Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.3 Ontwikkeling van de inkomsten

In 2019 ontvangt het Rijk 303,1 miljard euro aan belastingen en premies. Daarvan zijn budgettair het meest van belang de loon- en inkomensheffing, omzetbelasting (btw), zorgpremies, premies werknemersverzekeringen en de vennootschapsbelasting (vpb) (zie figuur 2.3.1).

Figuur 2.3.1 Inkomsten 2019 (in miljarden euro)
De belasting- en premieontvangsten groeien in 2019 met 18,3 miljard euro. De economische ontwikkeling leidt in 2019 tot een inkomstengroei van 13,3 miljard euro. De groei van het aantal banen en hogere lonen leiden tot meer loon- en inkomensheffing. De groei van bedrijfswinsten zorgt voor hogere vpb-ontvangsten. Bovendien zorgt de toenemende consumptie voor hogere btw-ontvangsten. Dit effect van de economische groei op de inkomsten is groter dan het effect van beleidsmaatregelen van het huidige kabinet en de vorige kabinetten. Beleidsmaatregelen zorgen in 2019 voor 5,0 miljard euro extra belasting- en premieontvangsten (zie figuur 2.3.2). Deze extra ontvangsten bestaan voor het grootste deel (1,7 miljard euro) uit hogere zorgpremies, die het gevolg zijn van de hogere zorguitgaven.38 De opbrengst uit premies werknemersverzekeringen stijgt door beleid van vorige kabinetten met 0,5 miljard euro.39 De maatregelen van het kabinet hebben een opwaarts effect van 2,7 miljard euro. Maatregelen uit het regeerakkoord hebben omvangrijke opwaartse en neerwaartse effecten op de ontvangsten in 2019. Uit de augustusbesluitvorming voor de begroting van 2019 heeft vooral de beperking van de rekeningcourantschulden voor DGA’s een fors opwaarts budgettair effect (1,8 miljard).40
Figuur 2.3.2 Belasting- en premie-inkomsten nemen toe, vooral door economische ontwikkeling
Het kabinet verlaagt de lastendruk met ongeveer 6,5 miljard euro ten opzichte van het basispad.41 De maatregelen die hiervoor moeten zorgen, gaan gefaseerd in. De eerste stappen heeft het kabinet in 2018 al gezet. In 2019 leiden de maatregelen van het kabinet tot een beperkte lastenverlichting. Tegenover de lagere loon- en inkomensheffing staan hogere btw-opbrengsten en hogere milieubelastingen. Ook de opbrengst uit de vennootschapsbelasting stijgt in 2019, omdat het effect van de grondslagverbreding groter is dan dat van de lagere vpb-tarieven. Vanaf 2020 leiden de maatregelen van het kabinet per saldo tot lagere inkomsten, door de lagere loon- en inkomensheffing, lagere vpb-opbrengsten en de afschaffing van de dividendbelasting. Dit is terug te zien in figuur 2.3.3. De beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 wordt naast het beleid van het kabinet bepaald door het basispad. Het basispad zorgt voor een lastenverzwaring van 9 miljard euro. Dit basispad bestaat uit maatregelen van vorige kabinetten en hogere zorgpremies door de stijgende zorgkosten. Samen met de lastenverlichting van het kabinet is sprake van een lastenverzwaring van 3,4 miljard euro.
Figuur 2.3.3 Effect kabinetsbeleid op de lastenontwikkeling (links) en de totale lastenontwikkeling 2018–2021, uitgesplitst naar belastingsoorten (effect in miljarden euro)

Het kabinet verschuift lasten van werk en ondernemen naar consumptie en vervuiling. Het kabinet verlaagt niet alleen de totale belastingdruk, maar verschuift de lasten ook. Het verlagen van de belasting op arbeidsinkomen en bedrijfswinsten wordt deels gecompenseerd door het verhogen van het lage btw-tarief en de milieubelastingen. Deze keuze om de lastendruk te verschuiven, is economisch gezien verstandig. De belastingen op arbeid en op bedrijfswinsten hebben een relatief negatief effect op de economische groei. Belasting op arbeid maakt het immers minder aantrekkelijk om (meer) te gaan werken of om personeel aan te nemen. Belasting op bedrijfswinsten maakt het minder aantrekkelijk voor bedrijven om te investeren. Hogere belastingen op milieu zijn zinvol, omdat die huishoudens en bedrijven ertoe bewegen milieuvriendelijker te consumeren en te produceren. Het kabinet verbetert met deze keuzes zodoende het belastingstelsel als geheel.

Figuur 2.3.4 Belasting- en premieontvangsten inclusief (doorlopende lijn) en exclusief beleid Rutte 3 (stippellijn)

Meer banen en hogere lonen zorgen voor meer loon- en inkomensheffing. De economische ontwikkeling zorgt in 2019 voor 6,1 procent extra loon- en inkomensheffing. Vanaf 2006 en vooral na de crisis zijn de lasten op arbeid gestegen. Zonder de plannen van dit kabinet zouden deze lasten verder stijgen. De maatregelen van het kabinet verlagen de ontvangsten uit de loonheffing echter met 4,5 miljard euro in 2019. Bij de inkomensheffing is in eerste instantie – in 2019 - sprake van een opwaarts effect van het kabinetsbeleid door (anticipatie op) maatregelen in box 2 van de inkomstenbelasting. Dat samengenomen daalt de komende jaren het aandeel van de loon- en inkomensheffing (als procent van het bbp). Dit laat figuur 2.3.4 ook zien.

Het Regeerakkoord leidt tot lagere lasten op inkomen. Het kabinet wil dat burgers de economische groei meer in hun portemonnee gaan voelen. Door de lasten op arbeid te verlagen wordt (meer) werken bovendien lonend(er). Dit heeft een positief effect op zowel de koopkracht van werkenden als op de arbeidsparticipatie. Meer ruimte voor consumptieve bestedingen en meer mensen die aan het werk zijn, stimuleren de economische groei. Er is onder meer afgesproken om een tweeschijvenstelsel in te voeren in box 1 van de inkomstenbelasting. Hierdoor nemen de besteedbare inkomens van de meeste huishoudens toe. Het basistarief van 37,05 procent gaat voor negen van de tien personen gelden; het toptarief van 49,5 procent voor een op de tien. Het kabinet wil ook zorgen dat er meer te besteden is in huishoudens met lagere inkomens en mensen die niet werken, zoals gepensioneerden en mensen met een uitkering. Daarom verhoogt het de algemene heffingskorting flink. Met name voor huishoudens aan de onderkant van de inkomensverdeling heeft dit een positief effect op het besteedbare inkomen. De arbeidskorting wordt per saldo verhoogd om te zorgen dat werken nog meer gaat lonen.

De btw-opbrengst stijgt door economische groei en het verhoogde lage btw-tarief. Door de stijging van de particuliere consumptie en vooral de investeringen in woningen stegen de btw-ontvangsten in 2015 en 2016 sterker dan het totale bbp. Dat is ook in 2018 en 2019 het geval, waarbij ook de overheidsinvesteringen bijdragen aan een hoger aandeel in het bbp. Daarnaast zorgt de verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6 naar 9 procent vanaf 2019 ervoor dat de btw als aandeel van het bbp toeneemt. De tariefsverhoging verkleint de fiscale verstoring van de keuze van consumenten tussen producten of diensten met het lage of normale btw-tarief.

Het kabinet wil dat milieuvervuilende keuzes duurder worden. Daarom verhoogt het kabinet de energiebelasting en de afvalstoffenheffing. Ook werkt het kabinet aan een CO2-minimumprijs bij elektriciteitsopwekking. Daarnaast zet het kabinet in op Europese afspraken over belastingen op luchtvaart, met als terugvaloptie om per 2021 vliegbelasting in te voeren in Nederland. Want het is logischer om belasting te heffen op wat we als samenleving niet willen dan op dat wat we wel willen. Zo stimuleert het kabinet consumenten en bedrijven om in hun keuzes meer rekening te houden met milieuvervuiling. Als vervuilende producten duurder zijn, maken zij eerder de keuze voor duurzamere goederen en diensten. Dat is belangrijk voor het heden, maar zeker ook voor de toekomst.

Hogere winsten zorgen voor fors meer inkomsten uit vennootschapsbelasting. De vpb is een zeer conjunctuurgevoelige belastingsoort. De sterke groei van bedrijfswinsten, minder verrekende verliezen uit het verleden en een hogere vpb over gasopbrengsten zorgen voor 8,4 procent meer vpb-ontvangsten in 2018. Het aandeel van de vbp als percentage van het bbp neemt in 2018 dan ook verder toe en ligt weer op een niveau vergelijkbaar met voor de crisis.42 Vanaf 2019 is het effect van de economische groei op de vpb minder groot, want de winsten nemen naar verwachting minder sterk toe dan het gehele bbp. Ook heeft vanaf 2019 het beleid van het kabinet een effect op de vpb-inkomsten. In 2019 gaat de vpb omhoog door de verbreding van de grondslag, daarna dalen de vpb-ontvangsten dan weer als aandeel van het bbp (zie figuur 2.3.4).
Figuur 2.3.5 Jaar-op-jaarontwikkeling vpb 2018–2021 uitgesplitst (verandering in procenten ten opzichte van voorgaand jaar)

Het kabinet wil dat Nederland een aantrekkelijk land is om in te investeren. Ondernemingen zullen dan investeringen doen, zich zo productief mogelijk maken en kunnen ondernemen over de hele wereld. Het Regeerakkoord draagt daaraan bij door de vpb-tarieven te verlagen naar 16 en 22,25 procent in 2021. Dit gebeurt in combinatie met een verbreding van de belastinggrondslag. In 2019 wordt vooral de grondslag verbreed, waardoor bedrijven meer vpb gaan betalen. Maar in 2020 en 2021 zorgt de tariefsverlaging per saldo voor lagere vpb-inkomsten. Een belangrijk deel van de grondslagverbredende maatregelen is er ook op gericht om te komen tot een gelijkere fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen. Daardoor worden bedrijven fiscaal minder geprikkeld tot financiering door schulden aan te gaan. Dit komt onder meer door de invoering van een algemene renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) die verder gaat dan is vereist op grond van de Europese richtlijn over belastingontwijking. Daarnaast komt er voor banken en verzekeraars een renteaftrekbeperking in de vorm van een minimumkapitaalregel. Tot slot schaft het kabinet de dividendbelasting af, wat Nederland vooral aantrekkelijker maakt voor de vestiging van een hoofdkantoor.

Zowel het mkb als grote ondernemingen profiteren van de lastenverlichtende maatregelen van het kabinet. De lastenontwikkeling voor bedrijven is tijdens de kabinetsperiode gunstiger voor het mkb dan voor grote ondernemingen. De tariefsverlaging in de vpb komt aan beide ten goede. De grondslagverbreding in de vpb wordt echter voor het overgrote deel opgebracht door grote ondernemingen, en maar beperkt door het mkb (zie figuur 2.3.5). Op de lange termijn pakken de maatregelen voor het mkb gunstiger uit dan voor grote ondernemingen. Maatregelen die na de kabinetsperiode een lastenverzwarend effect hebben (zoals de beperking verliesverrekening en ATAD) slaan namelijk vooral neer bij grote ondernemingen.

Figuur 2.3.6 Vpb en dividendbelasting omlaag, bronheffing rente en royalty’s omhoog (tarieven in procent)

Ook pakt het kabinet belastingontwijking en belastingontduiking aan. Het kabinet neemt maatregelen om de belastinggrondslag van zowel Nederland als andere landen te beschermen. Dit zijn specifieke maatregelen zoals een bronheffing op rente, royalty’s en dividenden. Daardoor wordt Nederland minder aantrekkelijk voor bedrijven die niets toevoegen en alleen gebruikmaken van de mazen in de wet om hun totale belastingdruk te verlagen, bijvoorbeeld door via Nederland geld door te laten stromen naar belastingparadijzen. Daarnaast wil het kabinet het Nederlandse verdragennetwerk minder vatbaar maken voor oneigenlijk gebruik door middel van het zogenoemde Multilateraal Verdrag. Dat het kabinet hierin ambitieus is, blijkt uit het feit dat Nederland aantoonbaar meer antimisbruikbepalingen opneemt dan veel andere landen. Het kabinet versterkt het zelfreinigend vermogen van de sector, door belastingadviseurs te verplichten om potentieel agressieve belastingstructuren te melden bij de Belastingdienst en vergrijpboetes te openbaren. Ook dat maakt het beter mogelijk om belastingontwijking en belastingontduiking aan te pakken.