Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

1.3 De situatie van Nederlandse huishoudens

Veel Nederlanders zijn tevreden over hun leven, maar maken zich zorgen over de samenleving. Over het algemeen zijn veel Nederlanders gelukkig: 88 procent van de ondervraagde volwassenen vindt zichzelf gelukkig, en een bijna even grote groep is tevreden met zijn of haar leven. Dat is positief. Ook in internationaal perspectief lijkt Nederland relatief goed gestemd. Dat betekent niet dat dit voor iedereen geldt; er is ook een groep niet tevreden met zijn of haar leven, zeker onder lager opgeleiden.7 Het optimisme over de economie en financiën is iets minder groot en ook minder gunstig dan in 2018. Ongeveer 80 procent van de ondervraagde Nederlanders geeft de economie een voldoende en is tevreden over de eigen financiële situatie. Over Nederland als geheel is er minder tevredenheid; slechts een minderheid (ongeveer 35 procent) vindt dat het met Nederland de goede kant op gaat. Dat geeft aan dat er nog steeds zorgen zijn, bijvoorbeeld over inkomensverschillen en de manier van samenleven.8 
Inkomensverschillen zijn behoorlijk stabiel, en de inkomensongelijkheid is relatief laag. Voor brede welvaart is niet alleen het niveau van welvaart van belang, maar ook hoe die welvaart in een land is verdeeld. Nederland kent een relatief gelijke inkomensverdeling. Nederland is in Europees opzicht een lage middenmoter, kijkend naar de Gini-coëfficiënt.9 De ongelijkheid van het besteedbaar inkomen, dus het inkomen na de heffing van premies en belasting en het ontvangen van uitkeringen en toelagen, is tussen 2011 en 2017 ook behoorlijk stabiel gebleven. Binnen sommige bedrijven is de kloof tussen het salaris van een gemiddelde werknemer en de top wel gegroeid.10 Sinds de crisis is het aantal armen afgenomen. In 2013 leefde 8 procent van de bevolking in armoede, en dat is gedaald tot minder dan 6 procent in 2017. Iets minder dan 4 procent had een inkomen dat niet voldoende is om aan alle basisbehoeften te voldoen.11 Ongeveer een op de negen kinderen in Nederland groeit op in armoede. Het kabinet zet in op het verkleinen van dit aantal en vindt het van belang dat elk kind in Nederland in de maatschappij mee kan doen.12 
Voor de meeste huishoudens wordt in 2020 een koopkrachtstijging verwacht. In 2019 stijgt de koopkracht naar verwachting met 1,2 procent en in 2020 met 2,1 procent. Met name werkenden gaan er volgend jaar sterk op vooruit. Hun koopkracht stijgt met 2,4 procent. Het kabinetsbeleid pakt in 2020 ook positief uit voor zelfstandigen. Tegenover de verlaging van de zelfstandigenaftrek staat namelijk een verhoging van de arbeidskorting. Daarnaast profiteren zelfstandigen net zoals andere huishoudens van het pakket lastenverlichtende maatregelen, dat wordt uitgelegd in paragraaf 2.1. Als gevolg hiervan stijgt hun koopkracht in 2020 met 2,0 procent.13 Het kabinet heeft namelijk, naast de maatregelen uit het Regeerakkoord, aanvullende maatregelen genomen om de koopkracht te bevorderen. Dat heeft geleid tot een hogere verwachte koopkrachtgroei in 2020. De ontwikkeling van de koopkracht hangt af van de lonen, de inflatie en het kabinetsbeleid. Stijgende lonen zijn positief voor de koopkracht, terwijl inflatie juist negatief is. De huidige koopkrachtgroei is deels het gevolg van lastenverlichtende maatregelen van het kabinet, waaronder een verlaging van de lasten op arbeid. Deze verlaging wordt gefaseerd ingevoerd. Hier staat tegenover dat huishoudens meer kwijt zijn aan hun levensonderhoud doordat onder andere het lage btw-tarief is verhoogd.
Het kabinet kan de koopkracht niet garanderen. De koopkrachtcijfers zijn voornamelijk afhankelijk van de algemene ontwikkeling van de lonen en prijzen. Het kabinet heeft maar voor een deel invloed op deze ontwikkelingen. De overheid sluit cao’s af voor ambtenaren, maar in de private sector worden de lonen afgesproken tussen werkgevers en werknemers. En weliswaar kunnen belastingmaatregelen doorwerken op de inflatie, maar de consumentenprijzen hangen ook af van bijvoorbeeld de marktprijzen voor voedsel en energie. De overheid draagt haar steentje bij door bijvoorbeeld de belasting op arbeid te verlagen, maar kan de koopkracht daarmee hoogstens bijsturen. En (nieuw) werk vinden, promotie maken, gaan samenwonen, verhuizen of een kind krijgen, heeft vaak een grotere invloed op de financiële situatie van een huishouden.14 Het is daarom moeilijk om met de koopkrachtcijfers in de hand te voorspellen wat er in de eigen portemonnee gebeurt. De koopkrachtcijfers zijn de best mogelijke inschatting op dit moment, maar gedurende het komende jaar wordt duidelijk hoe de lonen en inflatie zich daadwerkelijk ontwikkelen. Het is gedurende het jaar niet meer goed mogelijk om met beleid het koopkrachtbeeld nog wezenlijk te beïnvloeden.

De lonen zijn sinds de crisis beperkt gestegen. Nederlanders merken de positieve situatie op de arbeidsmarkt onder andere doordat het aantal banen sterk is toegenomen en de werkloosheid meer dan gehalveerd is. Dat is goed nieuws, want het hebben van werk is belangrijk voor het inkomen en de levenssituatie. Zoals paragraaf 1.1 aangeeft is de groei van de reële lonen (de loongroei minus inflatie) op dit moment beperkt. Een reden daarvoor is de lage productiviteitsgroei. Vanuit economisch perspectief moeten de lonen op termijn ongeveer in hetzelfde tempo groeien als de arbeidsproductiviteit en een lage productiviteitsgroei leidt dus tot een lagere loongroei. Figuur 1.3.1 laat echter zien dat dat niet de enige oorzaak is. De reële brutolonen (dus gecorrigeerd voor inflatie) zijn tussen 2000 en 2018 gegroeid, maar de groei was maar iets meer dan de helft van de productiviteitsstijging bij bedrijven. Van de 9 procentpunt die de lonen tussen 2000 en 2018 zijn achtergebleven, wordt ongeveer 5 procentpunt verklaard door een stijging van de sociale lasten en premies voor werkgevers. Sinds 2014 blijft de loonvoet (de totale loonkosten bij bedrijven) ook achter bij de productiviteit; dat verklaart de overige 4 procent. Ook huishoudens zijn sinds de crisis meer belastingen en premies gaan afdragen over hun inkomen, wat niet zichtbaar is in de grafiek. Dat was deels een gevolg van maatregelen die tijdens de crisis zijn genomen om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar ook vanwege een stijging in bijvoorbeeld de zorgpremies. In de komende jaren wordt verwacht dat de lonen gaan groeien en dat het verschil tussen de loonkosten en productiviteit kleiner wordt. Paragraaf 2.3 gaat verder in op deze lastenontwikkeling en op de maatregelen die het kabinet neemt om de lasten te beperken.

Figuur 1.3.1 Ontwikkeling arbeidsproductiviteit en lonen bedrijven (index, 2000=100) Bron: CPB (eigen bewerking)

Het niveau van belastingen en premies hangt samen met de omvang van de publieke voorzieningen. De toegenomen lasten voor huishoudens hebben een negatief effect op het beschikbaar inkomen, maar komen ten goede aan de Nederlandse publieke voorzieningen. Zo stijgen de zorgpremies, maar dat is een direct gevolg van extra overheidsmiddelen die beschikbaar komen voor zorg, waarvan huishoudens profiteren. Ook op andere terreinen stijgen de overheidsuitgaven (zie ook paragraaf 2.2) en nemen de uitgaven toe in verhouding tot de Nederlandse welvaart. Dit is een politieke keuze; als we een land willen zijn met goed onderwijs, een uitgebreide sociale zekerheid en goede en toegankelijke zorg, dan moet dat door belastingen worden gefinancierd. Het structureel en substantieel verlagen van de lasten is daarom alleen mogelijk als ook de overheidsuitgaven worden beperkt. In dat geval neemt het besteedbaar inkomen toe, maar leidt dat tot beperktere publieke diensten, een meer bescheiden sociale zekerheid of een grotere eigen bijdrage van huishoudens aan bijvoorbeeld zorg of onderwijs. Lagere uitgaven hoeven overigens niet tot een lagere kwaliteit te leiden, wanneer die uitgaven doelmatiger worden.