Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3.2 Menselijk kapitaal

Nederland heeft veel en hoogwaardig menselijk kapitaal. Menselijk kapitaal is een maatstaf voor de hoeveelheid kennis en kunde die de bevolking van een land heeft en hoe die wordt ingezet. Op hoofdlijnen staat Nederland er op dat gebied goed voor. Zo is het opleidingsniveau in Nederland redelijk hoog, is het aantal vroegtijdige schoolverlaters laag en zijn veel mensen aan het werk. Nederland hoort bij de landen met de hoogste arbeidsparticipatie ter wereld. Tegelijkertijd is er een aantal uitdagingen: veel mensen in Nederland werken in deeltijd, de arbeidsmarkt is nog niet volledig toegerust op de toekomst en het onderwijs staat voor uitdagingen.

Nergens ter wereld werken zoveel mensen in deeltijd als in Nederland. Zoals uit figuur 3.2.1 blijkt, werken vooral Nederlandse vrouwen veel in deeltijd. Ook Nederlandse mannen werken gemiddeld weinig uren. Gemiddeld werkt een Nederlandse vrouw een volle dag per week minder dan het Europese gemiddelde en bij mannen is dat verschil maar iets kleiner. Het verschil tussen vrouwen en mannen ontstaat al aan het begin van de loopbaan. Bijna twee op de drie vrouwen die net de arbeidsmarkt zijn opgegaan - in de meeste gevallen dus nog voordat er kinderen in het spel zijn - werken in deeltijd.41 Iets minder dan 20 procent van hen werkt in een zogenoemde kleine deeltijdbaan (1-19 uur), circa 45 procent werkt in een grote deeltijdbaan (20-34 uur) en circa 37 procent van hen werkt voltijds. Voor mannen is dit beeld omgekeerd: 70 procent van de mannen werkt in een voltijdbaan, 20 procent in een grote en 10 procent in een kleine deeltijdbaan.42 

De mogelijkheid tot deeltijdwerk is waardevol, maar heeft ook nadelen. Enerzijds heeft deeltijdwerk veel positieve aspecten, en biedt het velen de gewenste balans tussen werk en privé. Nederlandse vrouwen blijken over het algemeen tevreden met hun deeltijdbaan. Anderzijds kan deeltijdwerk een gevolg zijn van belemmeringen om meer te werken, of worden beschouwd als onderbenutting van menselijk kapitaal en vrouwelijk talent, zeker als we bezien dat vrouwen in de toekomst hoger opgeleid zullen zijn dan mannen. En iemand die in deeltijd werkt is minder vaak economisch zelfstandig en daardoor meer kwetsbaar als het inkomen van een partner wegvalt. Diverse institutionele en maatschappelijke factoren begunstigen de deeltijdcultuur in Nederland, zoals de heersende sociale normen, het belasting- en toeslagenstelsel, verlofregelingen en de kinderopvang. Dit najaar verschijnt het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijd, samen met de kabinetsreactie op dit rapport. Het onderzoek zal ingaan op de stand van zaken, de oorzaken en de gevolgen van deeltijdwerk, en vervolgens beleidsvarianten presenteren waarmee de overheid de beperkingen kan wegnemen die worden ervaren bij het nemen van beslissingen over het aantal arbeidsuren. Het IBO zal voor verschillende visies aanbevelingen doen in de vorm van beleidspakketten.

Figuur 3.2.1 Percentage werkenden in deeltijd (minder dan 30 uur per week)Bron: OESO

De Nederlandse arbeidsmarkt kent veel flexwerkers. In internationaal opzicht werken in Nederland uitzonderlijk veel mensen in een flexibel dienstverband of als zelfstandige zonder personeel. Zij dragen bij aan de concurrentiekracht, dynamiek en flexibiliteit van de Nederlandse arbeidsmarkt en economie. Toch zijn er ook zorgen. De heterogeniteit onder met name zzp’ers is groot en hoewel het met veel van hen goed gaat is er ook een groep (schijn)zelfstandigen ontstaan die grote onzekerheid ervaart over werk en inkomen. Die zzp’ers bevinden zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt waar ze zonder bodem concurreren op beloning en arbeidsvoorwaarden. Met elkaar, maar ook op een ongelijk institutioneel speelveld met werknemers. Dat leidt tot neerwaartse druk op het inkomen en de arbeidsvoorwaarden van zowel zzp’ers als van werknemers die met zzp’ers moeten concurreren. Zo is slechts 20 procent van de zzp’ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid en kennen zelfstandigen een veel hoger armoederisico dan werknemers. Er zijn daarnaast aanwijzingen dat de toename van het aantal zzp’ers druk uitoefent op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in Nederland. Het kabinet treft daarom een breed pakket aan maatregelen om ongewenste effecten van de toename van flexibele dienstverbanden en zelfstandigen tegen te gaan door de institutionele verschillen tussen groepen te verkleinen. Zo verkleint de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB), die begin 2019 werd aangenomen, de verschillen tussen vast en flexibel werkenden. Ook introduceert het kabinet vanaf 2021 een minimumtarief van 16 euro per uur voor zzp’ers. Voor die laatste groep geldt bovendien dat de zelfstandigenaftrek vanaf 2020 in jaarlijkse stappen van 250 euro wordt teruggebracht tot 5000 euro. Tegelijkertijd wordt de arbeidskorting in 2020, 2021 en 2022 stapsgewijs verhoogd, waardoor effectief de fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers worden verkleind, maar zelfstandigen er in de kabinetsperiode niet op achteruit gaan. Dit past, evenals het minimumtarief en de maatregelen die worden genomen met de WAB, in het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden en de behoeften/wensen van werkgevers en werkenden. Met deze maatregelen wordt een antwoord geboden op enkele urgente knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar die is daarmee nog niet af. De Commissie Regulering van Werk onderzoekt welke meer fundamentele aanpassingen nodig zijn om het arbeidsmarktbeleid toekomstbestendig te maken. Naar verwachting verschijnt het advies van de commissie eind 2019.

Het Nederlandse onderwijs is van hoog niveau, maar kent uitdagingen. Het Nederlandse onderwijsstelsel doet het op veel punten goed. Dit kabinet investeert veel in het onderwijs onder andere ten behoeve van salaris, werkdrukverlichting, het wegwerken van onderwijsachterstanden en het stimuleren van technisch onderwijs. De aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt is in vergelijking met andere landen, in veel gevallen goed. Ongeveer de helft van de jonge mensen die het onderwijs uitstromen heeft een hogeronderwijsdiploma. Jongeren met een niet-westerse migratie-achtergrond lopen hun achterstand in het onderwijs in.43 Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar er zijn ook uitdagingen.
De opgave is ook voor de komende jaren nog groot. Het funderend onderwijs staat onder druk in de context van een moeilijke arbeidsmarktsituatie in combinatie met de uitstroom van veel deskundig personeel ten gevolge van vergrijzing en de eisen die de maatschappij aan het onderwijs stelt. De Inspectie van het Onderwijs constateert dat het aantal hoogpresteerders op de basisschool is afgenomen en dat het aantal kinderen dat het minder goed doet juist is toegenomen. Ook zijn er grote verschillen in hoe goed scholen het doen. Het aantal goede of excellente basisscholen is in 2018 toegenomen, maar het aantal zeer zwakke scholen ook.44 Dat is zorgelijk, omdat het bereikte onderwijsniveau sterk samenhangt met iemands persoonlijke welvaart en welzijn later in het leven. Bijvoorbeeld als het gaat om de kans op werk en inkomen, om levensduur en gezondheid.45 In het mbo ligt er een uitdaging om een goede aansluiting op de arbeidsmarkt te borgen, vooral voor jongeren in een kwetsbare positie. Op het gebied van internationalisering zoekt het hoger onderwijs een nieuwe balans tussen enerzijds het belang van internationalisering en anderzijds de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en het belang van de Nederlandse taal.
Kinderen met dezelfde capaciteiten krijgen niet altijd dezelfde kansen. Sinds het schooljaar 2014 ‒ 2015 is het toetsadvies dat volgt uit de eindtoets aanvullend op het schooladvies. Het dient daarmee als onafhankelijk tweede gegeven bij de toelating tot het voortgezet onderwijs. De toelating tot het voortgezet onderwijs is dus niet afhankelijk van de eindtoets; deze laatste wordt ook pas afgenomen nadat het schooladvies al is bepaald. Wel zijn scholen verplicht het schooladvies te heroverwegen wanneer het toetsadvies hoger is dan het schooladvies. Sinds het schooladvies een leidende positie heeft gekregen, zijn echter zorgen ontstaan over kansenongelijkheid. Leerlingen met hoger opgeleide ouders krijgen bij een gelijke toetsscore namelijk vaker hogere schooladviezen dan leerlingen met lager opgeleide ouders. Ook leerlingen in minder stedelijke gebieden krijgen vaker een lager schooladvies dan het toetsadvies en minder vaak een bijgesteld schooladvies.46 Deze verschillen leiden tot ongelijke kansen tussen deze groepen en mogelijk ook tot onbenut potentieel bij kinderen met laagopgeleide ouders en kinderen in minder stedelijke gebieden. Het kabinet heeft een aantal stappen gezet om deze ongelijkheid te beperken. Er wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel met als inzet om vanaf het schooljaar 2021 ‒ 2022 de eindtoets te vervroegen, zodat deze direct na het schooladvies plaatsvindt.47 Ook is het voorstel om leerlingen pas met het definitieve schooladvies bij het voortgezet onderwijs in te laten schrijven. Daardoor kan het niet meer voorkomen dat er voor leerlingen met een bijgesteld advies geen plaats is op dat niveau in het voortgezet onderwijs.
Goed onderwijs op vroege leeftijd vormt een belangrijke basis voor je menselijke kapitaal. Wat kinderen op jonge leeftijd leren, zowel op het gebied van cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden, is belangrijk; de hersenen van jonge kinderen kunnen zich nog gemakkelijker ontwikkelen. Wat je op jonge leeftijd leert, legt het fundament voor de vaardigheden en kennis die je later in het leven opdoet.48 Investeren in (jonge) kinderen levert vaak positieve effecten op, ook op de lange termijn, al hangt dat af van hoe programma’s voor vroeg- en voorschoolse educatie (vve) worden vormgegeven.49 In Nederland kunnen peuters en kleuters met een risico op een taal- en/of ontwikkelachterstand in hun jonge jaren door middel van vve worden ondersteund. Hierdoor beginnen zij de basisschool niet met een (grote) achterstand. De programma’s richten zich op het verder ontwikkelen van de Nederlandse taal, maar ook op het stimuleren van belangrijke vaardigheden, zoals beginnend rekenen en sociaal-emotionele vaardigheden. De situatie in Nederland is wel voor verbetering vatbaar: de kwaliteit kan worden verhoogd, het opleidingsniveau van vve-medewerkers kan omhoog en kinderen kunnen meer uren volgen. Daarnaast wordt niet altijd de doelgroep bereikt: niet alle gemeenten hebben hun doelgroep goed in beeld en in een kwart van de gemeenten zijn niet genoeg plaatsen voor alle kinderen met een risico op een achterstand.50 In een aantal grote steden is het aantal aanmeldingen - juist bij kinderen met een risico op een achterstand - teruggelopen. Het kabinet benadrukt het belang van vve en heeft bij Regeerakkoord structureel 170 miljoen euro extra beschikbaar gesteld aan gemeenten en scholen, de partijen die verantwoordelijk zijn voor vve.51