Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2. INFRASTRUCTUURAGENDA

In de infrastructuuragenda wordt de agenda op projectniveau gepresenteerd, met aandacht voor de mijlpalen in het lopende infrastructuurprogramma. Zo wordt inzichtelijk gemaakt welke projecten in 2020 worden opgeleverd en bij welke projecten de uitvoering in 2020 begint. Daarna volgt een toelichting op begroting op hoofdlijnen.

Mijlpalen en resultaten 2020

Hieronder wordt ingegaan op de mijlpalen in het lopende programma. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt welke projecten in 2020 worden opgeleverd en bij welke projecten de uitvoering in 2020 start.

Beheer, onderhoud en vervanging

In 2020 wil IenW onder meer de volgende activiteiten in het kader van beheer, onderhoud en vervanging uitvoeren.

Beheer, onderhoud en vervanging

Mijlpaal

Project

Hoofdwegen

– Verkeersmanagement waaronder inzet weginspecteurs bij incidenten, het op alle bemeten wegvakken inwinnen van betrouwbare reis en route-informatie. Deze informatie tijdig aan de NDW te leveren, het realiseren van benuttingsmaatregelen en connecting mobility.

– Beheer en onderhoud waaronder verhardingsonderhoud, onderhoud aan kunstwerken en onderhoud aan Dynamisch Verkeersmanagement (DVM) systemen.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties

Spoorwegen

– Verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

– Regulier beheer en onderhoud, waaronder het inspecteren en schouwen van de infrastructuur, functieherstel bij verstoringen, het saneren van geluidsschermen en het onderhouden en schoonmaken van stations.

– Groot onderhoud, waaronder het slijpen van spoorstaven en het seizoenbestendig houden van de sporen.

– Het vervangen van spoorstaven, dwarsliggers en wissels en de vervanging van andere systemen, zoals energie, transfer en treinbeveiliging en treinbeheersing.

Hoofdvaarwegen

– Verkeersmanagement waaronder activiteiten in het kader van verkeersbegeleiding, bediening van objecten en vaarwegmarkering.

– Beheer en onderhoud maatregelen om de breedte en diepte van de vaarweg te handhaven en maatregelen om de kunstwerken (sluizen en bruggen) en verkeersvoorzieningen blijvend te laten functioneren.

– Uitvoering van het programma vervangingen en renovaties en afronding «NoMo AOV» achterstallig onderhoud vaarwegen programma.

Voor een nadere toelichting op de stand van zaken van beheer, onderhoud en vervanging wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Projectenoverzicht 2020.

Aanleg

Hieronder volgen de mijlpalen die IenW in 2020 wil halen per modaliteit.

Hoofdwegennet

Mijlpaal

Project

Start realisatie

– ViA15;

– deeltraject A9 Badhoevedorp binnen het project Schiphol-Amsterdam-Almere;

– A15 Papendrecht-Sliedrecht Oost.

Spoorwegen

Mijlpaal

Project

Indienststelling

– Diverse deelprojecten bij landelijke programma’s (o.a. fiets parkeren, toegankelijkheid stations, overwegenaanpak, kleine functiewijzigingen);

– Spooruitbreiding en station Driebergen-Zeist (onderdeel Traject Oost);

– PHS: kleine maatregelen Schiphol, extra opstelcapaciteit Lelystad, werkzaamheden Naarden-Bussum;

– Spooraansluiting Railterminal Venlo;

– Partiële spooruitbreiding Groningen – Leeuwarden (opdrachtgeverschap bij regio).

Start realisatie

– Diverse deelprojecten bij landelijke programma’s (o.a. fiets parkeren, toegankelijkheid stations, overwegenaanpak, kleine functiewijzigingen);

– PHS: werkzaamheden Sloe (elektrificatie), extra opstelcapaciteit Amsterdam, extra perronspoor Tilburg.

Hoofdvaarwegennet

Mijlpaal

Project

Openstelling

– Capaciteitsuitbreiding Sluis Eefde.

Start realisatie

– Ligplaatsen Merwedes: de aanleg van 4 extra ligplaatsen in de bestaande vluchthaven bij Gorinchem;

– Overnachtingshaven Lobith (onderdeel van Toekomstvisie Waal).

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor het lopende programma wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen en naar het MIRT Overzicht 2020.

Regionale/lokale infrastructuur

Voor de grote regionale en lokale infrastructuurprojecten (kosten van de meest kosteneffectieve oplossing hoger dan € 225 miljoen voor projecten die geheel of gedeeltelijk worden gerealiseerd binnen één of meer van de samenwerkingsgebieden, waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam of de gemeente ‘s-Gravenhage is gelegen, of € 112,5 miljoen indien het project geheel in een ander gebied wordt gerealiseerd) ligt de verantwoordelijkheid voor voorbereiding, aanleg, beheer en onderhoud en exploitatie bij de betreffende regionale of lokale overheid. IenW is dus niet zelf verantwoordelijk, maar kan een bijdrage leveren in de aanlegkosten van een dergelijk project als nut en noodzaak zijn aangetoond en het project van (boven)regionaal belang is. Op artikelonderdeel 14.01 zijn de grote regionale/lokale projecten nader aangeduid.

Voor een nadere toelichting over de stand van zaken voor de lopende programma’s wordt verwezen naar de toelichting op de productartikelen, de voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer en het MIRT Overzicht 2020.

Begroting op hoofdlijnen

De onderstaande tabel geeft de belangrijkste wijzigingen in de uitgaven en inkomsten aan ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2019. Een volledig overzicht van de mutaties is terug te vinden in verdiepingsbijlage.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

art.

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025–2032

2033

Stand ontwerpbegroting 2019

 

7.368.034

7.177.842

7.155.683

6.687.679

6.805.500

6.232.364

45.853.390

0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019

 

43.398

– 362.711

– 277.184

– 353.200

193.102

171.061

722.677

66.399

Stand na 1e suppletoire begroting 2019

 

7.411.432

6.815.131

6.878.499

6.334.479

6.998.602

6.403.425

46.576.067

66.399

Belangrijkste mutaties Infrastructuurfonds

 

– 1.401.991

– 269.177

94.644

408.393

265.745

831.486

2.082.138

5.934.097

 

Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk IF

                 

1

Aanvullende post IF

div.

– 6.318

– 3.122

– 3.119

– 3.069

– 3.049

– 6.019

   

2

Bijdragen derden

               

1.000

 

– Hoofdwegennet

12

 

2.750

3.618

4.295

6.434

3.818

15.466

799

 

– Spoorwegen

13/20

13.163

2.861

1.588

1.840

1.838

1.884

18.118

 

– Hoofdvaarwegennet

15

 

1.042

30

60

240

500

– 45.895

 
 

– Megaprojecten

17

4.006

             

3

Extrapolatie

                 
 

– Bijdrage aan IF

div.

             

5.557.977

 

– Ontvangsten derden

13

             

248.058

4

Ontvangstenschuiven

13

– 38.280

– 12.504

– 14.949

– 7.555

17.692

38.974

16.622

 

5

Loon- en prijsbijstelling

div.

135.642

133.664

131.153

131.580

127.515

120.945

1.092.034

126.582

6

Luchtverkenningscapaciteit Kustwacht

15

     

– 13.491

– 13.491

– 13.491

– 94.437

 

7

Overboeking Deltafonds

15

           

265.000

 

8

Generale Kasschuif

12

– 761.365

– 70.179

118.995

295.206

97.142

378.751

– 58.550

 
   

13

– 60.952

– 11.678

15.425

14.245

– 41.927

– 146.543

231.430

 
   

15

– 430.604

– 215.930

161.797

237.569

180.157

206.079

– 139.068

 
   

17

– 291.387

– 85.562

– 311.887

– 245.866

– 100.705

252.589

782.818

 

9

Diversen

div.

34.104

– 10.519

– 8.007

– 6.421

– 6.101

– 6.001

– 1.400

– 319

 

Niet Kaderrelevante mutaties Hoofdstuk IF

                 

10

Kornwerderzand

15

           

15.000

 
 

Kornwerderzand

20

           

– 15.000

 

Stand ontwerpbegroting 2020

 

6.009.441

6.545.954

6.973.143

6.742.872

7.264.347

7.234.911

48.658.205

6.000.496

Ad 1. Aanvullende post infrastructuurfonds

Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 € 2 miljard in de periode 2018 tot en met 2020 beschikbaar gesteld. Daarnaast is vanaf 2021 het Infrastructuurfonds met € 100 miljoen per jaar opgehoogd. De aanvullende programmering leidt tot een hogere apparaatsbehoefte. De apparaatsuitgaven van IenW worden op de begroting Hoofdstuk XII verantwoord. Hiertoe wordt bij de begroting 2020 € 24,7 miljoen overgeheveld naar de begroting Hoofdstuk XII. Voor een nadere toelichting op de aanwending van de aanvullende middelen wordt verwezen naar «Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord» in de infrastructuuragenda.

Ad 2. Bijdragen derden

Deze post bestaat uit diverse bijdragen van derden. De belangrijkste bijdragen zijn:

  • •  Hoofdwegennet: A4 Delft-Schiedam (€ 5,6 miljoen), N35 Nijverdal-Wierden (€ 5,5 miljoen), N35 Wijthmen – Nijverdal (€ 3,3 miljoen) en Programma Aansluitingen (€ 0,4 miljoen);
  • •  Spoorwegen: ontvangst BTW Noord-Zuidlijn (€ 10,8 miljoen), hogere HSL-concessievergoeding (€ 22,3 miljoen) en afrekening voorschotten ProRail (€ 1,2 miljoen);
  • •  Hoofdvaarwegennet: Nieuwe Sluis Terneuzen (– € 47 miljoen), Wilhelminakanaal (€ 1,6 miljoen) en verruiming Twentekanalen (€ 1,4 miljoen);
  • •  Megaprojecten Verkeer en Vervoer: HSL-Zuid (€ 0,3 miljoen), PHS Vught (€ 3,6 miljoen) en PHS Geldermalsen (€ 0,1 miljoen).

Ad 3. Extrapolatie Infrastructuurfonds

Bij de begroting 2020 wordt de looptijd van het Infrastructuurfonds met een jaar verlengd tot en met 2033. Het niveau van extrapolatie is gelijk aan het jaar 2032 stand begroting 2019 na verwerking van structurele begrotingsmutaties. Daarnaast zijn de structurele bijdragen van derden doorgetrokken. Met de verlenging tot en met 2033 komt in totaal – inclusief structurele ontvangsten – een ruimte van circa € 5,8 miljard beschikbaar op het Infrastructuurfonds. Deze ruimte wordt bij voorrang ingezet voor het dekken van de doorlopende verplichtingen, zoals de uitgaven die zijn benodigd voor de instandhouding van het huidige areaal. Hiervoor is in 2033 circa € 4,3 miljard benodigd. De ruimte die in 2033 resteert na aftrek van de doorlopende verplichtingen bedraagt circa € 1,5 miljard en wordt toegevoegd aan de generieke investeringsruimte ten behoeve van de vorming van het Mobiliteitsfonds.

Ad 4. Ontvangstenschuiven

Dit betreft het effect op de uitgavenramingen van bijdragen van derden die in de tijd verschuiven. Met name op de bijdragen van derden voor het project ZuidasDok, de concessievergoeding HSL en de concessievergoeding HRNL.

Ad 5. Loon- en prijsbijstelling

Dit betreft de verwerking van de loon- en prijsbijstelling voor het jaar 2019. De middelen die bij de eerste suppletoire begroting 2019 voor de loon- en prijsbijstelling aan de begroting Hoofdstuk XII zijn toegevoegd, worden toebedeeld naar diverse artikelen op de begroting Hoofdstuk XII en de investeringsfondsen.

Ad 6. Luchtverkenningscapaciteit Kustwacht

Dit betreft een overboeking aan Defensie voor de jaren 2022 tot en met 2031 voor de IenW-bijdrage aan het nieuwe contract Luchtverkenningscapaciteit van de Kustwacht Nederland.

Ad 7. Overboeking Deltafonds

Op basis van de prognose in 2017 is een tekort geconstateerd voor de vervanging- en renovatieopgave op het hoofdvaarwegennet. In de begroting 2018 heeft dat geleid tot een overheveling van € 334 miljoen vanuit de VenR reservering voor het hoofdwegennet naar de VenR reservering voor het hoofdvaarwegennet. Ten behoeve van het resterende tekort voor de VenR opgave van het hoofdvaarwegennet is € 265 miljoen overgeheveld vanuit de reservering Vervanging en Renovatie op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds naar artikel 15 hoofdvaarwegennet op het Infrastructuurfonds. De overheveling vanuit het Deltafonds ligt in de lijn met het gegeven dat op het hoofdvaarwegennet uitgaven zijn verantwoord die bijdragen aan de deltafondsdoelstelling «Veiligheid».

Ad 8. Kasschuif Rijksbrede budgettaire beeld

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-III heeft het kabinet een investeringsimpuls gegeven aan de bereikbaarheid. In de jaren 2018 tot en met 2020 is er voor bereikbaarheid incidenteel € 2 miljard beschikbaar gesteld en vanaf 2021 € 100 miljoen per jaar. Er wordt voortvarend ingezet op het vertalen van de ambities uit Regeerakkoord naar bestuurlijke afspraken en projectplanningen. Onderuitputting in 2018 heeft vorig jaar voor een deel van de projecten geleid tot een kasschuif naar 2020 en 2021. Bij Voorjaarnota 2019 is opnieuw een risico op onderuitputting in 2019 gesignaleerd. De afgelopen periode is gebruikt om de totale projectportefeuille te analyseren. Hierbij is het risico op onderuitputting verder in kaart gebracht en is bezien welke mogelijkheden voorhanden zijn om programmering, raming en de realisatie van alle projecten te optimaliseren. De investeringsmiddelen worden op basis van deze analyse daarom in het op dit moment meest realistische kasritme gezet. De middelen hebben reeds een bestemming. Zo is twee derde van de Regeerakkoordmiddelen voor infrastructuur omgezet in concrete lopende projecten voor de periode t/m 2025. Nu projecten concreet worden blijkt echter een ander kasritme nodig dan bij Regeerakkoord gehanteerd. Daarbij worden middelen geschoven uit de jaren 2019–2021 naar later jaren.

Ad 10. Verbreding sluiscomplex Kornwerderzand

Om de verbreding van het sluiscomplex bij Kornwerderzand financieel mogelijk te maken, wordt er € 15 miljoen vanuit de investeringsruimte vaarwegen toegevoegd aan de bestaande reservering voor dit project. Met de totale rijksbijdragen onderstreept het kabinet om met infrastructurele investeringen de economische ontwikkelingen in deze regio te stimuleren (zie ook Kamerstukken II 2018–2019, 35 000-A, nr. 124).

Aanvullende middelen Infrastructuurfonds volgend uit het regeerakkoord

Volgend uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is bij de Eerste suppletoire begroting 2018 meerjarig € 3,1 miljard aanvullend beschikbaar gesteld aan het Infrastructuurfonds. Met uitzondering van eenmalig € 100 miljoen voor fietsinfrastructuur en € 5 miljoen per jaar voor de exploitatie van infrastructuur op Caribisch Nederland, zijn deze middelen conform de bestaande verdeelsleutel1 tussen Hoofdwegennet, Spoorwegen en Hoofdvaarwegennet verdeeld. Vanaf het jaar 2030 wordt de jaarlijkse ophoging niet meer verdeeld naar modaliteit, maar toegevoegd aan de generieke investeringsruimte ten behoeve van de vorming van het Mobiliteitsfonds.

In de begroting 2020 is naar aanleiding van bestuurlijke besluitvorming in het MIRT weer een deel van de inzet van deze middelen verwerkt en toebedeeld aan de specifieke artikelonderdelen op het Infrastructuurfonds. Bij Hoofdwegennet gaat het om de A1 Barneveld Stroe (€ 22 miljoen), de A7 Purmerend-Zaandam (€ 20 miljoen) en de A4-N14 nieuw Ringvaart aquaduct (€ 80 miljoen). Bij OV en Spoor gaat het om no-regret maatregelen in het kader van het gebiedsprogramma Utrecht (€ 13,9 miljoen), no-regret maatregelen bij Den Haag in het kader van het gebiedsprogramma Rotterdam-Den Haag (€ 50 miljoen), maatregelen ten aanzien van regionale knelpunten (€ 16,4 miljoen), kleine projecten goederenvervoer (€ 19 miljoen) en omgevingsmaatregelen bij PHS Meteren – Boxtel (€ 15 miljoen). Bij Hoofdvaarwegennet zijn geen middelen ingezet uit de aanvullende post. De aanvullende programmering leidt tot een hogere apparaatsbehoefte. Het gaat om zowel hogere apparaatsuitgaven van Rijkswaterstaat (€ 3,1 miljoen) als IenW (€ 21,6 miljoen).

De inzet van middelen aan nieuwe projecten en programma’s geschiedt via het MIRT-spelregelkader. In het MIRT Overzicht en de productartikelen van het Infrastructuurfonds treft u nadere informatie aan over bovengenoemde projecten en programma’s.

Overprogrammering

Het instrument overprogrammering wordt door het Kabinet ingezet om te zorgen dat de budgetten voor aanleg van infrastructuur daadwerkelijk tot besteding komen in de jaren waarin deze beschikbaar zijn gesteld. Op het Infrastructuurfonds fluctueert de programmering en is per jaar afwisselend sprake van een situatie van over- en onderprogrammering. Over de begrotingsperiode tot en met 2024 is per saldo sprake van een overprogrammering van circa € 1,5 miljard. In de totale periode tot en met 2033 is het volledige programma altijd gedekt. Voor de verdere toelichting voor opzet en werking van het instrument op de fondsen wordt naar de leeswijzer van het Infrastructuurfonds verwezen. In de artikelsgewijze toelichtingen is de jaarlijkse omvang van de overprogrammering opgenomen.

Overprogrammering Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)

Artikel

2019

2019–2024

12 Hoofdwegen1

– 148

– 1.464

13 Spoorwegen

– 31

15 Hoofvaarwegen

– 79

17 Megaprojecten

– 36

Totale overprogrammering

– 294

– 1.464

Noot 1: inclusief Megaproject Zuidasdok

Vanuit beheersingsoogpunt is overprogrammering op de fondsen gemaximeerd in de begrotingsperiode op € 2,2 miljard.

Totale overprogrammering fondsen (bedragen x € 1.000)

Fonds

2019

2019–2024

Infrastructuurfonds

– 294

– 1.464

Deltafonds

– 109

– 516

Totale overprogrammering

– 403

– 1.980

Gemiddelde uitgaven

Onderstaand zijn de gemiddelde jaarlijkse uitgaven per productartikel in de periode 2019–2033 gepresenteerd.

Gemiddelde jaarlijkse uitgaven van het Infrastructuurfonds 2019–2033 (bedragen x € 1 miljoen; gemiddeld per jaar: € 5.677 miljoen)

Flexnorm

In de begroting 2018 is de flexnorm geïntroduceerd, waarmee het inzicht in de meerjarige hardheid van de bestuurlijke afspraken is aangescherpt. De flexnorm is een percentage dat aangeeft welk aandeel van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte) naar mening van het kabinet flexibel is om bij nieuwe planvorming te betrekken. Het betreft de ruimte binnen de begroting waar nog geen definitieve oplossing is bepaald en gekozen kan worden voor een alternatieve aanwending of oplossing. Overigens geldt ook dat waar wél bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, maar er nog geen juridische verplichtingen zijn aangegaan, de budgetten nog altijd onverminderd door de Tweede Kamer te amenderen zijn.

In de begroting 2019 zijn alle planflexibele budgetten van het Infrastructuurfonds overgeheveld naar een nieuw artikel, namelijk artikel 20 Verkenningen, reserveringen en investeringsruimte. Hiermee wordt het inzicht in de flexnorm verder verbeterd.

In onderstaande tabel is weergegeven welke budgetten in de begroting 2020 conform hierboven geschetste flexnorm flexibel zijn om bij nieuwe planvorming te betrekken.

Artikel onderdeel

Omschrijving

Budgetten t/m 2033 (€ miljoen.)

20.01

Verkenningen

1.050

20.02

Korte termijn mobiliteitsmaatregelen

10

20.03

Reserveringen

1.079

20.04

Generieke investeringsruimte

5.442

20.05

Investeringsruimte toebedeeld naar modaliteit

3.428

Totaal

11.008

Als percentage van de aanlegbudgetten (inclusief investeringsruimte)

11,5%

Noot 1: Hoofdwegennet 53,5%, Spoorwegen 39,5% en Hoofdvaarwegennet 7%.