslag wordt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming verstrekt die het voor huishoudens met lage- en middeninkomens mogelijk moet maken de nominale zorgpremie en het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering te betalen. Sinds 2010 wordt het normpercentage in de zorgtoeslag doorlopend verhoogd. Het normpercentage voor eenpersoonshuishoudens stijgt daardoor van 1,99% in 2018 maar 2,005% in 2019. Hierdoor wordt de zorgtoeslag met € 3 minder geïndexeerd, per saldo stijgt de zorgtoeslag voor alleenstaanden wel. In 2019 wordt de zorgtoeslag voor paren ten opzichte van 2018 verhoogd. Deze verhoging wordt bereikt door de normpercentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen in 2019 per saldo neerwaarts aan te passen. Het normpercentage voor meerpersoonshuishoudens daalt van 4,75% in 2018 naar 4,315% in 2019. Deze maatregel staat los van de stijging van de zorgtoeslag als gevolg van de hogere nominale zorgpremie. De maximale zorgtoeslag voor paren stijgt door het lagere normpercentage beleidsmatig met € 92. Het positieve inkomenseffect voor paren met een minimuminkomen bedraagt door deze maatregel ongeveer 0,5%. Het inkomenseffect is kleiner naar mate het inkomen hoger is. Vanaf een inkomen van circa € 30.000 en een inkomen van circa € 39.000 komen respectievelijk alleenstaanden en paren niet meer in aanmerking voor zorgtoeslag.

Introductie abonnementstarief voor de eigen bijdrage in de Wmo 2015 voor maatwerkvoorzieningen

Het kabinet neemt een pakket aan maatregelen om de stapeling van eigen betalingen in de (langdurige) zorg en ondersteuning te verminderen. Dit gebeurt door in elk domein de eigen betalingen te beperken en daardoor ook de last van de totale stapeling te verminderen. Eén van de maatregelen betreft de invoering van het abonnementstarief in de Wmo 2015. Voor de invoering van het abonnementstarief is een wetswijziging vereist, daarom kan de maatregel pas in 2020 volledig ingevoerd worden. In 2019 wordt gewerkt met een tussenvorm als eerste stap naar invoering van het toekomstige abonnementstarief. Per 2019 geldt dat cliënten die gebruik maken van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten (niet zijnde beschermd wonen en opvang) in de Wmo 2015 een vaste maximale bijdrage van € 17,50 per bijdrageperiode gaan betalen. Er is sprake van een negatief inkomenseffect (– 2% tot – 1%) bij gehuwden tot een modaal inkomen. Bij huishoudens met een inkomen vanaf modaal is het inkomenseffect positief en loopt het op tot 11% en 14% bij een inkomen van tweemaal modaal voor respectievelijk gehuwden en alleenstaanden.

Halvering vermogensinkomensbijtelling voor de eigen bijdragen in de Wlz en de Wmo 2015

De vermogensinkomensbijtelling is ingevoerd per 1 januari 2013 om de draagkracht vanuit het vermogen zwaarder mee te laten wegen bij de berekening van de eigen bijdrage voor de zorg. In de praktijk is gebleken dat het effect van de VIB in individuele gevallen fors kan zijn, de hoogte van de eigen bijdrage loopt fors op en ook de stapeling met andere zorgkosten is groot. Om deze negatieve effecten te verminderen is ervoor gekozen om de VIB te halveren. Het vermogen is hierdoor minder van invloed op de hoogte van de eigen bijdrage. Er is sprake van een positief inkomenseffect van 4% voor een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd die de hoge eigen bijdrage betaalt. Dit effect neemt af met het inkomen, bij een hogere grondslag sparen en beleggen of indien sprake is van de lage eigen bijdrage of een partner. Vanaf een inkomen vanaf circa tweemaal modaal is geen sprake van een inkomenseffect, omdat hierbij op basis van alleen het inkomen al de maximale eigen bijdrage wordt opgelegd.

Verkorten van de overgangstermijn van lage naar hoge eigen bijdrage rondom opname in een instelling of accommodatie voor beschermd wonen

Bij opname in een instelling of accommodatie voor beschermd wonen betaalt de cliënt een eigen bijdrage. In beginsel is dit de «hoge eigen bijdrage». In sommige specifieke gevallen betaalt de cliënt echter de «lage eigen bijdrage». Bij opname in een instelling of accommodatie betaalt men in de huidige situatie eerst zes maanden altijd de lage eigen bijdrage, voordat de hoge eigen bijdrage in gaat. Met deze maatregel wordt deze overgangsperiode verkort van zes naar vier maanden voor drie situaties rondom opname in een instelling of accommodatie voor beschermd wonen.

De drie situaties zijn de volgende:

  • –  De eerste vier maanden van opname betaalt de cliënt de lage eigen bijdrage, daarna gaat de hoge eigen bijdrage gelden.
  • –  Bij zicht op uitstroom uit de instelling betaalt de cliënt de laatste vier maanden de lage eigen bijdrage i.p.v. de hoge eigen bijdrage.
  • –  Bij heropname binnen vier maanden na uitstroom uit de instelling betaalt de cliënt direct de hoge eigen bijdrage. Bij heropname na vier maanden betaalt de cliënt wederom eerst de lage eigen bijdrage.

De maatregel heeft een negatief inkomenseffect van circa – 8% voor een alleenstaande met een minimumloon. Het inkomenseffect neemt af met het inkomen of indien er sprake is van een partner.

Verlaging van de bestuursrechtelijke premie bij de wanbetalersregeling

Wanbetalers die door de zorgverzekeraar worden afgemeld voor het bestuursrechtelijke premieregime ontvangen van het CAK de eindafrekening met eventuele openstaande bestuursrechtelijke premie. Een deel (de opslag) van de eindafrekening wordt standaard kwijtgescholden. Voor bepaalde groepen wanbetalers werd al de gehele eindafrekening kwijtgescholden. Per 1 augustus 2018 worden standaard alle eindafrekeningen kwijtgescholden.

Per 1 januari 2019 wordt het opslagpercentage in de bestuursrechtelijke premie verlaagd van 25% naar 20%. Hiermee wordt de premiestijging als gevolg van het bevriezen van het eigen risico (die harder doorwerkt in de bestuursrechtelijke premie) gecompenseerd.

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek wordt aangepast voor bestaande en nieuwe hypotheken. In 2014 is begonnen het maximale aftrektarief in de vierde schijf stapsgewijs te verlagen naar 38% in 2041. Dit gebeurt in stappen van ½%-punt per jaar. Voor alle hypotheken wordt in 2019 de aftrek inkomstenbelasting daardoor mogelijk tegen maximaal 49%. Vanaf 1 januari 2020 is er sprake van een versneld afbouwpad van 3,0%-punt per jaar om vanaf 2023 op het structurele pad van 36,95% te eindigen. Voor 90% van de betreffende huishoudens ligt het inkomenseffect van deze maatregel in 2019 tussen – 0,1% en 0,0%.

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Met ingang van 2019 wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (regeling Hillen) in gelijke stappen in dertig jaren uitgefaseerd. Dit betekent dat per 2019 nog 96 2/3% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen. Het inkomenseffect van deze maatregel is beperkt en lager dan – 0,1%.

Indexatie liberalisatiegrens

In 2018 loopt de bevriezing van de liberalisatiegrens op € 710,68 per maand af. Per 2019 wordt deze weer geïndexeerd. Dit betekent dat een beperkt aantal huurders met een huur tussen de bevroren grens en de nieuwe, geïndexeerde grens recht op meer huurtoeslag krijgt dan wel recht op huurtoeslag krijgt.

Afschaffing KAN-bepaling

Met het schrappen van de KAN-bepaling wordt de eigen bijdrage in de huurtoeslag jaarlijks geïndexeerd met de huurontwikkeling, in plaats van met de laagste van het percentage van de huurprijsontwikkeling of het percentage van de netto-bijstandsontwikkeling. Het schrappen van de KAN-bepaling heeft gevolgen voor huidige huurtoeslagontvangers. Door het schrappen van de KAN-bepaling stijgt de eigen bijdrage in de toekomst harder dan zonder deze wijziging. De wijziging leidt niet tot een daling van het bedrag aan huurtoeslag dat huishoudens ontvangen, maar wel kan de huurtoeslag in de toekomst iets minder hard stijgen dan zonder deze wijziging. De uiteindelijke effecten van het schrappen van de KAN-bepaling hangen af van het toekomstige verschil tussen de netto-bijstandsontwikkeling en huurontwikkeling. Het schrappen van de KAN-bepaling heeft gevolgen voor huidige huurtoeslagontvangers. Het jaarlijkse koopkrachteffect varieert tussen 0,0% en – 0,1%.

Initiatiefwetsvoorstel partneralimentatie

Partneralimentatie telt mee in het verzamelinkomen, het toetsingsinkomen op basis waarvan het recht op toeslagen wordt bepaald. Wijzigingen in partneralimentatie kunnen dus leiden tot wijzigingen in het recht op toeslagen. Omdat de strekking van het wetsvoorstel is dat de termijn van partneralimentatie korter wordt, valt te verwachten dat het toetsingsinkomen van de alimentatiegerechtigde na het aflopen van voornoemde termijn lager wordt waardoor men eerder en voor een hoger bedrag recht heeft op toeslagen. Voor alimentatieplichtigen geldt een tegengesteld effect. De omvang van het inkomenseffect is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

5. Sociale Zekerheid

Herziening wettelijk minimum(jeugd)loon

Om beter aan te sluiten bij veranderende sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen en bij wat internationaal gangbaar is, is in 2017 besloten tot een stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumjeugdloon. Als laatste stap (per 1 juli 2019) krijgen werknemers vanaf 21 jaar (in plaats vanaf 22 jaar), recht op het volledige minimumloon. Bij fulltimewerk op het minimumloon heeft dit voor een 21-jarige een positief inkomenseffect van 17,4%. Ook vindt verhoging plaats van het minimumjeugdloon van 18- t/m 20-jarigen.

Pleegzorg- en adoptieverlof

Per 1 januari 2019 wijzigt de Wet arbeid en zorg op twee onderdelen. Het pleegzorg- en adoptieverlof wordt met 2 weken verlengd tot 6 weken. Gedurende het verlof, dat voor beide ouders geldt, wordt een uitkering verstrekt ter hoogte van het (maximum)dagloon. Gelijktijdig wordt het kraamverlof (nu 2 dagen met behoud van loon) uitgebreid tot eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met behoud van loon. Dit wordt gerealiseerd met de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG). Er is sprake van een positief inkomenseffect indien ook zonder de wetswijzigingen verlof opgenomen zou zijn. De omvang van het positieve inkomenseffect is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

Compensatieregeling zwanger en zelfstandig (ZEZ)

Vrouwelijke zelfstandigen die tussen mei 2005 en juni 2008 zijn bevallen en destijds geen uitkering hebben ontvangen, kunnen compensatie van € 5.600 bruto aanvragen bij het UWV. Deze compensatie wordt in 2019 uitbetaald. De omvang van het positieve inkomenseffect is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

Overgangsrecht kostendelersnorm Anw/IOAW/IOAZ/TW

Bij de minimumregelingen Anw, IOAW, IOAZ en TW wordt de uitkering voor personen die samenwonen met één of meer volwassenen geleidelijk verlaagd van 70% naar 50% van het minimumloon. Vanaf 2019 krijgt deze groep 50% van het minimumloon.

Versnelde verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

In 2013 is gestart met het stapsgewijs verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd. Vanaf 2016 is een versnelling aangebracht in de stapsgewijze verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd als gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. In 2019 wordt de AOW-gerechtigde leeftijd met 4 maanden verhoogd naar 66 jaar en 4 maanden.

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in sociale zekerheid

Sinds januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid (excl. AOW) afgebouwd. In de structurele situatie hebben uitkeringsgerechtigden, evenals alleenverdieners in de fiscaliteit, recht op eenmaal de algemene heffingskorting. In het regeerakkoord is afgesproken dat de afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid in de jaren 2019 tot en met 2021 wordt getemporiseerd, zodat 3,75%-punt wordt afgebouwd in plaats van 5%-punt per jaar. Per saldo resulteert nog steeds een negatief inkomenseffect van gemiddeld – 0,4% voor bijstandsgerechtigden.

5.2.8 Maatregelen Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland beschikt SZW niet, zoals voor Europees Nederland, over betrouwbare ramingen van de contractloonontwikkeling, de indexatie van de pensioenen en de inflatie. Hierdoor is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling kwantitatief te visualiseren, zoals dat voor de Europees-Nederlandse situatie wordt gedaan. Wel wordt de inflatieontwikkeling nauwgezet door het CBS gemonitord. Deze prijsontwikkeling en bijbehorende indexering van uitkeringen komen in deze paragraaf kort aan bod.

Prijsontwikkeling en indexering van uitkeringen

Jaarlijks worden het minimumloon, de AOV, de AWW, en de Onderstand geïndexeerd op basis van de gerealiseerde prijsontwikkeling in het derde kwartaal van het voorgaande jaar. Per 1 januari 2019 zullen de uitkeringen en het minimumloon dan ook geïndexeerd worden met de consumentenprijsindex (CPI) van het derde kwartaal van 2018.

Structurele verlenging verlaagd tarief in de algemene bestedingsbelasting (ABB)

De verlenging van het verlaagde ABB-tarief voor Sint-Eustatius en Saba wordt vanaf 2019 structureel gemaakt.

Verhoging kinderbijslagvoorziening BES

In reactie op het onderzoek naar het ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 IV, nr. 45) heeft het kabinet besloten de kinderbijslagvoorziening BES per 1-1-2019 met 50% te verhogen om de uitkering beter in evenwicht te brengen met het ijkpunt voor bestaanszekerheid in Caribisch Nederland. Dit betreft een verhoging met circa USD 20 tot circa USD 60 per maand op Bonaire en met circa USD 21 tot circa USD 63 per maand op Saba en St. Eustatius.

Wijzigingen in de onderstand

In reactie op het onderzoek naar het ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 IV, nr. 45) heeft het kabinet besloten de onderstand voor personen die zelfstandig wonen in 2019 te verhogen naar minimaal het niveau van 55% van het wettelijk minimum loon (WML) door een verhoging van de toeslag voor zelfstandig wonenden in de onderstand. De inkomensgrens voor bijzondere onderstand wordt tijdelijk verhoogd naar 120% WML. De uitkeringen worden zo beter in evenwicht gebracht met het ijkpunt voor bestaanszekerheid in Caribisch Nederland.

Verhoging AOV, onderstand en AWW met 5%

In de augustusbesluitvorming heeft het kabinet afgesproken de lasten voor werkgevers in Caribisch Nederland met circa 5,0% te verlagen. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor een, voor werkgevers kostenneutrale, verhoging van het minimumloon in Caribisch Nederland met circa 5,0%. In navolging van het minimumloon worden de uitkeringsbedragen in de onderstand, de algemene ouderdomsverzekering (AOV BES) en de algemene weduwen- en wezenwet (AWW) verhoogd.

Noot 2: In de begroting is gerekend met de raming van de nominale zorgpremie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze raming valt in 2019 € 14 lager uit dan de raming van het CPB. Een onderbouwing van de raming van het Ministerie van VWS is opgenomen in de begroting van het Ministerie van VWS.

Noot 3: Het model berekent uit dit bruto inkomen vervolgens het netto inkomen (het bruto inkomen min de sociale premies en belastingen, rekening houdend met de specifieke aftrekposten van het huishouden). Door het netto inkomen te verrekenen met de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de netto kosten van kinderopvang, wordt het besteedbaar inkomen bepaald. Ten slotte kan de procentuele verandering van het besteedbaar inkomen tussen jaar t en t+1 worden berekend, gecorrigeerd voor inflatie. Dat is de koopkrachtmutatie die wordt gerapporteerd.

Noot 4: De staarten zijn afgekapt op het 5e en 95e percentiel, omdat de raming van het minimum en maximum onnauwkeurig is.