Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3.4 Europa en de wereld

De economische groei in het eurogebied zet door. In 2017 werd met 2,5 procent het hoogste groeicijfer in tien jaar genoteerd en ook voor 2018 en 2019 wordt een robuuste groei verwacht van 2,1 procent respectievelijk 1,9 procent. De werkloosheid blijft dalen en ligt in de meeste landen op een vergelijkbaar niveau als voor de crisis. Ook de overheidsfinanciën staan er beter voor: het gemiddelde EMU-saldo verbetert in 2019 naar verwachting tot -0,6 procent van het bbp. Spanje is het laatste euroland dat nog in de buitensporigtekortprocedure zit, maar volgens de ramingen daalt het Spaanse begrotingstekort dit jaar dusdanig dat het volgend jaar hieruit ontslagen kan worden. Een andere positieve ontwikkeling is de afloop van het Griekse steunprogramma en de aanstaande volledige terugkeer van Griekenland op de internationale kapitaalmarkten. Met de afsluiting van het Griekse programma is een einde gekomen aan het verstrekken van nieuwe financiële steuntranches door de Europese noodfondsen. Nu resteert een lange periode waarin landen die steun ontvingen, deze terugbetalen. Om haar schuld houdbaar te houden, moet Griekenland vele jaren een fors begrotingsoverschot behouden.

Niet alle lidstaten maken hun economie en overheidsfinanciën klaar voor de toekomst. Door de gunstige economische conjunctuur en het nog altijd uiterst ruime monetaire beleid bestaat het risico dat de onderliggende kwetsbaarheden in diverse lidstaten uit het zicht raken. Daardoor daalt de politieke bereidheid om belangrijke hervormingen door te voeren. De groei in de eurozone ligt momenteel per jaar bijna 1 procentpunt hoger dan wat op lange termijn realistisch is. Alleen structurele hervormingen kunnen het groeipotentieel duurzaam verhogen. Ook de begrotingsdiscipline laat soms nog te wensen over. Hoewel de schuld van de eurozone als geheel daalt, zijn de schuldniveaus van veel lidstaten nog altijd fors hoger dan voor de crisis. Niet alle eurolanden gebruiken de huidige, economisch goede tijden om hun buffers op te bouwen voor slechtere economische tijden. Dit is juist het moment om dat wel te doen.

Figuur 3.4.1 Schuldniveaus van veel lidstaten nog fors hoger dan voor crisis

Bron: Eurostat.

Verantwoord nationaal beleid is een voorwaarde voor een toekomstbestendige en solide Economische en Monetaire Unie (EMU). Nederland blijft de Europese Commissie daarom aansporen strikt toe te zien op naleving van de Europese regels. Volgens het kabinet zijn deze regels belangrijk om te voorkomen dat de solidariteit tussen EMU-lidstaten afbrokkelt. Omdat lidstaten zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het op orde brengen van hun overheidsfinanciën, ziet het kabinet geen noodzaak voor een Europees fonds om schokken te verzachten. De invoering van zo’n fonds kan zelfs het averechtse effect hebben dat landen zich minder inspannen om goed beleid te voeren. Zij weten immers dat zij aanspraak kunnen maken op gemeenschappelijke middelen. Landen die geen toegang meer hebben tot de kapitaalmarkt, kunnen een beroep doen op steun uit het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM). Hiervoor gelden strikte condities: steun in ruil voor hervormingen. Het kabinet is van mening dat het ESM beter kan functioneren als duidelijkere afspraken gemaakt worden over hoe om te gaan met onhoudbare overheidsschulden. Het kabinet vindt dat private investeerders in staatsobligaties het risico van verliezen moeten dragen, net zoals geldt voor banken die in problemen komen. Deze zogenoemde «bail-in» beperkt het risico dat het ESM – en daarmee de eurolanden – wordt opgezadeld met schulden waarvan onduidelijk is of ze kunnen worden terugbetaald. Bovendien dwingt het vooruitzicht van een bail-in markten om risico’s in lidstaten beter te beprijzen en geeft een bail-in lidstaten betere prikkels om verstandig beleid te voeren op nationaal niveau. Ook de EU-begroting kan worden gebruikt om landen te stimuleren verantwoord begrotingsbeleid en economisch beleid te voeren. Om dit te bereiken kan er een koppeling gemaakt worden tussen enerzijds de inzet van de structuur- en cohesiefondsen uit de EU-begroting en anderzijds de naleving van landenspecifieke afspraken en van de criteria van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP).

Het kabinet wil voorkomen dat de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting stijgt door de brexit. De Europese Commissie heeft in mei het voorstel gepresenteerd voor het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021–2027. Dit voorstel vormt het vertrekpunt voor de onderhandelingen tussen de lidstaten, die dit najaar starten. De Commissie stelt voor de omvang van het MFK te verhogen, vooral om nieuwe Europese prioriteiten te financieren. Met het vertrek van het Verenigd Koninkrijk valt daarentegen een nettobetaler van het MFK weg. De inzet van het kabinet voor de onderhandelingen is dat de Nederlandse afdrachten niet stijgen door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk, en dat de nettobetalingspositie van Nederland in lijn is met die van andere lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Een korting op de afdrachten, zoals Nederland die onder het huidige MFK ontvangt, is een mogelijk middel om dat te bereiken. Het kabinet vindt het belangrijk dat in het nieuwe MFK nieuwe prioriteiten sterker terugkomen. Voorbeelden van die prioriteiten zijn veiligheid, klimaat, een betere grensbewaking in het kader van migratie, en het stimuleren van excellent onderzoek en innovatie. Bezuinigingsmogelijkheden liggen volgens het kabinet vooral bij de traditionele beleidsterreinen van de EU: het Europese landbouwbeleid en het cohesiebeleid.

Migratie en vluchtelingenstromen naar Europa blijven een belangrijk thema in Europa. Het kabinet staat voor een geïntegreerde aanpak zoals verwoord in de integrale migratieagenda50, ook op Europees niveau. Dat betekent dat de EU zich verder moet inzetten om de migratiesamenwerking met herkomst- en transitlanden te versterken en de Europese buitengrenzen verder moet versterken. De verhoogde asielinstroom uit 2015 en 2016 heeft laten zien hoe belangrijk het is om goed voorbereid te zijn. Met een versterkte integrale aanpak, op basis van onderlinge solidariteit, blijft het mogelijk om in de EU bescherming te bieden aan hen die dat nodig hebben en tegelijkertijd het vrije verkeer in de Schengenzone te garanderen.
Het kabinet zet zich wereldwijd in voor een welvarend en veilig Nederland. Wereldwijde uitdagingen op het gebied van veiligheid, armoedebestrijding, klimaat en migratie zijn sterk verweven en vragen om een gezamenlijke en geïntegreerde aanpak. Het kabinet vindt daarom een verregaand geïntegreerd buitenlands beleid essentieel, met aandacht voor de preventie van conflicten en de bestrijding van de grondoorzaken van armoede, irreguliere migratie, terreur en klimaatverandering.51 Terwijl Nederland sterk gebaat is bij een welvarende en veilige wereld, staat internationale samenwerking echter onder druk. Het kabinet investeert daarom in diplomatie, de krijgsmacht (zie ook paragraaf 2.2), ontwikkelingssamenwerking en cybersecurity. Zo is onder andere het diplomatieke postennetwerk uitgebreid. Met een snel veranderende wereldorde is het bovendien van groot belang om samen te werken in bewezen samenwerkingsverbanden als de EU, de NAVO en de VN.

Binnen de bankenunie streeft het kabinet naar minder risico’s voor de belastingbetaler. Als onderdeel van een versterkte bankenunie zal er een publieke achtervang («backstop») voor het gemeenschappelijke resolutiefonds (het SRF) worden gecreëerd. De banken zelf vullen dit fonds dat kan worden gebruikt om financiële problemen van banken af te wikkelen. Wel bestaat er een risico dat de middelen in het fonds niet toereikend zijn. Daarom wordt uiterlijk in 2024 een publieke achtervang gecreëerd die tijdelijk het benodigde geld kan voorschieten. Nederland heeft de afgelopen maanden samen met gelijkgestemde landen uitgedragen dat voortgang van risicoreductie nu prioriteit heeft, onder andere door een juiste risicowaardering van staatsobligaties op bankenbalansen en een gezondheidstoets van banken. Pas als deze maatregelen zijn genomen en duidelijk is dat Europese banken gezond zijn, kan gesproken worden over verdere risicodeling op Europees niveau. Risicodeling binnen de bankenunie speelt bijvoorbeeld bij een Europees Depositogarantiestelsel (EDIS). Dit stelsel vergroot de slagkracht van de nationale depositiegarantiestelsels: doordat overheden niet hoeven bij te springen om tekorten in hun nationale stelsel te dichten, leiden kredietwaardigheidsproblemen niet tot vergelijkbare problemen bij overheden. EDIS vormt zo een belangrijk sluitstuk van de bankenunie, maar hierover kan wat het kabinet betreft pas politiek onderhandeld worden, nadat duidelijk is geworden dat Europese banken gezond zijn.