Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3 Kansen voor de toekomst

Het kabinet heeft de eerste stappen gezet voor het Nederland van de toekomst, maar hervormingen vergen een lange adem. In dit hoofdstuk schetst het kabinet voor de verschillende in het Regeerakkoord gepresenteerde hervormingen de doelen, de stand van zaken en uitdagingen voor de toekomst.

Het kabinet hervormt voor meer kansen in de toekomst. De kwaliteit van leven in Nederland is hoog. Dit blijkt ook uit de Monitor Brede Welvaart van het Centraal Bureau voor de Statistiek.43 Het opleidingsniveau en de productiviteit van onze beroepsbevolking zijn hoog, de concurrentie- en innovatiekracht van onze bedrijven zijn sterk en – nog belangrijker – onze bevolking hoort tot de gelukkigste op de wereld.44 Deze positie brengt als risico met zich mee dat we vasthouden aan wat we hebben, in plaats van voortvarend in te spelen op de vergrijzing, globalisering, digitalisering, technologische vooruitgang, klimaatverandering en veranderende verhoudingen in de wereld. Deze trends kunnen de welvaart en het geluk van Nederlanders bedreigen, maar ook kansen bieden. Door op deze ontwikkelingen in te spelen en instituties aan te passen, kunnen burgers en bedrijven profiteren van de kansen of minder last hebben van de dreigingen en onzekerheden die deze trends met zich mee kunnen brengen. Zo heeft het kabinet ambities vastgesteld om het verdienvermogen van Nederland verder te versterken, de digitale vaardigheden te vergroten en cyberveiligheid in de maatschappij te versterken.45 Ook investeert het kabinet in de jeugd en toekomst met extra geld voor onderwijs en wetenschap. Op dit soort manieren zorgt het kabinet ervoor dat Nederland ook voor toekomstige generaties een prima plek blijft om te wonen, te werken en te ondernemen. Het vermogen om te kunnen anticiperen op deze kansen vergt wel dat de basis op orde is. Vanuit dat perspectief werkt het kabinet in deze kabinetsperiode verder aan kernonderdelen van de publieke sector zoals de belastingdienst en de rechtspraak.

Het economisch tij biedt ook ruimte om die kansen te benutten. Het is een goed moment voor hervormingen die de economie op de lange termijn versterken en onze materiële of immateriële welvaart op de lange termijn vergroten. De gevolgen van hervormingen zijn door burgers en bedrijven immers vaak beter te verwerken als het economisch meezit in plaats van tijdens een recessie. Wel zijn hervormingen in de praktijk moeilijk te timen. De voorbereiding vergt tijd: eerst moeten het probleem en de oplossing helder zijn en daarna moet er maatschappelijk en politiek draagvlak worden verzameld. Daarna kost het vertalen van een beleidsplan naar de praktijk – in wetgeving en door uitvoerders – ook nog veel tijd.

Om het draagvlak te vergroten, is het kabinet in gesprek met maatschappelijke partners. In ons huidige politieke landschap – met kleine en wisselende meerderheden – vindt het kabinet het noodzakelijk om op zoek te gaan naar breed draagvlak voor nieuw beleid.46 Samenwerking met maatschappelijke partners helpt tegenstellingen te overbruggen en brengt een beter werkende arbeidsmarkt, een toekomstbestendig pensioenstelsel en een beter klimaat dichterbij. In de onderhandelingen met maatschappelijke partners bewaakt het kabinet ook de belangen van partijen die niet aan tafel vertegenwoordigd zijn, zoals volgende generaties en «de belastingbetaler». Het kabinet en het parlement hebben uiteindelijk het laatste woord over de beleidskeuzes: zij hebben het mandaat om namens de Nederlandse kiezers besluiten te nemen.
Uitvoerbaarheid door de burger en uitvoeringsorganisatie is een randvoorwaarde. Hervormen is meer dan het vastleggen van voornemens in een wet. De overheid moet rekening houden met de capaciteiten van burgers: zij moeten de wet kunnen begrijpen (denkvermogen), maar moeten deze ook «aankunnen» (doevermogen).47 Vooral kwetsbare groepen die relatief veel met de overheid in aanraking komen, zijn gebaat bij een realistischer perspectief op de capaciteiten van burgers. Op beleidsterreinen waar veel winst valt te boeken, zoals bij de aanpak van problematische schulden, wordt daarmee al meer rekening gehouden. Om breed vooruitgang te boeken, heeft het kabinet een «toets van het doevermogen» onder andere onderdeel gemaakt van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK).48 Overigens moeten ook uitvoeringsorganisaties berekend zijn op de nieuwe taken die het gewijzigd beleid van ze vraagt; ze moeten dus voldoende personeel en de juiste middelen beschikbaar hebben. Als aan deze randvoorwaarden niet wordt voldaan, zijn hervormingen tot mislukken gedoemd en worden de beoogde doelen niet behaald.