Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Kamerstuk 34 402

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de kwaliteit van de examinering wenselijk is om de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs aan te scherpen en daartoe de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd.

In artikel 1.1.1 worden na onderdeel o twee begripsbepalingen ingevoegd:

p.  centraal examen:

centraal examen of examenonderdeel bestaande uit door het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens, vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen overeenkomstig daarvoor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen;

p1.  instellingsexamen:

examen of examenonderdeel, bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling;.

Artikel 7.4.5 komt te luiden:

Artikel 7.4.5. Instelling, benoeming en samenstelling examencommissie

Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, ten behoeve van de examinering een examencommissie in voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.

Het bevoegd gezag kan de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 7.4.5a gedeeltelijk opdragen aan een centrale examencommissie.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende is gewaarborgd.

Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie op basis van hun deskundigheid op het gebied van de desbetreffende opleiding of groepen van opleidingen of op het gebied van examinering.

Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de leden van de desbetreffende examencommissie en toetst het de deskundigheid van het te benoemen lid.

Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig van buiten de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld.

Ten minste één lid van de examencommissie is als docent verbonden aan de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld.

Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig uit de beroepspraktijk, voor zover hierin niet wordt voorzien met een lid als bedoeld in het zesde lid.

Leden van het bevoegd gezag en personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden niet benoemd tot lid van de examencommissie. In afwijking van de eerste volzin kunnen personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden benoemd tot lid van de examencommissie indien de examencommissie regels vaststelt ter voorkoming van belangenverstrengeling bij de toedeling en uitvoering van haar taken.

Na artikel 7.4.5 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.4.5a. Taken en bevoegdheden examencommissie

Een examencommissie heeft behoudens artikel 7.4.5, tweede lid, ten minste de volgende taken en bevoegdheden:

  • a.  het borgen van de kwaliteit van de examinering en van de instellingsexamens,
  • b.  het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om instellingsexamens te beoordelen en vast te stellen,
  • c.  het vaststellen van de instellingsexamens,
  • d.  het op objectieve en deskundige wijze vaststellen of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a alsmede het uitreiken of afgeven daarvan,
  • e.  het verlenen van vrijstelling van een instellingsexamen of een centraal examen en
  • f.  het bij de uitslag betrekken van een keuzedeel waarin de deelnemer in het kader van een eerder door hem gevolgde beroepsopleiding examen heeft afgelegd maar dat niet met goed gevolg door hem is afgesloten.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en kunnen andere taken en bevoegdheden dan bedoeld in het eerste lid aan de examencommissie worden toegekend.

De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en de maatregelen die zij in dat verband kan nemen.

Indien een deelnemer bij het examen fraudeert, kan de examencommissie de deelnemer het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het bevoegd gezag op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.

Indien een deelnemer bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een lid van de examencommissie is betrokken, neemt het betrokken lid geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.

De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding, aan de hand van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4, en haar werkzaamheden en verstrekt dit verslag aan het bevoegd gezag van de instelling of de exameninstelling.

Na artikel 7.4.6 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.4.6a. Instellingsverklaring

Een deelnemer die één of meer onderdelen van de opleiding met goed gevolg heeft afgesloten waarvoor geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste lid, of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven instellingsverklaring. Daarin zijn in elk geval opgenomen de onderdelen die op de datum van beëindiging van de opleiding met goed gevolg door de deelnemer zijn afgesloten en een lijst met examenresultaten.

In artikel 7.4.11, tweede lid, wordt «Artikel 7.4.5» vervangen door: Artikel 7.4.5, eerste tot en met vijfde en negende lid,.

Na titel 12.4a wordt een nieuwe titel ingevoegd, luidend:

TITEL 12.4B. INVOERING VAN DE WET AANSCHERPING EISEN EXAMENCOMMISSIES IN HET MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Artikel 12.4b.1. Overgangsbepaling leden examencommissie

De leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.5 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43), worden aangemerkt als leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.5 zoals luidend na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van voornoemde wet.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS BES

De Wet educatie en beroepsonderwijs BES wordt als volgt gewijzigd.

In artikel 1.1.1 worden in alfabetische volgorde de volgende begripsomschrijvingen toegevoegd:

centraal examen:

centraal examen of examenonderdeel bestaande uit door het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens, vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen overeenkomstig daarvoor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen;

instellingsexamen:

examen of examenonderdeel, bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling;.

Artikel 7.4.7 komt te luiden:

Artikel 7.4.7. Instelling, benoeming en samenstelling examencommissie

Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, ten behoeve van de examinering een examencommissie in voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.

Het bevoegd gezag kan de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 7.4.7a gedeeltelijk opdragen aan een centrale examencommissie.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende is gewaarborgd.

Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie op basis van hun deskundigheid op het gebied van de desbetreffende opleiding of groepen van opleidingen of op het gebied van de examinering.

Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de leden van de desbetreffende examencommissie en toetst het de deskundigheid en de onafhankelijkheid van het te benoemen lid.

Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig van buiten de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld.

Ten minste één lid van de examencommissie is als docent verbonden aan de opleiding of groep van opleidingen waarvoor de examencommissie is ingesteld.

Ten minste één lid van de examencommissie is afkomstig uit de beroepspraktijk, voor zover hierin niet wordt voorzien met een lid als bedoeld in het zesde lid.

Leden van het bevoegd gezag en personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden niet benoemd tot lid van de examencommissie. In afwijking van de eerste volzin kunnen personen die anderszins financiële verantwoordelijkheid dragen binnen de instelling worden benoemd tot lid van de examencommissie indien de examencommissie regels vaststelt ter voorkoming van belangenverstrengeling bij de toedeling en uitvoering van haar taken.

Na artikel 7.4.7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.4.7a. Taken en bevoegdheden examencommissie

Een examencommissie heeft behoudens artikel 7.4.7, tweede lid, ten minste de volgende taken en bevoegdheden:

  • a.  het borgen van de kwaliteit van de examinering en van de instellingsexamens,
  • b.  het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om instellingsexamens te beoordelen en vast te stellen,
  • c.  het vaststellen van de instellingsexamens,
  • d.  het op objectieve en deskundige wijze vaststellen of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring als bedoeld in artikel 7.4.8a alsmede het uitreiken of afgeven daarvan,
  • e.  het verlenen van vrijstelling van een instellingsexamen of een centraal examen en
  • f.  het bij de uitslag betrekken van een keuzedeel waarin de deelnemer in het kader van een eerder door hem gevolgde beroepsopleiding examen heeft afgelegd maar dat niet met goed gevolg door hem is afgesloten.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en kunnen andere taken en bevoegdheden dan bedoeld in het eerste lid aan de examencommissie worden toegekend.

De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en de maatregelen die zij in verband met een en ander kan nemen. Het voorgaande geldt onverminderd de overige bij of krachtens de wet gestelde regels met betrekking tot fraude.

Indien een kandidaat bij het examen fraudeert, kan de examencommissie de deelnemer het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het bevoegd gezag op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.

Indien een deelnemer bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een examinator is betrokken die lid is van de examencommissie, neemt het betrokken lid geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.

De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding, aan de hand van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4, en haar werkzaamheden en verstrekt dit verslag aan het bevoegd gezag van de instelling of de exameninstelling.

Na artikel 7.4.8 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.4.8a. Instellingsverklaring

Een deelnemer die één of meer onderdelen van de opleiding met goed gevolg heeft afgesloten waarvoor geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.8, eerste lid, of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, kan worden uitgereikt, ontvangt desgevraagd een door de desbetreffende examencommissie af te geven instellingsverklaring. Daarin zijn in elk geval opgenomen de onderdelen die op de datum van beëindiging van de opleiding met goed gevolg door de deelnemer zijn afgesloten en een lijst met examenresultaten.

In artikel 7.4.13, tweede lid, wordt «Artikel 7.4.7» vervangen door: Artikel 7.4.7, eerste tot en met vijfde en negende lid,.

Na artikel 11.6d wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 11.6e. Overgangsbepaling leden examencommissie

De leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.7 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel B, van de wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43), worden aangemerkt als leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.4.7 zoals luidend na inwerkingtreding van artikel II, onderdeel B, van voornoemde wet.

ARTIKEL III. INTREKKING ARTIKEL IV VAN WET OVERGANG WETTELIJKE TAKEN KENNISCENTRA

Artikel IV van de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170) vervalt.

ARTIKEL IIIA. EVALUATIEBEPALING

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL IV. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Wassenaar,, 25 januari 2017

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

Uitgegeven de vijftiende februari 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie,
S.A. Blok