Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

3.4 Natuurlijk kapitaal

Natuurlijk kapitaal is belangrijk voor welvaart en welzijn. Mens en economie zijn afhankelijk van de natuurlijke leefomgeving en de producten en diensten die deze levert. Iedereen profiteert van schoon water, schone lucht en een mooie natuur. Het is belangrijk om het natuurlijk kapitaal waarvan we afhankelijk zijn, voldoende beschikbaar te houden. Daarvoor is het met name van belang om ecosystemen intact te houden en de brede biodiversiteit (hier en elders) te herstellen. Ook voor de economische ontwikkeling is het belangrijk dat het goed gaat met ons natuurlijke kapitaal. We gebruiken natuurlijk kapitaal immers dagelijks in economische processen, zoals de grondstoffen die nodig zijn om goederen te produceren. En de schade als gevolg van de opwarming van de aarde kan leiden tot reële financiële effecten en verlies van (toekomstig) bbp. Zo zijn economie en natuurlijk kapitaal op verschillende manieren nauw met elkaar verbonden. 

Schade aan ons natuurlijk kapitaal is niet (altijd) direct voelbaar in de portemonnee, toch is het welvaartsverlies reëel. Dit is te zien in een studie naar milieuschade van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL heeft hierin berekend wat het direct welvaartsverlies voor de huidige generatie is door milieuschade van emissies van schadelijke stoffen naar bodem, water en lucht. Deze schade drukt het PBL uit in geld op basis van milieuprijzen. Het gaat dan om allerlei vormen van schade, zoals verlies aan biodiversiteit, verlies aan productiviteit in de landbouw en gezondheidsschade voor de mens zoals ziektelast en vroegtijdige sterfte. Deze zogeheten monetarisering van milieuschade laat zien dat het welvaartsverlies 31 miljard euro bedraagt, zoals figuur 3.4.1 laat zien, en dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door broeikasgassen en luchtverontreiniging. De schade loopt zelfs op tot 37 miljard euro als ook de milieuschade wordt meegenomen van Nederlandse consumenten en bedrijven in het buitenland, en als de schade wordt weggelaten die veroorzaakt wordt door buitenlanders in Nederland. Achter deze cijfers zitten echte, voelbare effecten. Luchtverontreiniging kan leiden tot bijvoorbeeld longklachten, hart- en vaatziekten en vroegtijdige sterfte. Zo heeft het RIVM berekend dat ongeveer 3,5 procent van de ziektelast veroorzaakt wordt door oorzaken uit het buitenmilieu.59 Dat percentage correspondeert met ongeveer 11.900 vroegtijdige sterfgevallen en 800 miljoen euro aan directe zorgkosten per jaar.
Figuur 3.4.1 Monetaire milieuschade in miljarden euro's per verzoorzakende stof, 2015Bron: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Monetaire Milieuschade in Nederland

Het kabinet zet in op beperking van luchtverontreiniging met het Schone Lucht Akkoord. Met dit akkoord wil het kabinet in samenwerking met decentrale overheden in alle sectoren, een dalende trend bereiken van emissies naar de lucht. Het doel is om in 2030 50 procent gezondheidswinst te realiseren ten opzichte van 2016 (voor de gezondheidseffecten afkomstig van Nederlandse bronnen). Het kabinet heeft dit akkoord op hoofdlijnen gepresenteerd, waarbij gebruik is gemaakt van de analyses en bevindingen in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Luchtkwaliteit en de beleidsdoorlichting Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Om de gewenste doelen te bereiken, is het nodig dat de luchtkwaliteit in Nederland verbetert. Europees bronbeleid is daarvoor een belangrijke pijler; luchtkwaliteit houdt zich immers niet aan grenzen. Maar ook op nationaal, regionaal en stedelijk niveau kunnen maatregelen genomen worden. Deze moeten gericht zijn op het verbeteren van zowel de gemiddelde luchtkwaliteit in Nederland als het aanpakken van lokale knelpunten.

Klimaatbeleid en luchtkwaliteitsbeleid kunnen elkaar versterken. Met klimaatbeleid en luchtkwaliteitsbeleid zet het kabinet in op het beperken van milieuschade. Dat klimaatbeleid en luchtkwaliteitsbeleid elkaar ook kunnen versterken, blijkt uit het IBO Luchtkwaliteit. Klimaatbeleid heeft veel positieve neveneffecten op de luchtkwaliteit, omdat verminderde uitstoot van broeikasgassen vaak gepaard gaat met verminderde uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals fijnstof en stikstofdioxide. Door het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen en door na te denken over de inrichting van de landbouw en veeteelt, kan naast een reductie van broeikasgas ook een schonere lucht worden bereikt. 

De reductie van stikstofemissies is nodig. De Raad van State heeft het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ongeldig verklaard. Daardoor kunnen rijksprojecten, regionale projecten en private investeringen uitstel oplopen of niet doorgaan. De overheid werkt momenteel aan hervatting van vergunningverlening en een nieuwe aanpak stikstof.

Met het Klimaatakkoord wordt ingezet op een haalbare en betaalbare transitie. Het kabinet wil de directe kosten van klimaatbeleid voor de samenleving laag houden. Zo wordt de energietransitie haalbaar en betaalbaar. Het beleid is daarbij niet gericht op specifieke technieken (‘picking winners’), maar op het doel: CO2-reductie. Tussen en binnen sectoren zijn er kostenverschillen tussen de technieken waarop zij kunnen inzetten om CO2 te reduceren. Het kabinet zet in op een kosteneffectief pad richting 2030. Dit is een belangrijk uitgangspunt geweest bij het bepalen van indicatieve opgaven voor de gesprekken over het Klimaatakkoord. In de doorrekening van het ontwerp van het Klimaatakkoord (OKA) brengt het PBL in beeld wat de nationale kosten zijn voor de verschillende sectoren. Hieruit blijkt dat, gegeven de reductieopgaven uit het OKA, de gemiddelde nationale kosten om de uitstoot te beperken het laagst zijn bij de sector mobiliteit, gevolgd door landbouw en landgebruik. Het PBL constateerde dat de jaarlijkse nationale meerkosten van de voorstellen van het OKA in 2030 1,6 tot 1,9 miljard euro bedragen, wat neerkomt op minder dan 0,5 procent van het bbp in 2030. 

Tabel 3.4.1 Emissiereductie en nationale kosten op basis van ontwerp Klimaatakkoord (OKA)1De bovenstaande tabel is gebaseerd op de bovengrens van de bandbreedte van de emissiereductie die het PBL inschat op basis van het ontwerp van het Klimaatakkoord (OKA). Het Klimaatakkoord wijkt af van het OKA en heeft zodoende ook invloed op de bovenstaande tabel.
 

Bovengrens nationale kosten in miljoen euro

Gemiddelde nationale kosten per megaton emissiereductie in miljoen euro

Gebouwde omgeving

660

178

Mobiliteit

‒ 440

‒ 55

Landbouw en landgebruik

40

9

Industrie

430

31

Elektriciteit

1.190

57

Bron: eigen berekeningen op basis van doorrekening OKA van het PBL.

Beprijzen en normeren helpt om de kosten van de transitie beperkt te houden. Door de prijzen zo veel mogelijk in lijn te brengen met de maatschappelijke kosten en baten van producten, kunnen burgers en bedrijven worden gestimuleerd om te kiezen voor duurzame producten en productieprocessen. Het kabinet zet erop in dat de vervuiler meer gaat betalen. In de industrie wordt een CO2-heffing ingevoerd die oploopt tot 125 ‒ 150 euro per ton in 2030 en die gaat gelden over de te veel uitgestoten emissies. Ook gaat er een CO2-minimumprijs gelden voor elektriciteitsproductie. In de energiebelasting vindt er een schuif plaats waardoor elektriciteit relatief goedkoper en gas relatief duurder wordt. Het kabinet neemt tegelijkertijd maatregelen die ervoor zorgen dat het belastingdeel van de energierekening voor een huishouden in 2020 daalt. Daarnaast wordt er een vliegbelasting geïntroduceerd. Hiermee wil het kabinet vliegen, dat zorgt voor veel CO2-uitstoot, ontmoedigen. Tot slot dragen in het autodomein fiscale prikkels en Europese normen bij aan de reductie van emissies. Elektrisch rijden raakt steeds verder ingeburgerd. Mede daarom is op termijn een andere vormgeving van de autobelastingen noodzakelijk. Dit voorkomt dat een steeds kleinere groep de inkomsten opbrengt. Ook onder een nieuw stelsel moet iedereen die gebruikmaakt van infrastructuur in redelijkheid bijdragen aan de kosten. Betalen naar gebruik levert volgens het PBL potentieel een bijdrage aan minder files en uitstoot. Het kabinet zal daarom, voor de volgende kabinetsformatie, minstens drie varianten van betalen naar gebruik bij autorijden onderzoeken. Ook zal het daarbij voorbereidingen schetsen en waar mogelijk of nodig deze voorbereidingen treffen. De invoering van het nieuwe stelsel wordt betrokken bij de al voorgenomen belastingherziening in 2025.