Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

12 OVERZICHT RISICOREGELINGEN VAN HET RIJK

Tabellen 12.1, 12.2 en 12.3 geven een totaaloverzicht van directe en indirecte risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantiere- gelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar begrotingen en jaarverslagen van de betreffende vakdepartementen

Garanties

Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Tabel 12.1 bevat de garantieregelingen van het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico groter dan 100 miljoen euro zijn weergegeven. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond en mutaties kleiner dan 100 miljoen euro zijn samengevat in de post «Overig». Het overzicht geeft de stand eind augustus weer. Ontwikkelingen daarna zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag Rijk 2019.

In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven.

Daarachter staat voor de jaren 2018, 2019 en 2020 het bedrag dat daadwerkelijk als risico is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd, genaamd de «uitstaande garanties». Onder de uitstaande garanties vallen ook de garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2019 en 2020 worden garanties verleend en komen garanties te vervallen. Dit is terug te lezen in de kolommen «geraamd te verlenen» en «geraamd te vervallen».

Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, het zogenaamde plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In tabel 12.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond gelijk gesteld aan de uitstaande garanties. Bij internationale organisaties is gekozen het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM en ESM) en de garanties aan een aantal internationale financiële instellingen.

Tabel 12.1 Garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)

b

a

omschrijving

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Totaal plafond

   

2018

2019

2019

2019

2019

2020

2020

2020

2020

 

V

43

IS-Raad van Europa

176,7

  

176,7

   

176,7

 

176,7

VIII

7

Bouwleningen academische ziekenhuizen

163,9

  

163,9

   

163,9

 

176,6

VIII

14

Achterborgovereenkomst NRF

322,7

15,3

15,9

322,1

   

322,1

 

380,0

VIII

14

Indemniteitsregeling

288,1

131,3

346,5

72,8

   

72,8

 

300,0

IXB

2

Single Resolution Fund

4.163,5

  

4.163,5

   

4.163,5

 

4.163,5

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

9.768,9

  

9.768,9

   

9.768,9

 

9.768,9

IXB

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

5.507,0

  

5.507,0

   

5.507,0

  

IXB

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

719,5

3,1

 

722,6

   

722,6

 

722,6

IXB

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

43.303,7

264,5

 

43.568,2

   

43.568,2

 

43.568,2

IXB

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

589,1

  

589,1

   

589,1

 

589,1

IXB

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

34.154,2

  

34.154,2

   

34.154,2

 

34.154,2

IXB

4

European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM)

2.880,0

60,0

 

2.940,0

   

2.940,0

 

2.940,0

IXB

4

European Investment Bank (EIB)

9.895,5

1.900,4

 

11.796,0

   

11.796,0

 

11.796,0

IXB

4

European Stability Mechanism (ESM)

35.445,4

  

35.445,4

   

35.445,4

 

35.445,4

IXB

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.400,0

50,0

 

2.450,0

   

2.450,0

 

2.450,0

IXB

4

Wereldbank

4.525,2

774,9

 

5.300,0

   

5.300,0

 

5.300,0

IXB

5

Exportkredietverzekering

16.338,9

10.000,0

10.000,0

16.338,9

10.000,0

10.000,0

10.000,0

16.338,9

10.000,0

 

XIII

2

Borgstelling MKB Kredieten (BMKB)

1.858,9

765,0

509,8

2.114,1

765,0

765,0

467,9

2.411,3

765,0

 

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

597,9

400,0

89,8

908,1

400,0

400,0

127,1

1.181,0

400,0

 

XIII

2

Groeifaciliteit

103,7

105,0

19,7

189,0

105,0

85,0

23,0

251,0

85,0

 

XIII

2

Microkredieten

100,0

30,0

0,6

129,4

  

7,1

122,2

 

130,0

XIII

2

MKB-financiering

68,2

  

68,2

   

68,2

 

268,2

XIII

4

Aardwarmte

58,9

66,6

34,4

91,1

66,6

66,6

 

157,7

66,6

 

XIV

11

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

334,3

79,3

33,1

380,5

120,0

120,0

50,0

350,5

120,0

 

XIV

12

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

346,5

 

19,1

327,4

  

19,4

308,0

 

346,5

XVI

2 & 3

Instellingen voor de gezondheidszorg

250,7

 

37,6

213,1

  

35,1

178,0

 

213,1

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

8,2

24,0

 

32,2

 

24,0

 

56,2

 

140,0

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

80,6

50,0

 

130,6

 

50,0

 

180,6

 

675,0

XVII

43

International Finance Facility for Education (IFFEd)

     

212,5

 

212,5

 

212,5

XVII

45

Garanties IS-NIO

138,0

 

15,4

122,6

  

14,6

108,1

 

122,6

XVII

45

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

2.155,5

5,7

 

2.161,1

   

2.161,1

 

2.161,1

  

Overig

300,2

82,0

38,1

344,2

55,4

81,9

10,3

415,8

55,4

346,1

  
  

Totaal

177.044

14.807

11.160

180.691

11.512

11.805

10.755

181.641

11.492

156.546

Tabel 12.2 bevat de uitgaven en ontvangsten behorende bij de door de staat verstrekte garanties in 2019 en 2020. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten zijn gedaan worden hier weergegeven. De in de tabel getoonde uitgaven betreffen de schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies, provisies en dergelijke als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Tabel 12.2 Uitgaven en ontvangsten door staat verstrekte garanties (in duizenden euro)

b

a

omschrijving

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2019

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2020

   

2019

2019

 

2020

2020

 

VI

33

Garantiestelling Faillissementscuratoren dienst JUSTIS

3.000

3.500

500

   

IXB

1

Garantie procesrisico's

245

 

‒ 245

245

 

‒ 245

IXB

2

Terrorismeschades (NHT)

 

875

875

 

875

875

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

 

614

614

 

614

614

IXB

5

Exportkredietverzekering

190.000

218.297

28.297

62.000

235.954

173.954

XIII

2

Borgstelling MKB krediet (BMKB)

36.563

33.000

‒ 3.563

36.744

33.000

‒ 3.744

XIII

2

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

11.745

13.000

1.255

11.745

13.000

1.255

XIII

2

Groeifaciliteit

8.772

8.000

‒ 772

8.772

8.000

‒ 772

XIII

4

Aardwarmte

3.500

1.280

‒ 2.220

 

4.700

4.700

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

7.000

500

‒ 6.500

7.000

500

‒ 6.500

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

5.000

3.000

‒ 2.000

5.000

3.000

‒ 2.000

XVII

41

Garanties Internationale samenwerking - Netwerk internationaal ondernemen (IS-NIO)

 

300

300

 

300

300

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico’s uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen niet als verplichting opgenomen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 12.3.

Het risico uit de achterborgstellingen (in tabel 12.3) is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen (in tabel 12.1). Bij achterborgstellingen worden de risico’s soms gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door de rijksoverheid. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door de rijksoverheid gedekt. Bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) wordt de gehele positie met gemeenten gedeeld.

Per achterborgstelling zijn er verschillende mogelijkheden om eventuele schade te dekken. Het WSW beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties ter hoogte van € 3,1 miljard. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun. Saneringssteun wordt bekostigd via een heffing aan corporaties en deze middelen lopen via een risicovoorziening op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle woningcorporaties zijn op basis van de wet verplicht om deze heffing te betalen. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken.

De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal van de stichting aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op de rijksoverheid. Bij het WEW geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.

Tabel 12.3 Achterborgstellingen (in miljoenen euro)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Totaal Achterborgstellingen

292.400

295.837

306.193

Stichting Waarborgfonds Zorg

7.100

6.737

9.393

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

79.800

82.600

84.800

Waarborgfonds Eigen Woningen

205.500

206.500

212.000

    

Bufferkapitaal

   

Stichting Waarborgfonds Zorg

286

288

293

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

535

522

508

Waarborgfonds Eigen Woningen

1.265

1.396

1.525

    

Obligo

   

Stichting Waarborgfonds Zorg

213

202

191

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

3.000

3.100

3.200