Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.3 Horizontale ontwikkeling inkomsten en lasten

In 2020 ontvangt het Rijk 305,5 miljard euro aan belastingen en premies. Daarvan zijn de loon- en inkomensheffing, de omzetbelasting (btw), zorgpremies, premies werknemersverzekeringen en de vennootschapsbelasting (vpb) (zie figuur 2.3.1) budgettair het belangrijkst.

Figuur 2.3.1 Inkomsten 2020 (in miljarden euro)
In 2019 nemen de inkomsten met 16,6 miljard euro toe ten opzichte van 2018. Dat komt vooral door de economische groei. Dit is te zien in tabel 2.3.1. De omvang van de economie neemt in 2019 met 4,4 procent toe31 en dat werkt ongeveer net zo sterk door in de belastinginkomsten. Beleidsmaatregelen leiden in 2019 tot 3,8 miljard euro hogere belasting- en premieontvangsten.

De belasting- en premieontvangsten groeien in 2020 met 3,9 miljard euro. Door de economische groei nemen de inkomsten in 2020 toe met 9,3 miljard euro. De groei van het aantal banen en hogere lonen leiden tot meer loon- en inkomensheffing. De groei van bedrijfswinsten zorgt voor hogere vpb-ontvangsten. Bovendien worden de btw-ontvangsten hoger, doordat de consumptie toeneemt. Beleidsmaatregelen zorgen in 2020 voor 5,4 miljard euro lagere belasting- en premieontvangsten op EMU-basis. Dat komt voornamelijk door een lagere loon- en inkomensheffing (-3,9 miljard euro), energiebelasting (-1,1 miljard euro) en de dividendbelasting (-0,9 miljard euro).

Tabel 2.3.1 Ontwikkeling inkomsten in 2018-2020

(in miljarden euro)

2018

2019

2020

Belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis

221,2

233,3

235,5

waarvan belastingen

178,6

193,0

193,8

waarvan premies volksverzekeringen

42,7

40,2

41,7

Premies Werknemersverzekeringen

63,9

68,4

70,1

Totaal

285,1

301,7

305,5

Mutatie

 

16,6

3,9

waarvan endogene groei

 

12,9

9,3

waarvan beleidsmaatregelen

 

3,8

‒ 5,4

    

Endogene mutatie (in procenten)

 

4,5%

3,1%

Waardeontwikkeling BBP (in procenten)

 

4,4%

3,1%

Vanaf 2020 daalt de collectieve lastendruk. Dat komt vooral door beleidsmaatregelen. Lastenverlichting zorgt ervoor dat de totale belasting- en premieontvangsten minder sterk toenemen dan de economie. Zowel in 2019 als in 2020 nemen de endogene belasting- en premieontvangsten, ofwel de ontvangsten bij ongewijzigd beleid, ongeveer net zo snel toe als de omvang van de economie. Dat is niet altijd het geval. Figuur 2.3.2 laat zien hoe de belasting- en premieontvangsten zich jaar-op-jaar ontwikkelen ten opzichte van het bbp. Tijdens de crisis bleven de endogene ontvangsten achter bij de groei van het bbp. Toch steeg de collectieve lastendruk. Dat was van 2010 tot en met 2014 vooral het gevolg van lastenverzwarende beleidsmaatregelen om de overheidsfinanciën op orde te krijgen; in 2016 met name door de economische groei. In 2019 zorgen beleidsmaatregelen voor een opwaarts effect (onder andere hogere zorgpremies en de btw-verhoging), ook al neemt het kabinet ook maatregelen die een neerwaarts effect hebben (zoals het verlagen van de lasten op arbeid). In 2020 en 2021 zal sprake zijn van een afname door beleidsmaatregelen. Daarmee neemt de collectieve lastendruk weer iets af.32
Figuur 2.3.2 Ontwikkeling inkomsten ten opzichte van het bbp33Bron: Ministerie van Financiën (links) en CPB (rechts)

In vergelijking met 2008 komen vooral de premies zorgverzekeringswet en de loon- en inkomensheffing hoger uit. Figuur 2.3.3 toont de ontwikkeling van de belangrijkste inkomstencategorieën ten opzichte van 2008. Door de stijging van de zorgkosten zijn de premies zorgverzekeringswet hoger geworden. Beleidsmaatregelen zorgen voor een aanzienlijk deel van het hogere aandeel van de loon- en inkomensheffing. Dat geldt ook voor de omzetbelasting, sinds 2008 zijn beide tarieven verhoogd.

Figuur 2.3.3 Ontwikkeling inkomsten 2008 tot en met 2018, verandering in procentpunt bbpBron: CPB en ministerie van Financiën
Het kabinet verlaagt de lastendruk met bijna 9 miljard euro ten opzichte van het basispad in de kabinetsperiode.34 De maatregelen die hiervoor moeten zorgen, gaan gefaseerd in. De eerste stappen heeft het kabinet in 2018 en 2019 al gezet. Vanaf 2020 leidt het Regeerakkoord per saldo tot lagere lasten, door de lagere loon- en inkomensheffing. Dit is te zien in figuur 2.3.4. De beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 wordt naast het beleid uit het Regeerakkoord bepaald door het basispad. Het basispad zorgt voor een lastenverzwaring van 9,0 miljard euro. Dit basispad bestaat uit maatregelen van vorige kabinetten en hogere zorgpremies door de stijgende zorgkosten. Daarnaast leidde de doorwerking van het Regeerakkoord op de zorgpremies en de compensatie hiervan tot een lastenverzwaring van 0,8 miljard euro. Het basispad en de doorwerking van het Regeerakkoord op de (compensatie) zorgpremies leiden samen met de lastenverlichting van het kabinet in totaal tot een beleidsmatige lastenverzwaring van 1,0 miljard euro deze kabinetsperiode.
Figuur 2.3.4 Effect kabinetsbeleid op de lastenontwikkeling (links) en de totale lastenontwikkeling 2018-2021, uitgesplitst naar belastingsoorten (effect in miljarden euro)

Meer banen en hogere lonen zorgen voor meer loon- en inkomensheffing. Hetzelfde geldt voor hogere winsten van zelfstandigen en minder hypotheekrenteaftrek door de gedaalde rente. De economische ontwikkeling zorgt zo in 2019 voor 6,1 procent en in 2020 voor een 4,4 procent hogere loon- en inkomensheffing. Vanaf 2008 zijn de lasten op arbeid gestegen. Zonder de plannen van dit kabinet zouden deze lasten verder stijgen.

Het kabinet verlaagt de lasten op arbeid, waardoor de loon- en inkomensheffing 3,9 miljard euro lager uitkomt in 2020. Zo wordt (meer) werken lonend(er), wat een positief effect heeft op zowel de koopkracht van werkenden als op de arbeidsparticipatie. Het kabinet bereikt dit onder meer door een tweeschijvenstelsel (met lagere tarieven) in te voeren in box 1 van de inkomstenbelasting en door een hogere algemene heffingskorting en arbeidskorting. Door de in het Regeerakkoord vastgelegde lastenverlichting voor 2021 naar voren te halen verlagen de maatregelen van het kabinet de ontvangsten uit de loonheffing in 2020 extra sterk, bovenop verlaging met 4,4 miljard euro in 2019. Daardoor daalt de komende jaren het aandeel van de loon- en inkomensheffing (als procent van het bbp). Dit laat figuur 2.3.5 zien.

De btw-opbrengst stijgt door de economische groei. Door de stijging van de particuliere consumptie en vooral de investeringen in woningen stijgen de btw-ontvangsten sterker dan het totale bbp. In 2019 nam het aandeel van de btw daarnaast toe door de verhoging van het verlaagde tarief naar 9 procent. Ondanks deze tariefsverhoging en de eerdere verhoging van het algemene tarief komen de btw-ontvangsten als percentage van het bbp ook in 2021 lager uit dan voor de crisis. Dat hangt samen met het achterblijven van de consumptie bij de economische groei.35
Figuur 2.3.5 Belasting- en premieontvangsten inclusief (doorlopende lijn) en exclusief beleid Rutte-III (stippellijn) (in procent bbp)
Door beleidsmaatregelen uit het Regeerakkoord stijgt het aandeel van milieu- en energiebelastingen.36 Het kabinet wil dat milieuvervuilende keuzes duurder worden. Daarom heeft het kabinet in het Regeerakkoord de energiebelasting en de afvalstoffenheffing verhoogd. Daarnaast zet het kabinet in op Europese afspraken over belastingen op luchtvaart, met als terugvaloptie om per 2021 vliegbelasting in Nederland in te voeren. Het is immers logischer om belasting te heffen op wat we als samenleving niet willen dan op dat wat we wél willen. Zo stimuleert het kabinet consumenten en bedrijven om in hun keuzes meer rekening te houden met milieuvervuiling. Als vervuilende producten duurder zijn, maken zij eerder de keuze voor duurzamere goederen en diensten. Dat is belangrijk voor het heden, maar zeker ook voor de toekomst.

Ook het Klimaatakkoord bevat veel fiscale maatregelen. Die ondersteunen de transitie naar elektrisch vervoer, zorgen voor een verschuiving van de energiebelasting van burgers naar bedrijven via een hogere Opslag Duurzame Energie en dragen bij aan verduurzaming in de industrie door een CO2-heffing. Elektrisch rijden wordt gestimuleerd met aanpassingen in de bpm (belasting van personenauto’s en motorrijwielen), motorrijtuigenbelasting en bijtelling. Om overstimulering te voorkomen, zal worden gemonitord hoe het aantal elektrische auto’s zich ontwikkelt. Als dat nodig is, kan de fiscale stimulering indien nodig worden beperkt. De energiebelasting wordt aangepast zodat een sterkere prikkel ontstaat om te verduurzamen doordat investeringen in verduurzaming zich sneller terugverdienen. Extra middelen die op deze manier worden opgehaald worden teruggegeven via de belastingvermindering en een lager energiebelastingtarief van de eerste schijf voor elektriciteit. Daar staan hogere tarieven voor bedrijven tegenover. Om de CO2-reductie in de industrie te bewerkstelligen wordt met een CO2-heffing een prikkel voor de industrie geïntroduceerd om te verduurzamen. Deze heffing kent een afnemende vrije voet waardoor de heffing wordt geheven over de tonnen die de sector teveel uitstoot. De heffing loopt in combinatie met de ETS-prijs op tot een hoogte tussen de 125 en 150 euro per ton in 2030.

Figuur 2.3.6 Fiscale maatregelen Klimaatakkoord (in miljoenen euro, - is lastenverlichting)
De groei van de winsten -en daarmee ook van de inkomsten uit vennootschapsbelasting (vpb)- zwakt af. De vpb is een zeer conjunctuurgevoelige belastingsoort. Door de sterke groei van bedrijfswinsten en minder verrekende verliezen uit het verleden is de vpb vanaf 2014 veel sterker toegenomen dan de omvang van de economie. Dat laat figuur 2.3.7 zien, die aantoont dat deze sterke groei in de jaren 2014-2018 vrijwel volledig veroorzaakt wordt door de economische groei.37 In 2019 en 2020 nemen de ontvangsten uit de vennootschapsbelasting minder sterk toe dan het bbp.
Figuur 2.3.7 Ontwikkeling (jaar-op-jaar) vennootschapsbelasting ten opzichte van het bbp

Vanaf 2021 neemt de vennootschapsbelasting af door beleidsmaatregelen. Het kabinet verlaagt de vpb-tarieven naar 15 en 21,7 procent in 2021. In combinatie hiermee wordt de belastinggrondslag verbreed. In 2019 heeft de grootste verbreding van de grondslag plaatsgevonden, waardoor bedrijven meer vpb gaan betalen en het aandeel in het bbp in 2019 toeneemt (zie figuur 2.3.7). In 2020 wordt de grondslag verder verbreed door een specifieke renteaftrekbeperking in de vorm van een minimumkapitaalregel. In aanvulling op de in 2019 geïmplementeerde earningsstrippingmaatregel zorgt deze maatregel voor een fiscaal minder ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen voor banken en verzekeraars. In 2021 volgt een verdere grondslagverbreding door een verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox naar 9 procent en aanpassing van de liquidatie- en stakingsverliesregeling, in lijn met het (concept-)initiatiefwetsvoorstel dat door het Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) c.s. op 16 april 2019 ter consultatie is aangeboden. Daarnaast wordt de betalingskorting voor de vennootschapsbelasting afgeschaft. Per saldo zorgt de tariefsverlaging vanaf 2021 voor lagere vpb-inkomsten en een afname van het aandeel van de vpb in het bbp. Daarnaast zet het kabinet in op de aanpak van belastingontwijking. In 2021 implementeert het kabinet een conditionele bronbelasting op rente en royalty’s. Zo wil het kabinet een einde maken aan het gebruik van het Nederlands belastingstelsel voor doorstroomactiviteiten naar zogenoemde «laagbelastende landen».

De lastenontwikkeling voor bedrijven is tijdens deze kabinetsperiode gunstiger voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) dan voor grote ondernemingen. De tariefsverlaging in de vpb komt ten goede aan beide. De grondslagverbreding in de vpb wordt echter voor het overgrote deel opgebracht door grote ondernemingen, en maar beperkt door het mkb. Sinds Prinsjesdag 2018 heeft het kabinet een aantal maatregelen genomen die voor het mkb ten opzichte van grote ondernemingen relatief gunstig uitpakken. Zo is bij het heroverwegingspakket dividendbelasting besloten om het lage vpb-tarief verder te verlagen, naar uiteindelijk 15 procent. Ook op de lange termijn pakken de maatregelen voor het mkb gunstiger uit dan voor grote ondernemingen. Maatregelen die na de kabinetsperiode een lastenverzwarend effect hebben (zoals de beperking van de verliesverrekening en de implementatie van de maatregelen uit de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD)) slaan namelijk vooral neer bij grote ondernemingen.