Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3.3 Economisch kapitaal

Nederland is sterk uit de crisis gekomen. De Nederlandse economie heeft zich veerkrachtig getoond in de nasleep van de financiële crisis. Ondertussen staat de economie er weer sterk voor. Naast het menselijk kapitaal heeft Nederland ook op andere terreinen een solide fundament onder de economie, zoals een hoogwaardige infrastructuur en een goed functionerende rechtsstaat. Juist in goede tijden blijft het echter belangrijk om te blijven werken aan het economisch kapitaal. Zo hebben Nederlandse huishoudens relatief hoge schulden en zijn er relatief strenge regels voor faillissementen. Ook vraagt de krapte van de woningmarkt om extra inzet, zodat de toegankelijkheid van de woningmarkt wordt verbeterd. Daarnaast blijft vrijhandel en eerlijke concurrentie van groot belang voor de Nederlandse economie.

Financiële schokken zijn slecht voor welvaart en welzijn. Een economische of financiële crisis brengt grote schade toe aan de welvaart, ook op persoonlijk niveau. Werkloos raken (en blijven) is immers nadelig voor het persoonlijke welzijn. Daarom is het belangrijk om economische schokken te voorkomen of beperken. Dat geldt zeker voor groepen die relatief kwetsbaar zijn voor conjunctuuromslagen: denk aan flexwerkers en zzp’ers52, of lager opgeleiden en Nederlanders met een migratieachtergrond die vaker flexibel werk doen.53 Om de nadelige effecten van economische tegenslag op de welvaart en het welzijn van mensen te voorkomen of te beperken, is het van belang dat de Nederlandse economie schokbestendig is.

De hoge schulden van Nederlandse huishoudens vormen een risico voor de economie. Figuur 3.3.1 laat zien dat de Nederlandse hypotheekschuld in termen van bbp is gedaald, maar nog steeds hoog is in vergelijking met andere landen. Daartegenover staan gemiddeld grotere bezittingen. Maar in slechte tijden worden bezittingen als huizen of aandelen vaak minder waard, terwijl schulden hun waarde behouden. Hierdoor kunnen huishoudens «onder water» komen te staan; de schulden zijn dan hoger dan de bezittingen. Zeker huishoudens die weinig financiële buffers hebben, met hoge schulden kampen of onder water staan, consumeren dan ook minder. Om de prikkel te beperken om schulden aan te gaan is er sinds de crisis een aantal maatregelen genomen: het maximale aftrekpercentage van de hypotheekrenteaftrek wordt bijvoorbeeld afgebouwd. Ook is het sinds 2013 bij het afsluiten van nieuwe hypotheken verplicht om af te lossen, om aanspraak te kunnen maken op de hypotheekrenteaftrek. Daarnaast is de maximale schuld ten opzichte van de woningwaarde (loan-to-value of LTV) stapsgewijs verlaagd tot 100 procent. De risico’s als gevolg van schulden zijn daarmee afgenomen, maar blijven bestaan.

Figuur 3.3.1 Nederlandse huishoudschulden dalen, maar zijn hoog (in procent bbp)Bron: IMF
Beleid kan bijdragen aan de schokbestendigheid van de economie. Zo heeft Nederland een relatief geconcentreerd bankenlandschap, waardoor veel schuld op de balans staat van een klein aantal financiële instellingen. Het regelgevend kader geeft Europese banken een sterke prikkel om staatsobligaties op de balans te hebben, waardoor de kwetsbaarheid van banken en die van overheden elkaar kunnen versterken. Het kabinet zet daarom in Europees verband in op een goede risicoweging van staatsobligaties. Daarnaast is het Nederlandse faillissementsrecht relatief streng voor debiteuren (mensen met schulden). Dat heeft enerzijds voordelen, want investeerders zijn goed beschermd tegen wanbetaling en onverantwoord gedrag van debiteuren. De keerzijde daarvan is dat huishoudens in slechte tijden, ook bij problemen buiten hun eigen toedoen, moeilijk kunnen ontkomen aan het (volledig) betalen van hun schulden. Een te hoge schuldenlast kan bovendien op persoonlijk vlak nadelige gevolgen hebben. In Nederland heeft een op de vijf huishoudens problematische schulden. Problematische schulden hebben een enorme impact op iemands leven: mensen vragen vanwege schaamte of trots vaak geen hulp of doen dat te laat. Dit kan leiden tot stress, gezondheidsklachten en problemen met werk. Daardoor leiden problematische schulden, in combinatie met strenge regelgeving voor huishoudens met schulden, ook tot maatschappelijke kosten.54 Het kabinet zet zich met de zogenoemde brede schuldenaanpak in om problematische schulden te voorkomen en terug te dringen. Onderdeel van deze aanpak is een campagne om het schuldentaboe te doorbreken.

De krapte op de woningmarkt blijft aanhouden. Vooral starters blijven het moeilijk hebben op de woningmarkt. In vergelijking met doorstromers hebben zij over het algemeen een lager inkomen en spaarvermogen, geen overwaarde op een eerdere woning en soms studieschulden opgebouwd. Hierdoor kunnen ze minder voor een woning lenen. Tegelijkertijd heeft twee derde van de starters bij aanvang van de hypotheek een LTV-ratio van meer dan 90 procent terwijl dit voor de gemiddelde doorstromer minder dan 50 procent is. Starters lopen dus ook meer risico. Al wordt dat risico verkleind doordat nieuwe hypotheken tegenwoordig in 30 jaar minstens annuïtair moeten worden afgelost om aanspraak te kunnen maken op hypotheekrenteaftrek. Op de huurmarkt hebben de middeninkomens het lastig. De vrije huursector groeit, maar is nog steeds relatief klein, mede doordat de vrije huursector niet wordt gesubsidieerd (in tegenstelling tot de koop- en sociale huursector). Zeker in de grote steden is het aanbod van betaalbare middenhuurwoningen zeer beperkt: daar zijn de vraag en daarmee de prijzen het hoogst. Huishoudens met een middeninkomen verdienen vaak te veel om beroep te kunnen doen op een sociale huurwoning. Zo blijven er binnen de steden maar weinig opties voor deze groep over.

De prijzen van woningen stijgen nog steeds, maar wel minder hard. De vraag naar woningen is afgelopen jaren sterk toegenomen als gevolg van een lage rente en stijging in inkomens. Ook de bevolkingsgroei en toename van het aantal eenpersoonshuishoudens dragen bij aan de groeiende vraag naar woningen. Tegelijkertijd blijft het aanbod achter. Tijdens de crisis zijn er te weinig woningen gebouwd: daardoor is een inhaalslag nodig. De woningbouwproductie ligt inmiddels weer op een hoog niveau. De ambitie van de Nationale woonagenda is om jaarlijks 75.000 extra woningen te realiseren. In 2018 zijn 66.000 woningen nieuw gebouwd en zijn er daarnaast ongeveer 7.500 woningen toegevoegd door bestaande gebouwen te transformeren. Toch is het woningtekort flink opgelopen, doordat in de afgelopen jaren de woningbouw lang achterbleef bij de toegenomen vraag. De bouwproductie moet de komende jaren hoog blijven om dat tekort terug te dringen. De krapte op de Nederlandse woningmarkt zal naar verwachting op korte termijn dan ook aanhouden.55 Het hoog houden van de bouwproductie is geen eenvoudige opgave. Aandachtspunten zijn onder andere de capaciteit in de bouwsector en bij gemeenten, de (financiële) haalbaarheid van bestaande plannen en de toevoer van voldoende nieuwe realiseerbare bouwplannen.56 In de meest gespannen regio’s waar de bouwopgave het grootst is, werkt het kabinet samen met gemeenten en provincies binnen de zogenoemde woondeals. De afspraken die zijn gemaakt binnen de woondeals omvatten de bouwproductie, de aanpak van de gevolgen van krapte op de korte termijn, en langjarige samenwerking rondom gebieden die cruciaal zijn voor de toekomst van de steden. Doordat de bouwproductie lang achterbleef bij de vraag, zijn de prijzen van woningen sinds het dieptepunt in 2013 flink gestegen. In de eerste maanden van 2019 stegen de prijzen van koopwoningen wel minder hard ten opzichte van 2018. Hogere woningprijzen beperken op korte termijn de toegankelijkheid van de woningmarkt.

De toegankelijkheid van de woningmarkt moet worden verbeterd. Het kabinet heeft al eerste stappen gezet om de toegankelijkheid van de koop- en huurmarkt te verbeteren. In het Sociaal Huurakkoord zijn onder meer afspraken gemaakt over aanpassen van de jaarlijkse maximale gemiddelde huurverhoging van woningcorporaties. Dit bevordert de betaalbaarheid van sociale huurwoningen. Deze afspraken worden nu wettelijk vastgelegd. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijkheden om excessieve huurprijzen en huurprijsstijgingen tegen te gaan. Daarbij wordt ook gezocht naar de balans tussen instrumenten voor gemeenten om de woningvoorraad te beschermen en de mogelijkheden voor partijen in de markt om woningen te kunnen blijven bouwen. Het kabinet heeft daarnaast het voornemen om de DAEB-inkomensgrens voor toewijzing van sociale huurwoningen bij woningcorporaties te differentiëren naar huishoudsamenstelling. Ook is het voornemen om het mogelijk te maken de huur sneller te laten stijgen voor huishoudens met een hoog (midden)inkomen, zodat deze huishoudens een passende huur gaan betalen voor hun woning. Naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet wordt de regelgeving voor corporaties vereenvoudigd zodat zij hun maatschappelijke taken beter kunnen vervullen. Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven, maakt het kabinet 2 miljard vrij om ervoor te zorgen dat starters en middeninkomens sneller een woning kunnen vinden.

Internationale handel vergroot de totale welvaart en Nederland profiteert hier als open economie sterk van. Lange tijd is vrijhandel vanzelfsprekend geweest, ook al is er een groeiend besef dat, zeker op de korte termijn, niet iedereen in dezelfde mate profiteert van globalisering. De afgelopen jaren lijkt er in sommige delen van de wereld toenemende steun te zijn voor protectionistische maatregelen. Dit is zorgelijk omdat hiermee de voordelen van vrijhandel onder druk komen te staan. Internationale handel is namelijk geen zero sum game: de winst van het ene land is niet het verlies van de ander. Vrijhandel leidt tot een toename van de totale welvaart in de wereld. Dankzij handel specialiseren landen zich in economische activiteiten waar zij een comparatief voordeel hebben. Door deze specialisatie ontstaat een efficiënte verdeling van productiefactoren en kan de productiviteit toenemen. Er kan immers meer worden geproduceerd met dezelfde hoeveelheid productiefactoren. Ook profiteren huishoudens, de consumenten, van handel, omdat zij over een groter aanbod van goederen kunnen beschikken tegen lagere prijzen. Huishoudens met lagere inkomens profiteren hier meer van, omdat zij relatief gezien een groter deel van hun inkomen besteden aan goederen waarin relatief veel handel plaatsvindt, zoals voedsel en kleding. Nederland heeft veel baat bij vrijhandel. Voor Nederland als open economie is de export en import belangrijk: Nederland haalt ongeveer 30 procent van zijn toegevoegde waarde uit de export. En omdat goederen steeds meer worden geproduceerd in internationale waardeketens, zijn importtarieven extra schadelijk. Die leiden namelijk niet alleen tot hogere prijzen voor huishoudens, maar verhogen ook de inkoopprijzen van Nederlandse bedrijven die goederen exporteren. Dit heeft een negatief effect op onze welvaart. De overheid zal de welvaart beschermen door te blijven inzetten op vrije handel, waarbij publieke belangen op het gebied van bijvoorbeeld duurzaamheid, inclusiviteit en veiligheid zijn gewaarborgd. Dat doet het kabinet onder andere door afspraken te maken over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) in internationale waardeketens en door duurzaamheids- en klimaatafspraken verder vast te leggen in het internationale handelssysteem.

De overheid speelt een rol in het borgen van publieke belangen. De overheid grijpt in wanneer er bijvoorbeeld sprake is van marktfalen waardoor de maatschappelijke welvaart daalt. De overheid kan ook ingrijpen om de inkomensverdeling te corrigeren. Daarvoor heeft de overheid verschillende instrumenten tot haar beschikking. De meestgebruikte zijn wet- en regelgeving en beprijzing. Ook kan de overheid wettelijke normen vastleggen, bijvoorbeeld op het terrein van voedsel en arbeid, en kan zij subsidies verstrekken en belastingen innen. Als de overheid meer zeggenschap nodig heeft om het publieke belang te borgen, kan zij ook een agentschap of zelfstandig bestuursorgaan instellen. Als de overheid de uitvoering wil onderbrengen in een vennootschap, kan de overheid een deelneming nemen. Er moeten wel aantoonbare dwingende redenen zijn om publieke middelen in een vennootschap te investeren. Hoe groter en verstorender het overheidsingrijpen is, hoe meer waakzaamheid is geboden: er kan immers ook overheidsfalen optreden. Binnen de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen wordt onderzocht hoe de overheid publieke belangen het beste kan borgen, bijvoorbeeld op het gebied van economische veiligheid en met deelnemingenbeleid. Daarnaast verschijnt in 2020 een evaluatie van het deelnemingenbeleid; de lessen daaruit worden toegepast in een nieuwe Nota deelnemingenbeleid.

Nederland is gebaat bij eerlijke concurrentie. Oneerlijke concurrentieverhoudingen zijn ook een vorm van marktfalen. Misbruik van economische machtsposities of onwenselijke concentratie van bedrijven kunnen leiden tot hogere prijzen, ten nadele van de consument. Ook leidt teveel marktmacht tot minder investeringen, innovatie en productiviteit.57 Er is toenemende discussie over concurrentieverhoudingen, onder andere als gevolg van technologische ontwikkelingen. Zo neemt wereldwijd de concentratie van grote bedrijven toe, met de techsector als bekend voorbeeld. Daarin beheerst een aantal grote «superstar firms» een groot deel van de markt. Ook geopolitieke ontwikkelingen kunnen druk zetten op een eerlijk speelveld voor bedrijven in verschillende landen. In Nederland is de trend van toenemende concentratie (nog) niet zichtbaar.58 Om teveel marktmacht te voorkomen en effectieve concurrentie te bevorderen, hebben Nederland en de EU mededingingsregels. In Nederland worden deze gehandhaafd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en in Europa door de Europese Commissie. Marktmacht is immers bij uitstek een internationaal fenomeen. Ook in de toekomst blijft eerlijke concurrentie tussen bedrijven, en daarmee een scherpe handhaving van mededingingsregels, van groot belang voor consumenten en voor de economie als geheel. Het kabinet zet verder in op een gelijk speelveld ten opzichte van derde landen, met het doel om zowel binnen de Europese interne markt als daarbuiten Europese en niet-Europese ondernemingen onder vergelijkbare voorwaarden met elkaar te laten concurreren, zoals aangegeven in het Regeerakkoord. Specifiek voor grote techbedrijven met een poortwachtersfunctie pleit Nederland in Europa voor een aanvullende bevoegdheid, waarbij een toezichthouder vooraf (ex-ante-) maatregelen kan opleggen.