Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2012-2013

Nr. 49

Vastgesteld 24 april 2013

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 22 april 2013 overleg gevoerd met minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Wolbert

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Kler

Voorzitter: Jadnanansing

Griffier: De Kler

Aanvang: 16.00 uur

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Beertema, Bisschop, Jasper van Dijk, Duisenberg, Jadnanansing, Klaver, Van Meenen, Mohandis, Rog en Schouten,

en minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

Aan de orde is de behandeling van:

  • –  het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van diverse maatregelen, aangekondigd in de Strategische Agenda Hoger onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Wet Kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs) (Kamerstuk 33 519 );
  • –  de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 februari 2013 over Externe validering examenkwaliteit hoger beroepsonderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 325 ).

De voorzitter: Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Aan de orde is een wetgevingsoverleg over de Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs. Dit is een wetgevingsoverleg. Dat betekent dat de leden een behoorlijk lange spreektijd hebben, maar ik hoop dat zij die niet al te ruim nemen. Ik stel voor drie interrupties toe te staan. Wij proberen de eerste termijn van de Kamer voor 19.00 uur af te sluiten. Dan houden wij een dinerpauze van een uur. Daarna gaan wij weer verder.

Ik stel voor dat wij nu snel beginnen, maar niet dan nadat ik u allen zeer welkom heb geheten: de gasten op de tribune, de minister, haar ambtenaren en de collega's. Ik geef als eerste het woord aan de heer Beertema.

De heer Beertema (PVV): Voorzitter. De Wet kwaliteit in verscheidenheid omvat een aantal maatregelen die verbeteringen aanbrengen, onder andere in het aanscherpen van de studiekeuze en de toelatingseisen. De wet voorziet ook in meer differentiatie. Dat juichen wij toe. Het Nederlandse hoger onderwijs wordt de laatste jaren vooral gekenmerkt door massaliteit. Dat kan ook niet anders, want de Lissabondoelstelling uit 2001 bepaalde dat wij moesten streven naar een beroepsbevolking die voor minstens de helft moest zijn opgeleid op het niveau van hoger onderwijs. Waarom dat zo belangrijk was, is nooit duidelijk geworden. Dit lijkt te zijn ingegeven door de ideologie van weidse Europese vergezichten, van politici die zich door de euforie van het moment lieten meeslepen en zich niet realiseerden wat een dergelijk uitgangspunt betekent in de taaie werkelijkheid.

Een enorme groei van het aantal studenten was het gevolg. Verder was er de dwang om al die studenten te faciliteren en uiteindelijk ook te kwalificeren. Dat kon alleen maar door het hoger onderwijs zo te organiseren dat eigenwijze docenten en hoogleraren niet te veel in de weg liepen. De kwaliteit van hoger onderwijs en een hoge standaard handhaven werd sluipenderwijs minder belangrijk gevonden. Ik zeg het vaker en het wordt altijd weer ontkend, maar de massaliteit die zijn oorsprong vond in Lissabon, kon alleen maar gefaciliteerd worden door management by spreadsheet, zo noem ik het maar. Daar hoort vervlakking van het onderwijs bij. Veel van hetzelfde op een middelmatig niveau. Uitdagend en excellent onderwijs vereist nu eenmaal een andere cultuur dan die in de grote massale faculteiten. Dat is een constatering, zeg ik heel nadrukkelijk, en geen waardeoordeel over dat spreadsheetmanagement. Excellentie kan echter alleen daar schitteren waar de ware academische geest heerst. Daar worden inzet, creativiteit en toewijding gedeeld door student, docent en bestuurder.

Mag dat meer kosten met zich brengen dan de standaardopleidingen? Het antwoord op die vraag is ja. Volgens de PVV-fractie wel, al moeten die kosten natuurlijk wel in balans blijven. Mag daar een ander regime heersen voor de toelating? Zeker wel, dat is zelfs hard nodig. Ik heb begrepen dat de heer Van Dijk van de SP-fractie en mevrouw Schouten van de fractie van de ChristenUnie zich zorgen maken over het vrijlaten van de prijs van een tweede master. Althans, de minister heeft de kosten in deze wet gemaximeerd op vijfmaal de reguliere prijs. Hier zien wij hoe het spreadsheetmanagement werkt. Als ware kapitalisten van de slechtste soort zien wij hier de beleidsmakers van het bekostigd onderwijs uit hun bol gaan. Hoe halen dit soort managers het in hun hoofd om zulke gigantische prijzen te vragen? Waar is hun toewijding aan hun maatschappelijke taak? Een universiteit moet emanciperen en ontwikkelen en niet aan winstmaximalisatie doen. Kan de minister dit soort bestuurders niet gewoon de laan uitsturen? Waarom ontslaat de minister deze mensen niet? De mensen die een dergelijke cultuur uitrollen in het onderwijs – je komt ze in het hele onderwijsgebouw tegen – horen daar niet thuis. Zij zijn veel beter op hun plaats in het bedrijfsleven. Laten zij daar de winsten gaan maximaliseren. Zij maken het onderwijs heel ongelukkig en, erger nog, zij richten enorme schade aan. Ik krijg hierop graag een reactie van de minister.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dit is geen vraag, maar misschien een aanscherping van wat de heer Beertema zei. Hij noemde namelijk mijn naam en zei dat ik zorgen heb over het verhoogde collegegeld voor de tweede master, dat vijf keer zo hoog zou mogen worden. Dat is heel juist: ik heb grote zorgen over dat enorme collegegeld voor de tweede master, daar moet absoluut wat aan gebeuren. Voor dat collegegeld is nog geen plafond aangewezen, maar dat geldt wel voor de excellente opleidingen. Ik heb daar eveneens grote zorgen over. Wat mevrouw Schouten vindt, weet ik niet precies, al kan ik me voorstellen dat zij iets vergelijkbaars vindt. Dit even ter correctie van wat de heer Beertema zei.

De heer Beertema (PVV): Hartelijk dank aan de heer Van Dijk.

Deze wet legt ook de Associate degree wettelijk vast. Wij zijn daar erg verheugd over. De PVV heeft zich hardgemaakt voor de invoering van de Associate degree, de Ad. Met dit voorstel wordt deze definitief ingevoerd als onderdeel van het Nederlandse hogeronderwijsstelsel. Het is opvallend dat de private opleiders stevig inspringen op deze mogelijkheid en deze Associate degree blijkbaar ook heel goed vorm weten te geven. In de laatste pilotronde zijn 32 aanvragen uit het niet-bekostigd onderwijs goedgekeurd tegenover één aanvraag uit het bekostigd onderwijs. Dit bewijst voor ons maar weer eens dat de markt in veel gevallen beter kan inspelen op een maatschappelijke vraag. De niet-bekostigde instellingen hebben vorig jaar op hun initiatief in een akkoord met de toenmalige staatssecretaris Zijlstra vastgelegd dat ze streven naar 8.000 Associate degreestudenten in 2020, op ten minste 50 Ad-opleidingen. Bij deze ambitie steekt het nogal weifelachtige, aarzelende gedrag van de hbo's erg mager af. Onze indruk is dat het enthousiasme voor de Associate degree in het bekostigd onderwijs ver achterloopt op dat van de private instellingen. Wij zien hier echt een knelpunt. Wij zien dat de hogescholen er kennelijk geen zin in hebben en dat ook de roc's niet staan te springen. Ziet de minister dit ook zo?

De PVV-fractie concludeert dat het bekostigd onderwijs de mooie Associate degree niet verdient. Ik zeg heel nadrukkelijk de «mooie» Ad, omdat daarmee voor een grote groep mbo'ers die excellent vakmanschap nastreeft, een hbo-graad binnen bereik komt. Dat kan een geweldige emancipatiemotor zijn. Via dit traject krijgen jongens en meiden uit het mbo met talent, met hun Ad een toegangskaartje tot de middenklasse. Als het hbo alsnog door de minister nogal streng en dwingend wordt aangesproken om die Ad-trajecten in het leven te roepen, zijn wij bang dat het dit alleen maar met lange tanden zal gaan doen, omdat het moet. Er is in het hoger onderwijs geen liefde voor die Ad. Men stelt er kennelijk geen eer in om daar iets moois van te maken. Maar het zij zo; ik denk dat we daar niet te lang bij moeten stilstaan. Ik stel voor om een principiële keus te maken: waarom besteden we het Ad-traject niet in zijn geheel uit aan de private aanbieders en halen we het niet weg bij het bekostigd onderwijs, dat er kennelijk toch niets in ziet? We kunnen dat voor een afgebakende periode doen, bijvoorbeeld vijf jaar. Dat is dan een periode waarin we een strikt afgebakend onderwijsterrein, de Ad-trajecten, voorbehouden aan het private onderwijs. Daarna evalueren we wat dit heeft opgeleverd aan afgeronde trajecten, aan – heel belangrijk – tevredenheid bij studenten en bedrijfsleven en – ook heel belangrijk – aan tevredenheid over de prijs-kwaliteitverhouding en aan besparing die de overheid kan inboeken. Wij overwegen een motie hierover. Voorafgaand daaraan graag een reactie van de minister.

De PVV is van mening dat het verschil in titulatuur tussen hbo en wetenschappelijk onderwijs moet worden behouden. Wij vinden hierbij onder andere de Raad van State aan onze kant. Deze zegt: «Waar het wetsvoorstel elders differentiatie mogelijk maakt en wenselijk vindt, leidt de afschaffing van het verschil in titulatuur juist tot de ontkenning van een onderscheid binnen het hoger onderwijs dat er wel degelijk is en ook in het maatschappelijk verkeer als belangrijk wordt aangemerkt». Zo is het maar net. Werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland onderschrijven dit en willen dan ook het huidige systeem handhaven. De PVV heeft zich herhaaldelijk tegen het gelijktrekken van titulatuur uitgesproken. Het is een oplossing voor een probleem dat naar onze mening nauwelijks bestaat, en het zal alleen maar leiden tot verwarring. Het voorstel leidt ertoe dat hbo'ers en wo'ers in het zakelijk en maatschappelijk verkeer dezelfde titels zullen gebruiken. Door de werkgevers wordt benadrukt dat dit ertoe leidt dat het verschil in niveau van de gevolgde opleiding alleen maar herkenbaar blijft indien het diplomasupplement wordt overlegd. Het is ons onvoldoende duidelijk hoe dit voorstel níét kan leiden tot een aantasting van het binaire stelsel. Wij overwegen dan ook een amendement op dit punt, en een motie als antwoord op een eventuele Algemene Maatregel van Bestuur hierover.

Een betere selectie moet studievertraging en -uitval voorkomen. Het is dan ook goed dat het studiekeuzeadvies voor bacheloropleidingen met dit voorstel een wettelijke basis krijgt. Niet-verwante doorstroom van mbo naar hbo blijkt te leiden tot hoge uitval. Het is wat de PVV betreft dan ook een goede zaak dat we met dit wetsvoorstel een rem zetten op het toelatingsrecht voor niet-verwante doorstroom. Het effent ook een wettelijke ongelijkheid die nooit was beoogd: net als voor havisten en vwo'ers kunnen nu ook «nadere vooropleidingseisen» aan mbo'ers worden gesteld. Het belemmert op geen enkele manier de doorstroom naar de verwante opleidingen. Voor de niet-verwante doorstroom kunnen er uitzonderingen worden gemaakt op basis van de ministeriële regeling en door middel van een zogenaamd «deficiëntieonderzoek».

Wij willen graag nog een extra uitzondering. Wij hebben in het schriftelijk overleg al vragen gesteld over het lage kennisniveau in de kennistoetsen op de pabo. Wij vroegen onder andere wat de reden is om voor de toets niet het eindniveau van havo, vwo en mbo-4 voor alle relevante vakken te eisen. Het antwoord was wat ons betreft erg onbevredigend. Het uitgangspunt van 3-havo/4-vmbo-t als basis voor een kennistoets voor een hbo-opleiding is wat ons betreft te laag. Daarom stellen wij voor dat de lerarenopleidingen en de pabo gaan selecteren aan de poort door middel van een toelatingsexamen op alle vakken die relevant zijn voor leraren. Daar hoort in ieder geval het vak Nederlands bij. Studenten die willen instromen in een lerarenopleiding of een pabo zouden moeten beschikken over een taalbeheersing Nederlands op niveau 4F. Dat is het niveau dat geldt voor het vwo. Dat lijkt hoog, maar we spreken hier over toekomstige leraren die onze jeugd naar excellentie moeten leiden. Juist de beheersing van de moedertaal, het Nederlands, stelt een student en een leraar in staat om zich te verdiepen in literatuur, in cultuur, in ontwikkelingen op het eigen vakterrein en in maatschappelijke ontwikkelingen. Een leraar die een gelukkige klas wil, een Theo Thijssen die een leraar wil zijn in plaats van een coach of een procesbegeleider, beheerst de moedertaal op niveau 4F. Wij overwegen op dit punt een motie in te dienen, afhankelijk van de reactie van de minister.

De heer Rog (CDA): Voorzitter. De commissie-Veerman constateerde dat de studie-uitval te hoog was, talent te weinig wordt uitgedaagd en er te weinig flexibiliteit in het systeem is om de gevarieerde vraag van studenten en de arbeidsmarkt goed te bedienen. Daarom vond de commissie dat de kwaliteit over de volle breedte van het hoger onderwijs omhoog moest. Het vorige kabinet deed concrete voorstellen om die kwaliteitsslag in het hoger onderwijs te maken en dit kabinet zet die lijn gelukkig voort. Niet meer inzetten op kwantiteit, maar op kwaliteit van opleidingen. Het CDA steunt de koers om te komen tot een beter en strenger studieklimaat. Het recht op studiekeuzeadvies of matching zal ervoor zorgen dat meer studenten op de bij hen passende studieplek terechtkomen. Ook strengere toelatingseisen kunnen helpen het studieklimaat te verbeteren. Mijn fractie staat positief tegenover selectie aan de poort bij pabo's. Aankomende studenten toetsen op aanleg voor het vak van leraar lijkt ons zinnig. Ook op andere lerarenopleidingen is de uitval echter hoog. Kan de minister aangeven waarom zij geen aanvullende eisen overweegt bij de andere lerarenopleidingen? De CDA-fractie zou het logisch vinden om voor lerarenopleidingen een kennisniveau van ten minste havo-5 of mbo-4 verplicht te stellen. Ik overweeg op dit punt een amendement in te dienen. Waarom hebben studenten bij een bindend studieadvies geen recht op een studiekeuzegesprek na 1 mei?

Op het punt van de doorstroming van het mbo naar het hbo zijn wij kritisch over de keuze die het kabinet maakt om mbo-studenten met een niet-verwante studie het toelatingsrecht tot het hbo te ontzeggen. De uitval van mbo'ers in het hbo is inderdaad te hoog, maar met dit wetsvoorstel wordt geïnvesteerd in goede alternatieven, in Associate degree-programma's en in betere matching voorafgaand aan de opleiding in het hoger onderwijs. Daarnaast is in het mbo het niveau van rekenen en taal omhoog gegaan en hebben we onlangs besloten dat het aantal uren dat les gegeven moet worden op het mbo omhoog gaat. Is het dan niet beter om via drang in plaats van dwang studenten op de juiste plek te krijgen? Hoe reageert de minister op het artikel «Keuzevrijheid doorstuderende mbo'ers voor niets beknot» van het Hoger Onderwijs Persbureau, waaruit blijkt dat er nauwelijks een verband bestaat tussen verwantschap van de profielen en uitval in het hbo?

Is de minister het met het CDA eens dat een wettelijke aanscherping alleen zou moeten plaatsvinden als die ingreep proportioneel is, maar dat de uitvalcijfers op basis van verwantschap geen enkele aanleiding geven tot het beknotten van het toelatingsrecht van mbo'ers in het hbo? Wij hebben een amendement dat wel nadere aanvullende eisen mogelijk maakt maar geen wettelijke beperking met zich meebrengt wat betreft het toelatingsrecht.

Het CDA onderschrijft het streven van de regering om meer vwo'ers naar het hbo te krijgen door het vierjarige traject te verkorten naar drie jaar. Wij vragen ons echter af of dit in de praktijk gaat gebeuren met een studielast van 80 studiepunten, terwijl een wo-bachelor in drie jaar 60 studiepunten heeft en ook nog eens een gegarandeerde doorstroom naar een master biedt. Waarom zou een vwo'er dan toch kiezen voor deze driejarige trajecten op het hbo? Welk voordeel heeft dit? Is het niet beter om hbo-instellingen op dit punt meer ruimte voor maatwerk te gunnen?

Wat betreft de titulatuur hecht het CDA veel waarde aan ons binaire stelsel van hoger onderwijs. Daarbinnen moet het hbo zich met name profileren met beroepsgerichte opleidingen en de universiteiten met wetenschappelijk onderwijs. Het CDA steunt wel het voorstel om de titulatuur gelijk te trekken. Wij menen dat die gelijktrekking van de titulatuur het wel nog belangrijker maakt dat het bestaande onderscheid wordt behouden of nog verder wordt versterkt.

Mijn volgende punt betreft de collegegelddifferentiatie.

De voorzitter: Voordat u hiermee verdergaat: de heer Duisenberg van de VVD heeft een vraag.

De heer Duisenberg (VVD): De heer Rog zegt dat hij het gelijktrekken van de titulatuur steunt, maar dat het dan nog belangrijker is dat het onderscheid nog sterker wordt ingezet. Ik haal hem niet letterlijk aan, maar ik denk dat hij dit bedoelde. Ziet de heer Rog dit voldoende terug in het wetsvoorstel of ziet hij dat niet zo?

De heer Rog (CDA): Het CDA steunt het voorstel zoals het nu in het wetsvoorstel is opgenomen. Er is zonet een aantal organisaties uit het maatschappelijk middenveld genoemd die tegen de gelijktrekking van de titulatuur zijn, maar ongeveer net zo veel organisaties zijn ervoor en geven hieraan juist steun; ik denk aan studentenorganisaties en aan de HBO-raad, of de Vereniging Hogescholen, zoals ik tegenwoordig moet zeggen. De belangrijkste overweging voor ons is de internationale vergelijking. Het gaat erom, studenten de mogelijkheid te bieden om met dezelfde titel elders op hetzelfde niveau aan het werk te gaan. Het doel is dus meer gelijkenis in internationaal verband.

De hbo-instellingen zullen dus beroepsgerichte opleidingen blijven en wat ons betreft ook uitdrukkelijk moeten blijven. Of iemand een beroepsgerichte vorm van hoger onderwijs heeft gevolgd of meer de wetenschappelijke kant, en dus een universitaire opleiding heeft gedaan, zal bij sollicitaties blijken uit het cv van die persoon.

De voorzitter: De heer Beertema had ook een vraag.

De heer Beertema (PVV): Ik vind het een vreemde redenering. Gezegd werd dat er net zo veel organisaties voor zijn als tegen. De CDA-fractie noemde daarbij de HBO-raad, of hoe die tegenwoordig ook heten mag, en de studentenorganisaties. Dat is toch van een heel ander kaliber dan VNO-NCW en MKB-Nederland? Kom op! De HBO-raad heeft er alle belang bij dat alle hbo-instellingen universiteitje gaan spelen, want dat is het enige wat deze raad interesseert. Men is altijd maar naar boven aan het kijken en nooit naar beneden, nooit naar de invoer vanuit het mbo. De studentenorganisaties zijn er natuurlijk ook aan alle kanten bij gebaat om vooral gelijkgeschakelde titels te krijgen. Ik begrijp hier helemaal niets van. Hoe gaat mijnheer Rog nu aan de werkgevers, ook werkgevers in het buitenland, uitleggen wat de logica is achter deze maatregel, die ontzettend veel verwarring zal opleveren? Hoe gaat hij dat vertellen?

De heer Rog (CDA): Afgaand op de voorbeelden die genoemd zijn door bijvoorbeeld de Vereniging Hogescholen, zien wij dat de vergelijking met het buitenland er door de gelijktrekking van de titulatuur juist op zal verbeteren. Dus wat dat betreft begrijp ik de kritiek van de heer Beertema niet zo. Ik begrijp wel dat er een verzoek ligt van het bedrijfsleven om hier niet in mee te gaan. Uiteindelijk hebben wij in onze afweging gekozen voor de onderwijsinstellingen, de studentenorganisaties en met name voor de internationale vergelijking. Die heeft de balans laten doorslaan naar steun voor deze vorm van titulatuur.

De heer Beertema (PVV): Er wordt hier heel deftig gesproken over «een balans» die is doorgeslagen, maar het is waarschijnlijk net zo gegaan als indertijd toen de heer Buma tegen de studenten zei: we houden op met die langstudeerboete, daar staat het bier. Dat is ongeveer de redenering die gevolgd is. Ik vind het werkelijk schandalig dat het CDA op deze manier, zonder enige inhoudelijke argumentatie, studenten wil faciliteren om een mooie wetenschappelijke titel te verkrijgen. Dan stel ik voor dat we meteen maar het gehele hbo opheffen en alles «wetenschappelijk» onderwijs noemen. Misschien is dat een idee.

De heer Rog (CDA): Ik constateer dat de heer Beertema in ieder geval zelf geen inhoudelijke bijdrage heeft geleverd noch een inhoudelijke vraag heeft gesteld. Ik ga dus door met mijn betoog.

Het CDA steunt het beleid van collegegelddifferentiatie bij excellente opleidingen. Wij zouden dit zelfs willen verbreden. Het CDA is van mening dat de instellingen moeten onderbouwen waarom ze bijvoorbeeld twee keer of vijf keer het collegegeld vragen. We vinden dat de medezeggenschap daarbij altijd betrokken moet zijn. De ervaringen met het instellingscollegegeld voor tweede studies stemmen ons echter niet gerust. Daarom zullen wij bij de behandeling van dit wetsvoorstel een amendement indienen dat regelt dat het instellingscollegegeld bij tweede studies alleen nog onder dezelfde voorwaarden en tot hetzelfde niveau als bij excellente opleidingen verhoogd kan worden.

Het CDA vindt het verantwoord om bij excellente opleidingen, intensievere trajecten of juist bredere opleidingen die meer geld kosten, ook beperkt extra collegegeld aan studenten te vragen. Voor studenten die onvoldoende draagkrachtig zijn, bestaat dan de mogelijkheid van een collegekrediet. We waarschuwen echter ook hier voor het algemeen ophogen van de schuldenpositie van studenten door het leenstelsel. Juist door die cumulatie zal de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het gedrang komen en zullen minder studenten bereid zijn om te kiezen voor een extra zware opleiding en om een beperkte extra bijdrage te betalen of te lenen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik volg het CDA hier niet zo goed meer. Het CDA heeft een uitstekend standpunt over het leenstelsel: je moet studenten niet opzadelen met leningen want dan werp je een drempel op waardoor deze studenten afzien van hun studie en dat moeten we niet hebben. Als het echter excellente studies betreft, vindt de heer Rog het uitstekend als het kan met een collegegeldkrediet. Mijnheer Rog, wat is het verschil tussen een collegegeldkrediet en een leenstelsel?

De heer Rog (CDA): Dank u wel voor deze vraag. Dat verschil kan ik wel uitleggen. In Nederland hebben we gelukkig op dit moment algemeen toegankelijk hoger onderwijs van goed niveau. Het CDA wil dat graag voor iedereen zo behouden. Daarnaast vinden wij het goed dat universiteiten en hogescholen zich verder oriënteren, en een nog breder en nog beter onderwijsaanbod mogelijk maken. Wij kunnen ons voorstellen dat, gek genoeg, intensievere trajecten, waarin bijvoorbeeld meer uren wordt lesgegeven, de stof meer wordt verdiept of een breder cursusaanbod geldt, ook meer geld kosten. Wij vinden het niet onredelijk dat een opleiding die intensiever is en meer geld kost, wordt aangeboden naast de algemene opleidingen en dat daarvoor een extra bijdrage wordt gevraagd van de student die daar, als het goed is, ook extra voordelen van geniet na afronding van die specifieke, bredere, intensievere of zwaardere opleiding. Dat is dus de reden. Dat is een groot verschil met het algemeen verhogen van alle collegegelden of van de schuldenpositie van studenten. Dat maakt dat mijn fractie dit een prima weg vindt.

De heer Jasper van Dijk (SP): De heer Rog maakt het er niet duidelijker op. Hij zegt dat het een intensieve opleiding betreft en dat je daar «dus» meer collegegeld voor mag vragen. Het is toch evident dat je dan een drempel opwerpt voor de student uit de lagere inkomensgroepen? Die zal meer moeite hebben om dat hogere bedrag van waarschijnlijk duizenden euro's op te brengen. Ik raad de heer Rog aan om het uitstekende amendement-Van Meenen/Van Dijk tegen dit vermaledijde plan te steunen.

De heer Rog (CDA): Ik ben het eens met de heer Van Dijk over de algemene toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Daar zitten wij op één lijn. Daarom zijn onze beide fracties, zowel die van de SP als die van het CDA, tegen het leenstelsel, maar ik vind het niet erg dat wij universiteiten en hogescholen in Nederland uitdagen om hun programma's nog verder te verbeteren en te intensiveren, om die mogelijkheid te bieden aan studenten die dat kunnen dragen en om aan studenten die dat wel kunnen volgen maar niet kunnen dragen, een extra mogelijkheid te bieden om daarvoor geld te lenen. Het is wel een plus boven op het gewone hoger onderwijs. Daarom zal mijn fractie dit wel steunen. Ik kan dus nu al zeggen dat ik de heer Van Dijk helaas niet zal steunen in zijn snode plannen.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Van Meenen afziet van zijn interruptie omdat volgens hem het punt al is gemaakt. Dan is de beurt aan mevrouw Schouten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik zat te wachten op het gloedvolle betoog van de heer Van Meenen dat nog zou komen, maar tegenwoordig voert de SP ook het woord namens D66. Dat is heel goed.

De heer Van Meenen (D66): Maar wel over onze amendementen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): O, oké.

De ChristenUnie snapt ook dat je voor een excellente studie misschien wat meer kunt vragen, maar het gaat in het wetsvoorstel over vijf keer het wettelijk collegegeld. Is de heer Rog met ons van mening dat dat ver over de kop gaat, dat dat het risico met zich meebrengt dat je een ontzettende selectie krijgt tussen gewone studenten en excellente studenten, en dat dat bijna wordt bepaald door de portemonnee die je hebt?

De heer Rog (CDA): Dat zou ik jammer vinden. In dat licht kom ik bijvoorbeeld met een amendement over die tweede studie, waar soms idiote bedragen voor worden gevraagd. Mijn fractie denkt dat het niet onredelijk is om een eigen bijdrage te vragen van ongeveer het niveau van de daadwerkelijke kosten van een studie, bijvoorbeeld bij een tweede studie of een excellenttraject. Ik weet welke voorstellen de ChristenUnie-fractie daartoe heeft. Ik heb ook voorstellen van andere fracties gezien. Ik vind het van belang dat wij zorgvuldig luisteren naar de reactie van de minister, maar mij lijkt een hogere bijdrage van studenten fair. Ik zou mij kunnen voorstellen dat het maximum ligt in de buurt van wat die opleiding kost, maar ik wil de beantwoording van de minister in eerste termijn daarover afwachten voordat ik definitief toezeg dat ik de richting van de ChristenUnie op ga, want zij wil het graag beperken tot twee keer.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): «Hoe staat de heer Rog tegenover ons amendement om het te verhogen naar twee keer?», was inderdaad een deel van mijn vraag. Dat is dan duidelijk. Nu heeft de heer Rog het over de werkelijke kosten, maar in zijn amendement zie ik dat hij de optie «ten hoogste vijfmaal het wettelijk collegegeld» openlaat. Dat kan veel meer zijn dan de werkelijke kosten. Gaat hij zijn amendement op dat punt nog aanpassen als blijkt dat die kosten lager zijn? Hiermee zet hij immers de deur open voor meer vragen dan de werkelijke kosten.

De heer Rog (CDA): Dit amendement wordt in deze vorm of in aangepaste vorm ingediend als straks na de beantwoording in eerste termijn blijkt dat een meerderheid dat tot een lager niveau wil beperken. Dus daar gaan wij even naar kijken. Ik zou mij kunnen voorstellen dat die vijf een ander getal wordt.

Voorzitter. Het CDA steunt een experiment met promotiestudenten. Wij hechten er wel aan dat het bij promotie mogelijk blijft om als werknemer in dienst te zijn bij de instellingen die meedoen met het experiment. Is het mogelijk om bij het experiment het voorstel van het ISO te betrekken waarbij de student deels een beurs van de universiteit krijgt en deels loon van zijn/haar werk bij de onderwijsinstelling?

Het CDA heeft een amendement ingediend over de brede bachelor. We stellen voor om de termijn waarbinnen een instelling weer van een brede bachelor af kan stappen en terug kan keren naar het aanbieden van een smalle bachelor te verlengen van drie naar zes jaar. De reden hiervoor is dat een hbo-bachelor vier jaar duurt. Bovendien is het belangrijk om in de weging van het oordeel over de brede bachelor ook de ervaringen van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt mee te kunnen nemen.

De heer Mohandis (PvdA): Voorzitter. Meer maatwerk in het hoger onderwijs. Als wij willen dat studenten zo voorspoedig mogelijk hun studie doorlopen, wat een doelstelling van het kabinet is, dan moeten we zorgen voor goede begeleiding: begeleiding van inschrijving tot diploma, van het eerste college tot het laatste tentamen. De Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs wil dat studenten bewuster studeren en dat studenten beter op hun plek komen in het hoger onderwijs. We zijn blij dat deze matching nu echt wordt geregeld. Het is goed dat studenten zich tijdig aanmelden.

Rechten en plichten: studeren is niet iets vrijblijvends. Ik zie dat er in het veld stappen worden gezet. Bij hogeschool Fontys krijgt iedereen een eigen begeleider die een persoonlijk ontwikkelingsplan opstelt met de student. Bij de Radboud Universiteit is een eenduidig systeem van studie en studentbegeleiding voor alle studenten. Er zijn dus goede voorbeelden. Niet alleen tijdens het eerste jaar, maar ook in latere jaren is begeleiding van belang. Graag zou ik zien dat op iedere school met persoonlijke mentoren wordt gewerkt die niet alleen reageren op vragen van studenten, maar ook zelf initiatief nemen. Afgelopen vrijdag bezocht ik met diverse collega's de Universiteit Utrecht. Ik heb daar gezien hoe matching in de praktijk werkt. De studenten die ik persoonlijk sprak, benadrukten nog eens hoe prettig zij het vinden om voor de poort alle nodige informatie te krijgen: geen glossy flyers, maar objectieve informatie.

De menselijk maat: daar draait het om bij begeleiding. Zien hoe het met studenten gaat en hen durven aanspreken. Het is de plicht van onderwijsinstellingen om zich betrokken te tonen bij hun studenten. Het is de plicht van studenten om zich maximaal in te spannen tijdens hun opleiding. We mogen van opleidingen eisen dat zij zich maximaal inspannen. Graag hoor ik van de minister welke initiatieven het veld neemt en hoe zij instellingen wil aanmoedigen om iedere student die persoonlijke begeleiding te geven. Welke maatstaven voor goede begeleiding zijn er op dit moment?

Dan kom ik op de doorstroming van het mbo naar het hbo. Dit wetsvoorstel zorgt er straks voor dat een mbo-niveau-4-diploma geen vanzelfsprekend ticket is voor alle hbo-opleidingen. De uitval van eerstejaarsstudenten in het hbo is onaanvaardbaar hoog. Percentages rond de 30 zijn gewoon onacceptabel. Ik wil dat mbo'ers die willen doorleren het recht hebben om in het hoger onderwijs te eindigen. Dit blijft wat ons betreft altijd mogelijk. De meeste mbo'ers met wie ik op school zat, kozen voor een verwante opleiding. Er is ook een groep die dat niet deed. Een deel daarvan heeft het gered, maar een ander deel kwam al snel in de problemen. Laat ik het nog complexer maken: een deel dat wel voor een verwante opleiding koos, heeft het toch ook niet gered. Uit cijfers van de HBO-raad en uit een artikel van het Hoger Onderwijs Persbureau blijkt dat mbo'ers van economische opleidingen die voor een technische hbo-opleiding kiezen, in het eerste jaar zelfs iets succesvoller zijn dan jongeren die een verwante technische mbo-opleiding hebben gedaan. Ook zijn er routes waar het succes veel minder is. Zo complex is het. Hoe beoordeelt de minister deze cijfers?

Mbo'ers vallen op het hbo relatief vaker uit dan havisten. Ligt dit alleen aan de keuze voor een niet-verwante opleiding? Wat zijn volgens de minister andere factoren voor de hoge uitval onder mbo'ers die naar het hbo gaan? Heeft dat te maken met motivatie, persoonlijke begeleiding of mentorschap? Het is goed dat de MBO Raad en de HBO-raad gaan bekijken hoe de aansluiting beter kan en welke opleidingen het meest verwant zijn. Kan de minister ons informeren over dit proces? Welke mbo-domeinen worden samengesteld voor de vanzelfsprekende doorstroming naar verwante hbo-opleidingen?

De heer Rog (CDA): De heer Mohandis stelt de minister enkele vragen over de verwantschap van mbo-opleidingen en de ontbrekende relatie met studiesucces in het hbo. Ik zou de heer Mohandis dezelfde vraag willen stellen als hij aan de minister stelt. Hoe beoordeelt de PvdA het gebrek aan relatie tussen de profielen en het studiesucces? Het voorliggende wetsvoorstel stelt namelijk dat er verwantschap moet zijn en dat er anders geen toelatingsrecht is. Ik denk dat dergelijke wetgeving de plank volstrekt misslaat als die correlatie er niet is. Wat vindt de PvdA daarvan?

De heer Mohandis (PvdA): Dank voor deze goede vraag. Was het maar zo eenvoudig! Wij zien dat bepaalde niet-verwante opleidingen tot problemen leiden en andere weer niet. Het Hoger Onderwijs Persbureau kwam met deze cijfers op basis van cijfers van de HBO-raad. Ik heb deze cijfers ook gehad en ze zagen er nogal complex uit. Als de leerlingen doorstromen naar een technische opleiding, geeft dat bij sommige mbo-opleidingen problemen en bij andere niet. Daarom vraag ik de minister hoe zij deze cijfers beoordeelt. De PvdA vindt het belangrijk dat de doorstroom overeind blijft. Wij zijn niet tegen het strakker maken van de verwantschap. Je moet strak bekijken waar de uitval het meest plaatsvindt. Je moet echter ook rekening houden met de opleiding. Iemand met een economische opleiding moet bijvoorbeeld de mogelijkheid houden om een technische studie te gaan doen. De wet houdt die mogelijkheid nog steeds overeind voor degenen die aan bepaalde eisen voldoen. Daarom vraag ik de minister hoe zij de cijfers beoordeelt.

De heer Rog (CDA): Dat is een herhaling van uw bijdrage, maar ik zal ook mijn vraag herhalen. Wat wil de PvdA? U koketteert ermee dat het belangrijk is dat mbo'ers kunnen doorstromen naar het hbo en dat gekeken moet worden naar de verwantschap, maar de relatie is er niet. Het gros van de mbo-studenten, zelfs studenten die sociaal-agogisch werk hebben gedaan, kan in veel gevallen slagen op een techniekopleiding. Bent u met het CDA van mening dat wij af moeten van deze beperking van de rechten van mbo'ers om door te stromen naar het hbo? Ja of nee?

De heer Mohandis (PvdA): Ik vind dat mbo'ers altijd moeten kunnen doorstromen naar het hbo, maar ik ben het niet met het CDA eens dat je niet meer mag kijken naar verwantschap. Ik ben het dus niet helemaal met u eens, maar de cijfers interesseren mij ook. Ik heb ze gezien en ze zijn nog complexer dan u schetst. Daarom heb ik u ook een vraag gesteld.

Voorzitter. Schakeltrajecten. Het voorstel dat er nu ligt, geeft instellingen de mogelijkheid om het collegegeld voor trajecten die langer zijn dan 30 ECTS te verhogen voor het gedeelte boven 30 ECTS. Waarop is deze grens gebaseerd? De meeste schakeltrajecten van hbo-bachelor naar master hebben een duur van 60 ECTS. Waarom komt er geen wettelijk collegetarief voor schakelprogramma's met een omvang van 60 ECTS? Graag krijg ik een toelichting van de minister.

De heer Jasper van Dijk (SP): Als ik het goed hoor, stelt de heer Mohandis een uitstekende vraag: waarom geldt niet het gewone collegegeld voor een schakeljaar van 60 studiepunten? Dat is een zeer terechte vraag waarmee ik het helemaal eens ben. Betekent dit dat de heer Mohandis het andere amendement van de heer Van Meenen en de heer Van Dijk, waarin dit staat, gaat steunen?

De heer Mohandis (PvdA): Ik las dat schakeltrajecten vaak 30 ECTS beslaan, maar dat er ook langere schakeltrajecten zijn. Ik vraag mij af of het verstandig is om daarboven te differentiëren. Ik zal het amendement dus serieus bekijken, maar wil wel eerst antwoord op mijn vraag.

De heer Jasper van Dijk (SP): De spanning stijgt. Ik vind dit een hoopgevend antwoord.

Is de heer Mohandis het ook met mij eens dat deze discussie te maken heeft met de discussie over de totaal uit de hand gelopen collegegelden voor tweede studies? Dat is eigenlijk dezelfde discussie. Het gaat om het instellingstarief dat instellingen mogen rekenen. Is de heer Mohandis het met mij eens dat dit uit de hand is gelopen en dat wij moeten zoeken naar oplossingen voor dat probleem? Daarbij zou een ambitieuze student die een tweede studie volgt, een normaal, hanteerbaar collegegeld moeten betalen en niet € 10.000, € 20.000 of € 30.000. Deelt de heer Mohandis de mening dat dit uit de hand is gelopen?

De heer Mohandis (PvdA): Bij mijn aantreden als Kamerlid vond ik het opvallend dat er tweede studies zijn waarvoor een torenhoog collegegeld wordt gevraagd. Daarbij hebben wij het niet meer over een vervijfvoudiging, maar over bedragen boven de € 20.000. Begin dit jaar heb ik opgeroepen om dergelijke signalen te mailen. Het PvdA-ombudsteam heeft heel wat van zulke signalen verzameld. Wij komen hier binnenkort op terug. De oplossing ligt echter niet gelijk voor de hand. Een tweede master of een tweede bachelor tegen wettelijk tarief kost gewoon geld; daar zit een prijskaartje aan, zo zeg ik ook tegen de SP. Dat staat er dus wel tegenover. Ik ben het wel met de heer Van Dijk eens dat bepaalde instellingen veel transparanter moeten uitleggen waarom zij behoorlijk hoge collegegelden berekenen voor een tweede bachelor of master. Ik kan het soms namelijk ook niet uitleggen.

De heer Van Meenen (D66): Ik zal het nog iets gecompliceerder maken. Als een schakelprogramma meer dan 30 studiepunten vereist, beveelt de minister aan om dan maar de bachelor te doen, tegen ongetwijfeld verhoogd collegegeld. Hoe kijkt u tegen die aanbeveling aan?

De heer Mohandis (PvdA): Kunt u uw vraag herhalen?

De heer Van Meenen (D66): De minister schrijft in haar stuk dat het wellicht raadzaam is om een tweede, beter aansluitende bachelor te volgen als er sprake is van een schakelprogramma dat meer dan 30 ECTS – ik prefereer overigens het woord «studiepunten» in plaats van «ECTS» – bedraagt. Hoe kijkt u tegen een ongetwijfeld verhoogd collegegeld aan?

De heer Mohandis (PvdA): Als een student die keuze maakt, moet hij die keuze kunnen maken. Ik probeer het volgende aan te geven. Als een student bewust een schakeltraject volgt om in een master te kunnen eindigen, moet die mogelijkheid er zijn. Creëer je niet heel veel bureaucratie door boven de 30 ECTS te gaan differentiëren? Dat is de vraag die ik aan de minister heb gesteld.

De heer Van Meenen (D66): Tot slot. Wat zou het antwoord van de minister kunnen zijn om u nog af te brengen van steun aan ons amendement?

De heer Mohandis (PvdA): Ik heb heel duidelijk de vraag gesteld waar dat getal van 30 op gebaseerd is. We zien namelijk dat heel veel schakeltrajecten 60 ECTS duren. Ik zie uit naar het antwoord.

De heer Van Meenen (D66): Ik ook.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik loop een klein beetje vooruit op de discussie die we straks ongetwijfeld krijgen. De heer Mohandis vindt dat je niet op de feiten vooruit moet lopen, bijvoorbeeld als het gaat om collegegelddifferentiatie.

De heer Mohandis (PvdA): Daar kom ik zo op.

De heer Klaver (GroenLinks): Dat is aan elkaar gelinkt. Die 30 ECTS is volgens mij niet zomaar gekozen. Er werd namelijk gezegd dat je het schakelprogramma eigenlijk in de bachelor zou moeten inbouwen. Dan heb je maar 30 ECTS nodig, wat een stuk in de bekostiging scheelt. Zouden we niet als voorwaarde moeten stellen dat dit eerst gerealiseerd moet zijn voordat we de maatregel voor de schakelprogramma's nemen?

De heer Mohandis (PvdA): Ik heb het voorstel als volgt gelezen. Het is de bedoeling dat de schakeltrajecten uiteindelijk worden geïntegreerd in de opleiding, maar dat er ook afzonderlijke schakeltrajecten zijn. Op dat laatste doelde ik met mijn vraag.

De heer Klaver (GroenLinks): Zou het niet goed zijn om ook daar een schifting in aan te brengen, zodat dit geïntegreerd wordt? Het zal in de meeste gevallen gaan om mensen die een master willen volgen na hun bachelor. Op deze manier zorgen we er namelijk voor dat er geen te hoge drempel wordt opgeworpen met onbetaalbare collegegelden voor het schakelprogramma.

De heer Mohandis (PvdA): Dat is een interessante suggestie, maar ik zeg er wel bij dat het afhankelijk is van het type schakeltraject dat je neemt. Als je namelijk schakelt naar een heel ander type opleiding, dan is 30 ECTS misschien wel veel te kort. Zo'n eenheidsworst is het niet.

Dan kom ik bij het punt collegegelddifferentiatie. Het is onmogelijk om collegegelddifferentiatie toe te staan bij opleidingen die excellent onderwijs verzorgen, neem een university college. Kan de minister mij uitleggen wat een opleiding allemaal op orde moet hebben om het predicaat excellent te krijgen? Wanneer voldoet een opleiding volgens de minister daaraan? Hoe gaat de minister waarborgen dat het hoger onderwijs toegankelijk blijft voor groepen die geen verhoogd collegegeld willen betalen maar wel een bepaalde opleiding willen volgen? Het kan toch niet zo zijn dat straks bijvoorbeeld alle opleidingen journalistiek het predicaat excellent krijgen?

De minister wijst in de memorie van toelichting terecht op de toegankelijkheid en het voornemen om een sociaal leenstelsel in te voeren. We hebben in de Kamer al een debat gevoerd over de toegankelijkheid na invoering van het sociaal leenstelsel. Is het, gelet op alle discussies over de toegankelijkheid, daarom niet verstandiger om de mogelijkheid tot meer differentiatie pas toe te laten nadat de invoering van het sociaal leenstelsel een feit is en de toegankelijkheid niet in het geding is?

De heer Jasper van Dijk (SP): Dit vind ik een bijna net zo merkwaardige redenering als die van de heer Rog. Nu vraagt de heer Mohandis namelijk of we niet moeten wachten met de verhoging van het collegegeld totdat we weten of het leenstelsel slecht uitpakt. Wij weten niet alles, maar wij weten al wel veel over het leenstelsel, namelijk ...

De heer Mohandis (PvdA): De heer Van Dijk weet ook niet veel over het leenstelsel, want het is nog niet werkelijk ingevoerd!

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter, wie had er het woord?!

De voorzitter: De heer Van Dijk heeft het woord.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik houd ook van snelle interactie, maar ik wil even mijn interruptie afmaken. Ik snap de redenering niet helemaal. Wij moeten dus volgens de heer Mohandis eerst bekijken of het leenstelsel de toegankelijkheid beperkt. Indien dat het geval is, is hij tegen het voorstel om het collegegeld te differentiëren tot maximaal vijf keer het huidige collegegeld. Dan kom je op ongeveer € 9.000 terecht. Ik vind dat heel gek. Bovendien weten wij al dat het leenstelsel problemen oplevert. Denk aan wat het Centraal Planbureau heeft gezegd. Bij invoering van het leenstelsel zien 10.000 tot 20.000 studenten af van een hogere opleiding. Is het niet veel duidelijker als de heer Mohandis zegt dat wij niet financiële drempels aan studenten moeten opleggen maar dat wij ze beter intellectueel kunnen uitdagen?

De heer Mohandis (PvdA): Laat ik ermee beginnen dat het mij altijd gaat om de capaciteit van studenten en niet om de portemonnee. Dat staat bij mij echt centraal. Ik ben er niet zo principieel tegen als de heer Van Dijk om de mogelijkheid te bieden aan een enkele opleiding die alles op orde heeft à la University College. Ik wijs alleen op het feit dat wij hier met elkaar een discussie hebben gevoerd. Wij waren het niet eens over de vraag van de toegankelijkheid, als het sociaal leenstelsel een feit is. Daarom vraag ik de minister of zij naar dat moment wil kijken, voordat zij deze deur openzet. Dat heb ik beoogd te vragen. Ik wacht dat antwoord af.

De heer Jasper van Dijk (SP): Nu wordt het nog warriger, want nu zegt de heer Mohandis: ik stel een vraag. Op NU.nl lees ik toch heel duidelijk: «PvdA wil wachten met hoger collegegeld excellente studies». Dat is geen vraag maar een stelling, een standpunt. «Opleidingen met het oordeel «excellent» mogen hun collegegeld pas verhogen als duidelijk is dat de toegankelijkheid door invoering van het sociaal leenstelsel niet in het geding is.» Dat is een heel duidelijke stelling. Is dat het standpunt van de Partij van de Arbeid of wil de heer Mohandis alleen een vraag stellen? Is hij het met mij eens dat wij echt moeten voorkomen dat er een stelsel komt waarbij rijke studenten een mooie topopleiding kunnen volgen en minder rijke studenten het maar moeten doen met het restonderwijs?

De heer Mohandis (PvdA): Het is jammer dat de heer Van Dijk spreekt van «restonderwijs», want daarmee doet hij heel veel studenten tekort. Wij willen goed hoger onderwijs. Je kunt niet uitsluiten dat er straks opleidingen zijn die het op een excellent niveau gaan leveren. Ik heb gezegd in het artikel dat wij iets gaan invoeren waarvan wij niet precies weten wat het effect is. Die discussie hebben wij met elkaar gevoerd. Mijn stelling is dan ook: wacht tot dat is ingevoerd, voordat wij deze stap zetten. Zo heb ik het gezegd. Al mijn citaten in het artikel kloppen zeker, zeg ik de heer Van Dijk, als hij daarop doelde.

De heer Jasper van Dijk (SP): Als de heer Mohandis dat meent, wil ik een voorstel zien. Hij zegt dat wij eerst moeten wachten totdat helemaal piekfijn helder en duidelijk is wat daarmee gebeurt en dat er dan misschien collegegelddifferentiatie moet komen. Gaat hij daarover een amendement of een motie indienen? Graag krijg ik daarover helderheid.

De heer Mohandis (PvdA): Ik sluit voor de tweede termijn niets uit, maar ik stel nu een vraag aan de minister. Ik constateer dat wij een sociaal leenstelsel invoeren. Ik stel deze vragen dus en die wacht ik in eerste termijn af.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Het is aandoenlijk om te zien hoe de heer Mohandis zich druk maakt over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Ik heb een eenvoudiger voorstel: draai het even om en zorg er gewoon voor dat er geen leenstelsel komt. Dan heeft de heer Mohandis die vraag in ieder geval niet. Daarna kun je dan inderdaad bekijken of je voor excellente studies weliswaar misschien niet vijf keer – dat vinden wij extreem – maar misschien twee keer het wettelijk collegegeld kunt vragen. Wat vindt de heer Mohandis van dat voorstel? Dan hebben wij de toegankelijkheidsvraag aan de voorkant getackeld.

De heer Mohandis (PvdA): Dat is appels met peren vergelijken. Wij hebben hier een goede discussie gevoerd over het sociaal leenstelsel. Dat staat in ons verkiezingsprogramma. Wij hebben heel duidelijk aangegeven waarom wij dat belangrijk vinden. Met betrekking tot collegegelddifferentiatie heb ik een vraag gesteld, omdat wij het voornemens zijn in te voeren. Ik wacht het antwoord daarop af. Mevrouw Schouten zegt in één zinnetje dat ik het even moet omdraaien, maar zo simpel gaat dat niet.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Appels met peren vergelijken! Ik hoor de heer Mohandis zelf net de koppeling leggen tussen de invoering van het sociaal leenstelsel en de collegegelddifferentiatie. Kennelijk mag het op die manier wel met elkaar vergeleken worden, maar andersom niet. Ik daag de heer Mohandis uit om aan te geven wat hij echt belangrijker vindt. Vindt hij de toegankelijkheid belangrijker? Vindt hij dat wij daarvoor al aan de voorkant, door het sociaal leenstelsel niet in te voeren, de goede keus maken? Daarna kunnen wij de discussie voeren over de collegegelddifferentiatie. Nu houdt de heer Mohandis alle ballen in de lucht. Straks heeft de student aan de ene kant een sociaal leenstelsel en krijgt hij er aan de andere kant het hogere collegegeld voor excellente opleidingen bij. Dan worden studenten twee keer geraakt en zegt de heer Mohandis dat hij nu eenmaal die volgorde hanteerde. Doe het niet!

De heer Mohandis (PvdA): Ik doelde erop dat wij een uitvoerig debat over het sociaal leenstelsel hebben gevoerd. Wij hebben de argumenten gewisseld. Het is heel kort door de bocht om te zeggen «doe het niet». Dat zou geen recht doen aan het debat dat wij hier hebben gevoerd. Laat ik dat vooropstellen. Ik heb bij mijn vragen aan de minister gezegd dat het belangrijk is dat het hoger onderwijs in het algemeen toegankelijk blijft voor alle groepen. Het moet een goed niveau hebben. Als een enkele opleiding excellent onderwijs biedt, bijvoorbeeld het University College, dan ben ik daar niet principieel tegen. Ik wijs echter wel op iets wat wij straks gaan invoeren. Die koppeling heb ik gelegd.

De heer Van Meenen (D66): Mijn fractie heeft al een amendement ingediend om helemaal af te zien van de differentiatie van het collegegeld. Een aantal van de argumenten die naar voren komen, wordt ook door de heer Mohandis genoemd. Laat ik hem vervolgens bijvallen. Het is een volstrekt logische redenering om eerst eens te kijken wat er gebeurt rond het sociaal leenstelsel. Ik steun hem dus in deze gedachte. Het enige wat ik betreur, met de heer Van Dijk bijvoorbeeld, is dat hij dit tot nu toe in deze zaal brengt als een vraag aan de minister, terwijl zelfs in zijn vraag een heel duidelijke opvatting naar voren komt. Wat kunnen wij nu verwachten? Gaat de heer Mohandis zeggen dat hij een eventuele collegegelddifferentiatie eerst wil bespreken in deze commissie, bijvoorbeeld via een voorhangprocedure, voordat daarvan sprake kan zijn? Wil hij die pas toestaan als het sociaal leenstelsel eerst in al zijn facetten is uitgewerkt, en gesteld dat het er dan komt? Hij moet op een gegeven moment wel boter bij de vis geven. Ik heb uit zijn bijdrage helemaal niet het gevoel gekregen dat hij nog aarzelt. Wij zijn het gewoon met elkaar eens dat het geen goed idee is. Ik begrijp alleen best dat hij het lastig heeft met zijn collega's ter rechterzijde. Het moet dus wat omfloerst gebracht worden. Laten wij nu maar gewoon constateren dat wij het helemaal met elkaar eens zijn en dat de minister geen antwoord kan geven om hem van deze gedachte af te brengen. Wat is hierop zijn antwoord?

De heer Mohandis (PvdA): Het is een heel betoog. Dank u wel, mijnheer Van Meenen.

Het wordt anders een beetje een herhaling van zetten. Afhankelijk van de beantwoording zal ik bekijken hoe ik hier in tweede termijn op terugkom.

De heer Bisschop (SGP): Ik kom nog even terug op de relatie tussen het sociaal leenstelsel en dit wetsvoorstel. Waartoe is uitgesproken dat de invoering van een sociaal leenstelsel onder afschaffing van de basisbeurs wenselijk is? Als ik het goed heb begrepen, was de belangrijkste argumentatie om geld te genereren voor een kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs. Misschien in het onderwijs in het algemeen, maar ook in het hoger onderwijs. Wat ligt voor? Een wetsvoorstel kwaliteit hoger onderwijs. Wat ligt dan meer voor de hand om die link te leggen? Macro weten wij wat het sociaal leenstelsel zal moeten opbrengen. Dan kunnen wij nu toch ook de vraag stellen welke gedachten er zijn over de verdeling van het geld. Hoe zien wij dat voor ons? In eerdere discussies is gezegd dat die baten pas in 2017 komen en dat het dan pas ... enzovoort. Maar wij kunnen toch ook hier deze verbinding leggen? Wij kunnen toch de link leggen naar collegegelden? Wij kunnen toch de verbinding leggen naar de kosten van de tweede studie? Wij beschikken dan toch over de kwaliteitsgelden die vrijvallen ten gevolge van de invoering van het sociaal leenstelsel?

De heer Mohandis (PvdA): U vraagt nu aan mij hoe we het geld dat het sociaal leenstelsel op termijn gaat opleveren, gaan besteden en om dit eventueel te laten toevallen aan de kosten voor een tweede studie of collegegeld. Begrijp ik dat goed?

De heer Bisschop (SGP): Mijn vraag is of u bereid bent om die verbinding te leggen en van daaruit na te denken over de mogelijkheden om inderdaad een zekere eenduidigheid in collegegeld te handhaven, ook voor tweede studies en dergelijke. Dat is mijn vraag.

De heer Mohandis (PvdA): Ik loop niet vooruit op de vraag hoe wij het geld gaan besteden dat het sociaal leenstelsel eventueel oplevert. Dat doe ik graag met de collega's als dat debat straks aan de orde is.

Ik kom even terug op de vragen van de heer Van Meenen. Ik heb dat gezegd, dus ik vind dat ook echt wat betreft het op een kier zetten van de deur voor collegegelddifferentiatie nadat het sociaal leenstelsel is ingevoerd. Ik vraag de minister hoe zij daartegen aankijkt. Op basis daarvan bekijk ik wat ik in de tweede termijn zal doen en daar blijf ik echt bij.

De voorzitter: De heer Klaver nog?

De heer Klaver (GroenLinks): Je komt er maar moeilijk door bij de PvdA. Ik zal proberen niet in herhaling te vervallen. Wij krijgen voorafgaand aan debatten vaak ronkende teksten over wat de PvdA graag wil, maar vervolgens wordt hier alleen een vraag gesteld. Wij zouden graag iets meer duidelijkheid willen. Ik merk het ook bij de collega's, maar laat ik voor mijzelf spreken. Als ik de stelling van de heer Mohandis goed heb begrepen en ook de stemmen hier tel, betekent het dat na dit wetgevingsoverleg het gedifferentieerde collegegeld van tafel is totdat het sociaal leenstelsel er al dan niet is gekomen. Heb ik dat goed begrepen? Hoe wij dat precies regelen, is dan een vraag voor de tweede termijn.

De heer Mohandis (PvdA): Die conclusie kan ik in dit stadium niet helemaal delen. Ik heb een vraag gesteld aan de minister. Op basis van haar antwoord kom ik erop terug in mijn tweede termijn.

De heer Klaver (GroenLinks): De heer Mohandis zegt dat wij eigenlijk moeten wachten met de invoering van het gedifferentieerde collegegeld totdat het sociaal leenstelsel er is. Volgens mij heeft de heer Mohandis gevraagd hoe je dat zou moeten regelen. Moet je dat dan uit dit wetsvoorstel halen? Moet het misschien later per AMvB worden geregeld? Gaan wij überhaupt later stemmen over dit hele wetsvoorstel of schorten wij de behandeling op? Dat scheelt een avond. Kom je met een motie? Het gaat in de tweede termijn alleen nog over het instrument dat je inzet. Wij kunnen nu toch al de conclusie trekken dat het gedifferentieerde collegegeld er niet komt voordat het sociaal leenstelsel is ingevoerd? Volgens mij is dat de enige juiste conclusie die wij nu uit het betoog van de heer Mohandis kunnen trekken.

De heer Mohandis (PvdA): De heer Klaver heeft mijn bericht op NU.nl gelezen. Hij mag dat op zijn manier concluderen. Ik vind dat wij dat pas moeten doen als het sociaal leenstelsel is ingevoerd...

De heer Jasper van Dijk (SP): Misschien toch?

De heer Mohandis (PvdA): Hoe bedoelt u?

De heer Jasper van Dijk (SP): Eerst kijken hoe het uitpakt.

De heer Mohandis (PvdA): Laat ik bij mijn eigen woorden blijven. Eerst wordt het sociaal leenstelsel ingevoerd en dan bekijken wij hoe wij die deur op een kier zetten. Nogmaals, in de tweede termijn kan ik met iets komen om dat scherper te krijgen, maar ik wacht eerst de antwoorden van de minister af.

Ik kom bij de driejarige hbo-trajecten voor vwo'ers. Het gaat om een driejarige opleiding waarin hetzelfde moet worden gehaald als in een vierjarige. Waarom zou een vwo'er kiezen voor deze route nu het aantal studiepunten gelijk staat? Ik vraag de minister of dit alternatief wel aantrekkelijk genoeg is. Mijn collega Duisenberg en ik hebben een amendement voorbereid en hij zal dit verder toelichten in zijn inbreng. Ik kijk hem aan en hij knikt, dus hij doet dat ook.

De heer Van Meenen (D66): Voorzitter. Mijn excuses aan de heer Mohandis dat wij hem het leven zo zuur maken, maar het is zo'n kans dat wij die maar meteen willen verzilveren.

De heer Mohandis (PvdA): Ik snap mijn collega's van de oppositie, want ja, je moet toch samen iets willen bereiken. Anders kom je er gewoon niet.

De heer Van Meenen (D66): Zo is het. Overigens memoreer ik nog even dat de PvdA in de schriftelijke ronde letterlijk heeft gezegd: de leden van de PvdA-fractie hebben bezwaar tegen de voorgestelde collegegelddifferentiatie voor excellente opleidingen. Ik geef het maar even mee.

Het kost veel moeite het college van bestuur uit te leggen dat wij de universiteit zijn en zij het ondersteunend personeel, aldus een VU-docent in NRC Handelsblad van 13 april jongstleden. Het artikel heet «De diplomafabriek draait door». Een ander die daarin wordt geciteerd, is de geachte heer Paul van der Heijden, voormalig bestuurder van de Universiteit Leiden, die een mooie beschrijving geeft van de geschiedenis van de universiteiten. Ooit begon het met de professorenuniversiteit. De professoren maakten in alle opzichten de dienst uit, zowel wat betreft onderwijs, onderzoek als bestuur, vertelt Van der Heijden. Met licht afgrijzen. Dat staat er niet bij, maar dat denk ik er dan maar even bij, want vervolgens zegt hij onder andere: het arbeidsrecht is zo twintigste-eeuws en medezeggenschapsorganen passen niet meer bij de werkelijkheid. Ten slotte luidt zijn slogan «professionals in de lead» en daarmee worden bepaald geen professoren bedoeld.

Voorzitter. We zijn een beetje de weg aan het kwijtraken. Volgens D66 zit het probleem erin dat kwaliteit dreigt te verworden tot kwantiteit. En dat komt overal terug in het onderwijsbeleid. Ik hoop en vertrouw er ook op dat we met deze bewindslieden de weg terug kunnen vinden. Helemaal zeker is dat nog niet, maar dit is hiertoe wel een beslissend debat. Daarop voortbordurend zou je kunnen zeggen dat met Kwaliteit in verscheidenheid wellicht eigenlijk kwantiteit in verscheidenheid bedoeld wordt en dat prestatieafspraken misschien wel als enig doel hebben om het rendement te bevorderen. Begrijp mij niet verkeerd, rendement is belangrijk, studenten moeten hun studie afmaken en het is goed om een hoogopgeleide beroepsbevolking te hebben, maar we moeten niet alleen harder aan de schoorsteen trekken, er moet ook hout op het vuur. Met die vergelijking blijf ik de minister lastigvallen totdat dat hout er ook werkelijk opgegooid wordt. Of, om met de woorden van NSVB-voorzitter Kai Heijneman te spreken, rendement als kwaliteitsindicator is een zwaktebod. En zoals het ISO terecht stelt: in de wet zitten geen maatregelen die de kwaliteit direct raken, zoals meer contacturen, kleinere onderwijsgroepen en zelfstandige docententeams.

De heer Duisenberg (VVD): Sorry, kunt u dat herhalen?

De heer Van Meenen (D66): Meer contacturen, kleinere onderwijsgroepen en zelfstandige docententeams. Daar gaat het dus niet over. En als u het wel hebt gevonden, dan houd ik mij aanbevolen, maar ik ben het niet tegengekomen.

In de memorie van toelichting lees ik dat dit wetsvoorstel geen effect heeft op de rijksbegroting. Dat is natuurlijk een gemiste kans, want de commissie-Veerman schreef netjes op dat de gestelde ambities niet zijn te verwezenlijken zonder extra geld. Daar kom ik straks bij u ook nog wel even op terug, mijnheer Duisenberg,

Is het onderwijs nu klaar voor grotere groepen? Immers, de instroom is de afgelopen decennia gigantisch gestegen en de opdracht van Veerman was om het onderwijs daarvoor klaar te stomen. Is dat met dit wetsvoorstel gelukt? Ik hoop daarop graag de reactie van de minister.

Er zitten ook veel goede maatregelen in dit wetsvoorstel. D66 is voorstander van inschrijven voor 1 mei. Tijdig besluiten helpt om goed na te denken over je keuzen en biedt ruimte voor matchingsactiviteiten, maar de communicatie moet wel goed op orde zijn. Hoe gaat de minister voor die goede communicatie zorgen?

Dan de matching zelf. D66 ziet hierin toegevoegde waarde. Studies zijn nu vaak heel gretig in het aantrekken van mensen want meer studenten betekent meer inkomsten. Het is belangrijk om de juiste mensen op de juiste plek te krijgen maar dat is iets anders dan selectie. De beste mensen krijgen om zo min mogelijk uitval te hebben zonder extra inspanningen om aan de prestatieafspraken te voldoen, is niet ons idee. Dat onderwijs moet beter en dat zal ertoe leiden dat die kwaliteit beter wordt en dat opleidingen zich excellent mogen gaan noemen. Deelt de minister deze gedachtegang?

Als studenten niet leveren bij een studiekeuzeactiviteit verliezen ze hun plaatsingsrecht, maar welke dwangmiddelen hebben studenten als universiteiten of hogescholen niet leveren? Zij kunnen moeilijk dreigen met uitschrijven. Dat helpt immers niet. Kan de minister beschrijven welke procedure een student dan moet volgen?

Dan iets over de Associate degree. Dat vinden wij een goed plan. Eigenlijk is iedereen die ik er over spreek, er ook positief over. Maar hoe zorgen we ervoor dat dit niet een opstapje wordt voor een volwaardige bachelor, maar gewoon een eigen studie met een eigen instroom en een natuurlijke achterban vanuit bedrijven? Ook vraag ik mij af hoe er tegemoetgekomen kan worden aan vragen van het bedrijfsleven. Als er een behoefte gearticuleerd wordt om op een bepaald gebied een opleiding te starten en er daadwerkelijk werkgelegenheid is, biedt dat dan een mogelijkheid voor de lokale hogeschool om hen hiertoe aan te zetten? Kan de minister toezeggen dit ook te zullen ondernemen?

In de motie-De Rouwe/Van der Ham wordt expliciet gevraagd het gesprek aan te gaan met het veld om ook de mogelijkheid te verkennen de Associate degree op mbo's te laten aanbieden. Hierover schrijft de minister dat uit het overleg is gekomen dat enkele hbo's dit zullen doen. Kan zij iets meer inzicht in dit overleg geven?

De driejarige hbo-opleiding voor vwo'ers is wat ons betreft een schot in de roos. Die opleiding moet er nu ook wel komen. Zal de minister dit monitoren? Welke mogelijkheden heeft zij om in te grijpen als er niets gebeurt? Ook breek ik een lans voor een driejarige pabo voor vwo'ers. De minister schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag dat deze nog niet is aangekondigd. Hopelijk vindt zij wegen om dit alsnog voor elkaar te krijgen.

De fractie van D66 is, zoals gezegd, enthousiast over de driejarige hbo-opleiding, maar zij is tevens van mening dat die alleen succesvol kan worden als ook wordt gewerkt aan het aanbod van hbo-masters. Kan de minister zeggen welke voortgang op dit gebied wordt geboekt en welk deel van de hbo-studenten nu een master doet?

Met de driejarige opleiding voor vwo'ers wordt recht gedaan aan de diversiteit binnen de hbo-instroom. Dat zijn natuurlijk niet alleen zeventienjarige havisten, maar ook mbo'ers, vwo'ers en werkenden. Hier wordt nu iets gecreëerd voor de vwo'ers, maar worden de andere groepen nu ook afdoende bediend? Ik krijg hierop graag een reactie.

Over de titulatuur zijn allerlei discussies gevoerd. Overigens ben ik van opvatting dat veruit de meeste partijen hier positief in staan. Dat geldt ook voor D66. Het is mij opgevallen dat in de beantwoording staat: «Op basis van deze lijst – bedoeld wordt de lijst van Nuffic – wordt een ministeriële regeling gemaakt.» Mag ik daaruit concluderen dat de lijst van Nuffic exact wordt overgenomen of ligt dat toch anders?

In de schriftelijke fase heeft de fractie van D66 haar zorgen uitgesproken over de macrodoelmatigheid. Die mag geen barrière vormen voor het aanbieden van deeltijdopleidingen of onderwijsvernieuwing. De Kamer kreeg terug van de minister dat bij de macrodoelmatigheidstoetsing – 27 keer letterwaarde – nu wordt voorgesteld om meer rekening te houden met de vorm waarin de opleiding wordt aangeboden. Dat zou betekenen dat er ruimte komt voor deeltijdopleidingen, ook als er al een voltijdopleiding is. Dat is nu regelmatig een probleem. In het kader van een leven lang leren lijkt dit een ernstige tekortkoming. Kan de minister nog eens uitleggen waarom zij dit wil aanpakken via extra ruimte bij de macrodoelmatigheidstoetsing in plaats van een gesplitste toetsing, dat wil zeggen dat aanvragen voor deeltijd en voor voltijd apart worden getoetst?

Dan kom ik bij voldoende ruimte voor vernieuwend onderwijs. Nu zal een macrodoelmatigheidstoets er altijd op wijzen dat een bestaande opleiding niet beconcurreerd hoeft te worden. Er wordt niet ingegaan op enige kwaliteitsvraag of op de behoefte om het onderwijs te vernieuwen. Dat betreurt mijn fractie. Ziet de minister mogelijkheden om dit probleem te ondervangen en, zo ja, zodoende voldoende vernieuwing te garanderen binnen bestaande sectoren?

De minister kent de ideeën van mijn fractie over medezeggenschap. Daarover komen wij binnenkort ongetwijfeld in gesprek. Daarom een korte vraag. Opnieuw wordt in dit voorstel lustig met het adviesrecht gestrooid. Ik concludeer daaruit dat dit wordt gedaan omdat het zo eenvoudig te negeren is, maar daar komen wij in het governancedebat zeker nog op terug.

Het laatste punt voordat ik aan de amendementen toekom, heeft betrekking op het experiment promotiestudenten. Welke waarborgen heeft de minister dat dit echt een experiment blijft? Ik krijg signalen dat bijvoorbeeld Groningen hierop vrij drastisch wil inzetten. Kan de minister daar meer over zeggen?

Daarnaast zijn er enkele wetsonderdelen waarover D66 helemaal niet enthousiast is. Dit zijn problemen die niet met vragen kunnen worden opgelost. Ik heb daarvoor de drie volgende amendementen ingediend.

Het eerste amendement heeft betrekking op hoger collegegeld voor excellentie. Dat is voor D66 een armoedebod. Het Siriusprogramma loopt op zijn einde en de universiteiten willen graag door met het verbeteren van onderwijs. Dit staat los van het feit dat ik mag hopen dat zij sowieso voor excellent onderwijs gaan. Claimen de universiteiten dat zij hiervoor extra geld nodig hebben? De enige optie die zij hiervoor zien, is het geld bij de student weg te halen. D66 wil deze weg niet bewandelen. Zij voorziet allerlei problemen. Zo kunnen excellentiekeurmerken worden toegekend en afgenomen terwijl de student toch echt drie jaar nodig heeft om de studie af te maken.

Ook de dispensatieregeling is onvoldoende. Universiteiten kunnen dispensatie geven, maar zij moeten die wel zelf betalen. Dat lijkt mij een gevaarlijke incentive en daarbij is het half werk. Voor een Harvard aan de Noordzee moeten echte keuzes worden gemaakt. Met een hoger collegegeld komt er hooguit een paar ton extra beschikbaar. Daarmee bouw je geen Harvard; daarvoor zijn ten minste honderden miljoenen nodig. D66 ziet daarom geen reden voor deze mogelijkheid in de wet. Wij hebben een amendement ingediend om die weer uit de wet te krijgen. Wij willen niet dat excellentie iets elitairs wordt; die moet namelijk bereikbaar blijven. En kwaliteit moet vooropstaan, niet inkomen.

De heer Duisenberg (VVD): Het is jammer dat de heer Van Meenen er vrijdag niet bij was in Utrecht, toen wij daar met een aantal collega's waren. Hij had dan uit eerste hand kunnen vernemen hoe het daar werkt met die honoursprogramma's, met die speciale programma's. Ik denk dat hij zeer enthousiast was geweest over die programma's en dat hij dit dan anders op waarde had geschat. Ik ga zo dadelijk mijn vraag stellen. De heer Van Meenen had het net over de weg kwijt zijn, maar dat gevoel heb ik meer en meer bij D66. Ik ben namelijk echt verbaasd, zeker als aan mijn linkerzijde iemand begint te smalen dat hij D66 gaat stemmen. Dan moet je je echt gaan afvragen waar je mee bezig bent.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dit moet natuurlijk even worden gerectificeerd. Ik zei: wat een uitstekende tekst van D66, vooral over die amendementen.

De heer Duisenberg (VVD): Ik dacht iets anders te horen. De heer Van Meenen stelt allerlei amendementen samen met de SP voor. Hij haalt de LSVb aan, als bron en onderbouwing. Hij mist zaken als de contacturen en dergelijke. Ik vraag hem het volgende. Is hij het niet met mij eens dat deze wet een onderdeel is van een totaalprogramma, dat voortkomt uit de commissie-Veerman en waar een aantal heel belangrijke puzzelstukken in zitten, onder andere de hoofdlijnenakkoorden, de prestatieafspraken en deze wet? Als je daar onderdeeltjes uit gaat trekken, trek je het gehele bouwwerk onderuit en daarmee ambitieus en goed onderwijs. Is hij het daarmee eens, ziet hij dit op dezelfde manier?

De heer Van Meenen (D66): Dit zijn inderdaad onderdelen van de voorstellen van Veerman, maar de heer Duisenberg citeert selectief uit Veerman. Ik zal even een klein citaat geven. In het rapport-Veerman staat letterlijk: «Door vele gesprekspartners is aangegeven dat die hoge ambitie niet te verwezenlijken is zonder extra geld. Vooral omdat uit internationale vergelijkingen van het investeringsniveau in het hoger onderwijs onmiskenbaar blijkt dat Nederland wegzakt.» Ik kan nog wel even doorgaan. Daar hoor ik de heer Duisenberg niet over; die richt zich namelijk vooral op de portemonnee van de student.

Ik ben het helemaal eens met de heer Duisenberg dat excellentie iets heel erg goeds is. Ik heb zelf elf jaar in het hoger onderwijs gewerkt. Ik kon er afgelopen vrijdag helaas niet bij zijn om te zien welke schitterende en excellente programma's er worden aangeboden. Ik ben ervan overtuigd dat ze heel mooi zijn. Wat mij stoort is echter – en als ik het dan toevallig met de SP eens ben, is dat maar zo – dat de rekening daarvoor met het grootste gemak bij de student wordt neergelegd. Dat gebeurt op meer punten. Sterker nog, uit armoede wordt voor ongeveer alles in het onderwijs de rekening bij de student neergelegd. Iedereen, misschien ook de voorzitter maar de heer Duisenberg wel in het bijzonder, zou zich eigenlijk moeten afvragen of we hiermee op de goede weg zijn en of universiteiten en hogescholen niet zelf de ambitie moeten hebben om excellent onderwijs normaal te maken. Laten we van «nominaal is normaal» eens «excellent is normaal» maken, in plaats daarvan. Daar betalen we dan een normaal collegegeld voor, zonder extra toeters en bellen. Normaal onderwijs in Nederland is excellent onderwijs; dat is onze doelstelling.

De heer Duisenberg (VVD): Daar ben ik het natuurlijk helemaal mee eens. Ik denk dat iedereen in deze commissie het daarmee eens zal zijn; we willen allemaal naar excellent onderwijs toe. Dat is ook het motto van dit kabinet: excellent onderwijs, daar gaan we voor. De heer Van Meenen zegt dat Veerman heeft gezegd: meer investeren. Ik wil daar toch even op reageren. Dat is ook de reden dat binnen de begroting via het sociaal leenstelsel naar geld wordt gezocht. Maar over selectief quoten gesproken – en daarmee kan ik de heer Van Meenen ook feliciteren – Veerman zegt óók: «De commissie sluit niet uit dat het geld binnen het hoger onderwijs anders moet worden ingezet, of dat de verhouding tussen publieke en private bijdragen verschuift.»

We weten allemaal dat het een punt is. Het enige dat wij kunnen vaststellen, is dat in de hoofdlijnenakkoorden en in de agenda die is gezet door de hogescholen en de universiteiten gerekend wordt op die collegegelddifferentiatie. De programma's die daar uitkomen – het is jammer dat u er in Utrecht niet bij was – zijn geweldig.

De heer Van Meenen (D66): Dat is fijn om te horen. U maakt het onderscheid tussen publiek en privaat. Publiek zijn de universiteiten, privaat de studenten. Dat is echter niet wat Veerman heeft bedoeld. Privaat is wel iets breder dan alleen de student. Sterker nog, bij de student valt bijzonder weinig te halen. De universiteiten krijgen van Veerman de gelegenheid om veel meer met private instellingen afspraken te maken over de excellentie die uiteindelijk natuurlijk ook van belang is voor bedrijven. Zo moet de heer Rog dat lezen. Hij moet «privaat» dus niet lezen als «klop de zakken van de studenten nog maar wat verder leeg».

De heer Rog (CDA): Ik ben werkelijk geschokt. Ik snap er helemaal niets meer van. «Klop de zakken van studenten maar leeg». Ik hoor allemaal ronkende teksten van D66. «Het geld wordt weggehaald bij de studenten». Een zin later zegt de heer Van Meenen dat de maatregel maar een paar tonnetjes zal opleveren. Het is mij totaal onduidelijk wat D66 wil. D66 wil een leenstelsel introduceren waardoor alle studenten, ongeacht of zij nu een excellente opleiding doen of niet, of zij nu arm zijn of rijk, in de schulden worden gestoken. Dat is een onbegrijpelijke wens van een partij die zichzelf «onderwijspartij» noemt. Wat is er, zo vraag ik de heer Van Meenen, nu onredelijk aan om naast het goede onderwijs dat wij in Nederland hebben van die paar studenten die ervoor kiezen om een intensiever, breder of verdiepend programma te volgen, dat extra geld kost, een stukje eigen bijdrage te vragen?

De heer Van Meenen (D66): De argumenten van de heer Rog tegen het leenstelsel kunnen ook op dit punt onverkort worden genoemd. Hij is zelf voorstander van maximaal tot vijf keer het collegegeld vragen. Dat is nogal wat. Die discussie hebben wij zo-even al gevoerd. Het verschil tussen het CDA en D66 is dat in het programma van D66 niet alleen het leenstelsel staat, maar ook een investering van 2 miljard waarmee je als samenleving laat zien dat je wilt investeren in onderwijs. Dat is wat momenteel volledig ontbreekt en waarvoor ik aandacht blijf vragen. Zolang dit kabinet niet wil investeren in onderwijs naast de opbrengst van een leenstelsel, zal er helemaal geen leenstelsel komen. In die zin kan ik de heer Van Meenen dus geruststellen. Ik zit hier nu voor de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat mij veel te ver als met dit voorstel de rekening voor die kwaliteit eenzijdig bij de student wordt neergelegd. Ik verzet mij daartegen. Ik verwacht de heer Van Meenen daarbij eerder als partner dan als tegenstander.

De heer Rog (CDA): Ik deel met de heer Van Meenen dat er voor iedereen goed onderwijs moet zijn dat algemeen toegankelijk is. Het is winst dat de D66-fractie daar ook voor staat en in ieder geval niet de voorstellen voor het leenstelsel van dit kabinet steunt. Dat is geruststellend. De relatie tussen het genieten van profijt van extra intensief onderwijs en het leveren van een eigen bijdrage is een redelijker voorstel, waaraan eerder steun kan worden gegeven dunkt mij, dan het in het algemeen in de schulden steken van studenten.

De heer Van Meenen (D66): De heer Rog concludeert nu wel heel snel dat D66 nooit zal instemmen met welk leenstelsel dan ook. Ik heb de voorwaarden daarvoor heel duidelijk gemaakt. D66 wil dat er dan in ieder geval geïnvesteerd wordt in dat onderwijs. Ik hoop dat het zo ver komt. Dan komen wij ook toe aan de beoordeling van dat leenstelsel zelf. Wellicht komt dat er dan wel of niet.

In dit debat gaat het mij erom dat de excellentie die wij nastreven, niet uitzonderlijk moet blijven. Excellentie zou het streven moeten zijn in elke opleiding. In ieder geval heb ik er grote bezwaren tegen als die excellentie niet bereikbaar wordt op basis van de kwaliteit van studenten maar op basis van hun portemonnee. In die zin vinden de SP en D66 elkaar op dit punt. Mijn fractie vindt dat excellentie toegankelijk moet zijn, net zoals regulier onderwijs toegankelijk moet zijn.

Na jaren wordt erkend dat schakelprogramma's nodig zijn als je van de ene bachelor naar de andere master wilt. Dat is een goede beweging, want met het verlies van de doorstroommaster zal er veel meer dynamiek ontstaan. Daar komt bij dat bij gebrek aan hbo-masters veel mensen na een hbo-opleiding voor een premaster kiezen om alsnog een wetenschappelijke master te kunnen doen. Daarbij ontstaan er problemen. De regering stelt namelijk voor om maximaal 30 studiepunten binnen schakelprogramma's voor het wettelijk collegegeld aan te bieden, en schakelprogramma's zijn vaak langer. In haar beantwoording in de schriftelijke ronde stelt de minister zelf dat de grens van 30 arbitrair is. Op basis van wat vorige week bekend werd over de instellingscollegegelden, kunnen wij nu al vaststellen dat de kosten voor schakelprogramma's onbetaalbaar zullen blijken, en dat is niet wat D66 wil. Daarom heb ik een amendement ingediend om het wettelijke collegegeld voor 60 studiepunten te laten gelden. Hierbij wil ik direct ingaan op het voornaamste argument van de minister in de beantwoording. Zij stelt dat je, als je meer dan 30 punten deficiëntie hebt, maar beter de complete bachelor kunt volgen. Wat kost dat in tijd, geld en menskracht, zo vraag ik de minister.

Het derde amendement gaat over de eigen bijdrage voor selectie. In het wetsvoorstel wordt gezegd dat loting uitgefaseerd moet worden en dat wij meer toe moeten naar selectie. Dat lijkt mij niet meer dan redelijk, want dan krijgen wij de juiste studenten op de juiste plek in plaats van oneerlijke lotingen. Vervolgens wordt echter de wettelijke ruimte gecreëerd om de student voor dat selectieproces te laten betalen. Volgens de minister is hiervoor geen ruimte in de lumpsum, terwijl het geld, zoals zij zegt, toch ergens vandaan moet komen. In de beantwoording stelt de minister de Kamer gerust: het gaat waarschijnlijk maar om € 50 tot € 100. Het lijkt D66 echter geen goed idee. Dit bedrag is klein voor een instelling en voor een minister, en ook voor een Kamerlid, maar is dat zeker niet voor een 18-jarige. Daarbij is het bedrag in de wet niet gemaximeerd en kunnen de instellingen altijd nog iets anders besluiten. D66 wil geen zelfcensuur, oftewel mensen die toch maar geen poging wagen voor hun droomstudie omdat zij het geld even niet hebben. Daarom hebben wij het amendement ingediend om dit onderdeel uit de wet te verwijderen.

Ik vat samen. D66 vindt het een goede wet; er zitten veel goede punten in. Met goede antwoorden en een positieve advisering op onze amendementen zijn wij er helemaal uit.

De heer Klaver (GroenLinks): Voorzitter. Vandaag bespreken wij eigenlijk de wettelijke uitwerking van het rapport-Veerman. De reden waarom ik dat noem, is dat ik me kan voorstellen dat er, toen de minister dit wetgevingsoverleg met haar ambtenaren voorbereidde, is gezegd: wij moeten dat van tevoren melden. Dit is het eerste wat ik in mijn inleiding ga zeggen, is toen mogelijk gezegd, want de hele Kamer heeft enthousiast op dat rapport-Veerman gereageerd, en zo committeren wij hen gelijk. Laat ik die insteek van de minister wellicht vooruit zijn. Ook wij reageerden enthousiast op het rapport-Veerman. Wij hadden daarbij echter wel een bezwaar en een voorwaarde. Het bezwaar was dat dit rapport zo geïnterpreteerd zou kunnen worden dat het ervan wordt uitgegaan dat wij naar een Angelsaksisch model toe moeten, waarin je een aantal topuniversiteiten hebt, de Ivy League, de Harvards en Yales van deze wereld, en daar voor de rest een hele zooi universiteiten onder hebt hangen die het gewoon een stuk minder doen.

Wat mijn fractie belangrijk vindt aan het Nederlandse systeem, is dat Nederland eigenlijk geen slechte universiteiten kent en dat het gemiddelde niveau uitstekend is. Dat je bovenop dat uitstekende niveau van universiteiten nog streeft naar verdere doorontwikkeling, lijkt mij prima, maar de ambities moeten daarbij wel realistisch zijn. Nederland gaat geen Harvard krijgen. Als wij alleen naar Nederland kijken, kunnen wij niet doen alsof wij in Nederland een soort Ivy League kunnen krijgen met instellingen van het kaliber van Harvard. Als je dat al wilt, zul je het in Europees verband moeten bekijken; daar zal ik straks op terugkomen.

Er is ook een voorwaarde. Veerman had het over extra middelen die nodig zijn om die agenda te realiseren. Gewoon extra geld voor onderwijs. Dat zijn de VVD en de PvdA vergeten te regelen – laat ik het maar positief formuleren – bij de kabinetsformatie. Er wordt vaak verwezen naar Harvard, maar Harvard heeft een eigen vermogen van 35 miljard, zo las ik in het laatste jaarverslag. 35 miljard! Daar is niet tegenop te concurreren. Wees dus realistisch in je ambities.

Het rapport van Veerman heette Differentiëren in drievoud. De zeer diverse maatregelen in deze wet haken daarop in. Een verscheidenheid is niet verkeerd. Het is goed voor onze samenleving en goed voor onze economie dat 42% van onze jongeren een vorm van hoger onderwijs volgt en dat dit percentage nog altijd stijgt. Dat betekent echter niet dat die 42% van de jongeren baat heeft bij hetzelfde type of hetzelfde niveau van onderwijs. Dit wetsvoorstel voegt verschillen toe en dat is terecht. Immers, mensen kunnen niet hetzelfde en mensen zijn niet hetzelfde. De Associate degree biedt ruimte voor verdieping en specialisatie van vakmensen. Excellente opleidingen bieden iets extra's aan studenten die meer willen en kunnen dan een normale academische opleiding. Mijn fractie is niet voor het platslaan van het onderwijs; iedereen moet verder kunnen leren op zijn eigen niveau. Maar alle niveaus moeten optimaal toegankelijk zijn voor iedereen.

Differentiatie heeft ook een keerzijde. Het voorbeeld bij uitstek is Amerika. Daar heb je de beste universiteiten in de Ivy League, waar een jaarlijks collegegeld tot bijna 40.000 dollar wordt gevraagd. Daarnaast heb je andere universiteiten, met het meest belabberde onderwijs. Nederland heeft een substantieel ander stelsel. Onze universiteiten zijn goed over de volle breedte. We hebben noch het private noch het publieke kapitaal om een Harvard of Yale op te richten. Dat zou alleen in Europees verband kunnen, en daar zie ik binnen deze regering nog geen initiatief toe. We moeten dus inzetten op brede kwaliteit. Het onderwijsniveau moet ook in de breedte omhoog voor iedereen, want waarom zou je meer moeten betalen voor die excellente opleidingen? Is excellent onderwijs voor studenten die meer schulden willen maken? Of is excellent onderwijs niet mogelijk zonder de extra bijdrage van studenten? Ik kan mij voorstellen dat een hoogleraar veel waardevolle dingen zou kunnen doen met een extra zak geld, waar die dan ook vandaan komt, van bedrijven, studenten of het onderwijs. Met een zak geld zou je veel mooie dingen kunnen doen. Ik kan mij ook voorstellen dat studenten voor veel geld een prestigieus diploma aanschaffen en de universiteit het geld aan de algemene middelen toevoegt.

Geen verschil in tarief is wel zo duidelijk. Toch zou ik enig verschil niet onredelijk vinden, op twee voorwaarden. In de allereerste plaats moet duidelijk zijn waarom een opleiding duurder is. De student moet van tevoren kunnen kiezen en kunnen zien waarvoor hij extra betaalt. Of er nou tweemaal zo veel contacturen zijn dan wel professoren vanuit de hele wereld worden ingevlogen en een mooi dansje doen in de collegezaal, het maakt niet uit wat: het moet inzichtelijk gemaakt worden waarom er meer collegegeld wordt gevraagd.

In de tweede plaats moet de toegankelijkheid niet in gevaar komen. De heer Mohandis maakt zich hier ook zorgen over en daar ben ik blij mee. Het zou wellicht beter zijn om dit onderdeel pas later te behandelen. De leenstelselplannen van het kabinet zijn immers dermate ingrijpend dat ook dit de impact van de collegegelddifferentiatie bepaalt. Als je de kosten voor levensonderhoud al volledig moet lenen, leen je dan ook nog € 10.000 extra per jaar voor die excellente opleiding? Zou de wettelijke mogelijkheid instellingen niet uitdagen om melkkoeien op te richten of meer te vragen voor opleidingen die nu voor het normale tarief toegankelijk zijn? Jan Willem Vos, voormalig rector van University College Roosevelt, zegt: wij vinden principieel dat studenten hier zouden moeten kunnen studeren tegen het reguliere collegegeld, maar we kunnen de ogen niet sluiten voor de landelijke politiek, waar gezegd wordt dat je voor excellent onderwijs ook meer mag vragen.

Waarom is er eigenlijk gekozen voor een factor vijf? Waarom niet voor een factor twee of een factor tien? Is het idee dat een excellente opleiding tot een hoger salaris leidt? Waar is dat dan op gebaseerd? Zou het volgens de minister niet in de rede liggen dat enkele van deze excellente studenten juist in de wetenschap belanden, niet een van de best betalende sectoren?

Ik wil de minister complimenteren dat zij het promotieonderwijs uit dit wetsvoorstel schrapt. Het aiostelsel behoort tot de wereldtop. Onze aio's zijn zowel goede onderzoekers als goede onderwijzers. Het geld ontbreekt om hun aantal op peil te brengen maar het creëren van de mogelijkheid van promotieonderwijs is daarvoor geen oplossing. Als onze aio's geen onderwijs meer geven en niet langer het hoogstaande onderzoek doen dat ze nu doen, wie moet het dan gaan doen? Als de universitaire staf dat gaat doen, waarom levert het dan een bezuiniging op? Het is geen aanwinst maar misschien wel een mogelijkheid waarmee bedrijfsmatig denkende bestuurders het onderwijs kunnen beschadigen.

De beperking van de doorstroming is een van de zaken die mogelijk tegenstrijdig zijn. De overgang van de hbo-propedeuse naar de wo-bachelor zal de toegang tot het wo beperken. Hoeveel studenten zal dit raken? Welke maatregelen zijn mogelijk om deze studenten alsnog toe te laten? Schakelprogramma's? Zomercursussen?

De masteropleidingen gaan selecteren, maar er blijft altijd één master beschikbaar. Hoe ziet de minister dit in de praktijk voor zich? Zal door de selectie een verdere verdeling in zwakke, toegankelijke opleidingen en sterke, moeilijker bereikbare masters ontstaan?

De doorstroommaster verdwijnt. Dat is een logisch gevolg, misschien wel het sluitstuk van het invoeren van het bachelor/masterstelsel. Zijn de bacheloropleidingen inmiddels volwaardig op zichzelf staande opleidingen? Bij hoeveel masters zijn inmiddels de meerdere instroommomenten geregeld? Gaat de minister hier nu strenger op toezien?

Het bekostigde schakelprogramma van 30 punten is kort. Het stelt mij teleur dat de minister nu met dit voorstel komt. Hoeveel studenten worden hiermee geholpen? Mijn indruk is dat een schakelprogramma van 60 punten een adequate brug slaat tussen de hbo-bachelor en de wo-master, zeker gelet op het feit dat er nog niet bij alle hbo-bachelors en wo-masters sprake is van samenwerking in die zin dat ervoor gezorgd is dat het schakelprogramma geïntegreerd is in het lesprogramma. Waarom wil de minister dit niet bekostigen? Is dit een centenkwestie of vindt zij dit principieel niet nodig?

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik heb een vraag over de collegegelddifferentiatie. De heer Klaver heeft een amendement ingediend dat bijna identiek is aan dat van mij. Het mooie is dat wij op dat gebied al redelijk op één lijn zitten. Wij willen het beperken tot hoogstens twee keer het wettelijk collegegeld. Maar ik mis een amendement van de heer Klaver, namelijk een amendement over de verlaging van het collegegeld. Wij hebben de heer Klaver horen zeggen dat een harde voorwaarde voor de invoering van het sociaal leenstelsel was dat het collegegeld substantieel verlaagd zou worden. Waarom heeft hij dat niet bij dit wetsvoorstel proberen te regelen?

De heer Klaver (GroenLinks): Dat hebben wij genoemd in het kader van het sociaal leenstelsel. Wanneer wij gaan spreken over het sociaal leenstelsel hoop ik dat de minister dat al in haar voorstel heeft staan. Als dat niet het geval is, zal mevrouw Schouten op dat moment direct een amendement van GroenLinks zien.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Nu blijft voor heel veel studenten in de lucht hangen of er straks een meerderheid is voor het sociaal leenstelsel. Dat is voor studenten en instellingen heel vervelend. De heer Klaver had nu in ieder geval wat meer duidelijkheid kunnen creëren door te bekijken of onder andere de coalitie aan zijn wens van lager collegegeld tegemoetkwam. Dat meen ik serieus, want daar moet snel duidelijkheid over komen. Wat nu gebeurt, is funest. Het moge duidelijk zijn dat ik geen fan ben van het sociaal leenstelsel, maar de heer Klaver laat hier toch een kans liggen. Hij kan wel zeggen: wij zullen wel zien of het geregeld wordt bij het bespreken van het sociaal leenstelsel. Ik zou zeggen: laat de coalitie nu kleur bekennen. Dan hebben de heer Klaver, de studenten en de instellingen al wat meer zekerheid over de vraag of het sociaal leenstelsel een kans op een meerderheid heeft.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik heb een aantal zaken genoemd die ik belangrijk vind bij de invoering van een sociaal leenstelsel. Op de allereerste plaats heb ik gezegd dat het voorstel zoals het er nu ligt, niet op steun kan rekenen. Ik geloof dat mijn collega van D66 dat ook heeft gezegd. Eigenlijk geldt dat voor iedereen. Dus daar is geen meerderheid voor. Die zekerheid is er. Ik heb een aantal zaken genoemd die ik veranderd wil zien als er een sociaal leenstelsel mocht komen, onder andere een lager collegegeld. Daar zullen wij dan mee komen. Mevrouw Schouten zegt dat het heel lang duurt en dat de vraag of er een sociaal leenstelsel komt, maar boven de markt blijft hangen. Dat zou zij vooral tegen het kabinet moeten zeggen. Het kabinet moet de regie nemen op al die dossiers waar het geen meerderheid voor heeft maar wel iets mee wil, om ervoor te zorgen dat daar snel duidelijkheid over komt voor studenten. Op dat punt laat ik mij niet aanspreken. Wij zijn vanaf het allereerste moment helder geweest over wat wij belangrijk vinden. Daar mag mevrouw Schouten ons aan houden. Het kabinet moet de regie nemen op al die dossiers waar het geen meerderheid voor heeft in de Eerste Kamer om ervoor te zorgen dat die meerderheid er wel komt. Anders moet het die intrekken. Het is mij evenveel waard.

De heer Duisenberg (VVD): Voorzitter. Een paar weken geleden was ik op de Haagse Hogeschool bij de opleiding internationaal recht. Deze opleiding haakt in op de status van deze mooie stad als internationale stad van vrede en recht en brengt een diverse, internationale groep studenten bij elkaar. Het is intensief, kleinschalig onderwijs en er worden hoge eisen gesteld aan de studenten. Afgelopen vrijdag woonde ik met een aantal alleraardigste Kamercollega's een matchingsdag van de Universiteit Utrecht bij. Ook spraken we met het universiteitsbestuur over de verschillende honoursprogramma's die Utrecht heeft voor studenten die nog meer verbreding en verdieping willen en aankunnen, voor studenten die het maximale uit hun studie willen halen. Er zijn honoursopleidingen op het gebied van pharmaceutical sciences, informatietechnologie en talen. Over het honoursprogramma rechten zei een student: deze opleiding scoort voor mij zelfs hoger dan Cambridge. Dit is wat we willen. Dit zijn voorbeelden van excellentie, ambitie en bevlogenheid. Dit is waar dit kabinet voor staat als het spreekt over excellent onderwijs. Dit is waar de VVD zich volledig in herkent. Dit is waarover geschreven werd in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en in het rapport-Veerman dat zo breed gesteund is buiten en binnen deze Kamer. Het mooie is dat de strategie voor het hoger onderwijs en de aanbevelingen van Veerman inmiddels zijn vertaald naar hoofdlijnenakkoorden en prestatieafspraken. Vanuit mijn ervaring in het bedrijfsleven voordat ik de politiek inging, zou ik zeggen: geweldig! De weg vooruit is duidelijk. De strategie is ontwikkeld, er is draagvlak en er zijn akkoorden. Nu komt het aan op het moeilijkste: de naadloze implementatie. Een van onze succesvolste multinationals in het zuiden van het land hanteert daarbij specifiek het motto «stick to your strategy». Zorg dat je standvastig en langdurig vasthoudt aan de koers.

De VVD steunt de ambities van de minister om het hoger onderwijs toekomstbestendig en van internationale allure te maken. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, is een grote stap voor het hoger onderwijs. Het is de vertaling van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en van de acties naar aanleiding van de hoofdlijnenakkoorden met de VSNU en de HBO-raad, tegenwoordig de Vereniging Hogescholen. De VVD heeft in het kabinet-Rutte I al mogen werken aan deze agenda en is verheugd dat dit beleid wordt voortgezet. Er worden belangrijke en mooie stappen gezet. Ik noem de Associate degree, het driejarige hbo-traject voor vwo'ers, de matchingsprocedure en de vervroeging van de inschrijfdatum naar 1 mei. Daarmee is deze wet een enorme stap vooruit voor het hoger onderwijs. Echter, in alle gesprekken die ik met het onderwijsveld in voorbereiding op de behandeling van dit wetsvoorstel voerde, heb ik gevraagd hoe men de vertaling van Veerman en de Strategische Agenda Hoger Onderwijs in het wetsvoorstel terugzag. Over het algemeen is men tevreden, maar het gemiddelde en ook de mediaan is een 7. Dat vind ik niet ambitieus genoeg. Dus bij alle complimenten voor de stappen die we maken, is meteen de vervolgvraag: zijn we niet te snel tevreden? Veerman concludeerde toch dat we een enorme stap moesten maken in differentiatie in drievoud om bij de top te horen? Ook de Kamer heeft deze ambitie uit het rapport-Veerman toch volledig omarmt? Laten we iets van onze ambitie afknabbelen nu het op implementatie aankomt? Ik kan het als VVD niet genoeg benadrukken: wij willen het beste onderwijs en wij moeten onszelf als politiek en onderwijsveld scherp houden om op onze tenen te staan en om continu hoog te reiken. Ambitie, excellentie en bevlogenheid, zoals we afgelopen vrijdag in Utrecht zagen, is wat ons betreft de norm.

De heer Van Meenen (D66): De heer Duisenberg zegt dat het op een 7 uitkwam. Dat is best een aardig cijfer. Maar zou het nou juist geen 10 zijn omdat de overheid een deel van die afspraken niet nakomt? Ik doel op het citaat dat ik zo-even gaf. Veerman heeft duidelijk aangetoond dat er ook geïnvesteerd moet worden. Maar dat is precies wat er niet gebeurt. De ambities zijn torenhoog – niemand kan daar tegen zijn – maar in de uitgestoken hand van de overheid ligt geen enkele euro. Zou het kunnen zijn dat het daarom maar een 7 is en geen 10?

De heer Duisenberg (VVD): Ik kom daar zo op in mijn betoog. We komen inderdaad niet alle afspraken na. Dat is precies het punt dat ik aan wil halen. Dat vind ik niet alleen iets voor de minister, maar ook iets voor deze Kamer. Wij waren heel enthousiast over deze agenda. Ik vind dat wij die dan ook moeten uitvoeren. De heer Van Meenen praat de laatste maanden slechts over geld, maar het zit niet alleen in het geld. Het zit ook op andere maatregelen.

De heer Van Meenen (D66): Mag ik constateren dat de heer Duisenberg het in ieder geval met mij eens is dat de financiële afspraak door de overheid niet wordt nagekomen?

De heer Duisenberg (VVD): Nee, ik zeg dat het ook op andere zaken zit. U weet dat wij heel hard bezig zijn met het leenstelsel. Wij willen geld vrijmaken om over de breedte te investeren. Het is echter niet alleen maar geld.

De heer Van Meenen (D66): Nee, «niet alleen maar», maar het geld is hier wel onderdeel van. Dat is overigens een constatering en geen vraag.

De voorzitter: Dat is inderdaad geen vraag. De heer Duisenberg vervolgt zijn betoog.

De heer Duisenberg (VVD): Een 7 is niet genoeg; dat is geen aardig cijfer. Dat zeg ik thuis ook altijd, trouwens. Ik daag ons uit om voor een 9 te gaan in de implementatie van de strategie voor hoger onderwijs en de aanbevelingen die de commissie-Veerman ons allemaal gedaan heeft. In deze context heb ik de volgende vragen aan de minister.

Waarom is de inzet van promotiestudenten niet in de wet opgenomen, maar slechts als experiment in een AMvB? Dit stond in de prestatieafspraken en de hoofdlijnenakkoorden met de sector. Waarom wijken wij daarvan af? Het aantal promovendi in Nederland loopt sterk achter op het EU-gemiddelde. Landen als Duitsland, Frankrijk en België gaan ons voor. Ik heb heel goed gezocht, maar alleen een land als Cyprus heeft minder promovendi per 1.000 inwoners dan Nederland. Het model met promotiestudenten is internationaal heel gebruikelijk. Ik begrijp de koudwatervrees dus niet, temeer wij hierdoor afwijken van de hoofdlijnenakkoorden. Ik overweeg hierover een amendement.

Ik heb ook een vraag over de excellentieprogramma's. De VVD staat helemaal achter het principe van differentiatie en iets extra's bieden. In het rapport-Veerman wordt dit ook geadviseerd. Waarom wordt echter geen collegegelddifferentiatie mogelijk gemaakt voor excellentieprogramma's zoals honoursprogramma's? Even terug naar Utrecht: dit zijn programma's zoals het College of Pharmaceutical Sciences en het Utrecht Law College, programma's waarvan je de bevlogenheid voelt afspatten, die volledig passen bij een mentaliteitsverandering bij excellentie in het onderwijs. Collegegelddifferentiatie was een voorwaarde voor dergelijke initiatieven. In het rapport-Veerman staat de behoefte duidelijk. In de strategische agenda en de hoofdlijnenakkoorden staat dat ter bevordering van meer excellente onderwijstrajecten collegegelddifferentiatie mogelijk wordt gemaakt. Ook in individuele prestatieafspraken met instellingen zie je dit terug. Er wordt letterlijk gesproken over programma's die gericht zijn op een hoger eindniveau en over tracks binnen de opleiding. Dit niet mogelijk maken haalt een enorme pijler weg onder de differentiatie, profilering en excellentie waarop wij allen naar aanleiding van het rapport-Veerman zo hebben gehamerd. Ook hierover overweeg ik een amendement in tweede termijn.

Gegeven het voorgaande vraag ik de minister specifiek of zij mijn zorg deelt. Je kunt een strategie niet half uitvoeren, en een overeenkomst met convenantafspraken zeker niet. Daar lijkt het nu in toenemende mate wel op. In individuele prestatieafspraken, bijvoorbeeld in die van de UvA en van de Universiteit Leiden, die ik beide voor mij heb, staat de voorwaarde dat de aanpassingen in de WHW die in het hoofdlijnenakkoord zijn afgesproken, per september 2014 in werking treden. In paragraaf 2 van het hoofdlijnenakkoord staat: «Universiteiten zullen door verruiming van de mogelijkheden voor collegegelddifferentiatie op onderdelen hogere private bijdragen van deelnemers ontvangen, om de hogere kosten van het betreffende onderwijs te dragen.» In paragraaf 5 staat: «Bij differentiatie van het onderwijs kan het bijvoorbeeld gaan om (...) excellentietrajecten». In paragraaf 9, over de condities van regelgeving, wordt «het creëren van verdere verruiming van mogelijkheden voor collegegelddifferentiatie» genoemd. Ik zie overigens in deze paragraaf ook «het wettelijk verankeren van de promotiestudent als derde fase in het wetenschappelijk onderwijs en als aanvullende mogelijkheid om te promoveren» staan. Waar ligt de grens van het selectief shoppen en weglaten? Voelen universiteiten en hogescholen zich nog volledig gecommitteerd aan de prestatieafspraken? Of is er inmiddels een ander contract dat mij is ontgaan?

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is stevige taal van de heer Duisenberg. Daar horen ook stevige amendementen bij. Hij dreigt dat hij die in tweede termijn zal indienen. Je mag amendementen altijd indienen, dus ik vraag mij af waarom hij dit nog niet heeft gedaan, maar dat is een technische vraag. Het pleidooi van de heer Duisenberg is: studeren mag, als je maar kunt dokken. Excellentie is prima, maar je zult moeten betalen. Hoe meer collegegelddifferentiatie, hoe beter. Heeft de heer Duisenberg geen enkel probleem met het feit dat de collegegelden voor tweede studies zo uit de hand lopen, zoals wij vorige week hebben gezien? Er wordt € 32.000 gevraagd voor een tweede master geneeskunde. Is dat geen enkel punt voor de heer Duisenberg? «Studeren mag, als je maar betaalt.» Is dat zijn stelling?

De heer Duisenberg (VVD): Dat is mijn stelling niet. Om te beginnen vind ik zaken als collegegeldkrediet belangrijk om ook dit soort speciale opleidingen toegankelijk te maken voor alle studenten. De heer Van Dijk was erbij in Utrecht. Ik denk dat de toegankelijkheid ook voor de studenten van die speciale opleidingen geen probleem is. Deze bedragen zijn echter belachelijk; dat ben ik helemaal met de heer Van Dijk eens. Toen ik dat bericht las over deze opleiding en over twee andere opleidingen, waar het veel goedkoper is, dacht ik: dat is mooi, ik zou het wel weten als ik student was; ik zou direct naar die andere opleidingen gaan omdat die veel goedkoper zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ja, dat is weer veelbelovend, maar ik vermoed dat de heer Duisenberg zegt: die student moet maar zelf gaan shoppen en op zoek gaan naar een goedkopere opleiding, en Maastricht mag gewoon € 32.000 blijven vragen. Het zou veel mooier zijn als we samen afspraken zouden maken om die enorme collegegelden te maximeren.

Dan heb ik nog een vraag over de ambities op inhoudelijk gebied.

De heer Duisenberg (VVD): Mag ik nog een ding over het vorige punt zeggen? Ik denk dat dit soort bedragen ook bij het profiel van een opleiding horen. Dan heeft deze opleiding zich dus duidelijk uit de markt geprijsd en zijn er gelukkig andere opleidingen die juist wel een heel scherp aanbod doen. Dat was dus mijn gevoel hierbij.

De heer Jasper van Dijk (SP): Uit de markt prijzen? Het gaat hierbij om hoger onderwijs. Als je in Maastricht woont, ben je dus gewoon totaal de pineut, omdat je € 32.000 moet dokken met steun van de VVD. Dat vind ik teleurstellend.

Dan kom ik alsnog bij mijn vraag over de inhoud. De heer Duisenberg zegt namelijk: een 7 is niet genoeg, het moet naar een 9. Ik vind dat hij genoegen neemt met een 4. Wij waren vrijdag inderdaad samen op werkbezoek en bij die gelegenheid kwam het bindend studieadvies van de universiteit van Rotterdam voorbij, een bindend studieadvies van 100% in het eerste studiejaar. Daar komt dan wel bij dat je een 4 mag compenseren met een hoger cijfer. Dat is toch een schandalige praktijk, mijnheer Duisenberg? U geeft hoog op van inhoudelijke kwaliteit, maar eerstejaarsstudenten in Rotterdam mogen van u gewoon vieren halen voor basisvakken in de propedeuse, als ze het maar compenseren met andere vakken.

De heer Duisenberg (VVD): Ik begrijp dat u vanuit het SP-hoofdkantoor ook deze regels wilde bepalen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ja, want wij gaan inderdaad voor kwaliteit.

De heer Duisenberg (VVD): Daarvan kan ik het volgende zeggen. Het bindend studieadvies is een mogelijkheid die wordt gegeven aan instellingen. Vervolgens is het aan de instellingen om dat vast te stellen. Dat doen ze overigens ook in goed overleg met de medezeggenschapsraad. Ik wil daar dus niet zo strak ingrijpen als u wilt, want ook over Rotterdam doen volgens mijn heel veel indianenverhalen de ronde.

De voorzitter: Dan zijn er vragen van de heer Rog, mevrouw Schouten en de heer Van Meenen.

De heer Rog (CDA): Ik hoor de verontwaardiging in de stem van de heer Duisenberg als het gaat om die tweede studies die soms tot wel € 32.000 voor studenten kosten. Dat is ook de CDA-fractie een doorn in het oog. Ik heb daarom een amendement voorbereid dat die studies beperkt in de hoogte van de kosten die zij studenten extra in rekening kunnen brengen. Ik deel de ambities van de heer Duisenberg voor meer differentiatie, dus ook om wat extra's te vragen voor intensievere programma's. Steunt hij andersom ook ons amendement om een plafond in stellen voor de tweede studies?

De heer Duisenberg (VVD): De heer Rog begrijpt dat ik als individu en als politicus vind dat er heel rare bedragen worden gevraagd. Met de vraag of ik het eens ben met zijn amendement, komt de heer Rog een beetje aan mijn liberale gevoelens. Ik vraag mij af of je dit soort dingen vanbovenaf moet willen regelen. Daar moet ik echt even goed naar kijken. Ik vind wel dat je dit soort dingen in balans moet doen. Als je dit soort zaken vanbovenaf regelt en als je tegelijkertijd geen collegegelddifferentiatie voor honour tracks mogelijk maakt, vind ik dat heel erg eenzijdig worden. Ik zal er dus zeker goed naar kijken, maar het gaat mij echt om de balans van zaken. Daarmee doe je gestand aan de afspraken die met de instellingen zijn gemaakt. Zij hebben allerlei voornemens voor meer contacturen en deze honoursprogramma's. Die wil ik niet in gevaar brengen.

De heer Rog (CDA): Ik deel die opvatting van de heer Duisenberg, want ook wij willen graag wat differentiatie en diversiteit. Om er echter liberale principes bij te halen als argument om niet in te grijpen als overheid, als dit soort absurde bedragen van € 32.000 voor een studie wordt gevraagd ... De heer Duisenberg klinkt verontwaardigd over dit soort excessen. Ik hoop dan ook dat hij nog eens met zijn hand over het hart wil strijken en wil inzien dat wij als overheid dan inderdaad het schild voor de zwakken zijn. Ik hoop dat hij wil stellen dat dit niet acceptabel is en dat wij als overheid dus helaas moeten ingrijpen.

De heer Duisenberg (VVD): Daarop heb ik al antwoord gegeven. De heer Rog vroeg mij immers of ik met mijn hand over het liberale hart wil strijken. Ik heb een hart. Het gaat mij om de breedte. Ik vind het belangrijk dat wat wij aan ambitie hebben neergelegd en wat wij met elkaar hebben afgesproken in hoofdlijnenakkoorden en prestatieafspraken, waarin contacturen, honoursprogramma's en het verhogen van de kwaliteit van docenten staan, geïmplementeerd wordt. Dat gaat namelijk over de kwaliteit van het onderwijs over de breedte, ook over de specifieke programma's. Ik zal dit voorstel niet in isolatie bekijken, want het gaat mij even om het geheel.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Wij hebben de heer Duisenberg een gepassioneerd betoog horen houden voor meer collegegelddifferentiatie. In het regeerakkoord staat – ik heb het even opgezocht – dat beleid gericht op bekostiging op basis van kwaliteit wordt voortgezet. Vanuit dat perspectief kan ik mij iets voorstellen bij het betoog van de heer Duisenberg. Mijn vraag is echter wat hij van het betoog van de heer Mohandis vindt om op dit punt juist even pas op de plaats te maken. Vindt hij dat stroken met het regeerakkoord?

De heer Duisenberg (VVD): Ik vind dat de collegegelddifferentiatie en de kwaliteitsbekostiging deel zijn van de agenda voor excellent onderwijs. Dat hebben wij afgesproken. Los van de inhoud van de discussie – wij kunnen allemaal argumenten over en weer uitwisselen waarom iets wel of niet goed is – vind ik dat wij iets hebben afgesproken en dat wij dat nu dus moeten uitvoeren. Wij hebben het niet alleen afgesproken met elkaar als regeringspartijen, maar ook met partijen buiten. Dat is mijn voornaamste vraagstelling.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik krijg geen antwoord op mijn vrij concrete vraag. Het is voor ons goed om te weten hoe wij het regeerakkoord op dit punt moeten interpreteren als de heer Duisenberg het ene zegt en de heer Mohandis het andere, om enige verwarring te voorkomen. Ik heb de heer Duisenberg ook niet horen interrumperen bij de heer Mohandis. Gaat hij mee in het voorstel van de heer Mohandis om even pas op de plaats te maken op dit punt of zegt hij dat wij volle vaart vooruit moeten gaan, ook als het nog niet helemaal duidelijk is hoe het leenstelsel eruit gaat zien? Voor mij ontstaat er nu een beetje verwarring.

De heer Duisenberg (VVD): Ik heb inderdaad niet geïnterrumpeerd. De heer Mohandis heeft een vraag gesteld aan de minister. De minister zal daar straks op antwoorden.

Ik ben heel duidelijk, ik vind dat wij de gemaakte afspraken moeten uitvoeren. Zo zit ik erin. De heer Mohandis is vrij om die vraag te stellen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik vraag twee keer om een antwoord en ik krijg het antwoord niet. Wat vindt de heer Duisenberg dan van het voorstel van de heer Mohandis in het licht van het regeerakkoord? Nou ja, voorstel ... Wij hebben net een heel semantische discussie gehad.

De heer Duisenberg (VVD): Hij heeft geen voorstel gedaan, hij heeft gewoon een vraag gesteld.

De voorzitter: Ik stel voor dat wij het antwoord afwachten.

De heer Van Meenen (D66): Het gaat nog steeds over dit punt, de hoogte van het collegegeld voor de tweede master. Wij horen over € 32.000. Dat wordt hier een absurd bedrag genoemd, maar dat zijn gewoon de kosten van een studie geneeskunde. Het is helemaal geen raar bedrag, het is gewoon een heel rationeel bedrag. Het enige erge eraan is dat wij het aan een student vragen. Dat is het kwalijke. De heer Duisenberg vergoelijkt het door te zeggen dat er een markt is en dat er universiteiten zijn die dat bedrag niet gaan vragen. Welke zekerheid heeft de heer Duisenberg nu dat universiteiten dat bedrag niet gewoon gaan vragen? Dit is geen markt. Dit is een opening om te vragen wat het je als instelling kost. Deze opleiding kost dat. Nogmaals vraag ik de heer Duisenberg welke garantie hij geeft dat er instellingen zullen zijn waar je tegen veel lagere kosten die tweede master kunt volgen.

De heer Duisenberg (VVD): Het voorbeeld dat ik aanhaalde, was niet geneeskunde maar een absurd bedrag voor een technische studie. Die kon je ook doen in Delft of Eindhoven, maar dit was een andere stad waar een absurd bedrag werd gevraagd. Het is toch ook een beetje aan de minister, en aan de doelmatigheidscheck die gedaan wordt, om dit in de gaten te houden. Als de reactie dan meteen is dat we het gaan maximeren, is dat iets waarover ik echt even moet nadenken of dat is wat je wilt. Daarmee haal je misschien allerlei zaken weer open en introduceer je misschien weer een nieuwe complexiteit die wij als individuele Kamerleden niet overzien. Het is eerder aan de minister om daarin inzage te geven en toe te lichten hoe dit zou kunnen werken.

De heer Van Meenen (D66): Is de heer Duisenberg het dan met mij eens dat wij de minister geen enkel instrument geven om dat te voorkomen? Instellingen kunnen gewoon hun instellingscollegegeld vragen. Dat is in het geval van geneeskunde gewoon € 32.000. Dat is helemaal geen krankzinnig bedrag. Het is een krankzinnig bedrag voor een student, maar het zijn gewoon de kosten die gepaard gaan met een master geneeskunde. Rationeel is er dus geen enkel ander argument om het niet te vragen dan dat het absurd is om het aan een student te vragen. De heer Duisenberg kan het wel bij de minister leggen, maar is hij het met mij eens dat wij de minister geen enkel instrument hebben gegeven – hij niet en ik tot nu toe ook niet – om daarop in te grijpen?

De heer Duisenberg (VVD): Dat hoor ik dan graag van de minister. Ik praat er niet omheen, ik weet gewoon niet wat het antwoord daarop is. Ik kan er dus ook geen enorm verhaal bij houden, mijnheer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66): Is de heer Duisenberg het dan met mij eens dat wij dat instrument, als het er niet is, aan de minister zouden moeten geven, zodat de minister de bevoegdheid krijgt om daarop in te grijpen?

De heer Duisenberg (VVD): Daarvoor ken ik de casus niet goed genoeg. Er kan ook een situatie zijn, misschien niet de situatie die de heer Van Meenen aanhaalt, van een student die allang een bachelor en een master doorlopen heeft en die dit volledig gefinancierd heeft gekregen, behalve dan de eigen bijdrage. Wij hier weten allemaal dat de overheid nog altijd het meeste betaalt van een studie. Vervolgens bedenkt diezelfde student dat hij ook nog iets heel anders wil doen. Ik vind dat er op een gegeven moment een grens is aan wat je kunt doen en aan de bijdrage die je kunt vragen van de overheid. Voordat wij allemaal heel zielige gevallen naar voren halen, moeten wij wel even heel goed nadenken. Hoe werkt dit, hoe houd je er toezicht op? Het geheel moet wel redelijk zijn, niet alleen van de kant van de overheid, maar ook van de kant van studenten. Daar moet je ook iets kunnen vragen.

De heer Mohandis (PvdA): Er was net een discussietje tussen mevrouw Schouten en de heer Duisenberg. Mijn voorstel, omgevormd in wat vragen, horen wij straks. Ik heb een vraag aan de heer Duisenberg omtrent die afspraken. Ik neem aan dat hij doelt op de prestatieafspraken tussen OCW en de sector. Er staat niets in het regeerakkoord omtrent collegegelddifferentiatie. Het is belangrijk om dat aan te stippen. Of doelde hij op andere afspraken?

De heer Duisenberg (VVD): Dat klopt. Het zijn zowel de hoofdlijnenakkoorden tussen OCW en de koepels als de prestatieafspraken tussen OCW en elk van de individuele instellingen.

De heer Beertema (PVV): Hoe staat de heer Duisenberg tegenover de waardering van de werkgevers in het mkb ten opzichte van het handhaven van de binariteit in de titulatuur?

De heer Duisenberg (VVD): Daar kom ik nog op.

De voorzitter: Dus wij parkeren de vraag even en wij vragen de heer Duisenberg om zijn betoog te vervolgen.

De heer Beertema (PVV): Dan komt het vast goed.

De heer Duisenberg (VVD): De VVD ziet het voornemen om de titulatuurtoevoegingen «of arts» en «of science» behalve in het wo ook in het hbo te gebruiken als een logische consequentie van de aanbevelingen van Veerman en ook van de afgesloten hoofdlijnenakkoorden. De toevoeging van de hogeschool- of universiteitsnaam en de opleiding zorgt dan voor de differentiatie. Ik heb wel vragen over de implementatie hiervan. Ons binaire stelsel van toegepaste versus wetenschappelijke oriëntatie is iets om trots op te zijn. Je zou ook ervoor kunnen kiezen dit juist te benadrukken door een onderscheid in titels. Het onderscheid is ook belangrijk in ons Nederlandse maatschappelijk verkeer en wordt gewaardeerd door werkgevers. Heeft de minister alle opties overwogen naast een volledige gelijktrekking in dit wetsvoorstel? Deelt de minister de mening van de VVD dat, als de titulatuur gelijk wordt, het onderscheidend vermogen, de differentiatie van de instelling en de opleiding, des te belangrijker wordt, bijvoorbeeld door de honours tracks waarover ik eerder sprak, maar waarover ik erg somber ben zonder collegegelddifferentiatie. Hoe beoordeelt de minister een dergelijke titulatuurstap met het oog op de stand van zaken rondom de kwaliteit in het hbo? Veerman merkt hierover op in het rapport: hogescholen staan voor de opdracht de kwaliteit van de bachelor omhoog te brengen. Hoe staat de minister hierin met het oog op deze titulatuurverandering?

Daarnaast zijn er een aantal wetstechnische zaken die wij verbeterd willen zien in het wetsvoorstel.

De heer Beertema (PVV): Het komt helemaal niet goed, want er komt een vloed van woorden waaruit mij absoluut niet duidelijk wordt wat de VVD nu eigenlijk wil. De heer Duisenberg begint met te zeggen dat hij er eigenlijk wel achter staat dat het gelijk wordt getrokken, maar hij heeft voor de vorm toch nog een paar kritische vragen aan de minister. Ik vind het een beetje flauw. Het is wel een beetje VVD-achtig: gewoon net doen alsof je heel kritisch bent, maar uiteindelijk gewoon meegaan. Hoe gaat hij dat straks aan zijn coalitiepartner uitleggen? Die heeft indertijd voluit de motie gesteund om de binariteit te handhaven. Dat wordt dan nog wel een probleem, denk ik. Denkt hij dat zelf niet?

De heer Duisenberg (VVD): De binariteit staat niet ter discussie.

De heer Beertema (PVV): Wel in de titulatuur.

De heer Duisenberg (VVD): Er wordt wel voorgesteld om de titulatuur, dus de titel die je op je kaartje of anderszins gebruikt, gelijk te trekken. De binariteit van het stelsel staat echter niet ter discussie.

De heer Beertema (PVV): Dat vind ik echt onzin. Dat is echt gebakken lucht. De binariteit hangt heel nauw samen met de titulatuur. Je kunt niet zeggen dat wij de binariteit handhaven, terwijl wij die in de titulatuur laten verdwijnen. Daar is geen ratio voor te bedenken. Het is of het een of het ander. Maak toch een keuze, zou ik zeggen.

De heer Duisenberg (VVD): Veerman heeft gezegd dat de binariteitsdiscussie vaak wordt verward met de titulatuursdiscussie terwijl dat helemaal niet het geval behoeft te zijn. Ik ben dat wel met Veerman eens.

De heer Beertema (PVV): Waarom bent u het dan met Veerman eens? Waarom zou je het niet handhaven? Ik vind het nu namelijk al verwarrend. Voor een Frans, Duits of Engels bedrijf wordt het des temeer verwarrend, want dat kan dat onderscheid niet maken. Dat gaat u niet bellen van: mijnheer Duisenberg van de VVD, hoe zit dat nou met die binariteit, heb ik met een hbo'er van doen of met een wetenschappelijk opgeleide kandidaat?

De heer Duisenberg (VVD): Die internationale bedrijven hebben studenten, medewerkers uit alle landen. Daar is het eerder verwarrend dat wij met andere titels aankomen. Vanuit het internationale perspectief kan ik het mij voorstellen dat we het gelijktrekken. Ik zie het echter wel in het kader van een totaalprogramma, waarvan het rapport-Veerman, de Strategische Agenda en de hoofdlijnakkoorden deel uitmaken. In het kader daarvan doe je dus niet alleen dit, maar sta je ook daadwerkelijk differentiatie toe. Je kunt die differentiatie er niet uithalen om vervolgens wel de titels gelijk te trekken. Ik vind dat je dat pakket als geheel in stand moet houden. Daarom wil ik ook hier consequent zijn. In de hoofdlijnenakkoorden staat dat de titels gelijk worden getrokken. Dan vind ik ook dat je consequent moet zijn, in de zin dat je de andere zaken ook moet doen. En daar maak ik mij zorgen over.

De heer Beertema (PVV): Ik begrijp er helemaal niets van, maar mijn vraag blijft staan hoe dat opgelost gaat worden met de PvdA. Misschien hebt u er al afspraken over gemaakt. Misschien is de PvdA gedraaid wat dat betreft. Dat zou ik dan toch graag even weten.

De heer Duisenberg (VVD): Ik ken deze hele afspraak niet. Ik moet dan even in de pauze checken wat zij hebben gezegd en in welke motie dat staat. Dit zijn gewoon de afspraken die er liggen.

De heer Beertema (PVV): Ik vind het verbazingwekkend dat twee coalitiepartners over zoiets belangrijks in de pauze eventjes moeten smoezen om te kijken hoe ze dit nu gaan aanpakken. Ik vind dat echt verbijsterend.

De heer Duisenberg (VVD): Voorzitter. Vervolgens wil ik nog ingaan op een aantal wetstechnische zaken die we graag verbeterd willen zien in het wetsvoorstel. De driejarige hbo-track voor vwo juichen we toe, maar deze is ongelukkig vormgegeven. De 240 studiepunten in vier jaar zijn simpelweg vertaald naar drie jaar van 80 studiepunten. Dit is voor vwo-studenten een onaantrekkelijke propositie ten opzichte van een wo-bachelor van drie keer 60 studiepunten. Ik heb hiertoe samen met de PvdA een amendement opgesteld om een aantrekkelijk «drie keer 60»-programma te faciliteren met dezelfde eindtermen als voor de vierjarige hbo. Als het goed is, wordt het amendement inmiddels rondgedeeld. Kan de minister haar voornemen op dit punt nog extra toelichten?

De studievoorlichting wordt in de memorie van toelichting veelvuldig genoemd. Ik wil niet zeggen dat de minister het belang hiervan niet zou onderschrijven, maar in mijn motie (31 288, nr. 214) hebben VVD, PvdA, D66 en CDA gevraagd dit wettelijk te verankeren. Mijn vraag is of de minister dit alsnog kan toezeggen.

Wij zouden het vervolgens ondersteunen als de evaluatieperiode voor de brede bachelors in het wetsvoorstel wordt verlengd van drie naar vijf jaar. Als ik het goed heb begrepen, heeft de heer Rog een amendement op dit punt ingediend. Mijn vraag aan de minister is of het zelfstandig uitstroomniveau naar de arbeidsmarkt van de bachelor en de Associate degree voldoende vormgegeven is. Hoe gaat de minmister dit zelfstandig uitstroomniveau aanpakken? Ik wil de minister hierbij verzoeken om werkgevers te betrekken bij het bepalen van de eindtermen voor deze graden om de zelfstandige arbeidsmarktperspectieven van de Associate degree en de bachelor te stimuleren. Ik bedoel dus de wo-bachelor.

Kan de minister de stand van zaken toelichten op twee andere belangrijke elementen van de Strategische Agenda?

Ten eerste de doorvoering van scherpe keuzes in het opleidingsaanbod en zwaartepuntvorming. Ten tweede het verder doorvoeren van de kwaliteitsbekostiging.

Tot slot. Ik kan niet genoeg benadrukken dat wij met dit wetsvoorstel een enorme stap zetten op weg naar de uitvoering van de strategische agenda hoger onderwijs en onze ambities naar aanleiding van het rapport van de commissie-Veerman. Ik kan echter ook niet genoeg benadrukken dat wij bij de uitvoering blijvend en standvastig hoog op onze tenen moeten staan. Een zeven is niet genoeg als wij naar ambitieuze negens toe willen. Wij hebben nu een enorme kans voor verbetering van ons onderwijs en een enorm draagvlak en gedeelde ambitie. Dus komt het aan op een consistente en volledige implementatie en, zoals ik eerder zei, stick to your strategy.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Deze wet beoogt het hoger onderwijs toekomstbestendig te maken door betere voorlichting en meer verscheidenheid. De wet is een verzameling maatregelen en bevat goede en minder goede onderdelen. Het commentaar van de Raad van State is niet mis. De Raad mist een duidelijke analyse van de richting en inrichting van het hoger onderwijs. Hij spreekt van «weinig samenhang» en van «strijdige maatregelen». Bovendien is sprake van zo veel differentiatie dat dit ten koste gaat van de overzichtelijkheid van het stelsel. Ik deel die mening.

De invoering van de Associate degree en de driejarige hbo-opleiding voor vwo'ers maken het er niet duidelijker op. Wat voor titel is een Ad? Is dat een hbo-min- of een mbo-plusopleiding? Wat gebeurt er met de hbo-opleidingen als er twee varianten komen, één voor havo en één voor vwo? Geeft de driejarige hbo-opleiding direct toegang tot de wo-master? Dat zou dan toch een devaluatie van de wo-bachelor zijn. Ik neem aan dat hier een schakeljaar tussen zit.

Het onderscheid tussen hbo en wetenschappelijk onderwijs zal verder verwateren, is mijn inschatting. Dat zie je bij de titulatuur en ook bij de komst van hbo-masters en hbo-onderzoek. Dit is een begrijpelijke wens van het hbo, maar wat vindt de minister ervan? In hoeverre is voor haar het binaire stelsel nog iets om na te streven? Ik krijg hierop graag een toelichting.

Studenten krijgen het recht op een studiekeuzeadvies als zij zich voor 1 mei inschrijven. Dat is een goede zaak. Wij waren vrijdag in Utrecht en zagen dat examenleerlingen goed werden begeleid. Studenten krijgen een beter beeld van de studie en de toegankelijkheid blijft gewaarborgd. Ik heb echter nog wel wat vragen. In de eerste plaats over de deadline van 1 mei. Wat gebeurt er als je op goede gronden afziet van de je eerste studiekeuze en je vervolgens je toelatingsrecht verliest doordat je je na 1 mei inschrijft? Kun je dan worden uitgesloten als gevolg van aanvullende eisen en selectie? Ook de student met een bindend studieadvies zal zich na 1 mei moeten inschrijven. Wat wordt er voor die student geregeld?

De mogelijkheden voor selectie worden uitgebreid. Je ziet dat opleidingen hier meer gebruik van maken: een stijging van 43 naar 74 opleidingen, zo blijkt uit het antwoord op mijn Kamervragen van maart. Er is een zorg dat opleidingen de numerus fixus inzetten als sluiproute naar selectie. Dat lijkt mij een slechte zaak. Deelt de minister die mening?

Masteropleidingen krijgen allemaal het recht op selectie. Dit betekent dat de verwante bacheloropleiding niet automatisch meer toegang biedt tot de masteropleiding. Dit is een vergaand besluit. Hoe verhoudt zich dit tot het regeerakkoord waarin staat dat selectie beperkt blijft tot een aantal bijzondere gevallen? Ik krijg hierop graag een toelichting.

Krijgt de medezeggenschapsraad inspraak in de aanvullende eisen voor de opleidingen? Blijft het alleen bij adviesrecht of krijgt de raad ook een volwaardig instemmingsrecht?

Er komt collegegelddifferentiatie voor excellente opleidingen. Voor deze opleidingen mag tot vijf keer het wettelijk collegegeld worden gevraagd, dat is circa € 9.000. Het spreekt voor zich dat dit een drempel opwerpt voor studenten uit lagere inkomensgroepen, zeker als er ook nog eens een leenstelsel bij komt. Hoe zal de minister een tweedeling voorkomen tussen dure topopleidingen voor de elite en massaonderwijs voor de gewone studenten? Je ziet het al gebeuren met de university colleges; deze mogen nu al meer collegegeld vragen. Utrecht vraagt € 3.500 en Amsterdam € 4.000. Met een campus kom je al snel uit op € 10.000 aan kosten. Studenten noemen het uitermate onrechtvaardig. Zij worden hierin bevestigd door onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Rijke studenten gaan vaker studeren dan arme, aldus een artikel van het Hoger Onderwijs Persbureau.

De minister wil dit nu ook gaan doen voor excellente opleidingen. In antwoord op mijn Kamervragen blijkt de minister zich echter bewust van dit risico. Zij schrijft dat er collegegelddifferentiatie komt, maar niet op korte termijn omdat, ik citeer: «het geen afbreuk mag doen aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Ik wil de borging van de toegankelijkheid bezien in het licht van het sociaal leenstelsel».

De heer Klaver (GroenLinks): De heer Van Dijk heeft het over de toegankelijkheid van het onderwijs en zegt dat kinderen uit gezinnen met lagere inkomens minder vaak naar het hoger onderwijs gaan. Hij haalt ook een rapport aan. Welke redenen worden aangedragen voor het feit dat die kinderen minder vaak naar het hoger onderwijs gaan?

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is meer een vaststelling. Ik heb niet het hele rapport bij me, maar het is een vaststelling.

De heer Klaver (GroenLinks): Het is een belangrijke vaststelling, die ik deel. We zien echter dat de selectie voor het hoger onderwijs vaak niet plaatsheeft voor de poort van de hogeronderwijsinstelling, want 80 tot 90% van de kinderen die een havo- of vwo-diploma hebben, gaat studeren. Die selectie gebeurt dus eigenlijk al als kinderen met een taalachterstand op de lagere school beginnen. Het komt doordat zij niet kunnen stapelen: met een vmbo-diploma beginnen, dan mbo en verder. Ik vind het belangrijk om dit even aan te geven, omdat vaak wordt gezegd dat kinderen uit milieus met lagere inkomens minder gaan studeren. Dat ligt niet alleen aan de toegang aan de poort, maar juist daarvóór. De heer Van Dijk en ik kunnen elkaar er vast in vinden dat we ervoor moeten zorgen dat dit verbetert.

De heer Jasper van Dijk (SP): Zeker. Misschien heeft u vandaag ook het bericht gezien dat het buitengewoon slecht gaat met de voorschool. Inderdaad, hoe vroeger je achterstanden constateert, hoe beter. Eigenlijk heb je het dan al over 2- of 3-jarige kinderen. Als je het dan niet doet, is het te laat. Zo ontstaat een tweedeling. Dit neemt echter niet weg dat op latere leeftijd, dus rond de studieleeftijd, rijkere jongeren eerder gaan studeren en langer doorstuderen dan de armere studenten.

De heer Duisenberg (VVD): Ik ben het helemaal eens met de interruptie van de heer Klaver. U kwam daarop toch weer met het antwoord dat dit op latere leeftijd ook het geval is. Ik vraag u het volgende en ik denk dat u daar heel simpel op kunt antwoorden: kunt u alstublieft die studie eens goed lezen? Dan zult u volgens mij ook zien dat het toegankelijkheidsissue niet speelt op latere leeftijd, maar in die heel vroege fase. In tegenstelling tot wat u elke keer zegt, zit dit dus niet in het hoger onderwijs. Mijn vraag is heel simpel: kunt u dat rapport goed lezen en daar de volgende keer, met dat rapport in handen, mee aan de slag gaan?

De heer Jasper van Dijk (SP): U zegt dit met een zekere triomfantelijkheid, maar ik zou zeggen: u heeft hier een groot probleem, want u maakt deel uit van de coalitie en u zou zich dit probleem, dat de ongelijkheid al begint op 2-jarige leeftijd en zich voortzet op latere leeftijd, dus enorm moeten aantrekken. De heer Van Meenen wees er al terecht op dat dit kabinet geen rooie cent in het onderwijs investeert, ondanks het rapport van de commissie-Veerman. U laat het er dus zwaar bij zitten. U verzuimt uw plicht. U spreekt mooie, grote woorden over zevens die negens moeten worden, maar daar komt helemaal geen zak van terecht.

De heer Duisenberg (VVD): Ik wil focussen op het argument dat u gebruikt. U haalt een rapport aan, maar volgens mij onjuist op het punt van het hoger onderwijs. Overigens bezuinigt uw partij, de SP, alleen maar op onderwijs. Als u dus met commentaar komt, gebruikt u dan alstublieft de feiten, en liefst op een correcte manier; dat is alles wat ik u vraag.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik hoorde geen enkel cijfer van de heer Duisenberg, dus zijn kennis van het rapport is blijkbaar niet goed op orde. Ik citeer een stuk van het Hoger Onderwijs Persbureau: rijke studenten gaan vaker studeren dan arme. Dat probleem ontstaat op jonge leeftijd, dat erken ik volledig, maar je ziet dat dit zich op latere leeftijd voortzet. Het probleem is dus niet kleiner; het probleem is groter, meneer Duisenberg. U moet zich vanaf dag 1 druk maken over het onderwijs, maar dat doet u niet.

De heer Mohandis (PvdA): Ik heb ook een vraag aan de heer Van Dijk. Hij ontwijkt de terechte opmerking van mijn collega Duisenberg over de feiten een beetje. Ik had het oprechte voornemen om elkaar in dit debat eens te vinden en niet continu in jij-bakken te vervallen, maar ik kan het niet laten om te zeggen dat de heer Van Dijk zelf 800 miljoen bezuinigt. De heer Klaver schetste dit terecht. Als raadslid zag ik hoe belangrijk het is om een sluitende aanpak voor de jeugdwerkloosheid te hebben van 0 tot en met 18. Er komt echter iets anders bij kijken, en wel een maatschappelijk probleem: de sociale omgeving waarin je opgroeit.

Als iemand niet wordt gestimuleerd om hoger onderwijs te volgen, dan heeft dat een andere waarde. De vraag is of iemand dan echt gemotiveerd is om te gaan studeren. Ik benadruk dat het niet zo zwart-wit is als de heer Van Dijk concludeert uit het rapport. Er spelen veel meer factoren. Geld speelt zeker een rol, maar geen doorslaggevende. Er zijn altijd meer factoren die een rol spelen. Ik wilde dat graag even meegeven.

De heer Jasper van Dijk (SP): Dat de heer Mohandis van de PvdA zich liever aansluit bij het neoliberalisme van de VVD dan bij het rechtgeaarde onderwijsbeleid van de SP was mij al eerder opgevallen. Ik stel helaas vast dat hij pleit voor collegegelddifferentiatie. Tot vijf keer zo hoog collegegeld voor opleidingen? Ja, als het leenstelsel geen problemen oplevert. Het leenstelsel levert natuurlijk ...

De heer Mohandis (PvdA): U ontwijkt totaal mijn vraag. Dat had ik niet verwacht van u. U bent een ervaren parlementariër en ik had daarom een antwoord verwacht.

De voorzitter: Mijnheer Mohandis, de heer Van Dijk mag even antwoorden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is onbegrijpelijk dat de PvdA pleit voor een leenstelsel. Dat levert grote toegankelijkheidsproblemen op. Het Centraal Planbureau wijst op 20.000 uitvallers als gevolg van hogere leningen. De heer Mohandis pleit samen met de VVD doodleuk voor collegegelddifferentiatie nog eens daarbovenop. Wat is dat voor sociaaldemocratie? Dat is gewoon pleiten voor tweedeling en ik ben daarover zeer teleurgesteld.

De heer Mohandis (PvdA): Ik word uitgedaagd. Ik vind dat de heer Van Dijk moet ingaan op mijn vraag. Hij komt weer met het bekende riedeltje. Dat is jammer. Ik had mij echt voorgenomen om in dit debat ook te bekijken hoe wij ervoor kunnen zorgen dat dit wetsvoorstel beter wordt. Het is al goed maar het kan altijd beter. Het zou zonde zijn als wij hier alleen maar zouden gaan jij-bakken.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik wil hier even heel serieus over zijn, want ik heb helemaal geen behoefte aan jij-bakken. Ik constateer bloedserieus dat er aan dit wetsvoorstel goede en slechte punten zitten. Onder de goede punten zit het studiekeuzeadvies. Dat is prima. Slechte punten zijn de collegegelddifferentiatie en het gigantisch hoge collegegeld voor de tweede studie. Daar hoor ik de heer Mohandis niet over. Ik zou graag met hem samen willen strijden tegen dit soort uitwassen, die hij stilzwijgend toelaat. Als hij bij nu.nl een grote broek aantrekt en zegt «collegegelddifferentiatie vind ik helemaal niets en wij moeten eerst een en ander maar eens bezien» dan zeg ik: boter bij de vis, maak het waar.

De minister zegt in antwoord op mijn Kamervragen: «Ik wil de borging van de toegankelijkheid bezien in het licht van het sociaal leenstelsel.» Dat komt mij bekend voor. Dat zegt de heer Mohandis ook op nu.nl. Dat lijkt heel veel op elkaar. Het is een mooi geval van hinken op twee gedachten. Enerzijds wordt de deur opengezet voor collegegelddifferentiatie en anderzijds toch ook weer niet. Wat is het nu? Als de minister erkent dat er een probleem is met toegankelijkheid, zeker in combinatie met het leenstelsel, laat zij er dan van afzien. Selecteer niet op centen maar op talenten. Het is sowieso een gekke maatregel. Aan een excellente student zou juist alle ruimte gegeven moeten worden om te studeren, zoals oud-minister Plasterk ook al zei. Deze studenten moeten niet belast worden met een torenhoog collegegeld, maar moeten vrijgesteld worden van het collegegeld. Kortom, steun het amendement van de fracties van D66 en de SP op dit punt.

Als een schakelprogramma meer dan 30 studiepunten inneemt, dan wordt het collegegeld vrijgegeven. Dit kan tot absurde bedragen leiden. Vorige week zagen wij de tarieven voor een tweede master. De bedragen rijzen de pan uit. Hoe oordeelt de minister over deze bedragen? Deelt zij de mening dat de torenhoge collegegelden het gevolg zijn van een wet van oud-minister Plasterk en dat wij moeten bezien hoe dit hersteld kan worden? Is zij het ermee eens dat dit gevaar ook dreigt voor schakelprogramma's omdat deze als een tweede bachelor worden beschouwd? Ik stel voor om voor schakelprogramma's tot 60 punten het gewone collegegeld te rekenen.

Mbo'ers van niet-verwante opleidingen worden niet meer zomaar toegelaten tot een hbo-opleiding. Het hbo mag daarop selecteren. Hoe kijkt de minister naar het bericht van Hoger Onderwijs Persbureau waaruit blijkt dat deze mbo'ers het helemaal niet slechter doen dan mbo'ers van verwante opleidingen? Hoger Onderwijs Persbureau heeft de cijfers onderzocht. De minister verwijst naar de Onderwijsraad, maar op welk onderzoek baseert de Onderwijsraad zich?

De heer Beertema (PVV): Ik ben bang dat de verkeerde conclusies worden getrokken. Het is inderdaad een feit dat die mbo'ers het goed doen in het hbo, maar daaruit moet niet worden geconcludeerd dat zij zo goed zijn vooropgeleid. Je kunt er beter uit concluderen dat het hbo zich moet schamen dat het niveau zo is afgezakt dat mbo'ers met niveau 4, die een vooropleiding voor heel veel vakken missen terwijl het niveau niet gelijkwaardig is aan havo 4, het daar goed doen. De conclusie moet zijn dat het hbo zijn niveau zodanig heeft laten zakken dat het ook deze mensen kan kwalificeren. Ik zou daar dus niet al te juichend over doen, zo zou ik de SP willen aanraden.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben dat gedeeltelijk wel eens met de heer Beertema. Het hbo moet natuurlijk van goed niveau zijn. Vandaag staat trouwens ook een brief over landelijke eindtermen bij de examens voor het hbo op de agenda. Dat is uitstekend, en de heer Beertema heeft daar ook altijd voor gepleit. Laten wij daar dus goed voor zorgen. Volgens mij moeten wij dit echter los zien van het vraagstuk dat ik zonet neerlegde, namelijk: is het wel waar dat mbo'ers van niet-verwante opleidingen het slechter doen dan mbo'ers van wel verwante opleidingen? Er liggen nu cijfers waaruit geen bewijs voor die stelling blijkt. De minister wil wel selectie toestaan. Dat is nogal ingrijpend, en ik wil graag van haar horen waarop zij dat baseert.

De heer Beertema (PVV): Mijn ideaal blijft toch een hbo waar deze studenten het niet goed zullen doen. Het niveau moet echt omhoog. Daar moet u het mee eens zijn, dat kan haast niet anders.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik heb de heer Beertema ook gedeeltelijk gelijk gegeven. Ik wil hem wel waarschuwen dat hij niet te snel verbanden moet leggen. Volgens mij wil hij namelijk ook dat het mbo van hoge kwaliteit is. Laten wij dus zorgen voor een uitstekend mbo én hbo. Misschien komt de minister straks wel met nieuw onderzoek dat wij nog niet kennen, waarmee zij laat zien dat niet-verwante mbo'ers het echt slechter doen dan verwante mbo'ers. Dan gaan wij dat met belangstelling bekijken.

De voorzitter: Tot slot, mijnheer Beertema.

De heer Beertema (PVV): Ik denk dat wij er gezamenlijk heel scherp op moeten zijn dat de doorlopende leerlijnen in het hele onderwijsgebouw, van het primair onderwijs tot het wo, heel scherp in de gaten worden gehouden. Het een hangt namelijk echt met het ander samen.

De heer Jasper van Dijk (SP): Zo is het. Ik ga naar een afronding, want wij krijgen allemaal honger.

Het verschil in titulatuur tussen hbo- en wo-bachelors wordt opgeheven. Dit is een omstreden voorstel vanwege het binaire stelsel. Vanwege internationale druk ontstaat een proces van verwatering van de beide oriëntaties. Het verschil tussen hbo en wo blijft wel bestaan, zo wordt gezegd, maar hoe uit zich dit dan, als het zich niet meer in de titel uit? Als het de bedoeling is dat de instelling steeds belangrijker wordt dan de titel, waarom worden dan de titels gelijkgetrokken? Graag krijg ik hierop een reactie.

Er komt een experiment met promotiestudenten. Dat is zorgelijk, omdat promovendi in mijn ogen werknemers zijn en geen studenten. Promovendi dragen bij aan de kerntaken van de universiteit, schrijft ook het Promovendi Netwerk Nederland. Promotiestudenten zijn veel goedkoper, en dus aantrekkelijk voor universiteiten. Zij bouwen echter geen pensioen op en geen sociale zekerheid. Het is een degradatie van de functie. Mogen promotiestudenten nog wel onderwijs verzorgen? Wat gaat de minister doen als universiteiten massaal overstappen naar promotiestudenten? Waarom nog een experiment doen als het al in Groningen is uitgeprobeerd? Naar aanleiding daarvan heb ik een motie ingediend die breed is aangenomen: promovendi zijn werknemers; respecteer dat standpunt s.v.p.

De heer Bisschop (SGP): Voorzitter. De SGP staat op zichzelf positief tegenover de doelstelling en de ambities van deze wet. Aansluitend bij de eerdere opmerkingen van sommige collega's, zien wij echter wel degelijk ook vraagpunten. Een aantal van die vraagpunten wil ik graag benoemen.

In de eerste plaats wil ik aandacht vragen voor de macrodoelmatigheid. Wij hebben de toelichting met nadere uitleg gezien, maar er liggen naar onze overtuiging nog wel wat voetangels en klemmen. Het risico bestaat dat de macrodoelmatigheid primair economisch wordt ingestoken. Er wordt gekeken naar de instroom van een opleiding en er wordt gekeken of die opleiding levensvatbaar is. Daar zit wel een zekere ratio onder. Het is logisch en op zichzelf verzetten wij ons er ook niet tegen. We pleiten er echter wel voor om een niet al te strikte toepassing te hanteren. Ik denk dat het verstandig is om in dat opzicht soepel te zijn ten aanzien van de opleidingen die als gevolg van te weinig deelnemers nu al te weinig afgestudeerden afleveren. Als je daar niet een zekere soepelheid mee betracht, genereer je in een later stadium alleen maar nóg grotere problemen met de vervulling van bepaalde vacatures op de arbeidsmarkt.

Op dit punt wil mijn fractie dus voor de verschillende beroepsgroepen graag ruimte om maatwerk te leveren en om de macrodoelmatigheid daaraan te relateren. Tegelijkertijd pleiten wij ook voor ruimte voor kleinere hogescholen. De Kamer heeft in het verleden al eens uitgesproken dat er optimaal ruimte moet worden geboden voor een eigen profiel en differentiatie. Als we te strikt opereren wat betreft macrodoelmatigheden, komt dat daarmee klem te zitten.

Ik wil ook graag even de vinger leggen bij de centrale toetsing. Deze staat enigszins op gespannen voet met het idee om het vooral te stimuleren dat opleidingen zelf profileren en differentiëren. Terecht is al door een collega genoemd dat er ook een tweede punt op de agenda van deze vergadering staat, namelijk de externe validering van de examenkwaliteit in het hoger beroepsonderwijs. De pabo wordt ten onrechte uitgezonderd van de gezamenlijke toetsing ter versterking van de externe validering. In plaats daarvan komt er voor de pabo een uniformer model, waarbij de inbreng van de instellingen gering is. Waarom deze ongelijkheid? Kunnen we niet beter, nu we toch kijken naar het hoger beroepsonderwijs in het kader van deze wet, juist hierin een eenduidige lijn aanbrengen? Dat vergroot immers de transparantie.

Ook vraag ik aandacht voor het budget. Voor de opstartfase van de externe validering is budget beschikbaar. Als het project eenmaal doorlopen is, komt het bij de reguliere bekostiging. Echter, de kosten ervan blijven natuurlijk wel gewoon bestaan. Kent de minister de zorgen voor de levensvatbaarheid op langere termijn?

Ook wil ik aandacht vragen voor de verhouding tussen de voltijdstudies, duale studies en deeltijdstudies in relatie tot de kwaliteit en tot ambities als een leven lang leren, doorgaande professionalisering en flexibilisering van de inzetbaarheid. Naar het idee van mijn fractie vraagt deze verhouding nog wel wat aandacht in het voorliggende voorstel. Ook hier kan natuurlijk de link worden gelegd naar de macrodoelmatigheid. In het kader van flexibilisering van de inzetbaarheid van werknemers en in het kader van de ambitie om een leven lang te leren en doorgaand te professionaliseren, is het absoluut nodig om naast een volwaardig aanbod van voltijdopleidingen ook een volwaardig traject aan deeltijdopleidingen en duale opleidingen aan te bieden. Als we in het onderwijs een doorgaande professionalisering willen bereiken, lukt dat niet via alleen een voltijdstudieaanbod. In eerste aanleg zal dit wel lukken, maar het zal niet gaan als het doorgaande proces verder ontwikkeld moet worden. Dat kun je alleen doen via deeltijdopleidingen en eventueel duale opleidingen. Ik bepleit dus dat er heel expliciet meer aandacht wordt besteed aan dit soort trajecten, de deeltijdstudies en de duale trajecten.

Hetzelfde geldt overigens voor tweede studies. Ik heb me niet gemengd in de discussies over de hoogte van de collegegelden, maar ik wil wel zeggen dat ik mij in vergaande mate herken in de vraag hoe reëel het voorstel is. Als je een kenniseconomie wilt zijn, als je tot de top vijf van de wereld wilt behoren, als je het opleidingsniveau van je bevolking omhoog wilt krikken, moet je dan financiële drempels inbouwen? Er is een hele operatie gaande om budgetten die nu voor levensonderhoud, huisvesting van studenten wordt benut, bij de basisbeurs vandaan te halen en die beschikbaar te krijgen voor de uitgaven ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Daarom legde ik die link in mijn interruptie op de heer Mohandis. Als de overheid dat doet, moet zij dan niet zeggen: de overheid investeert relatief meer in onderwijsaanbod, wat zij ook moet doen, en wat de studenten moeten doen, namelijk voorzien in hun eigen levensonderhoud, laten wij bij de studenten? Die denklijn is klip-en-klaar. Nu loopt dat allemaal te veel door elkaar. Als wij die ambities willen waarmaken, zullen wij moeten kijken naar mogelijkheden om te voorkomen dat zo'n € 32.000 wordt gevraagd voor een tweede opleiding. Wie is daarbij gebaat? De instelling misschien? Dat zou kunnen. De persoon die die opleiding volgt, is daar ook bij gebaat, maar de samenleving als geheel is daar ook bij gebaat, want wij willen toch kennisverbreding en -vergroting?

Ik realiseer mij dat wij ons in eerdere instantie positiever hebben uitgelaten over de bekostiging van een tweede studie. Maar de SGP is in toenemende mate bezorgd over het cumulatieve effect van alle financiële maatregelen die genomen worden, van basisbeurs tot sociaal leenstelsel. Wij hebben gezegd dat wij daar graag over willen meedenken. Die keus is een point of no return geweest; wij denken daarover mee om dat goed vorm te geven. Hetzelfde geldt voor de afschaffing van de reiskostenvergoeding, de ov-kaart. Dat heeft wel een cumulatief effect. Nu zou er voor excellente studies, honoursprogramma's of tweede studies een substantiële verhoging van collegegelden bijkomen. Zijn wij dan op de goede wijze bezig? Ik formuleer het een beetje open, maar ik wil graag die zorg van de SGP delen.

Een volgend punt is de kwaliteitsimpuls. Ik refereerde daar zojuist al aan. Dat heeft daar alles mee te maken. Een paar punten wil ik verder nog benoemen. De toelatingseisen voor de pabo ten aanzien van motivatie en niveau zijn wat ons betreft prima. Is het niet verstandig om ook ruimte te bieden om die voor andere (leraren)opleidingen te hanteren?

Wat ons betreft worden honoursprogramma's breed aangeboden als onderdeel van een voltijdprogramma, ook voor havisten. Mensen die meerdere jaren in het onderwijs werkzaam zijn geweest, weten dat er onder die jongelui soms ook laatbloeiers zijn. Laat de jongelui die die ambitie hebben en die in een later stadium de geest krijgen om meer te doen, vooral toe en biedt ze de ruimte, ook al hebben ze door hun ontwikkeling geen vwo-opleiding gevolgd of willen volgen, of konden ze die niet volgen. Maar op zich gaan wij akkoord met het formuleren van inhoudelijke basistoelatingseisen voor zo'n honoursprogramma. Daar is het een honoursprogramma of excellentprogramma voor.

Een experiment met de brede bachelor is wat ons betreft prima. Ik onderschrijf de redelijkheid om een proefperiode, die nu staat op drie jaar, te verlengen naar vijf jaar. Ik meen dat de Vereniging Hogescholen over vijf jaar spreekt. Ik denk dat dat een redelijke termijn is. Of het wellicht zelfs zes jaar moet zijn, horen wij dan wel.

Op de Associate degree ga ik verder niet in. Daar zijn vragen over gesteld. Maar hoe wordt die graad een eigenstandige kwalificatie voor de arbeidsmarkt en niet een opstapje naar of onderdeel van een bacheloropleiding of wat dan ook?

Ik heb nog drie kleine puntjes. De SGP onderkende in het wetsvoorstel een tendens naar een uitdijende regie door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat gebeurt met bevlogenheid en met de beste bedoelingen; laat daarover geen twijfel bestaan. Het viel ons echter wel op dat er steeds meer regelingen zouden komen waarin de minister gaat toetsen en toestemming moet verlenen. Ik wijs bijvoorbeeld op collegegelddifferentiatie, intensief onderwijs en de aanwijzing in verband met de toegankelijkheid van de master. Herkent de minister de zorg dat de helderheid en herkenbaarheid van de wet daardoor onder druk kan komen te staan en dat terughoudendheid hierin vereist is?

Dan kom ik op een amendement van de SGP-fractie. Dat is nu niet rondgedeeld omdat we daar nogal vroeg mee waren. Het heeft betrekking op de educatieve minor. Die moet naar ons idee gevolgd worden door een educatieve major. Tussen vijf en tien jaar stroomt er een vloed van senioren uit het onderwijs. Dan heb je dus eerstegraads docenten nodig, het liefst academisch opgeleid. Welnu, om dat te stimuleren willen wij nadere maatregelen. Zo kan de personeelsvoorziening bevorderd worden. Als we «veiliggesteld» zouden zeggen, is dat te royaal geformuleerd, denk ik.

Tot slot kom ik op de titulatuur. Ik heb daar de volgende vraag over. Hoe denkt de minister over de voorstellen voor verdere stroomlijning van de titulatuur die gedaan zijn door de Vereniging Hogescholen? Bij de voorbereiding van dit debat heb ik het mij niet gerealiseerd, maar ik begrijp dat dit een buitengewoon gevoelig punt is. Dat wil ik respecteren, dus ik laat het bij deze vraag.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Voorzitter. Het is twee jaar en een maand geleden dat hier een discussie plaatsvond over het rapport-Veerman. Heel veel punten die toen aan de orde kwamen, zijn ook nu weer aan de orde gekomen. Dat is niet verwonderlijk, want het wetsvoorstel is deels een uitwerking van dat rapport. In dat debat voerde de heer Rouvoet het woord en hij was op hoofdlijnen positief over de voorstellen van Veerman. Ook ik kan me nu bij zijn standpunt aansluiten wat betreft het wetsvoorstel. De intenties zijn goed, maar over de uitwerking hebben wij nog wel enkele opmerkingen. Laat ik in ieder geval zeggen dat ik heel blij ben met het belang dat gehecht wordt en de stevige basis die geboden wordt aan matching en betere begeleiding. Daar is namelijk veel winst te boeken. We zien nog wel wat kansen voor de studiebijsluiter om meer gerichte informatie te bieden aan studenten. Wat betreft de Associate degree sluit ik me aan bij eerder gestelde vragen. Ik had bijna dezelfde vragen als de heer Bisschop. Krijgt het echt een eigenstandige kwalificatie? Dat blijft toch wel een groot punt in de gehele discussie. Nogmaals, de intenties zijn goed, maar het moet in de praktijk wel als zodanig worden gewaardeerd. Kan de minister daar wat meer duidelijkheid over geven?

Het heikele punt in dit wetsvoorstel is de collegegelddifferentiatie. Daar is al menig interruptiedebatje over gevoerd. Mijn fractie was en is nog steeds van mening dat als er meer geboden wordt voor een excellente opleiding – die heeft duidelijk dat stempel van de NVAO gekregen – daar dan iets tegenover mag staan. We hebben destijds echter ook gezegd dat niet de financiën maar het talent van de student het selectiemechanisme voor een excellent programma moet zijn. In het wetsvoorstel staat dat er tot vijfmaal het wettelijk vastgestelde collegegeld gevraagd mag worden. Dat vormt volgens ons ongetwijfeld een belemmering voor de toegankelijkheid van een excellent programma. Daar kan weliswaar heel goed onderwijs tegenover staan, maar daardoor worden wellicht wel de beste docenten weggehaald uit het niet-excellente onderwijs. Welk effect heeft dat op het niet-excellente onderwijs?

Wij zien er dus wel degelijk een gevaar in vijfmaal het collegegeld vragen. Vandaar ons amendement om de differentiatie te beperken tot maximaal twee keer het wettelijke collegegeld. Daarmee krijgen instellingen de ruimte om meer excellentie in te brengen, maar raakt dit de studenten niet geheel. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op dit amendement.

Wij hebben ook zorgen over de selectie. Evenals de Raad van State erkent de minister dat het bachelordiploma op dit moment nog niet de civiele waarde heeft van een volwaardige kwalificatie op de arbeidsmarkt, hoe graag wij dat ook wilden toen wij het bachelor-mastersysteem invoerden. In dit voorstel lijkt het erop dat zelfs een vorm van selectie in de masterfase gaat plaatsvinden. Dat is een stap verder dan alleen het afschaffen van de doorstroommasters. In de wet staat dat straks kwalitatieve toelatingseisen gesteld kunnen worden aan doorstroming naar de master. Kan dan bijvoorbeeld ook gevraagd worden dat studenten minimaal drie talen spreken, waardoor je toch wat meer selectie krijgt in de masterfase?

Ik heb hierover een vraag die met name gaat over een bachelor die verwant is aan de master die iemand gaat volgen. Wat ons betreft zou een bachelor recht moeten geven op doorstroming naar een verwante master. Als je bijvoorbeeld een bachelor bedrijfskunde hebt gevolgd in Rotterdam, moet je ook kunnen doorstromen in een master bedrijfskunde. Wij willen niet dat iemand straks overal moet hengelen om alsjeblieft te worden toegelaten. Dat laatste is echt een angst. Ik wil graag dat de minister die angst wegneemt. Anders heb ik een amendement om dit in ieder geval te waarborgen. Overigens wijs ik erop dat nu al in de wet staat dat iemand met een verwante opleiding al in het schakelprogramma automatisch moet kunnen doorstromen. Het moet dus geen probleem zijn om dit uitgangspunt te regelen. Overigens komt dit uit een amendement-Eurlings/Hamer, dus het moet zowel het CDA als de PvdA aanspreken.

Over het collegegeld voor de schakelprogramma's is ook al het nodige gezegd. De schakelprogramma's zijn vrijwel altijd groter dan 30 ECTS. Boven die grens mag het instellingscollegegeld worden gevraagd. Er is nu al een ontwikkeling gaande dat schakelprogramma's worden geïntegreerd in bestaande vooropleidingen, de hbo-bachelors, bijvoorbeeld in de vorm van een minor in het laatste jaar. Helaas is dat nog niet overal het geval. Vaak blijken de programma's al 60 ECTS nodig te hebben om dit hiaat op te vangen. Wij kunnen nu heel veel discussie hebben over 30 of 60 ECTS, maar wat de ChristenUnie betreft gaan wij de regel dat dit in de vooropleiding al goed geborgd moet zijn, veel meer als uitgangspunt nemen. Ik meen dat de heer Klaver het ook al zei: laten wij dit onderdeel tijdelijk nog niet in werking laten treden totdat dit echt goed geborgd is. Dat is de beste oplossing voor dit probleem. Anders krijg je nog steeds arbitraire discussies over 30 of 60 ECTS en de toegestane hoogte van het collegegeld. Ik ben benieuwd hoe de minister tegenover dit voorstel staat.

Ook wij zijn geschrokken van de enorme bedragen die soms gevraagd worden voor een tweede master. In navolging van de heer Bisschop geef ik toe dat ook mijn fractie hiermee destijds heeft ingestemd, maar gezien de ontwikkeling bij een aantal studies willen wij toch bekijken of enige uniformering mogelijk is. Ik zeg erbij dat dit niet voor alle studies geldt; bij een aantal studies gaat het zeer goed. Ik heb met belangstelling naar het amendement van de heer Rog gekeken dat over dit onderwerp gaat, hoewel vijf keer het collegegeld nog wel erg hoog is. Nogmaals, hoe kijkt de minister aan tegen het feit dat de kosten voor een tweede master bij bepaalde studies wel heel erg de pan uit rijzen? Ziet zij mogelijkheden om hierin wat meer uniformering aan te brengen?

Wij hebben ook enkele vragen over macrodoelmatigheid. Nu is de procedure dat er advies van de Commissie doelmatigheid hoger onderwijs volgt na een verzoek en dat de minister daarna een beslissing neemt. Waarom vindt de minister het nu nog noodzakelijk om de wet aan te scherpen inzake de toelating van nieuwe opleidingen? Waarin zit die noodzaak? In de huidige wet staat al dat beleidsregels worden vastgesteld op basis waarvan de minister de aanvragen beoordeelt.

Blijven deze beleidsregels straks hetzelfde? Zouden die anders nog kunnen worden voorgelegd aan de Kamer? Er komt nu een ministeriële regeling, die natuurlijk altijd kan worden voorgelegd. Wat ons betreft zou echter moeten worden bekeken of er niet een AMvB van kan worden gemaakt, omdat wij het graag door de Raad van State willen laten checken. Dit is natuurlijk een beetje een spannend speelveld, ook met betrekking tot de vrijheid van instellingen. Wat bijvoorbeeld als een nieuwe opleiding wordt geblokkeerd door de minister? Zijn daar goede gronden voor? Hoe zit het met de macrodoelmatigheid? Staat dat inderdaad in verhouding tot elkaar? Hoe kijkt de minister hiertegen aan en kan zij hier wat meer duidelijkheid over bieden?

We hebben in de Kamer al genoeg discussies gevoerd over de overgang van het mbo naar het hbo. De cijfers wijzen toch wel wat anders uit. Aan de ene kant lijkt het lastiger om een start te maken in een niet-verwante opleiding in het hbo. Aan de andere kant maken mbo-studenten die hbo-opleiding vaak toch af. Dat heeft ook te maken met een stuk motivatie. Wij kunnen ons allemaal wel afvragen hoe we dat al dan niet moeten beperken, maar wat ons betreft zou er veel meer aan de voorkant moeten worden gecheckt hoe gemotiveerd iemand is. Weet men waar men aan begint? Ook moet er begeleiding zijn vanuit de hbo-instelling, zodat de echt gemotiveerde studenten – in sectoren zoals de techniek en de zorg zijn die heel hard nodig – niet al bij voorbaat worden uitgesloten. Dat zou voor Nederland en zeker voor de studenten natuurlijk heel erg jammer zijn.

Ik rond af met een vraag over de zogenaamde basis- of tussenjaren. De minister geeft zelf aan dat het heel waardevolle jaren zijn. Het beperkt de uitval van studenten in de bachelor en de eventueel daarna volgende master enorm, omdat de studenten zich in dat jaar bezinnen op de vraag welke kant ze uit willen en welke studie voor hen de juiste is. Deze basis- of tussenjaren komen nu echter zeer zwaar in de verdrukking vanwege de onzekerheid over het sociaal leenstelsel. Als inschrijven voor een basisjaar het risico met zich brengt dat je geen studiefinanciering meer krijgt als je later aan de bachelor begint, dan sla je dat tussenjaar maar over en ga je gelijk door. Het risico is ook dat die basisjaren in een gat komen te vallen, met alle problemen van dien. Het mooiste zou zijn als er snel duidelijkheid zou komen over het sociaal leenstelsel. Daar hebben we al vele moties over ingediend maar dat komt er helaas maar niet van, zo lijkt het. Is de minister in ieder geval bereid om in overleg te treden met de aanbieders van basis- of tussenjaren, om te voorkomen dat het kind met het badwater wordt weggegooid en die basisjaren straks verdwijnen vanwege de onduidelijkheid over het sociaal leenstelsel? Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op dit punt.

De voorzitter: Daarmee zijn wij aan het eind gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Wij schorsen de vergadering tot 20.00 uur.

De vergadering wordt van 18.55 uur tot 20.03 uur geschorst.

Minister Bussemaker: Voorzitter. De heer Klaver dacht mij voor te zijn door zelf maar over de commissie-Veerman te beginnen, zoals vele anderen dat ook hebben gedaan. Hij dacht: de minister gaat vast uitleggen waarom dit moet in het kader van de commissie-Veerman. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is om dat in onze oren te knopen, want wij doen dit niet zomaar. Wij doen dit omdat de conclusie in 2010 glashelder was en omdat wij daar nu uitvoering aan proberen te geven. Het is altijd van belang om maatregelen in hun context te plaatsen. Dat geldt hier dus ook voor.

De aanleiding voor de commissie-Veerman was de aanhoudende groei van studentenaantallen en de groeiende diversiteit van de studentenpopulatie, in een situatie waarin de kwaliteit al onder druk stond. De opdracht die Veerman meegaf, was duidelijk: geef een krachtige impuls aan kwaliteit en diversiteit van het hoger onderwijs en zorg voor minder bekostiging op studentenaantallen maar meer op kwaliteit en profiel. Dat zeg ik in het bijzonder tegen die leden, onder wie de heer Van Meenen en de heer Beertema, die zeiden dat wij nu toch weer alles op kwantiteit doen. Mijn analyse is echt een andere. Universiteiten en hogescholen hebben de afgelopen jaren echt werk gemaakt van forse kwaliteitsverbeteringen.

De Kamer heeft ingestemd met manieren om meer te financieren op grond van kwaliteit en niet alleen op grond van kwantiteit. Dat is ook nodig. Het is met name in het belang van de studenten. Ik heb tijdens de debatten over het sociaal leenstelsel al verwezen naar het enorm hoge aantal uitvallers in het eerste jaar en in de eerste vier jaar. De cijfers van de instromers van hbo-instellingen zijn dramatisch. Van elke tien studenten die in 2011 begon in het hbo, waren er binnen een jaar vier gestopt. Deze studenten switchten of vielen helemaal uit. Ook bij de universiteiten is het ontzettend hoog. Daar is het drie op tien.

Kortom, wij moeten ergens beginnen. Volgens mij hebben wij dat met een goed evenwicht gedaan, namelijk door prestatieafspraken te maken en een hoofdlijnenakkoord te sluiten. De heer Duisenberg verwees daar nadrukkelijk naar. Dat was stap één. Binnen het huidige systeem moet er meer worden gestuurd op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. Instellingen worden beloond voor contact met studenten, het opleidingsniveau van docenten et cetera. Dat zeg ik in het bijzonder tegen de heer Beertema, die zei dat het allemaal om winstmaximalisatie gaat. Het tegendeel is het geval.

Stap twee is de wet die hier nu voorligt, de Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs. Wij moeten bekijken hoe wij betere sturingsinstrumenten kunnen ontwikkelen om de kwaliteit te verbeteren.

Stap drie is de invoering van het sociaal leenstelsel. Daarmee vragen wij meer van de studenten voor hun levensonderhoud, opdat wij meer geld vrij kunnen maken voor de kwaliteit van het onderwijs, en dan wel op een structurele manier. Als wij die drie stappen hebben gezet, hebben wij echt uitvoering gegeven aan de agenda van de commissie-Veerman. Dat doen wij wat mij betreft op zo'n manier dat het past binnen het Nederlandse stelsel, zo zeg ik in het bijzonder tegen de heer Klaver.

Wij moeten trots zijn op het Nederlandse stelsel en systeem. Ik heb vorige week tijdens het Kamerdebat over het wetenschapsbeleid ook gezegd dat wij er trots op mogen zijn dat onze universiteiten in de top 200 staan en dat er 5 in de top 100 staan. Wij zouden niet moeten willen dat wij één Harvard aan de Amstel, de Waal, de Maas of waar dan ook hebben, als dat zou betekenen dat wij heel sterk zouden moeten inleveren op de kwaliteit van alle andere instellingen. Harvard heeft inderdaad een enorm budget aan eigen vermogen. Ik kan de leden uit eigen ervaring vertellen dat het fantastisch is om daar te werken, maar het is ook fantastisch om aan Nederlandse universiteiten te kunnen werken, juist vanwege de diversiteit in de doelgroep en de samenwerking met andere instellingen.

De heer Van Meenen (D66): De minister zei dat de afgelopen jaren de universiteiten en hogescholen al sterk hebben ingezet op kwaliteit. Waaruit mag dat dan blijken?

Minister Bussemaker: Dat mag onder andere daaruit blijken dat zij alle op heel goede wijze hebben meegewerkt aan het maken van prestatieafspraken, wat op stel en sprong moest gebeuren. De instellingen hebben heel hard moeten werken om het binnen korte tijd te doen. Ook op andere terreinen zijn er heel goede voorbeelden van instellingen die al begonnen zijn met matchinggesprekken, instellingen die al begonnen zijn met aansluiting tussen hbo en wo in de bacheloropleiding van het hbo en instellingen die met veel enthousiasme aan het Sirius Programma hebben gewerkt. Dat dit allemaal niet gemakkelijk is, geldt ook voor ons. Hadden wij maar één knop waaraan wij konden draaien en waarvan we zeker wisten dat het dan allemaal veel beter zou gaan. Dan had ik die knop allang aangezet, maar ook veel instellingen hadden die knop dan allang gevonden. Zo simpel is het blijkbaar niet. Het gaat ook over een cultuurverandering. Ik ben daar helemaal niet pessimistisch over.

De heer Van Meenen (D66): Een aantal aspecten die de minister noemt, zijn in mijn ogen geen kwaliteits- maar kwantiteitskwesties, zoals de matchinggesprekken. De prestatieafspraken zijn toch heel erg gericht op het verbeteren van het rendement. Zij laten echter op geen enkele manier zien, tot nu toe althans, dat de kwaliteit van het onderwijs ook daadwerkelijk verbetert. Dat is toch de kwaliteitsverbetering waar we met zijn allen op uit zijn? Zijn er dan ook al tekenen van een verbeterde kwaliteit?

Minister Bussemaker: Ik ben het niet met de heer Van Meenen eens dat de prestatieafspraken alleen over rendement gaan. Dat blijf ik echt heel krachtig bestrijden. Het gaat mij om studiesucces en de juiste student op de juiste plek. Dat is een combinatie van rendement en kwaliteit. Het gaat er bij de prestatieafspraken ook helemaal niet om om zo veel mogelijk studenten door de pijplijn te jagen, zoals wel eens wordt gedacht. Het gaat ook om het intensiveren van het aantal contacturen. Het gaat over het opleidingsniveau van docenten. Het gaat over het oprichten van onderzoeksscholen of centers of expertise of hoe je ze ook wilt noemen, en dus meer profilering. Ik bestrijd ten sterkste dat het alleen over rendement gaat. Rendement op zich is overigens ook wel belangrijk. Dat betekent dat een instelling een studeerbaar programma moet bieden. Bij het bindend studieadvies hebben wij het daarover ook gehad. Als een instelling achteroverleunt, alleen maar aanbodgestuurd denkt en zich niet verdiept in de wijze waarop studenten studeren en de vraag welke onderdelen logisch op elkaar volgen, wordt het ook veel moeilijker om een programma in de gestelde tijd te halen.

De voorzitter: Aan het begin heb ik het vergeten te zeggen, en dan neemt u natuurlijk alle ruimte. Dat snap ik. U hebt allen drie interrupties, dus weet hoe die worden ingezet. U krijgt tot slot in deze eerste interruptie nog het woord en dan hebt u er nog twee. Sorry, mijnheer Van Meenen, het is mijn fout.

De heer Van Meenen (D66): Van die studeerbaarheid is nog bijzonder weinig gebleken, want de uitvalpercentages zijn toch nog onverminderd hoog? De maatregelen die tot nu toe zijn genomen, richten zich vooral op wat wij precies van de student verwachten. Het wordt tijd dat wij ook eens gaan kijken wat wij van de instellingen verwachten. Tot nu toe zijn het niet meer dan papieren afspraken. Het klinkt allemaal goed, maar er gebeurt feitelijk nog heel weinig.

Minister Bussemaker: Ik ben dat absoluut oneens met de heer Van Meenen. Ik constateer dat er hard aan wordt gewerkt om de prestatieafspraken te vertalen. Dat zal ook wel moeten, want binnenkort staat de reviewcommissie alweer op de stoep om een midterm review te maken en moeten wij kijken of de afspraken ook gehaald worden. Ik geef toe dat het nu vooral om de plannen ging en dat zij wel uitgevoerd moeten worden. Daarop worden instellingen vervolgens ook afgerekend.

Als instellingen werk moeten maken van goede contacturen tussen docent en student, is dat een opdracht voor de instelling. Als instellingen het aantal docenten met een master of het aantal gepromoveerde docenten moeten verhogen, is dat een uitdaging voor de instelling en niet voor de student. Als een instelling ervoor moet zorgen dat het aantal studenten dat in het eerste jaar switcht, afneemt, is het een uitdaging voor de instelling om aan het begin een goede match af te spreken met de student en, als een opleiding niet blijkt te bevallen, ervoor te zorgen dat de student aan een andere goede opleiding komt. Dat zijn helemaal niet alleen eisen aan studenten. Het zijn voor een heel belangrijk deel en misschien zelfs voor een belangrijker deel eisen aan instellingen. Wij zien nu dat de uitval in het eerste jaar nog steeds toeneemt. Dat vind ik buitengewoon zorgelijk, maar ik wil wel het totaalplaatje zien. Het gaat er uiteindelijk om of dat eraan bijdraagt dat studenten die misschien in het eerste jaar een probleem hadden, in het tweede en derde jaar beter op hun plek zitten.

Volgens mij heb ik daarmee ook de vraag van de heer Duisenberg beantwoord naar de relatie met de prestatieafspraken.

Hij vroeg ook of ik redenen zie om de prestatieafspraken nu al te veranderen.

De heer Duisenberg (VVD): Nee, ik zou ze zeker niet willen veranderen. Dat vraag ik ook niet. Ik vraag of de minister een indicatie heeft dat, hoewel een aantal afspraken niet worden uitgevoerd, er toch nog alle commitment is vanuit de twee sectoren waarmee die afspraken zijn gemaakt, dat ze goed worden uitgevoerd.

Minister Bussemaker: Zo bedoel ik het ook. Als dat niet het geval zou zijn, moet je ze aanpassen. Ik heb geconstateerd dat het wetsvoorstel op een aantal punten inderdaad afwijkt van het hoofdlijnenakkoord, maar er waren goede redenen voor, bijvoorbeeld een buitengewoon kritisch advies van de Raad van State; ik kom daarop terug bij de bursalen. Ook noem ik het regeerakkoord, dat bijvoorbeeld aangeeft dat wij iets terughoudender willen zijn met de selectie aan de poort waarin een leenstelsel zit. Ik heb daarover gesproken met de VSNU en met de Vereniging Hogescholen en ik heb daar mijn overwegingen uiteengezet. Vooralsnog zie ik niet dat deze aanpassingen de prestatieafspraken in de kern belemmeren. Dat kan wel het geval zijn als een instelling heeft gezegd: een heel belangrijke prestatie voor ons is bijvoorbeeld collegegelddifferentiatie of bursalen. Dan moeten wij te zijner tijd bekijken of, als dat tot ander beleid leidt, dit tot een andere weging van hun resultaten moet leiden. Voor nu vind ik dat echter veel te vroeg. Ik heb ook niet de indruk dat daardoor het draagvlak voor die prestatieafspraken is weggevallen; zo begreep ik de vraag. Gaandeweg kunnen wij altijd bekijken of er zich redenen hebben voorgedaan om bepaalde resultaten anders te wegen dan wij nu denken. Dat kan bijvoorbeeld als wij een leenstelsel invoeren. Ook dat stond niet in de prestatieafspraken en het kan ook wat vragen van instellingen.

De heer Beertema wil het hebben over het wegsturen van bestuurders die niet goed functioneren. Laten wij dat debat voeren als wij de governancebrief bespreken. Daarin zit een aanwijzingsbevoegdheid waarmee bestuurders weggestuurd kunnen worden die consequent en systematisch de kwaliteit van het onderwijs in gevaar brengen. Ik zeg erbij dat wij goede instellingen niet alleen krijgen met regels vanuit Den Haag, maar ook met een zelfbewustzijn van bestuurders en van de instellingen en met datgene wat ik eerder een moreel kompas heb genoemd. Daarin zit ook de rol van de medezeggenschap, zeg ik tegen de heer Van Meenen, dus daarop wil ik nu niet al te uitgebreid ingaan.

De heer Beertema (PVV): Ik heb waardering voor de woorden van de minister. Wij komen er zeker nog op terug. Zij heeft wel vrij nadrukkelijk gesproken over het morele kompas dat zij verwacht bij bestuurders. Ik heb gevraagd wat haar oordeel is over het morele kompas van een manager of een bestuurder die bedenkt dat je € 30.000 moet vragen voor een cursus.

Minister Bussemaker: Ik kom op die vraag straks nog terug. Het hangt er namelijk helemaal van af waarom je dat vraagt. Ik heb geen algemeen oordeel over bestuurders die absoluut niet zouden deugen. Er zijn heel goede bestuurders. Ik denk dat universiteiten en hogescholen anders ook niet zouden kunnen functioneren. Het hangt er van af wat een opleiding kost en wat de reden is waarom iemand dat vraagt en of je dat kunt beredeneren. Ik vind wel dat de eerste voorwaarde is dat het transparant moet zijn.

De heer Duisenberg (VVD): Ik wil nog even terugkomen op wat u zei over de prestatieafspraken en dan specifiek het deel dat de overheid zou doen. Ik noem als voorbeeld de prestatieafspraken met UvA. Daarin staan zaken zoals de honourstrajecten, dus excellentietrajecten met heel concrete doelstellingen die ik fantastisch vind. Verder worden daarin genoemd contacturen en intensieve bacheloropleidingen. Ook wordt er daarbij naar verwezen dat de voorwaarden uit de hoofdlijnenakkoorden moeten worden geïmplementeerd. Ik wil echt heel zeker van u weten dat waar de promotiestudenten er niet in staan en de collegegelddifferentiatie voor die honourstrajecten niet wordt toegestaan, u het comfort hebt dat puur op die zaken de VSNU en de Vereniging Hogescholen zullen zeggen: u kunt ons nog steeds aan deze afspraak houden en wij gaan daar niet op terugkomen. Het is namelijk heel belangrijk dat die contacturen, de bachelorprogramma's en de honourstrajecten van de grond komen en dat er straks in 2017 niet gezegd wordt: sorry, het is niet gelukt, maar jullie hebben je ook niet aan de afspraken gehouden.

Minister Bussemaker: Ik heb zo-even al gezegd dat ik van beide gehoord heb dat ze doorgaan. Er zitten wel een aantal verplichte indicatoren in. Ik noem als voorbeeld de contacturen. Ik zou geen redenen zien om daarin iets te veranderen. U noemde het voorbeeld van de bursalen. Als een instelling zou aangeven dat haar prestatieafspraken voor een belangrijk deel op dat bursalensysteem zijn gebaseerd dat er dan niet komt, dan zouden we te zijner tijd moeten kijken of er gevolg aan gegeven zou kunnen worden. Ik ga dat echter absoluut niet op algemeen niveau doen; dat kun je ook alleen maar op instellingsniveau doen. Op algemeen niveau hebben we namelijk met elkaar die hoofdlijnenakkoorden en is er, gezien alles wat er nu gebeurt, geen reden om daar structureel van af te wijken. Er zal altijd beargumenteerd moeten worden waarom men een bepaalde indicator of een bepaalde doelstelling niet heeft gehaald. Een van de belangrijkste doelstellingen die alle instellingen aangeven, is de vervroegde aanmelding van 1 mei. Daarom ben ik ook heel blij dat we dit debat nu hebben en deze week hopelijk ook kunnen afronden, zodat ik ruim op tijd kan zorgen dat het wetsvoorstel van kracht wordt om die vervroegde inschrijving en die matching te realiseren. Dit is ook een van de meest belangrijke afspraken voor alle universiteiten en hogescholen. Daarnaast zijn er universiteiten en hogescholen die op individuele basis extra afspraken hebben gemaakt. Daarvan zullen we dan zien of er aanleiding is om die anders te wegen als gevolg van beleid.

De heer Duisenberg (VVD): Ik ben het helemaal eens met wat u zei over de matching en de datum van 1 mei. Dat is superbelangrijk en dat moet gebeuren. U had het er zo-even over dat er te zijner tijd over wordt gesproken. Mag ik dat dan zo uitleggen dat er te zijner tijd bijvoorbeeld ten aanzien van een afspraak met een individuele instelling over bursalen, concessies gedaan kunnen worden waar het gaat om de ambitie? Dat is dan precies iets waarvan ik het jammer vind als dat zou gaan gebeuren.

Minister Bussemaker: Ik heb al gezegd dat ik er straks nog op terugkom. Overigens heb ik ten aanzien van bursalen geen vermoeden dat dit het geval zal zijn, omdat we wel een pilot starten met bursalen. Dus het hangt ervan af of instellingen die iets met bursalen willen en die dat hebben opgegeven in hun prestatieafspraken, met die pilot uit de voeten kunnen. Ik verwacht dat dit allemaal op elkaar aansluit. Veel instellingen hebben helemaal niet aangegeven dat zij met bursalen willen werken. Wat wij daaraan ook zouden willen veranderen, dat heeft geen effect op die instellingen, althans niet op de prestatieafspraken die zij hebben gemaakt.

De voorzitter: De minister vervolgt haar betoog.

Minister Bussemaker: Voorzitter. Ik wil de beantwoording in een paar blokjes doen. Daar zijn de leden dol op, meen ik. Er zijn veel verschillende vragen gesteld. Ik zal eerst de vragen beantwoorden over instroom en doorstroom. Dan zal ik ingaan op de vragen over differentiëren in onderwijsaanbod, dus Ad, driejarig hbo-traject voor vwo'ers et cetera. Ik ga dan verder met een aantal financiële vragen over collegegelddifferentiatie, schakelprogramma's, eigen bijdrage en toelatingsprogramma's. Dan heb ik nog promotieonderwijs, de bursalen en titulatuur. Tot slot volgen dan de amendementen. De leden kunnen dan al voor een deel beluisteren hoe ik daar tegenaan kijk.

Ik begin met de vervroegde aanmelding. Ik heb al gezegd hoe belangrijk die is, ook met het oog op de uitval in het eerste jaar en de stijging daarvan ten opzichte van vorig jaar die schrikbarend is. Er is gevraagd wat de effecten van de vervroegde aanmelding kunnen zijn voor bepaalde groepen studenten. De heer Van Meenen vroeg bijvoorbeeld wat een student kan doen als hij om een studiekeuzeadvies of matching vraagt en de universiteit of hogeschool daar niet op ingaat. Hij vraagt eigenlijk of de student ook dwangmiddelen kan hanteren. De reguliere rechtsbeschermingsprocedure in het hoger onderwijs geldt ook voor aanstaande studenten. Als zij geen gesprek krijgen, kunnen zij gebruikmaken van de interne procedure in de vorm van een loket. De kwestie die hier aan de orde is, behoort tot de competentie van een geschillenadviescommissie en is onderdeel van artikel 7.63a van de WHW. De geschillencommissie brengt advies uit aan het instellingsbestuur over andere beslissingen of het ontbreken van beslissingen die betrekking hebben op examens en tentamens. Als de student het oneens is met het besluit van het instellingsbestuur – dat is de eerste trap die hij kan nemen – kan hij in beroep gaan bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Dit geldt ook voor andere procedures. Ik ga ervan uit dat dit niet nodig zal zijn of slechts in zeer beperkte gevallen, want ik zie bij alle instellingen grote bereidheid om aan deze matchingsgesprekken mee te doen of aan welke vorm van matching dan ook.

De heer Van Dijk heeft gevraagd wat er gebeurt als de student zich voor 1 mei heeft aangemeld, maar om goede redenen afziet van de eerste studiekeuze. Verliest de student zijn toelatingsrecht als hij zich na 1 mei aanmeldt voor een andere opleiding? De student die zich tijdig heeft aangemeld, mag na die aanmelding van studie switchen. Dat kan voor of na 1 mei zonder verlies van toelatingsrecht, want ook na 1 mei is hij dan toelaatbaar. De student die zich tijdig heeft aangemeld maar switcht van opleiding na 1 mei heeft echter geen recht meer op een studiekeuzeactiviteit. Anders zou het voor instellingen te gecompliceerd worden om een en ander tijdig en goed te regelen. Instellingen moeten weten waar zij aan toe zijn. Ik zeg hierbij dat het een forse uitdaging is voor instellingen om dit in goede banen te leiden.

De heer Van Dijk heeft ook gevraagd of een student kan worden uitgesloten als gevolg van aanvullende eisen en selectie. De student kan niet worden uitgesloten van een selectieopleiding, zoals een opleiding met aanvullende eisen, omdat hij is veranderd van studiekeuze. Voor deze opleidingen geldt echter een uiterste datum waarvoor de student zich moet hebben aangemeld opdat instellingen de selectieprocedure goed kunnen vormgeven. Zo geldt nu bijvoorbeeld als uiterste aanmelddatum voor de gewogen loting van een numerusfixusopleiding 15 mei. Daaraan moet een student zich natuurlijk wel houden.

De heer Van Dijk heeft ook nog gevraagd wat er gebeurt als een student een negatief bindend studieadvies krijgt na 1 mei. Die datum van 1 mei geldt in principe voor iedereen, maar de student met een laat bindend studieadvies verliest niet zijn toelatingsrecht. Ook daar geldt echter dat zijn aanmelding het gevolg is van een vrijwillige keuze en het feit dat hij verwijderd wordt van een eerdere opleiding. Zij kunnen overigens wel worden verplicht tot studiekeuzeactiviteiten na dat bindend studieadvies. Volgens mij stelde de heer Rog dezelfde vraag, dus hem heb ik hiermee ook beantwoord.

De heer Mohandis vroeg of in latere jaren een mentorschap kan helpen. Het mentorschap kan heel goed zijn, maar wij schrijven dat niet voor alle instellingen voor. We schrijven nu wel de eerste stap voor, maar instellingen zijn natuurlijk altijd vrij om meer te doen dan dat. Je kunt bekijken hoe per opleiding geëigende werkvormen kunnen worden bedacht; die zullen namelijk niet overal hetzelfde zijn. In het hbo is er al in veel opleidingen begeleiding door mentoren, zeker in het eerste jaar. Ik hecht eraan om hierbij te zeggen dat je meer zelfstandigheid van een student mag verwachten naarmate deze verder in zijn studie komt, dus dan zal het mentorschap minder aan de orde zijn. Kortom, ik zou dit niet willen voorschrijven. Maar het is natuurlijk wel een goed voorbeeld, vooral als het de begeleiding van oudere studenten betreft, omdat die veel van elkaar kunnen leren. Wij leggen het in deze wet echter niet vast.

De heer Van Meenen en anderen vroegen hoe de communicatie wordt aangepakt. Ik ben het met iedereen eens dat een goede communicatie van groot belang is, evenals de tijdige informatie van de betrokken studenten en leerlingen. Daarvoor wordt een communicatieplan opgesteld, zo mogelijk in samenhang met het wetsvoorstel over het sociaal leenstelsel. Met andere woorden, alle veranderingen die ingaan in 2014 worden in één keer gemeld, onder andere via DUO.

Er is een aantal vragen gesteld over de vooropleidingseisen van mbo'ers. Onder anderen de heer Mohandis erkende het belang van de doorstroom van mbo naar hbo. Laat ik vooropstellen dat ik daar ook zeer aan hecht, dat ik het een groot goed acht dat men kan doorstromen van zowel mbo naar hbo als van hbo naar wo. Dat is uniek aan het Nederlandse stelsel en dat moeten we ook vooral zo houden. Tegelijkertijd kunnen we constateren dat de doorstroom van mbo naar hbo lang niet altijd goed verloopt. Daar wreekt zich het feit dat in een havo- en een vwo-diploma vooropleidingseisen zitten, waarmee men een hbo- of een universitaire studie kan doen. Van je profielkeuze hangt immers af welke studiekeuzen je kunt doen; als je medicijnen wilt gaan studeren, zul je een andere vooropleiding moeten hebben dan wanneer je Engelse taal- en letterkunde wilt studeren. Bij het mbo hebben we dat niet, en dat wreekt zich. Eigenlijk wil ik dus niet veel anders dan ervoor zorgen dat voor mbo'ers ongeveer hetzelfde geldt. Wat we al doen voor havisten en vwo'ers, namelijk aangeven dat je met dat diploma al een bepaalde vooropleiding hebt en dus aan bepaalde eisen voldoet, moeten we ook voor mbo'ers doen. Dat is nu niet het geval. Voor mbo-studenten geldt dat zij toegang hebben tot het gehele hoger beroepsonderwijs, dus ook tot sectoren die helemaal niet aansluiten bij hun vooropleiding, zodat zij feitelijk dus niet voldoen aan de vooropleidingseisen die voor havisten bijvoorbeeld wel gelden. De Onderwijsraad constateerde al dat de groep studenten die kiest voor een niet-verwante vervolgstudie, vaak uitvalt. Daarom komen er nadere vooropleidingseisen voor mbo'ers.

Ik vind het belangrijk om hierbij aan te geven dat er bij het overstappen ruimte moet zijn in de verwantschap die wij willen, dus dat dit niet betekent dat je alleen maar van techniek naar techniek mag overstappen. In die zin is het met de term «verwantschap» misschien iets te beperkt geformuleerd. Ik wil eigenlijk niet anders dan de eisen hanteren die we ook aan havisten stellen in relatie tot hun vooropleiding. Ik baseer mij hierbij op een rapport van de Onderwijsraad, waarin staat dat er grote verschillen zitten in het studiesucces – of rendement zo u wilt – in de verwantschapsopleidingen tussen mbo en hbo. De cijfers van het HOP betreffen vooral het eerste jaar.

Uit de cijfers van beide organen blijkt dat de verschillen tussen de opleidingen enorm groot zijn. Van de studenten die een mbo-opleiding zorg en welzijn hebben gedaan en naar een verwante hbo-opleiding gaan, studeert 63% niet af. Van de studenten die naar een niet-verwante opleiding gaan, studeert 42% niet af. Of geldt het omgekeerde? Ik zeg het verkeerd. Van de verwante opleidingen studeert 63% af en van de niet-verwante opleidingen 42%. Dat verschil is heel groot. De Onderwijsraad heeft gezegd dat daar iets aan gedaan moet worden. Het is voor studenten heel frustrerend om door te stromen naar een opleiding terwijl de kans dat zij het niet halen groot is. Zij werken jaren naar een diploma toe dat zij uiteindelijk niet krijgen. Hogescholen klagen over het gebrek aan voorkennis bij sommige groepen mbo'ers. Ik zeg nadrukkelijk dat er ook mbo'ers zijn die het heel goed doen. Anderen zijn echter onvoldoende voorbereid op het beroepsonderwijs. Onderzoek wijst uit dat juist de groep studenten die kiest voor een niet-verwante vervolgstudie uitvalt.

Dat wordt bevestigd door gegevens van DUO. Uit de gegevens van DUO blijkt dat een voorbeeld van een goede aansluiting met lage uitval, de doorstroming van mbo-domein veiligheid en sport naar de hbo-sector gezondheidszorg is. De uitval daar is 16%. Hetzelfde geldt voor de aansluiting van het mbo-domein zorg en welzijn op de hbo-sector taal en cultuur; uitval 19%. Er zijn echter ook voorbeelden te geven van een slechte aansluiting. Ik denk dan aan de aansluiting van het mbo-domein bouw en infra op de hbo-sector economie; uitval meer dan 40%. Ik denk in dit verband verder aan de aansluiting van het mbo-domein handel en ondernemerschap naar de hbo-sector onderwijs; uitval 63%. Dat zijn echt heel grote verschillen. Ik wil bezien hoe die aansluiting beter kan werken. Dat is naar mijn idee in het belang van de student. Daarmee wordt het studiesucces verbeterd. Wij willen bij de formulering van de nadere vooropleidingseisen uitgaan van een aantal criteria. Een belangrijk criterium is inhoudelijke verwantschap. Welke vervolgopleiding in het hbo ligt inhoudelijk in het verlengde van de mbo-opleiding? Naar verwachting zal dat over het algemeen aansluiten bij de interesse van de mbo-student. Ik heb net een voorbeeld genoemd van een geval waarin men kan twisten over de verwantschap. Bestaat tussen het domein zorg en de hbo taal en cultuur verwantschap of niet? Die verwantschap mag niet al te strak worden gezien. Ik kijk ook naar andere eisen, zoals de vergelijkbaarheid met profielen. Als iemand een havo-profiel heeft met techniek, dan kan hij elke opleiding gaan doen. Iemand kan dan letterkunde gaan doen maar ook een technische opleiding. Omgekeerd is dat niet het geval. Zo'n referentie wil ik bij het mbo ook.

Een laatste referentie die naar mijn mening belangrijk is, is het slagingspercentage ofwel de rendementscijfers. Die cijfers geven een indicatie voor de mate waarin een opleiding te doen is voor de mbo'er en om die reden goed aansluit. Ik wil daarnaar kijken. Ik kijk dus niet alleen sec naar de inhoudelijke verwantschap, maar ook naar de achtergrond van wat we bij het havo de profielen noemen en naar het studiesucces, evidence based geredeneerd; welke vooropleidingen bieden een goede kans op slagen? Ik wil mij op dit punt laten adviseren door experts.

Dan zullen wij nog eens heel kritisch naar de cijfers kijken, wat mij betreft zonder onnodige beperkingen op te leggen. Tegen de heer Mohandis zeg ik: doorstromen kan altijd, maar niet bij elke opleiding. Daarin willen wij wel wat strenger zijn. Wij gaan dat doen via een ministeriële regeling. Ik ben graag bereid om de Kamer te zijner tijd in een brief te informeren over wat wij gaan doen. Ik zeg er uit de grond van mijn hart en op basis van mijn eigen ervaring bij dat ik er ten volle van overtuigd ben dat het echt in het belang van de student is. Het slechtste wat wij voor studenten kunnen doen, is hen een paar jaar laten bungelen omdat zij eigenlijk niet de vooropleiding hebben die nodig is voor een bepaalde opleiding, en dat niet op tijd aanpakken. Bij het begin kun je het namelijk nog wel met een deficiëntieprogramma oplossen. Dat moet dan wel aan het begin en niet pas in de loop van de studie.

De heer Rog (CDA): Volgens mij zijn wij het er met elkaar over eens dat wij niet willen dat mensen verloren raken in hun studie en dat zij mislukken. De vraag is echter, of het middel dat de minister nu in dit wetgevingsoverleg wil optuigen en later wil uitwerken, het beste middel is om dit te voorkomen. Ik stel die vraag omdat er veel cijfers over succes of mislukking bij wel of niet verwante opleidingen zijn genoemd. Ik concludeer dat het profiel techniek voor mbo-studenten zo ongeveer bij alle profielen in het hbo de beste slagingskans geeft. De vraag is, of dit straks nog mogelijk is. Gek genoeg levert een economisch profiel de hoogste kans op om in ieder geval in het eerste jaar van een hbo-studie niet uit te vallen. Ik zit met de vraag of wij, als wij nu ja zeggen tegen dit aspect van de wet, de juiste keuze maken. Dat staat los van de vraag of wij straks zeggenschap krijgen over de precieze invulling van wat verwant is of niet. Ik zou de minister eigenlijk willen vragen of zij voor morgen inzage kan geven in de onderzoeken waarop zij zich beroept, en of zij daarbij helder kan aangeven hoe die verwantschap in het eerste jaar wel of niet tot uitval leidt. Dat geldt ook voor het vierde en zesde jaar, maar in ieder geval na afloop van de opleiding. Die helderheid hebben wij nu niet. Die helderheid heb ik ook niet kunnen vinden in het rapport van de Onderwijsraad waar zo hartstochtelijk naar wordt verwezen. Ik denk dat het voor de Kamer van groot belang is om dit inzicht te hebben, alvorens de minister het mandaat te geven om de huidige regeling aan te scherpen.

Minister Bussemaker: Ik kan vrij concreet antwoord geven op deze vraag. In het eerste geval: als de vooropleiding techniek de beste kansen geeft voor alle opleidingen, blijft dit dus ook mogelijk. Bij het havo zien wij precies hetzelfde. Met een technisch profiel kun je eigenlijk alle opleidingen volgen. Omgekeerd is dat niet het geval. Mijn referentiekader zal dus uiteindelijk het slagingspercentage aan het eind van de opleiding zijn, en niet alleen in het eerste jaar. Ik begrijp dat ergens in de stukken een verkeerde verwijzing heeft gestaan naar een rapport van de Onderwijsraad, dus ik zal de Kamer voor morgen een kort briefje sturen met de essentie uit dat rapport en de verwijzing daarnaar, zodat de Kamer daarvan voor morgenavond zelf kennis kan nemen. Ik zeg het nog maar een keer: ik wil eigenlijk niets anders doen dan de omissie die er nu is bij de overgang van mbo naar hbo ten opzichte van de overgang van havo naar hbo, gelijktrekken. Ik zal dat doen, niet op grond van eigen oordelen, maar vooral op grond van de beoordeling of een vooropleiding een redelijke garantie geeft voor een goed slagingspercentage. Daarmee geef je aan dat de aankomende student aan de juiste vooropleidingseisen voldoet. Ik heb de indruk dat uw zorg wat dat betreft ook mijn zorg is en dat onze standpunten niet ver uit elkaar liggen. Misschien heeft de term verwantschap te veel inhoudelijke inkleuring gekregen en heeft dat u op het verkeerde been gezet. Want nogmaals, het gaat mij niet alleen om de inhoudelijke verwantschap, maar eigenlijk meer om de verwantschap in de zin van: welke garantie is er nu dat je met een bepaald opleidingspakket de volgende stap goed kunt zetten?

Inderdaad kunnen studenten die een technische opleiding aankunnen, vaak ook veel andere dingen. Dat kan bij een economie- en soms ook bij een maatschappij- en cultuurprofiel anders liggen.

De heer Rog (CDA): Het lastige is het volgende. Wij hebben de memorie van toelichting bestudeerd en naar verwijzingen gekeken. De grond waarop de minister de wetgeving wil aanpassen, kunnen wij niet doorgronden. Ik zit nu in de lastige positie dat ik moet afwachten of de brief en de verwijzing ons voldoende comfort geven om met dit wetgevingsaspect door te gaan.

Minister Bussemaker: Laten wij het niet groter maken dan het is. Ik heb net uitgelegd waar het onderwijsrapport over gaat. U kent de kern. Die staat ook in de memorie van toelichting. Ik heb u net uitgelegd welke omissie in de wet wij hiermee recht willen breien. Ik heb aangegeven dat een en ander wordt uitgewerkt in een ministeriële regeling. Ik zal de Kamer een brief sturen over de inhoud van die regeling. Als u vervolgens vindt dat de uitwerking niet voldoende is, dan kunnen wij daarover altijd nog een debat aangaan met elkaar. Nogmaals, ik heb geen enkele twijfel. Ik vind dat u het wel heel groot maakt door te zeggen «we weten niet of we wel verder kunnen». De tekst in de memorie van toelichting klopt immers wel. Er is alleen ergens in een noot een verkeerde verwijzing opgenomen.

De heer Rog (CDA): Ik geef even aan dat het lastig is dat wij nu wel de mogelijkheid bieden. Ik zou die mogelijkheid alleen willen bieden als wij daadwerkelijk doordrongen zijn van het feit dat er sprake is van een omissie die opgelost moet worden. Maar goed, ik vertrouw erop dat het briefje dat naar de Kamer komt, mij zal overtuigen.

De heer Bisschop (SGP): Even voor mijn begrip: mag ik het zo zien dat er op het havo voorlichting is gegeven vanuit het decanaat – met dit keuzepakket kun je die en die vervolgstudies doen in het hbo – en dat het de bedoeling is dat er ook in het mbo een dergelijk decanaatstraject wordt ingezet waarin mbo-studenten worden voorgelicht, in de zin van «als je een hbo-vervolgopleiding wilt doen, dan kun je met dit pakket die en die richting uit»? Mag ik het zo samenvatten?

Minister Bussemaker: Ja, zij het dat wij dat voorlichtingstraject niet in de wet vastleggen. Maar daar draait het natuurlijk wel op uit, namelijk dat studenten nadenken – dat zullen ze vaak samen met een decaan doen – over de vraag welke studierichting – in het havo is dat een profiel – een redelijke kans op succes biedt bij een vervolgstudie in het hbo. Eigenlijk is het niet anders dan: welk profiel geeft redelijke kans en wettelijk recht op welke opleiding? Welke vooropleiding moet je hebben om een hbo-opleiding goed te kunnen beginnen vanaf het eerste moment? Een en ander moet ertoe leiden dat decanen mbo-studenten op deze manier meenemen. «Met deze vooropleiding mag je niet zomaar die hbo-vervolgopleiding doen, omdat bewezen is dat je een aantal vakken ontbeert die nodig zijn om die opleiding succesvol te volgen; andere kun je wel volgen.»

De heer Bisschop (SGP): Ik kan mij voorstellen dat dit aspect van de decanaatsvoorlichting op het mbo onderdeel wordt van het communicatieplan waarover u sprak.

Minister Bussemaker: Dat vind ik een heel goede suggestie. Ik denk dat in de voorlichting van decanen nog heel veel te verbeteren valt. Dat geldt overigens ook voor vwo en havo. Dat is geen verwijt aan de decanen. Het is best een lastige klus om alles wat wij hier steeds bedenken en aftikken, goed te kunnen blijven volgen en om daarnaast zelf op hbo- en wo-instellingen rond te kijken hoe het er daar aan toegaat. Eigenlijk zouden wij moeten beginnen met het mogelijk maken van proefstuderen voor decanen. Het is allemaal heel veel werk en veel gedoe. Wij gaan dat dan ook niet verplichten. Dat de communicatie optimaler kan, heb ik vanochtend ook weer bij het Nationaal Jeugddebat meegemaakt. Ik mocht met scholieren debatteren over de voorbereiding voor een studiekeuze. Zij gaven aan dat daarin nog heel veel te verbeteren valt.

De voorzitter: Dan is er nog een vraag van de heer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP): Het is meer een informatieve vraag. Ik hoop niet dat u die als een interruptie rekent.

(hilariteit)

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik begrijp dat ik brede steun krijg.

Gaat de minister in het briefje dat zij gaat sturen voor het debat van morgen, ook in op de cijfers van het HOP die bij ons zo veel vragen hebben opgeroepen, onder andere van 16 april jongstleden?

Minister Bussemaker: Daar zal ik heel kort op ingaan, maar ik hoop echt dat ik een deel van de verwarring nu heb weggenomen door aan te geven dat datgene wat het HOP naast elkaar zet, niet voor mij leidinggevend is omdat dat nu toevallig clusters van opleidingen zijn. Ik wil veel meer bekijken welke vooropleiding een gerede kans op studiesucces geeft. Verwantschap ligt dus niet alleen op het inhoudelijke vlak, maar is meer gebaseerd op bewezen ervaringen uit het verleden. Maar ik zal er kort op ingaan.

Mevrouw Schouten vroeg nog of hierbij de motivatie niet van belang zou moeten zijn. Natuurlijk, motivatie is altijd van belang. Ik weet van heel veel mbo'ers die buitengewoon gemotiveerd zijn en daardoor, als zij de goede vooropleiding hebben, vaak ook een hbo-opleiding met goed gevolg afleggen. Ook hiervoor gelden natuurlijk de matchingsgesprekken. De motivatie kan daarin nog eens aan de orde komen.

Ik kom op de bijzondere vooropleidingseisen voor de pabo, een punt dat onder anderen door de heer Beertema is ingebracht. Hij vroeg of de kenniseisen voor alle vakken op havo en mbo wel hoog genoeg zijn. Op de pabo's zijn wij al met een heleboel verbeterpunten bezig. Er mag inderdaad geen twijfel over bestaan dat aspirant-studenten nog steeds hun diploma mbo-4, havo of vwo moeten behalen voordat zij doorstromen naar de pabo. Die bijzondere nadere vooropleidingseisen zijn extra eisen op het gebied van kennis. Als een student in dat vak examen heeft gedaan, voldoet hij reeds aan die eisen. Het zijn instroomeisen die op basis van de vooropleiding worden gesteld. Voor een aantal onderdelen hebben wij die eisen al. Voor een aantal andere zijn ze er nog niet, maar die gaan wij invoeren; dat is het geval voor aardrijkskunde, geschiedenis en biologie. Ik heb eens een paar van die vragen gedaan, en dat vraagt best wat van deze studenten. Laten wij daar dus niet lichtvaardig over doen, als zou dat allemaal heel makkelijk even op een achternamiddag te halen zijn. Het zijn echt best wel forse vragen. Ik denk dus dat wij dit met de kennisbasisstructuur goed doen. Ik zie ook dat pabo's daar van alles aan doen.

Ik heb er dus echt vertrouwen in dat wij met deze toelatingseisen en de kennisbasis, plus de toetsing daarvan, het kennisniveau van aspirant-leraren significant omhoog kunnen brengen. Mocht er nog meer nodig zijn, dan krijgt de Kamer dat van mij na de zomer te horen, want zoals ik heb beloofd, kom ik dan met een verbeterplan voor de lerarenopleidingen. De instellingen werken daar overigens van harte aan mee. Volgens mij doen wij met de vooropleidingseisen nu wat nodig is en zou het ook niet wenselijk zijn om die nog weer verder op te schroeven.

De heer Beertema (PVV): Gaat de minister nog specifiek in op de vooropleidingseisen voor Nederlandse taalbeheersing op 4F? Dit is geen interruptie, hoor, maar gewoon een vraag.

Minister Bussemaker: Dat zal ik dan gelijk doen. Leerlingen op het havo en op het mbo doen examen op niveau 3F. Hun kennisniveau wordt door invoering van de centrale examens geborgd. Wij kunnen dan ook niet voor de pabo opeens niveau 4F eisen bij de toelating, maar de leerlingen moeten wel niveau 3F hebben. De kennisbasis van de pabo veronderstelt echter wel niveau 4F. Een pas afgestudeerde leerkracht basisonderwijs zal dus uiteindelijk het niveau 4F moeten beheersen.

De heer Beertema (PVV): Dat kunnen wij wel degelijk, want wij hebben dat ook gedaan bij de leidsters van de vve-groepen. Bij hen was het niveau 2F. Dat is opgeschaald naar 3F. Dat kan dus wel degelijk. Mijn redenering is dat taal de basis is van alles. Kinderen hebben recht op leraren en onderwijzers die dat niveau beheersen. Ik heb het nadrukkelijk ook over tweedegraadslerarenopleidingen. Kijk naar de kranten. De Telegraaf is ongeveer niveau 2F. De NRC is ongeveer niveau 4F. Bewaar mij ervoor dat alle leraren de NRC gaan lezen, maar ze zouden het op zijn minst moeten kunnen. Ik vind dat heel belangrijk als basis voor de verdere ontwikkeling van die leraren en kinderen.

Minister Bussemaker: Ik begin mij nu bijna af te vragen wat er gebeurd zou zijn met het Koningslied als wij die 4F-eis eerder hadden ingevoerd.

De heer Beertema (PVV): Dan zouden we dat niet gehad hebben.

Minister Bussemaker: Maar laat over het taalniveau geen onduidelijkheid bestaan. Dat is ontzettend belangrijk. Daarom worden taal- en rekeneisen op een heleboel niveaus verhoogd. Daar hebben wij de Kamer al op andere momenten over geïnformeerd, maar wij hebben nog wel wat studenten op de pabo nodig. Als dat niet altijd op dat niveau wordt gegeven in de vooropleiding, dan kun je ook niet het onmogelijke eisen. Met 4F, de kennisbasis waar wij nu mee aan de slag zijn, en de strengere toelatingseisen hebben wij al een behoorlijk programma voor de pabo. Maar de kennisbasis is wel gebaseerd op 4F. Studenten die van de pabo komen, moeten dus niveau 4F beheersen. Dus voordat ze voor de klas gaan staan, zullen ze heel goed Nederlands moeten kunnen. Wij vragen dus al niveau «NRC», de «VARAgids» – dat spreekt de heer Beertema misschien ook aan – of zoiets.

De heer Beertema (PVV): Waarom zouden wij het dan niet formaliseren? Zou het bovendien niet goed zijn om toch onderscheid te maken tussen het taalniveau dat wij eisen van de leidsters en leiders van de vve-groepen en dat van leraren van basisscholen en vmbo's? Vandaar die 4F.

Minister Bussemaker: Van hen vragen wij nu 3F, zoals de heer Beertema net zelf zei. Van studenten die van de pabo-opleiding komen, vragen wij wel dat ze niveau 4F aankunnen. Het is ook een beetje zoeken naar het midden. Aan de ene kant stellen wij veel strengere eisen. Aan de andere kant willen wij talentvolle studenten wel nog op de pabo krijgen. Ik moet er namelijk ook niet aan denken dat wij de eisen in zo'n snel tempo en zo ver opschroeven dat wij straks helemaal geen studenten meer hebben, terwijl wij weten dat ze het wel kunnen. Ze moeten tijdens die opleiding tenslotte ook nog wat leren.

De heren Bisschop en Rog hadden het over de uitbreiding van eisen naar de overige lerarenopleidingen. Ik verwacht dat de reguliere nadere vooropleidingseisen voldoende uitkomst bieden voor tweedegraadslerarenopleidingen. Nadere vooropleidingseisen hebben immers als doel bepaalde inhoudelijke kennis, inzicht en vaardigheden te garanderen. In het vo zijn al eisen met betrekking tot profiel en de gevolgde vakken van het vo vastgelegd. In het mbo gaan wij dat aanpassen. Voor de pabo's worden die bijzondere eisen al gesteld. De vraag is of wij bij de lerarenopleidingen af zouden moeten wijken van de reguliere nadere vooropleidingseisen. Daar zie ik geen aanleiding voor, want de lerarenopleiding Frans zou dan bijvoorbeeld het vak Frans als nadere vooropleidingseis kunnen stellen. Als tweedegraadslerarenopleidingen nadere vooropleidingseisen willen stellen, kunnen ze daar een verzoek toe indienen. Dat hebben ze tot nu toe niet gedaan.

Ik ben overigens wel met de lerarenopleidingen in gesprek om te bekijken of er naast eisen op het gebied van kennis ook verdergaande selectie op aanleg en motivatie voor het leraarschap moet zijn. Ik denk eigenlijk dat dat belangrijker is in dit geval. Volgens mij heb ik hiermee ook de vragen van de heer Van Meenen over pabo's en instroomeisen beantwoord.

De heer Van Dijk vroeg naar de rol van de medezeggenschap in deze maatregelen. Daarvoor geldt hetzelfde als in alle andere medezeggenschapsregelingen: zij hebben adviesrecht inzake de selectieprocedures en de criteria bij opleidingen waarvoor speciale eisen gesteld worden of waarvoor geselecteerd wordt. Die discussie hebben we al vaker met elkaar gevoerd. Ik zie geen reden om dit nu te veranderen.

De heer Van Dijk vroeg ook naar de afschaffing van de loting en naar de sluiproute. De afgelopen tijd heb ik daar zeer uitgebreid schriftelijke vragen over beantwoord. Daar wil ik kortheidshalve naar verwijzen, want sindsdien heb ik geen nieuwe informatie gekregen. Met de afschaffing van de loting willen we het systeem transparanter maken en ervoor zorgen dat elementen als motivatie meer meegenomen kunnen worden. Een capaciteitsfixus mag absoluut niet leiden tot een sluiproute naar selectie. Ook op dat punt ben ik in de schriftelijke antwoorden uitgebreid ingegaan.

Mevrouw Schouten vroeg naar de afschaffing van de verplichte doorstroommaster. Zij vroeg of selectie ook betekent dat er bijvoorbeeld drie talen gevraagd kunnen worden. Dat zou kunnen. Het hangt er maar van af om welke opleiding het gaat. De instelling moet dat natuurlijk wel onderbouwen. Ook hier geldt dat het medezeggenschapsorgaan adviesrecht heeft.

Mevrouw Schouten vroeg ook waarom er geen doorstroomrecht kan komen voor bachelors naar verwachte masters. Daarmee zou de doorstroommaster weer verplicht worden en dat willen we nou juist niet meer.

Zij vroeg ook of men bij verwante opleidingen wel door moet kunnen blijven stromen. Het uitgangspunt blijft dat er voor bachelors een mogelijkheid moet zijn om een masteropleiding te volgen. Je moet immers altijd een masteropleiding kunnen volgen. Ik verwacht overigens geen problemen. Masteropleidingen zijn voor universiteiten corebusiness en bovendien ontvangen universiteiten minder bekostiging als zij minder studenten hebben. Het is voor universiteiten dus ook van belang dat ze hier werk van maken. Ik heb geen signalen dat universiteiten op korte termijn over de hele linie doorstroommogelijkheden zullen afschaffen. Er zijn nu ook al doorstroommasters die goed functioneren en waar veel studenten, ook veel internationale studenten, op afkomen. Wel kan het voorkomen dat een student niet aan een masteropleiding van zijn eerste voorkeur kan deelnemen. Er zullen zich masteropleidingen ontwikkelen met strenge en minder strenge selectiecriteria. Studenten met goede papieren zullen altijd overal terechtkunnen. Anderen zullen bij andere studies terechtkunnen waar misschien iets minder strenge selectiecriteria gelden. Ik zie daar in zijn algemeenheid geen problemen ontstaan, maar we zullen het goed monitoren, zoals mevrouw Schouten vroeg. Ik moet nog met de inspectie bespreken hoe we dat precies gaan doen. Het is in ieder geval duidelijk dat de inspectie een klankbordgroep zal vormen waarin ook studentenbonden, koepelorganisaties en andere relevante maatschappelijke groeperingen vertegenwoordigd zullen zijn.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): De minister voorziet op dit moment geen problemen, maar we maken een wet natuurlijk niet alleen voor dit moment, maar voor meerdere jaren. Er kan wel overleg gevoerd worden, maar een bachelor is een bachelor, of je nu een goede student bent of een wat mindere. Je haalt het of je haalt het niet. Er zijn echter best wat studies die heel weinig masteropties hebben. Dan kan er straks een soort pingpongspel ontstaan tussen universiteiten die allebei een student niet willen hebben, terwijl deze gewoon een bachelor heeft afgerond. Dat willen wij voorkomen. Ik snap dat de minister zegt dat het passend moet zijn. Daarom vraag ik nadrukkelijk naar de verwantschap. Je mag verwachten dat je een geijkte vooropleiding als bachelor ook ergens kunt voortzetten als master. Hoe voorkomen wij dat er straks gepingpongd wordt met studenten?

Minister Bussemaker: Nogmaals, ik ben daar niet zo bang voor. Universiteiten zullen toch altijd masters aanbieden. Ze zullen heel getalenteerde studenten wellicht meer keuzemogelijkheden bieden. Universiteiten hebben er zelf belang bij om masteropleidingen te blijven geven en daarvoor studenten te krijgen. Wij blijven dit wel monitoren. Als blijkt dat studenten zich niet kunnen inschrijven voor een master, kan ik ingrijpen. Natuurlijk is dat een heel zware maatregel en doe ik dat liever niet, maar wij hebben deze maatregel wel. Als ergens een systeemfout blijkt te zitten die niet terug te voeren is op keuzegedrag of studieresultaten maar op gebrek aan de mogelijkheid om een master te volgen, dan hebben wij een haakje in de wet om daarin in te grijpen. De monitor wordt uitgewerkt. Daarin gaan wij ook bekijken of studenten zich al dan niet makkelijk kunnen inschrijven voor een master. Wij bekijken of dat terug te voeren is op keuzegedrag of studieresultaten van individuele studenten dan wel op een structureel probleem. Mocht het dat laatste zijn, dan zullen wij gebruikmaken van de bepaling om in te kunnen grijpen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik voorzie dat de bewijslast bij de individuele student wordt gelegd. Ik geloof niet dat wij hierover veel overeenstemming zullen bereiken. Ik denk dat ik een amendement ga indienen waarmee ik in de wet de garantie vastleg dat er bij een verwante bachelor recht op een master bestaat.

Minister Bussemaker: Ik ben geneigd om een tegenvraag te stellen. Waarop baseert mevrouw Schouten de angst dat er geen verwante masteropleiding zal zijn? Juist ook in de profileringsafspraken die wij maken, hebben universiteiten er belang bij om verwante masters te maken op terreinen waarop zij bachelors aanbieden. Zij overleggen hierover goed met elkaar om niet allemaal hetzelfde te doen. Overigens is het aan universiteiten om te bepalen wat verwant is. Ook dat is dus geen enge, maar een brede definitie. Wij kunnen wel alles willen regelen, maar ik zie geen aanleiding om dit helemaal dicht te regelen. Ik voorzie niet dat er problemen zullen ontstaan op dit gebied. Als die wel ontstaan, kunnen wij ingrijpen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Wij kunnen over en weer vragen blijven stellen, maar als de minister geen probleem voorziet, zou zij ook niet bang moeten zijn om dit gewoon in de wet te regelen voor het geval er wel een lastige casus ontstaat. Op dit moment is dat misschien niet het geval, maar deze wet gaat hopelijk langer mee dan een paar weken. Ik wil de garantie hebben dat er geen pingpongspel met studenten ontstaat.

Minister Bussemaker: Mijn vraag blijft wat wij dan precies willen regelen. Volgens mij regelt mevrouw Schouten met zo'n amendement gewoon weer de doorstroommaster, terwijl wij net bedacht hadden dat die niet ideaal was. Ik wil best naar een andere manier kijken, maar ik vertrouw erop dat de sector dit goed aankan. Ik zie hoe hogescholen en universiteiten onderling afspraken maken. Als het moet, kan ik bovendien ingrijpen. Wij hebben meer aan de huidige voorstellen dan aan een terugkeer naar de oude doorstroommaster.

De voorzitter: Ik heb een procedureel punt. Wij zijn ruim een uur verder, maar hebben nog niet eens een blokje afgerond. Ik vraag de leden om kortere interrupties te doen en ik vraag de minister om haar antwoorden iets te bekorten, als dat lukt.

Minister Bussemaker: De heer Klaver vroeg nog naar meer instroommomenten in de doorstroommaster. Het merendeel van de universiteiten werkt aan meerdere instroommomenten per collegejaar. Tegelijk zijn er masteropleidingen met meerdere instroommomenten. De Kamer is hierover eind augustus vorig jaar geïnformeerd, naar aanleiding van het inspectierapport Eerst je bachelor, dan je master.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik weet dat hieraan wordt gewerkt en dat het op sommige plekken mogelijk is. Ik vroeg naar de huidige stand van zaken. In hoeverre is dit gerealiseerd voor het komende studiejaar?

Minister Bussemaker: Dat weet ik niet uit mijn hoofd. Ik kan daarop terugkomen in tweede termijn. Voor zover ik weet zijn er geen signalen dat dit helemaal niet goed zou lopen en heeft die lijn zich doorgezet. Ik kom daar in tweede termijn of zo dadelijk aan het eind van mijn eerste termijn nog even op terug.

Voorts heeft de heer Klaver gevraagd hoeveel studenten te maken krijgen met de strengere toelatingseisen voor hbo-propedeusestudenten. Dat zijn er zo'n 1.500 à 2.000 per jaar in de huidige situatie. De verwachting is dat de meesten in de toekomst de route via het vwo zullen kiezen of na de hbo-bachelor doorstromen naar een wo-master. Ook hiervoor geldt overigens dat het mijn vaste overtuiging is dat we studenten hiermee helpen. Als uiteindelijk namelijk heel veel studenten mislukken, bewijzen we ze daar ook geen dienst mee.

De heer Van Dijk heeft gevraagd naar de zinsnede in het regeerakkoord over de selectie. In het regeerakkoord staat dat de toelating tot het hoger onderwijs plaatsvindt op basis van een daarvoor kwalificerend diploma. Selectie aan de poort blijft natuurlijk bestaan voor university colleges, studies waar het aantal aanmeldingen het aantal opleidingseisen overstijgt en opleidingen met bijzondere toelatingseisen zoals de kunsten. Het gaat in het regeerakkoord dus om de toelating tot het hoger onderwijs, en niet om de doorstroming binnen het hoger onderwijs. De selectie voor de masterfase is niet nieuw, want het is altijd al mogelijk geweest voor masters die geen doorstroommaster waren. Kortom: daar verandert het regeerakkoord niets aan.

De heer Duisenberg vroeg nog naar het verankeren van goede studievoorlichting. Ik weet dat de motie van mevrouw Lucas (31 288, nr. 245) is aangenomen. Ik weet ook dat toenmalige staatssecretaris in reactie op die motie heeft aangegeven dat wettelijke explicitering niet de voorkeur zou verdienen en dat het in eerste instantie aan de betrokken koepels voor hoger onderwijs en aan de studentenorganisaties is om dat te regelen. Daarover ben ik het eens met mijn voorganger. In de wet staat namelijk al dat men adequate voorlichting moet geven. Ik wil de instellingen ook de kans bieden om dat zelf te regelen. Dan kunnen we altijd nog verder zien. Maar aangezien wij het wat bepalen en instellingen het hoe vind ik het niet wenselijk om meer dan nodig juridisch vast te leggen. Daarmee ben ik aan het eind gekomen van mijn eerste blokje.

Het tweede blokje heeft als thema «differentiëren». Ik begin met de Associate degree, de Ad; daar is een aantal vragen over gesteld. De SGP en de ChristenUnie vragen naar de eigenstandige positie van de Ad. D66 vraagt eigenlijk hetzelfde: hoe zorgen we voor het eigen karakter daarvan? Ik denk dat de Ad na de succesvolle pilotfase nu structureel een plek kan krijgen. Dat past ook bij de Veermanagenda, omdat we daarmee het gat vullen in het kwalificatieraamwerk tussen de niveaus 4 en 6. Dit gebeurt ook in nauwe samenwerking met werkgevers. Dat moet ook, omdat het van belang is dat mensen daarna een duidelijk beroepsprofiel hebben.

Het werkveld geeft ook aan behoefte te hebben aan Ad'ers; dat is ook naar buiten gebracht op de topsectorenbijeenkomsten. Ik denk dat een Associate degree vooral interessant is voor werkenden die zich willen bijscholen en voor afgestudeerden op mbo-4-niveau, die nog meer willen maar niet direct voor een heel nieuwe opleiding willen kiezen en geen langdurige hbo-bachelor willen volgen. Het kan namelijk met meer flexibiliteit en met een betere aansluiting op het onderwijs en de arbeidsmarkt. De samenwerking is dus intensief, ook tussen een hogeschool en een bve-instelling. Het diploma, zo zeg ik de heer Beertema, moet uiteindelijk door de hbo-instelling gegeven worden. Daar wil ik niet aan tornen. Ik vind het niet wenselijk als alle hbo-instellingen nu Associate degrees gaan aanbieden. Laat sommige zich specialiseren in de samenhang met het mbo en de Associate degree. Laat andere zich profileren door de samenhang met een universiteit en bijvoorbeeld driejarige vwo-masters, maar biedt de gelegenheid om dit te doen. Wij hebben nu een landelijk platform voor Associate degrees, waar alle kennis vertegenwoordigd is. Ik denk dat dit goed loopt.

De heer Van Meenen vroeg hoeveel programma's het moeten zijn. Dat hangt er vanaf, zolang het maar gebaseerd is op de behoefte van het werkveld en het nieuwe scholingsniveau. Ik weet uit ervaring dat het nog best ingewikkeld is af en toe, want landelijk heb je soms hele lijstjes met welke beroepsgroepen of categorieën een Ad zouden moeten hebben. Je moet het echter vooral op regionale basis doen, ook omdat je het samen doet met het mbo. Het hangt dus ook heel erg van de regionale infrastructuren af waar die Ad's zullen plaatsvinden, maar met name de NRTO, nog meer eigenlijk dan de HBO-raad, heeft aangegeven om fors te willen investeren in de samenwerking met de werkgevers in de Ad's.

De heer Duisenberg (VVD): De wo-bachelor wordt door werkgevers niet als een zelfstandig uitstroomprofiel gezien. In Nederland wordt standaard aangenomen dat je, als je een bachelor van het wo hebt, nog niet echt een studie hebt afgerond. Eigenlijk ben je pas klaar met je studie als je ook de master hebt gedaan. Een van onze doelstellingen is dat ook de wo-bachelor meer als een echt zelfstandige uitstroomtitel wordt gezien. Ik heb dus een soortgelijke vraag als bij de Associate degree. Is de minister het met mij eens dat de bachelor een zelfstandig uitstroomprofiel moet kunnen zijn? Ziet zij specifieke stappen, wellicht met werkgevers, voor zich om de wo-bachelor zelfstandiger vorm te geven?

Minister Bussemaker: Ik ben het eigenlijk wel met de heer Duisenberg eens, maar ik kan hem daarover niet meer zeggen dan dat ik bereid ben om daarover overleg te voeren met werkgevers. Anders dan in andere landen zijn wij in Nederland inderdaad geneigd om een wetenschappelijke opleiding pas afgerond te vinden na het behalen van de master, terwijl je natuurlijk ook met een bachelor goed de arbeidsmarkt op zou moeten kunnen. Ik zeg er tegelijkertijd bij dat wetenschappelijk onderwijs natuurlijk veel minder dan bijvoorbeeld het mbo een op de arbeidsmarkt gerichte opleiding is, omdat daarmee verwacht wordt dat je een algemeen academisch vormende opleiding hebt gehad. Daarmee kun je overigens veel kanten op. Met name bij academische opleidingen komen afgestudeerden vaak na korte of langere tijd in een heel ander beroep terecht dan waar ze voor opgeleid zijn.

De heer Beertema (PVV): Ik heb in mijn eerste termijn aangegeven dat ik de indruk heb – daarop heeft de minister nog niet geantwoord – dat de hbo-instellingen en in mindere mate de roc's, de bve-sector dus, tot nu toe te weinig initiatieven hebben getoond om de Ad-opleidingen goed gestalte te geven. Ik heb dat ook gezegd omdat het me bevreemdt dat 32 opleidingen van de private aanbieders in de, naar ik meen, derde ronde gehonoreerd zijn en slechts één vanuit het bekostigd onderwijs. Hoe staat de minister tegenover mijn indruk? Klopt het dat het allemaal toch wat moeizaam gaat in het bekostigd onderwijs en dat het onbekostigd onderwijs zich daarop met veel meer enthousiasme richt of spelen er allerlei dingen in de bekostigde sector die zich aan mijn blik onttrekken?

Minister Bussemaker: Ik ben dat niet echt eens met de heer Beertema. De bekostigde instellingen hebben veel meer vooropgelopen. Je zou dus kunnen zeggen dat we nu te maken hebben met een inhaalslag van het private onderwijs, van het onbekostigde onderwijs. Ik heb er overigens ook geen bezwaar tegen als het voor een deel onbekostigd onderwijs is, want ook dat is heel goed in staat om de samenwerking met werkgevers te zoeken. Ik constateer wel dat er verschil is tussen hogescholen. De ene wil juist wel de link met mbo en met Ad's. Hogeschool Rotterdam is daar heel actief in. Hogeschool Utrecht zoekt meer de samenwerking en de samenhang met de universiteit en gaat iets minder doen aan die Associate degrees. Volgens mij past het perfect in de hele profilering die wij willen. Het aantal Ad's bij de publiek bekostigde instellingen is nog veel groter dan bij de onbekostigde instellingen. Laten wij het dus vooral niet overdrijven.

De heer Beertema (PVV): Uw conclusie is dat de spreiding van Ad-opleidingen over het land in orde is en dat het goed gaat komen.

Minister Bussemaker: Waar er ook belangstelling bij werkgevers is, zijn ze er. Er valt echter ook nog wel wat te verbeteren. Misschien kan ik dat het best illustreren aan de hand van mijn eigen ervaringen. Ik heb indertijd de werkgevers in de regio Amsterdam gevraagd welke Ad's zij zouden willen. Zij wilden er eigenlijk geen een. Dat vind ik nog steeds verbazingwekkend. Ik denk dat zij, als ik over twee jaar terugkom, zeggen dat zij er eigenlijk wel een paar hadden willen hebben. Het is dus ook een kwestie van gewenning aan iets wat zich de komende jaren zal ontwikkelen. De vraag is alleen wel of je alle opleidingen en dezelfde opleidingen in alle regio's wilt hebben. Ik denk dat men in Amsterdam iets wil wat met Schiphol en vliegtuigbouw te maken heeft, terwijl men in Rotterdam iets met de haven wil en men in Eindhoven iets met hightech wil. Laten wij dat vooral zo organiseren, zodat wij ook niet iedereen in dezelfde mal drukken.

De heer Beertema (PVV): Maar u bevestigt dat de spreiding over het land voor al die jongens en meiden die dat zouden willen, in orde is? Amsterdam is dan enigszins uitzonderlijk, begrijp ik. Rotterdam doet het beter; dat doet mij een groot plezier. Daar gaat het mij even om. Is de spreiding gegarandeerd goed?

Minister Bussemaker: Die kan te maken hebben met de behoefte in de regio zelf. Een regio heeft misschien meer hbo'ers en wo'ers nodig. Het hangt ook af van de regionale ontwikkeling. Het is een opleidingsniveau in ontwikkeling en dat is nu nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Daarom heb ik er vertrouwen in dat de een, en dat kan een sector zijn of een regio zijn, wat meer voorloopt. Ik denk, zeker als wij de Ad's in de wet implementeren, dat de huidige situatie niet een eindsituatie zal zijn. Ik wil de Kamer graag op een ander moment eens informeren over de wijze waarop de Ad's nu gespreid zijn over de regio's. Ik zoek dan even een moment waarop wij dat kunnen meenemen in een bredere brief.

De heer Klaver (GroenLinks): Die laatste toezegging was een vraag die ik aan de minister had, of zij daartoe bereid was. Kan zij daarbij dan ook ingaan op de verschillende vragen van de regio's? De minister geeft terecht aan dat het aantal Ad's dat per regio wordt aangeboden, kan verschillen. Sterker nog, het is heel goed als dat verschilt. Ik ben heel erg benieuwd of het aansluit bij wat bijvoorbeeld werkgevers in een regio vragen. Als de minister er toch op terugkomt, is het dan mogelijk om inzicht te geven of het contact tussen de werkgevers en de opleidingen goed is?

Minister Bussemaker: Ik heb net een brief over macrodoelmatigheid in het mbo gestuurd. Als daarop een vervolg komt, laat ik het dan daarin meenemen. Het gaat namelijk over de regionale afstemming.

De heer Klaver (GroenLinks): Als daarop een vervolg komt, is dat dan volgend voorjaar of ...?

Minister Bussemaker: Nee, dat is eerder. Ik wil even een moment zoeken, zodat de Kamer niet allerlei losse brieven krijgt. Ik wil het gewoon ergens in meenemen. Het kan in een ho-brief, of in de vervolgbrief over macrodoelmatigheid in het hbo.

De heer Klaver (GroenLinks): Het zou fijn zijn als het voor de begrotingsbehandeling gebeurt.

Minister Bussemaker: Laat ik dat in ieder geval beloven.

Ik ga over naar de driejarige hbo-trajecten voor vwo'ers. Ik ben blij dat de Kamer er enthousiast op reageert, want ik vind het zelf heel belangrijk dat ze er komen. Het is heel zorgelijk dat er steeds minder vwo'ers naar de hbo-instellingen gaan. Het aantal is enorm gedaald, ongeveer gehalveerd in de afgelopen vijftien jaar, terwijl wij weten dat veel vwo'ers zonder meer naar een universitaire studie doorgaan die bij nader inzien beter af zouden zijn met een meer beroepsgerichte praktijkopleiding. Wij weten dat het aantal vwo'ers sterk gedaald is, terwijl grofweg een op de vijf vwo'ers die naar het wo gaan het beroepsgerichtere karakter aantrekkelijker vindt. Dat is een behoorlijk groot percentage. Wij willen het hbo aantrekkelijker maken door driejarige trajecten. Je kunt havo doen en hbo; dan heb je vijf plus vier. Je kunt ook vwo doen plus een driejarig traject; dat is zes plus drie. Eigenlijk heb je dan in een andere som hetzelfde aantal opleidingsjaren gehad. Ik constateer dat flink wat instellingen dat in de prestatieafspraken hebben opgenomen: gelukkig sommige Ad's en andere driejarige trajecten. Dat is ook precies de bedoeling.

Hoe kunnen wij dat het beste vormgeven? De meeste vragen en ondertussen ook een amendement gaan over de 240 versus 180 studiepunten. Voor beide opties is iets te zeggen. In beide gevallen doorlopen vwo'ers een traject met dezelfde eindtermen als de reguliere opleiding waaronder het traject valt. Vwo'ers doorlopen dat in drie jaar, waarbij een vwo'er in een studiejaar hetzelfde aantal uren studeert als een reguliere student, namelijk 1.680 uur. Vwo'ers doorlopen de opleiding dus sneller. Dat kan, omdat zij vrijstellingen krijgen, omdat zij het niveau van bepaalde vakken al tijdens het vwo hebben gehad en omdat zij bepaalde vakken sneller kunnen doorlopen. Het kost vwo'ers ook minder tijd om bepaalde stof tot zich te nemen of een onderzoeksopzet op te schrijven. Vakken worden bovendien anders aangeboden. Starten kan op een hoger ingangsniveau en kan ook didactisch anders worden vormgegeven, omdat zij al die zes jaar achter de rug hebben. Ik heb oorspronkelijk gekozen voor die 240 studiepunten in drie jaar. Dat heeft met name voordelen als je naar het stelsel kijkt. Als het vwo-traject 240 studiepunten omvat, is het evident dat hetzelfde niveau wordt bereikt als in het reguliere traject. Ook voor de maatschappij is een hbo-opleiding van 240 punten herkenbaar. Het voorkomt mogelijke vragen of het traject eigenlijk wel hetzelfde eindniveau heeft. Die vraag zou je kunnen krijgen met 180 studiepunten. Ook is het procedureel eenvoudiger vorm te geven.

Ik erken dat er ook iets te zeggen valt voor 180 punten, maar dan meer vanuit een onderwijskundige overweging. Daarmee breng je tot uitdrukking dat vwo'ers gelet op hun vooropleiding al meer kennis hebben en dus kunnen volstaan met een studielast van 180 studiepunten. Als wij voor dit laatste kiezen, stel ik wel voor het vwo-traject niet als een nieuwe opleiding te positioneren, maar als een traject van 180 punten binnen de reguliere opleiding van 240 studiepunten. Op die manier kan de kwaliteit van het traject goed worden geborgd zonder dat er nieuwe lasten voor een aparte accreditatie bijkomen. Dat wil ik wel vermijden. Daarmee zeg ik direct dat ik het oordeel over dat amendement aan de Kamer laat. Het hangt een beetje van de gekozen invalshoek af, maar voor beide, 240 of 180 punten, valt iets te zeggen.

De heer Rog vroeg nog naar de aantrekkelijkheid van het versnelde traject. Wij weten van de studenten dat er behoefte is aan een versneld traject. Ik verwijs nog maar een keer naar het aantal studenten dat snel afneemt dat een vwo-diploma heeft en dat vroeger naar het hbo ging. Dat gebeurt nu niet meer. ResearchNed heeft in 2011 onderzoek gedaan onder ruim 5.300 eerstejaarsstudenten en 1.400 leerlingen uit 5 en 6 vwo. Daaruit kwamen twee aanbevelingen voort: zet in op versnelde trajecten en op excellentietrajecten om het hbo voor vwo'ers aantrekkelijker te maken.

De heer Van Meenen vroeg naar de bezwaren tegen het van meet af aan vastleggen van de vorm waarin de opleiding wordt aangeboden. Hij sloot aan bij de heer Bisschop, die vragen had over deeltijdopleidingen. Met die deeltijdopleidingen zijn we voortvarend bezig. De commissie onder voorzitterschap van de heer Rinnooy Kan praat met de koepels over het deeltijdonderwijs opdat dit zo goed mogelijk vormgegeven kan worden. Wat betreft het vastleggen van de vorm is het nu zo dat een instelling die een licentie heeft voor een opleiding, die opleiding kan aanbieden in alle mogelijke vormen, maar het nadeel ervan is dat bij de beoordeling van nieuwe opleidingen niet gekeken wordt naar de vorm waarin bestaande opleidingen worden aangeboden. Daarmee kan het gebeuren dat een instelling geen licentie krijgt voor een nieuwe opleiding die zij op de doelgroep van deeltijdstudenten wil richten omdat er al te veel voltijdaanbod is. Welnu, dat willen we wat soepeler maken in het kader van macrodoelmatigheid. Dat doen we door de vorm waarin de instelling de opleiding wil gaan aanbieden, mee te wegen bij de macrodoelmatigheidstoetsing. Dat betekent dat de minister aan een instelling een licentie kan geven voor slechts één vorm, zoals deeltijd, bijvoorbeeld omdat er al voldoende voltijdaanbod is. Met het voorliggende wetsvoorstel behouden we het voordeel van een maximale vrijheid voor instellingen, terwijl we anderzijds het nadeel van die vrijheid wegnemen.

De heer Bisschop heeft in het kader van macrodoelmatigheid gevraagd naar de kleine opleidingen. Volgens mij heb ik daar in een eerder debat al het nodige over gezegd. Natuurlijk moeten er ook opleidingen zijn met weinig studenten, maar we moeten dat niet al te stringent vanaf hier vastleggen, want het is vooral iets wat instellingen zelf moeten doen. Eerder hebben we in het kader van kleine talen al gezegd dat die op een andere manier vorm kunnen krijgen, in de zin dat je dat bijvoorbeeld inbedt in een opleiding Europese taal en cultuur. Mijns inziens past dit alles heel goed in een macrodoelmatig aanbod.

Hiermee ben ik aan het eind gekomen van dit blokje.

De voorzitter: Voordat u verdergaat met het volgende blokje, even het volgende. Ik treed vandaag op als invalvoorzitter en helaas moet ik nu zelf naar een andere verplichting. Ik heb de heer Mohandis echter bereid gevonden om het laatste uur van deze vergadering de honneurs als voorzitter waar te nemen, waarvoor dank.

Voorzitter: Mohandis

Minister Bussemaker: Voorzitter. Vervolgens ga ik in op een aantal financiële maatregelen. Dat betreft allereerst de collegegelddifferentiatie. Volgens mij zijn we er het met elkaar over eens dat we meer excellent en uitdagend onderwijs willen. Collegegelddifferentiatie kan helpen om excellentie te stimuleren, dit wel binnen de afspraken van het regeerakkoord waardoor er dus grenzen aan zitten. Bij bepaalde opleidingen voor excellente studenten kan het ook extra kosten met zich mee brengen, bijvoorbeeld kleinschalige en intensieve onderwijsconcepten, meerdere betrokken tophoogleraren die wellicht uit de hele wereld moeten komen, bijzonder dure apparatuur of een combinatie daarvan. De vraag is nu of dat gerechtvaardigd is en zo ja, wanneer. Ik zeg er gelijk bij dat collegegelddifferentiatie geen doel op zich is maar dat die wel als middel kan functioneren om excellentie te bevorderen. Het mag ook nooit zo zijn dat er voor al het excellent onderwijs extra betaald moeten worden. Daarom heb ik er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om dat niet bij honourstracks in de reguliere programma's te doen. Wij hebben gezegd dat wij dit heel voorzichtig en heel beperkt doen bij de opleidingen die door de NVAO als excellent zijn beoordeeld. Daar hebben wij dus een objectieve maatstaf voor. Een instelling kan niet zeggen: al mijn opleidingen zijn excellent, dus nu ga ik maar extra collegegeld vragen. Dat kan alleen als de NVAO die opleiding excellent heeft genoemd.

Daarnaast mag de toegankelijkheid niet in het geding zijn. Daarom is toestemming van de minister nodig. Ik zal alleen verzoeken om goedkeuring van collegegelddifferentiatie in behandeling nemen als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarde is: geen unica-opleidingen. Die discussie hebben wij ook gevoerd over het bindend studieadvies in jaar 2. Een andere voorwaarde is: voldoende toegankelijke opleidingen. Ik vind dat er binnen een discipline en vakgebied altijd een opleiding moet zijn zonder collegegelddifferentiatie, zodat de student de keuze heeft. Ook hier is er een link met het bindend studieadvies. Verder moet er een beroep op collegegeldkrediet worden gedaan. De studenten moeten een beroep kunnen doen op het collegegeldkrediet voor de betaling van het hogere collegegeld. Daarnaast mag het hogere collegegeld niet meer dan vijfmaal het wettelijke collegegeld zijn. Daarmee zeg ik dus ook tegen mevrouw Schouten dat niet het geld, maar het talent leidend moet zijn. Studenten moeten een beroep kunnen doen op het collegegeldkrediet.

Ik heb al gezegd dat er duidelijkheid moet bestaan over de invulling van het leenstelsel. Ik wil geen collegegelddifferentiatie toestaan zolang de invulling van het leenstelsel nog niet bekend is. Ik vind het andersom ook weer te ver gaan om te wachten op het leenstelsel en de effecten daarvan. Als wij de contouren en de hoofdlijnen van het leenstelsel hebben bepaald, kunnen wij kijken hoe ver wij kunnen gaan met het toestaan van collegegelddifferentiatie.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik deel de mening van de minister niet, maar dat zal duidelijk zijn. De minister zegt dat de toegankelijkheid in stand moet blijven en dat kan naar haar mening ook met een collegegeldkrediet. Een krediet is een lening. Zij maakt het mogelijk dat het € 9.000 kan kosten. Dat is een hoog bedrag en niet iedereen heeft dat geld of zit op zo'n enorme lening te wachten. De minister zegt dat zij eerst wil kijken hoe het leenstelsel uitpakt voordat zij een besluit neemt. Daarmee erkent zij dus ook dat er een toegankelijkheidsprobleem is. Hoe zal zij dit vastleggen in de wet? Wacht zij tot het allemaal helder is en zal zij dan de excellente opleidingen aanwijzen? Ik wil die garantie graag in de wet gewaarborgd zien. De heer Mohandis heeft hier ook om gevraagd.

Minister Bussemaker: Ik ben het er niet mee eens dat er dan per definitie sprake is van een toegankelijkheidsprobleem. Ik vind wel dat wij de dingen stap voor stap moeten invoeren. Dit kan een stap zijn waarvan je heel goed moet weten wat je doet. Volgens mij zit dit in een Algemene Maatregel van Bestuur, die de ruimte biedt om dit stap voor stap te doen met deze voorwaarden. Daar zit een haakje voor in de wet. Ik heb me vergist, het is een beleidskader. Dit betekent dat nu niet alle onderdelen in de wet worden opgenomen. De uitwerking en fasering ervan kunnen meer op detailniveau worden ingevuld. Ik heb al gezegd hoe ik dat wil doen.

Misschien is het ook goed om aan te geven waar wij het nu eigenlijk over hebben. Hier wordt heel breed gedaan of direct heel het onderwijs onder collegegelddifferentiatie zou vallen en universiteiten dat massaal zullen gaan toepassen. Dat kan helemaal niet. Het moet echt gaan om objectief excellente opleidingen. Ik weet niet of de leden weten hoeveel er daarvan zijn in Nederland. Daar kan nog best een tandje bij, want het gaat om 8 van de 560 accreditaties. Dat betekent dat er vooralsnog een heleboel opleidingen blijven, namelijk 552, waarvoor collegegelddifferentiatie niet mag worden toegepast.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik wil een vervolgvraag stellen. De minister zegt dat helemaal niet zo veel opleidingen dat op dit moment doen, maar het is natuurlijk de vraag waar dit naartoe gaat. Voor mijn buurman, de heer Duisenberg, kan het niet snel genoeg gaan; die zegt dat er nog veel meer moet gebeuren, dat dit bij honourstrajecten moet gebeuren, dat collegegelddifferentiatie eigenlijk een soort standaard moet worden. Verschillende beoordelingen geven aan opleidingen, dat is namelijk ook een VVD-plannetje. Als je dat etiket «excellentie» gaat toepassen...

De heer Duisenberg (VVD): Ja, «excellentie»; dat klopt.

De heer Jasper van Dijk (SP): Inderdaad. En «matig» voor opleidingen, en vieren die mogen worden gecompenseerd met achten; dat zijn allemaal VVD-plannetjes. Zo daag je opleidingen uit om te gaan excelleren. Het is een wens van de coalitie dat we veel meer van dat soort opleidingen krijgen. De minister kan dit helemaal niet uitsluiten. Het enige wat zij zegt is dat zij daarvoor zelf toestemming wil geven. Dat wordt gedaan via een beleidskader. We moeten dus wachten totdat het leenstelsel komt en daarvoor genoeg borging is. De minister zegt dat dit geen aantasting van de toegankelijkheid zal zijn. Wat zijn precies haar criteria? Ik vind dat namelijk een aantasting van de toegankelijkheid.

Minister Bussemaker: Ik zeg nogmaals dat dit naar mijn idee niet het geval is, zolang je een heleboel opleidingen houdt, ook vergelijkbare opleidingen, waarvoor dit niet geldt. Dit kan alleen voor een zeer beperkt aantal opleidingen gelden, die waarschijnlijk extra kosten zullen meebrengen, bijvoorbeeld omdat daarvoor veel internationale hoogleraren worden aangetrokken of omdat er heel dure apparatuur voor nodig is. Je moet dit dus zeer beperkt doen en bekijken wat de uitwerking is. Dat is precies wat wij hier doen. Als dit alleen kan met de goedkeuring van de minister, kunnen wij heel goed de vinger aan de pols houden en bekijken wat de uitwerking ervan is. Wij kunnen zo ook voldoen aan de wens van de universiteiten, zonder dat wij de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar brengen. Als ik kijk naar hoe het Nederlandse onderwijs zich verhoudt tot het onderwijs in de rest van de wereld, hoef ik echt geen Amerikaanse toestanden, maar een heel klein beetje meer differentiatie en ruimte voor excellente studenten zou toch echt geen kwaad kunnen.

De heer Van Meenen (D66): Even heel precies nu. Als ik de minister goed heb verstaan, zegt zij dat er pas sprake van collegegelddifferentiatie kan zijn als de opleiding excellent is. Dat betekent dat zo'n opleiding er zonder collegegelddifferentiatie in is geslaagd om excellent te worden. Wat is dan nog de reden om collegegelddifferentiatie toe te passen?

Minister Bussemaker: Omdat de instelling misschien wel heel veel heeft moeten investeren; veel meer dan normaal voor een opleiding. Ze wil zich daarmee profileren, omdat ze de top van Nederland, van Europa en misschien zelfs van de wereld op dat gebied wil zijn, en bereid is om daarvoor eerst extra te investeren. Ze moet er dan wel voor zorgen dat ze dat kan blijven doen. Als ze dat niet zo doet, zou ze zo'n enorme aantrekkingskracht op studenten kunnen hebben, dat ze dat excellentieniveau niet meer kan waarborgen. Er kan dus extra betaling worden gevraagd om tegemoet te komen aan de extra investering die het de opleiding kost om excellent te zijn.

De heer Van Meenen (D66): Zou het dan niet beter en ook fairder zijn als de overheid, en u in uw rol als minister, die differentiatie toepaste in de bekostiging? De opleidingen die erin slagen om excellent te worden, gaat u dan extra bekostigen, in plaats van dat u hun nu de gelegenheid geeft om de rekening daarvoor bij de studenten neer te leggen. Het is voor de overheid toch wel heel goedkoop om het op die manier te doen?

Minister Bussemaker: Ik denk dat we hiermee een begin kunnen maken. Nogmaals, hiervoor komen acht opleidingen in aanmerking. De instellingen zijn niet verplicht om dit te doen. Ik wil wel weten wat het effect daarvan is, ook op de cultuur onder studenten. Met het leenstelsel doen we natuurlijk ook zoiets: zelf investeren en bijdragen, en daar wat voor terugkrijgen. Ik vind dat niet verkeerd. Een van de redenen waarom ik dat leenstelsel graag wil, is overigens dat we daardoor een groot deel van wat we nu betalen aan levensonderhoud, zouden kunnen investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Dit soort excellent onderwijs zou een van de meer aantrekkelijke elementen zijn waarvoor we die middelen uiteindelijk heel goed voor het gehele onderwijs zouden kunnen gebruiken.

De voorzitter: Mijnheer Van Meenen, ik sta geen interruptie meer toe van uw kant, want dat zou niet eerlijk zijn voor de heer Van Dijk.

De heer Van Meenen (D66): Het scheelt een heleboel discussie als ik nog één vraag mag stellen.

De voorzitter: We zitten met de tijd. Anderen willen ook interrumperen. Ik wil u best meer tijd geven, maar dan gaan wij door en kijken wij hoe ver wij vanavond komen. Dan gun ik nog wat extra vragen aan iedereen. Wij hebben echt nog heel wat blokjes te gaan. Uw collega's willen ook interrumperen. Ik ben ook consequent geweest tegen de heer Van Dijk.

De heer Van Meenen (D66): Goed. Ondertussen had ik die vraag kunnen stellen, maar goed.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): De minister stelt dat de financiën niet de drempel vormen om dit excellent onderwijs te gaan volgen. Zij wijst daarbij op het collegegeldkrediet. Het kan dus gebeuren dat een student te maken heeft met een sociaal leenstelsel met daaroverheen nog eens een collegegeldkrediet. Waarop baseert de minister de stelling dat daarmee de toegankelijkheid niet hoeft te worden aangetast, terwijl er nu al discussie is over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs door invoering van het leenstelsel?

Minister Bussemaker: Ik ben niet zo bang als u wellicht bent dat het leenstelsel die toegankelijkheid bedreigt. Het is namelijk een sociaal leenstelsel. Wat wij vragen van studenten is alleszins redelijk. Zij gaan meer verdienen dan mbo'ers en kunnen die lening onder heel redelijke sociale voorwaarden terugbetalen. Ik weet dat u daarover anders denkt. Dat zij zo. Ik zie die link niet. Ik vind alleen wel dat wij moeten nadenken over een nette invoering. Ik heb daarom gezegd dat ik hiermee pas wil beginnen als er helderheid en duidelijkheid is over de wijze waarop het leenstelsel wordt ingevoerd. Ik zeg nogmaals dat ik niet één waarborg heb ingebouwd, maar een heleboel. Het mag niet voor unica-opleidingen. Een student kan nooit verplicht worden om een extra bijdrage te betalen omdat er in Nederland geen andere studie zou zijn, die met het reguliere collegegeld kan worden gevolgd. Ik geef verder aan dat er voldoende toegankelijke instellingen moeten zijn. Daarmee zijn een heleboel waarborgen gecreëerd voor de toegankelijkheid, nog even los van het leenstelsel dat de toegang als zodanig niet bedreigt. Met deze waarborgen kan geëxperimenteerd worden met collegegelddifferentiatie voor een zeer, zeer, zeer beperkt aantal opleidingen op grond van objectieve criteria. Daarmee blijven wij ook internationaal een beetje in de pas lopen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik heb in mijn betoog aangegeven dat ik er op zich niets op tegen heb om voor een excellente opleiding wat meer te vragen. Dat uitgangspunt deel ik met de minister. Het gaat om de maatvoering: vijf keer het wettelijk collegegeld. Die vijf keer lijkt mij al tamelijk arbitrair. Is de minister bereid om enig inzicht te geven, bijvoorbeeld aan de hand van het onderzoek dat nu al loopt naar het leenstelsel, welk effect vijf keer het wettelijk collegegeld kan hebben op de toegankelijkheid van de excellente opleidingen voor mensen die sociaalmaatschappelijk in een wat minder goede positie zitten?

Minister Bussemaker: Nee, want die toegankelijkheid is gewaarborgd. Er moeten immers altijd opleidingen zijn waarvoor dat niet geldt. Ik zeg daar nadrukkelijk bij dat in de wet komt te staan dat het niet meer dan vijfmaal het wettelijk collegegeld kan zijn. Universiteiten snijden zichzelf in de vingers als zij meer vragen dan wat de studenten van waarde achten voor die opleiding. Dat kan inderdaad oplopen tot een zeer fors bedrag. Ik ga er overigens van uit dat de meeste universiteiten zo verstandig zijn om een bedrag te kiezen dat past bij wat de opleiding biedt en niet zomaar voor excellente opleidingen het maximale binnen zullen willen halen. Ik geloof niet dat er veel redenen zijn om dat te denken.

De heer Duisenberg (VVD): Het was wellicht al opgevallen: ik kom juist van de andere kant wat betreft de collegegelddifferentiatie. Zeker als ik nu hoor dat u zegt dat deze zeer, zeer, zeer beperkt toepasbaar is, namelijk bij acht opleidingen, dan gebeurt er dus feitelijk nauwelijks iets. Ik maak mij zorgen om al die andere excellente programma's. In Utrecht hebben wij voorbeelden gehoord van alle honours tracks daar. Bij de UvA zijn er ook meerdere. Ik sla er een open en dan kom ik bijvoorbeeld bij exacte wetenschappen allemaal verdiepingsopleidingen tegen op het gebied van wiskunde. Ik zie atomen in wisselwerking met licht, moderne sterrenkunde, energie en klimaat; allemaal verdiepingen voor ambitieuze studenten. Als ik dan kijk in de prestatieafspraken die de UvA heeft gemaakt, zie ik ook iets wat mij heel erg blij maakt. Een van de dingen die de instelling toezegt – wat wel degelijk een kwaliteitsding is en geen kwantiteitsding, dat ben ik helemaal met u eens – is het volgende: aan elke excellente bachelorstudent – de definitie daarvan is: ingestroomd met minstens een 8 als gemiddeld eindexamencijfer of zestig EC gehaald met gemiddeld een 7,5 – wordt een plaats in een honourstraject of ander excellentieprogramma aangeboden. Dat zijn ambities waar ik heel blij van word, maar waarbij ik meteen ook heel veel zorgen heb, als wij daar niets tegenover stellen en als wij niet iets van collegegelddifferentiatie in rekening kunnen brengen. Dat is ons vrijdag ook te verstaan gegeven in Utrecht: wij zijn goed bezig hier, maar wij zouden nog veel meer willen doen. Mijn vraag is, of u kunt reageren op deze zorg, aangezien de differentiatie niet in het voorstel zit. Hebt u daarover gesproken met de VSNU, in de trant van: het komt allemaal goed en wij gaan met volle kracht vooruit met al deze ambities?

Minister Bussemaker: Daarover heb ik zojuist al het nodige gezegd. Volgens mij is het gezien de tijd niet erg behulpzaam om dat te gaan herhalen. Ik heb gezegd dat ik overall geen reden zie om tot andere afspraken te komen. Als op instellingsniveau, individueel niveau, de prestatieafspraken anders zouden uitkomen op grond van veranderingen die wij aanbrengen, moeten wij voor die specifieke instelling overleggen met de reviewcommissie of dit gevolgen heeft. Ik ben zelf ook heel erg geporteerd van de honours tracks. Ik vind het heel erg goed dat dit gebeurt. Het is een van de redenen waarom het van groot belang is dat wij, bijvoorbeeld met het leenstelsel, meer in dit soort kwaliteit kunnen investeren in plaats van in het levensonderhoud van studenten die later toch een veel hoger inkomen krijgen. Er moet dus een manier zijn om extra middelen te genereren voor het onderwijs. Zolang wij die nog niet hebben, zou ik zeggen: laten wij stap voor stap proberen deze verantwoorde ontwikkeling in te zetten. Als het dan ergens niet goed gaat, hebben wij nog steeds alle middelen om in te grijpen. Waar het wel goed gaat, kunnen wij lessen leren voor de verdere toekomst.

De heer Klaver (GroenLinks): Ik heb twee vragen. In de eerste plaats: ik dacht dat ik de minister hoorde zeggen dat differentiatie pas wordt toegestaan als er duidelijkheid is over het leenstelsel. Ik dacht dat ik dat verstond. Misschien kan de minister toelichten wat zij daarmee bedoelt. Ten tweede: de minister refereerde aan mijn inbreng. Ik heb in mijn eerste termijn aangegeven dat ik een hoger collegegeld gerechtvaardigd vind voor de daadwerkelijk gemaakte kosten. Niet omdat er een soort drempel moet worden opgeworpen om een en ander bijzonderder te maken. Ik heb gehoord van university colleges, waar ze eigenlijk geen extra kosten hoeven te maken om het onderwijs te geven dat zij geven, terwijl er toch een hoger collegegeld wordt gevraagd. Ik heb op dat punt een amendement ingediend, waarin ik aangeef: maximeren tot twee jaar in plaats van drie. In de tweede plaats, minstens zo belangrijk: zorg ervoor dat alleen daadwerkelijk gemaakte kosten mogen worden doorberekend aan de studenten.

Minister Bussemaker: Ik wil pas gebruikmaken van de mogelijkheid tot collegegelddifferentiatie, die de wet als het goed is straks gaat bevatten, als er duidelijkheid is over het leenstelsel. Ik wil niet steeds opnieuw discussie over toegankelijkheid. Ik heb aangegeven dat ik denk dat het leenstelsel als zodanig geen gevaar oplevert voor de toegankelijkheid, maar dat het ten opzichte van studenten wenselijk is om wel duidelijkheid te hebben; duidelijkheid over de invulling. Dus niet: de wet in werking en vervolgens de effecten ervan bezien.

De tweede vraag vind ik lastig. Ik kom straks nog te spreken over de tweede studies en de bedragen die daarvoor gevraagd worden. Het is vaak heel lastig om die precies te koppelen aan een kostprijs. Immers, ga maar eens na wat de kostprijs precies is. Het moet een redelijke prijs zijn die zich verhoudt tot wat geboden wordt. Dat zit hem ook in de kwaliteit van de opleiding. Wij hebben het maximum op vijf keer vastgesteld. Ik zou twee keer te beperkt vinden. Immers, stel dat je echt een topopleiding hebt waarvoor je én dure apparatuur gebruikt én deskundigen vanuit heel de wereld laat overkomen, dan ga je snel over die twee keer heen. We mogen toch ook wel een klein beetje vertrouwen op de redelijkheid van de bedragen die instellingen zullen vragen. Wij maximeren het om ervoor te zorgen dat het niet volstrekt onredelijk wordt. Je kunt van vijf keer ook vier of zes keer maken. Vijf keer leek mij een redelijk bedrag. Nogmaals, instellingen hoeven dat helemaal niet te vragen. Als ik goedkeuring geef voor collegegelddifferentiatie bij een opleiding, mag u wel van mij vragen om daar met de desbetreffende instelling over te spreken, zodat men niet vanzelfsprekend uitgaat van vijf keer het collegegeld.

De heer Klaver (GroenLinks): Goed dat er pas tot differentiatie wordt overgegaan als het leenstelsel is ingevuld ... pardon, als daarover duidelijkheid bestaat. Wat het vertrouwen in instellingen betreft: volgens mij wordt aan de hand van het collegegeld voor de tweede master duidelijk dat een en ander niet binnen de perken blijft. De minister hanteert het argument dat het lastig is om de kostprijs voor een opleiding in kaart te brengen. Als dat echt zo lastig is, hebben deze onderwijsinstellingen hun zaakjes volgens mij niet op orde. Het moet wel degelijk mogelijk zijn om aan te geven wat een opleiding kost en wat er dus doorberekend moet worden. Als dat niet mogelijk is, hoor ik graag waarin dan het probleem zit.

Minister Bussemaker: Het is best ingewikkeld om de kosten van die ene opleiding te berekenen. Doe je dat met absolute of met relatieve kosten? Een deel van die kosten zal ook gemaakt worden voor een andere, reguliere opleiding. Je weet niet hoeveel studenten je hebt. Kortom, dat heel precies berekenen, werkt niet altijd. Je kunt beter naar de kwaliteit kijken. Ik constateer overigens ook dat heel veel instellingen niet het maximale vragen. Neem de university colleges. Die vragen niet buitensporig veel. Het gaat om bedragen die variëren, maar die neerkomen op ongeveer twee keer het wettelijk collegegeld. Het gaat dan om opleidingen met kleinschalig, intensief en residentieel onderwijs. Dat zijn bedragen die richtinggevend kunnen zijn.

De voorzitter: De minister vervolgt haar betoog.

Minister Bussemaker: Ik geloof dat ik ondertussen heel veel vragen heb beantwoord. De heer Van Meenen vroeg wat er tussentijds verandert. Als een opleiding bij een volgende accreditatie geen excellentie beoordeling meer krijgt, geldt vanaf dat moment: niet langer een collegegelddifferentiatiemogelijkheid. Daarvoor volgden studenten wel een opleiding met de kwalificatie «excellent». In die zin is er geen reden om geld terug te geven voor eerder betaalde collegegelddifferentiatie. Wel kan ik mij voorstellen dat het bedrag boven het wettelijk collegegeld wordt terugbetaald over het studiejaar waarin heraccreditatie plaatsvindt. Dat zou ik redelijk vinden als de opleiding daarna niet meer de waardering «excellent» zou krijgen.

Er is een aantal vragen gesteld over schakelprogramma's. Naar mijn mening blijft het van groot belang dat studenten kunnen doorstromen en dat er schakelprogramma's zijn. De hoofdvraag die gesteld werd, is of dit bij 30 studiepunten moet of bij een ander aantal, bijvoorbeeld bij 60. Ik geef toe dat je erover kunt discussiëren of het aantal van 30 studiepunten arbitrair is. Uiteindelijk is het naar mijn idee toch wel redelijk.

Daaraan voeg ik toe dat ik er een groot voorstander van ben dat wij niet alles op schakelprogramma's zetten maar, zoals de heer Klaver aangaf, veel eerder bij de reguliere hbo-bacheloropleiding beginnen, bijvoorbeeld via een minor of een verdiept programma, of misschien al in het tweede jaar beginnen met het voorbereiden van studenten op een mogelijk vervolg bij een wo-opleiding. Als je dat doet, moet je er ook voor zorgen dat het schakelprogramma zo kort mogelijk is. Mijn bezwaar tegen de 60 ECTS is dus dat je eigenlijk weer een heel jaar extra inbouwt voor studenten, terwijl dat naar mijn idee niet hoeft en er daardoor niet meer de prikkel is om het al veel eerder in de bachelor op een hbo in te bouwen.

Ik heb er ook bezwaren tegen uit het oogpunt van wat dit voor de instellingen betekent. Zij krijgen namelijk geen bekostiging voor deze schakelstudenten; ik weet niet of dat bij iedereen echt helder op het netvlies staat. Als je er dan ook nog eens een heel jaar van maakt, betekent het eigenlijk dat de instellingen dat hele schakelprogramma moeten organiseren zonder dat zij er ook maar enige bekostiging voor krijgen. Dat vind ik ook onredelijk. Wat mij betreft is het dus, zeg ik in antwoord op de vraag van de heer Klaver, niet een kwestie van geld, maar misschien wel eerder een kwestie van principe. Een student krijgt geen bekostiging, omdat deze student niet wordt opgeleid tot het behalen van een graad. 30 studiepunten is nu de wettelijke norm en daarboven is het tarief vrij.

De grens van 30 studiepunten dempt ook de stimulans tot het vragen van een forse verhoging boven de 30 studiepunten. Daarover zal immers het gesprek plaatsvinden binnen instellingen en met medezeggenschapsraden. Uiteindelijk kom ik dus uit op het toch redelijke aantal van 30 punten.

De heer Jasper van Dijk (SP): Er spelen hierbij twee discussies, die in feite over hetzelfde gaan. Aan de ene kant is er het enorme collegegeld voor tweede studies en aan de andere kant het risico dat dit ook voor schakeljaren gerekend kan worden. Immers, een schakeljaar wordt door een instelling ook als een tweede studie gezien. De minister zegt terecht dat instellingen daarvoor geen bekostiging krijgen. Zij krijgen ook geen bekostiging voor een tweede master, waarover wij vorige week dat nieuws hoorden. De vraag is wat de minister vindt van de exorbitante bedragen die worden gevraagd, tot en met € 32.000. Moeten wij die niet met zijn allen een halt toeroepen? Moeten wij niet zeggen: dit gaat echt te ver? Iemand zei: dat is gewoon de kostprijs van de studie. Maar dat is raar, want de ene instelling rekent € 3.000 en de andere € 30.000 voor dezelfde studie. Er worden onbegrijpelijke bedragen gevraagd.

De voorzitter: Uw vraag was helder. De minister antwoordt.

Minister Bussemaker: Ik wil hier best nu op ingaan, maar dit is wel een andere discussie. Gevraagd werd waarop de bedragen voor tweede studies gebaseerd zijn en welke lessen wij daaruit zouden kunnen trekken voor schakelprogramma's. Ik wil toch eerst benadrukken dat bij die schakelprogramma's wel meer aan de hand is dan alleen de financiële kwestie, namelijk de vraag hoe deze in het belang van de student het beste georganiseerd kunnen worden, op zodanige wijze dat men een student niet onnodig lang hoeft te laten schakelen. Daarom zeg ik nog maar een keer dat ik het van groot belang vind dat wij dat veel eerder doen en de schakeltijd – ik spreek over schakeltijd, dus nog los van de schakelkosten – zo kort mogelijk maken. Tegelijkertijd vind ik dat universiteiten ook geen financiële belemmeringen voor studenten moeten opwerpen. Zij moeten dus ook niet onnodig hoge bedragen vragen.

Ik kom op de vraag over de tweede studie, waarop ik nu maar vast inga, als de leden dat willen. Wat men vraagt, zijn soms inderdaad wel kosten. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de opleiding in Maastricht. De € 32.000 zijn echt de beredeneerde kosten voor die studie. Het gaat om een buitengewoon dure studie. Zo ziet men maar weer wat wij in studenten investeren. Soms is het dus gewoon heel erg veel. Wij schrikken er soms zelf bijna van hoe hoog die kosten zijn, zo begrijp ik.

Er zijn echter ook instellingen die dat niet vragen, misschien ook bij studies die wel meer kosten met zich meebrengen, bijvoorbeeld omdat dat voor deze instellingen deel uitmaakt van bewust beleid en zij juist bepaalde tweede studies toegankelijk willen houden. Ik weet dat de TU Delft en de TU Eindhoven dat doen. Die willen toegankelijk blijven voor excellente studenten. Die vragen dus een tarief ter hoogte van het wettelijk collegegeld. Wij moeten hierbij ook bedenken dat het om kleine aantallen gaat. Kortheidshalve zou ik willen voorstellen om het punt van die tweede studies niet nu mee te nemen, want ik heb de Kamer een brief gestuurd waarin staat dat wij met de sectoren de convenantafspraken gaan uitwerken over tweede studies. Dat komt in het najaar. Daar wil ik dit punt bij meenemen, maar ik zou het redelijk vinden als daar ook een zekere maximering in zit. Tegelijkertijd moeten wij rekening houden met de kosten die instellingen maken. Wij kunnen niet alles zomaar afschuiven op de instellingen. Dat geldt dus ook voor die 30 studiepunten.

De heer Jasper van Dijk (SP): Kijk, nu komen wij ergens. Ik wil de minister graag bedanken dat zij dit punt er ook bij neemt. Deze strenge voorzitter vraagt terecht niet te veel te interrumperen. Toch wil ik ook nog iets over promovendi vragen, maar dat komt straks wel.

De voorzitter: U hebt hierna nog één interruptie.

De heer Jasper van Dijk (SP): Daarom.

Maar nu even naar de kern. De minister zegt: eigenlijk is een maximering terecht. Daar ben ik het helemaal mee eens. Het lijkt mij wel terecht om dat nu te doen. De heer Rog heeft daar al een amendement over ingediend. Ik heb ook een amendement in de maak. Het speelt nu. Het is nu actueel. De instellingen zijn ermee bezig. De bedragen lopen de spuigaten uit. Het lijkt mij heel goed om nu zaken te gaan doen. Ik hoop dat de Kamer dat met mij eens is. Ik wil de minister aanmoedigen als zij zegt: ja, dit moeten wij maximeren. Dan vraag ik haar natuurlijk: welk maximum dan? Waar denkt zij aan? Laten wij zo snel mogelijk de studenten helpen om af te komen van deze enorm hoge bedragen.

De voorzitter: Dat was niet echt een vraag aan de minister.

De heer Jasper van Dijk (SP): Aan welk maximum denkt zij en wanneer komt zij met een voorstel?

Minister Bussemaker: Ik moet daar in tweede termijn op terugkomen. Ik heb al gezegd dat ik in het najaar op die tweede studie terugkom, maar de heer Van Dijk vraagt nu naar die 30 studiepunten. Wij hebben het nu over studiepunten, niet zozeer over de betaling. Ik zeg 30. Een deel van de Kamer zegt 60. Als ik de heer Van Dijk goed begrijp, zegt hij nu: stel dat het boven de 30 studiepunten komt, welk bedrag vind ik dan redelijk om te betalen?

De heer Jasper van Dijk (SP): Nee, ik dacht dat de minister het over het collegegeld voor de tweede studie had, maar dan heb ik haar misschien verkeerd begrepen.

Minister Bussemaker: Ik heb al een paar keer gezegd dat dat niet in dit wetsvoorstel zit.

De heer Jasper van Dijk (SP): Maar heeft de minister daarvan wel gezegd: dat moet je maximeren?

Minister Bussemaker: Ik heb gezegd: ik zie dat daar een aantal problemen zitten en dat je kunt nadenken over de vraag of je dat niet zou moeten maximeren. Maar die discussie voer ik graag in het najaar met de Kamer, omdat wij het dan ook ordentelijk kunnen doen. Dan ligt het voorstel voor. Ik wil dat niet nu doen, want het zit helemaal niet in het wetsvoorstel. Maar dat er grenzen zijn aan wat men kan vragen voor tweede studies, ben ik met de heer Van Dijk eens.

De heer Jasper van Dijk (SP): Wat is dan het voorstel van de minister over die studiepunten?

Minister Bussemaker: Ik heb gezegd dat mijn voorkeur uit blijft gaan naar 30 studiepunten, ook omdat instellingen er geen bekostiging voor krijgen. Je vraagt dus nogal wat van ze, ook al voor 30 studiepunten. Dat kan ik aan hen vragen, maar als je zomaar 60 studiepunten gaat doen, heb je twee onwenselijke effecten: je legt een enorme claim neer bij de instellingen, die dat moeten betalen, en je stimuleert niet dat studenten eerder, tijdens hun reguliere bacheloropleiding al worden voorbereid en daar dus al gaan schakelen.

De heer Van Meenen (D66): Juist dat laatste punt wil ik bestrijden. De redenering van de minister gaat alleen maar over het tweede halfjaar. Zij ziet er geen probleem in om de rekening voor het eerste halfjaar bij de instelling neer te leggen. Maar als je dat ook doet voor het tweede halfjaar, dan lijkt het mij een enorme prikkel voor een opleiding om het dan ook te gaan beperken tot die 30 studiepunten. Als je de instelling het tweede halfjaar de vrije ruimte geeft om de kosten door te rekenen, is er geen enkele prikkel om het aansluitingsprogramma al in het reguliere programma onder te brengen.

Minister Bussemaker: Ik wil graag met de Kamer afspreken dat wij gaan monitoren of het zo werkt als ik denk, maar met 60 studiepunten geef je ook het verkeerde signaal af, namelijk dat het ook een jaar mag duren. Dan is er voor studenten ook geen prikkel meer om dat te doen. Ik vind het niet normaal om een jaar uit te trekken voor een schakelprogramma. Dat vind ik echt onwenselijk.

De heer Van Meenen (D66): Daar kunnen we elkaar dan in vinden. Is de minister het met mij eens dat er voor de instelling een veel grotere prikkel van uitgaat als die periode beperkt wordt tot een halfjaar en als de sanctie daarop is dat in het tweede halfjaar alleen maar het reguliere collegegeld gevraagd mag worden? Als dat niet mag en er een vrije ruimte is, dan is er voor de instelling geen enkele prikkel om het te beperken tot een halfjaar.

Minister Bussemaker: Volgens mij kan het in het overleg dat op instellingsniveau zal plaatsvinden, waar ook studenten bij betrokken zijn en waar de medezeggenschap bij betrokken is. Vanuit het perspectief van studenten is het gewoon niet wenselijk dat je daar een heel jaar aan werkt. Dan zou je moeten zeggen dat schakelen gewoon nooit langer mag duren dan 30 studiepunten. Als de heer Van Meenen dat wil, zou hij die lijn moeten volgen en moeten zeggen dat het nooit meer mag zijn dan 30 studiepunten. Instellingen moeten dat in samenwerking met hbo-instellingen op een andere manier vormgeven, voor een deel al vooraf. De boodschap afgeven dat het altijd 60 studiepunten kan zijn, vind ik echt verkeerd.

De voorzitter: Nee, mijnheer Van Meenen, u mag niet meer interrumperen. U hebt een amendement ingediend en de minister heeft aangegeven dat ze ingaat op de amendementen.

De heer Van Meenen (D66): Maar ik krijg geen antwoord op mijn vraag.

De voorzitter: Ze gaat straks in op de amendementen. De heer Rog is nu echt aan de beurt. Het is 22.10 uur en we hebben nog heel wat punten te gaan.

De heer Van Meenen (D66): Dat begrijp ik, maar als je geen antwoord op je vraag krijgt, duurt het ook wel heel lang.

De voorzitter: Heel kort dan.

De heer Van Meenen (D66): Mijn vraag is namelijk of de minister het met mij eens is dat er alleen een prikkel van uitgaat als een instelling het tweede halfjaar een regulier collegegeld zou kunnen vragen. Dat is mijn vraag. Is de minister dat met mij eens?

Minister Bussemaker: Nee. Dat heb ik nou al een paar keer gezegd. Ik ben dat niet met de heer Van Meenen eens. Ik denk niet dat universiteiten geldwolven zijn die alleen aan het bedenken zijn wanneer het moment ontstaat waarop zij een student maximaal financieel beentje kunnen lichten.

De heer Rog (CDA): We hebben een eerste reactie van de minister gekregen op het voorstel dat het CDA in een amendement heeft neergelegd om de kosten van een tweede studie te beperken, gelijk aan de kosten voor een excellente studie. Ik constateer, anders dan de minister, dat de Kamer in haar volle breedte heeft aangegeven daar grote boosheid over te hebben en dat te willen regelen. Ik denk dus, anders dan de minister, dat dit wél het moment is om het daarover te hebben. Ieder jaar extra dat studenten voor een tweede studie bedragen tot wel € 30.000 moeten betalen, is een jaar te lang. Ik denk dat dit absoluut een ordentelijke manier is – om met de woorden van de minister te spreken – om die discussie te beslechten en via een amendement te regelen dat het niet meer kan voorkomen dat er vijf keer – of welk ander getal we overeenkomen – het collegegeld gevraagd kan worden van studenten. Ik zou daar heel graag een reactie op willen van de minister.

Minister Bussemaker: Ik heb net ook al aangegeven dat ik dat echt onwenselijk vind. Als we zo'n besluit nemen, moeten we het goed doen. In het najaar komt er een evaluatie van diverse beleidsmaatregelen. We moeten eerst weten wat we doen. We hadden het bijvoorbeeld over die dure medische opleiding in Maastricht. Dit kan betekenen dat die opleiding niet meer wordt aangeboden, of alleen met heel veel extra kosten voor de instelling. Het is de vraag of we dat met zijn allen willen. Ik snap oprecht de zorg van de heer Rog. Ik kan me ook voorstellen dat je zou kunnen denken aan een maximering van vijfmaal het wettelijk collegegeld, zoals ik geloof ik ook in de media heb gezegd. Voordat we dat doen, wil ik echter weten wat daarvan de effecten zijn. Dat gaan we in het najaar in kaart brengen met een evaluatie van een aantal beleidsmaatregelen. Ik zou de heer Rog dus willen vragen om dit amendement nu niet in stemming te brengen. Dan zeg ik hem toe dat ik in het najaar zo snel mogelijk met die evaluatie kom en dat we dit onderwerp daarbij betrekken.

Volgens mij heb ik over het schakelen voldoende gezegd.

Dan kom ik op de eigen bijdrage bij toelatingsprocedures. Dat betreft vooral toelatingen tot selectieopleidingen in plaats van loten. Je mag daarvoor een financiële bijdrage vragen, maar het hoeft niet en het is ook niet vanzelfsprekend dat dit gebeurt. Met de instellingen en studenten is besproken dat de kosten voor een toelatingsprocedure in ieder geval redelijk moeten zijn en in principe niet hoger dan de werkelijke kosten. Uitgangspunt is dat de instellingen in zo min mogelijk gevallen kosten in rekening brengen en deze beperkt houden tot een maximum van € 50 à € 100 per procedure. Over het algemeen zijn dit niet de kosten die de instelling maakt; deze legt er dus al op toe. Tegelijkertijd is dit voor studenten een manier om niet onnodig veel inschrijvingen te doen en overal kosten te maken. Wij willen dit uitwerken in een AMvB. Ik denk dat het een redelijk middel is om enerzijds tegemoet te komen aan de extra kosten die dit voor de instelling met zich meebrengt en anderzijds een redelijk tarief te vragen van studenten bij die opleidingen waar een extra selectie geldt.

Ik kom nu bij het promotieonderwijs. De heer Duisenberg heeft gezegd dat hij het zeer spijtig vindt dat eerdere bepalingen niet doorgaan. Ik heb hiertoe vooral besloten op grond van het advies van de Raad van State, die hierover buitengewoon negatief heeft geadviseerd. Ik wil voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de positieve effecten van het huidige promotiestelsel.

De heer Rog heeft gevraagd naar de mogelijkheid om de studenten deels een bursalenstatus, deels een werknemersstatus te geven. Dit lijkt mij buitengewoon ingewikkeld en niet in het belang van studenten. Wel weet ik dat de Rijksuniversiteit Groningen een van de instellingen was die dit in de prestatieafspraken hadden staan, zeg ik tegen de heer Duisenberg. Ik begrijp dat ze daar nu voor de helft van de studenten met een beursstelsel willen werken en voor de andere helft met een werknemersvariant. Daarmee hebben ze echt een experiment, een pilot waarmee ze kunnen vergelijken wat de effecten zijn. Ik weet dat op andere universiteiten een beperkt aantal promovendi mee zal doen, overigens alleen in de eerste geldstroom. Daarmee is er een garantie dat dit een experiment blijft, zeg ik de heer Van Meenen. Zo hebben wij een verantwoorde manier gevonden om de instellingen die iets over bursalen in de prestatieafspraken hadden opgenomen, tegemoet te komen en tegelijkertijd het experiment als zodanig te beperken, zodat het ook een experiment is en wij op termijn kunnen bekijken of dit het door ons gewenste effect heeft. Universiteiten kunnen absoluut niet massaal overstappen op promotiebeurzen, want wij gaan met de VSNU afspraken maken over de inrichting. Ik heb duidelijk met de VSNU afgesproken dat het om een pilot moet gaan. Ik heb ook de bevestiging gekregen dat universiteiten nu niet massaal met bursalensystemen willen gaan werken.

De voorzitter: Mijnheer Van Dijk, uw laatste interruptie.

De heer Jasper van Dijk (SP): Ik betreur het dat er een experiment met promotiestudenten wordt gedaan. Ik heb de indruk dat de minister het een beetje met mij eens is, want zij heeft het aanvankelijke voorstel, promotiestudenten toestaan, afgezwakt. De minister wil slechts een experiment. Dat is dus een verbetering, maar waarom moet de minister nog experimenteren? Wij hebben al gezien tot welk drama dit geleid heeft in Groningen. Wij weten al hoe het ging. Daarover is een rechtszaak gevoerd die gewonnen is door de promovendi. Bovendien heb ik een breed aangenomen motie die zegt dat promovendi werknemers zijn; ik geloof dat alleen de PVV tegen was. Hierover is dus veel consensus. Waarom wil de minister nog een experiment?

Minister Bussemaker: Omdat we nog niet alle gegevens hebben. Ook kan het een aantal positieve effecten hebben. In Nederland hebben we bijvoorbeeld heel weinig promotiestudenten of -werknemers in vergelijking met andere landen. Als je daar een flinke boost aan wilt geven, kan dit helpen, omdat je daarmee uiteindelijk veel meer studenten in een promotietraject kunt krijgen. Ik vind het dus interessant genoeg om te bekijken of de instellingen daar iets mee willen. Zo doen we dat eigenlijk ook met het bindend studieadvies. De ene instelling zegt daarmee grootschalig aan de slag te willen gaan en de andere zegt dat op het niveau van de opleidingen te willen doen. Het leert ons wat op langere termijn de effecten kunnen zijn: werkt het, kunnen we er ook meer promotiestudenten mee krijgen en verschilt het per opleiding? We zullen zien of het meer of juist minder mensen aantrekt. Het sluit in die zin dus perfect aan bij wat meer profileringsmogelijkheden voor universiteiten.

De heer Jasper van Dijk (SP): Hieraan zie je dus duidelijk dat het weer gaat om kwantiteit in verscheidenheid en niet om kwaliteit in verscheidenheid. Het zou gaan om te weinig promovendi in vergelijking met het buitenland; er moeten er meer komen. Dat is inderdaad de wens van sommige universiteiten. Het is namelijk lekker goedkoop. Een promovendus is natuurlijk een gewone werknemer met bijbehorende rechten, terwijl je een promotiestudent lekker een beurs kunt geven; dat is veel goedkoper. Mag zo'n promotiestudent dan nog wel onderwijs verzorgen? Hoe zit het met het feit dat de rechter al eerder heeft gezegd dat een promovendus recht heeft op pensioen en sociale zekerheid? Hoe gaat de minister daarmee om?

Minister Bussemaker: Daarom is het een experiment en geen wettelijke bepaling. Daarmee kan het dus ook niet onbegrensd worden uitgevoerd. We zullen het zien. Ik ben heel benieuwd hoe het in Groningen gaat als een deel de status van beurspromovendus en een deel de status van werknemer heeft. Ik ben het overigens niet met de heer Van Dijk eens dat het alleen om kwantiteit gaat. Het betekent namelijk ook dat je een groter aantal studenten de gelegenheid geeft om te promoveren, waar zij de rest van hun leven individueel profijt van hebben en wat een enorme boost kan geven aan het wetenschapsterrein en het onderzoek op dat terrein. Ik zie de nadelen ook, want die heb ik in de memorie van toelichting uitgebreid geschetst. Ik sta hier dus buitengewoon genuanceerd in, maar ik wil de instellingen die daarmee aan de slag wensen te gaan, de kans geven om daadwerkelijk de positieve resultaten te behalen die zij daarmee denken te kunnen behalen.

De voorzitter: Mijnheer Duisenberg, u bent drie keer aan de beurt geweest. De Griffie houdt dat netjes bij, dus ik houd mij daar ook aan. Ik vraag de minister om haar betoog voort te zetten.

Minister Bussemaker: Ik kom daar vast op terug in het kader van een ander onderwerp waar u ook nog vragen over hebt: de titulatuur. Dat onderwerp heeft een heel lange geschiedenis. De commissie-Veerman heeft zich daar ook uitgebreid over gebogen. Zij geeft aan dat in Nederland veel te zwaar aan het onderwerp wordt getild en zij bevestigt nogmaals het belang van binariteit. Ook is zij van mening dat hogescholen en universiteiten het besluit moeten nemen om over te gaan tot andere titulatuur. Die afspraak volgt ook uit internationale afspraken, waar inmiddels bijna alle landen zich aan gehouden hebben, ook landen die er niet om stonden te springen om hun titulatuur aan te passen. Nederland is nog een van de zeer weinige landen, zo niet het enige land, die dat niet hebben gedaan. Dat levert voor onze studenten in het buitenland grote problemen op. Zij hebben een titel die daar niet als zodanig wordt herkend. Het is niet alleen niet herkenbaar maar ook internationaal afwijkend. Zelfs landen die niet vooroplopen, zoals Oostenrijk en Duitsland, zijn ons na wat discussie voorgegaan. Ik denk dat wij het hbo daarmee tekortdoen. We zien dat het hbo zich meer op onderzoek richt en internationaler is geworden. Deze hbo'ers kunnen in het buitenland hun titels gewoon niet gebruiken.

Andersom is het niet zo dat er helemaal geen onderscheid meer zou worden gemaakt tussen een hbo- en een wo-opleiding. Het is niet zo dat alles nu maar loopt en er geen enkele beperking meer zou zijn. Wij gaan namelijk wel zeer zorgvuldig om met de titulatuur, ook na de voorgestelde wijzigingen. Wij hebben best een streng systeem in Nederland; instellingen moeten zich verantwoorden via accreditatie en een toets voor nieuwe opleidingen. De NVAO gaat dus ook bij elke opleiding toetsen of de door de hogeschool voorgestelde titulatuur past bij de internationale context. Er is een indicatieve lijst van Nuffic.

Daar blijkt ook uit dat de toevoegingen «of arts» en «of science» zeker niet over de volle breedte van het hbo mogen worden opgevoerd, omdat die toevoegingen internationaal niet voor elke opleiding te gebruiken zijn. Ik hecht eraan om te zeggen dat wij de binariteit daarmee niet opheffen. De zorgen om de kwaliteit van de bachelor- en mastertitel deel ik niet. Net zomin vrees ik dat werkgevers het niet meer weten. Ik denk dat wij er wel even aan moeten wennen.

De vroegere voorzitter van de VSNU – dat is dus toch uit onverdachte hoek – de heer Noorda, gaf vanochtend een interview in Trouw, waarin hij zei: kijk naar Amerika; daar kijkt men ook naar de instelling. Of je nu van het prestigieuze Harvard komt of van de universiteit van Alabama – ik weet niet of dat een heel goede universiteit is of juist een heel slechte; daar durf ik me niet over uit te spreken – het is heel logisch dat belang wordt gehecht aan het soort opleiding en dat dit meegenomen wordt. Zo kan het dus ook zijn: heb je aan een universiteit of aan een hogeschool gestudeerd?

Zo raken wij in Nederland ook steeds meer gewend aan de Engelse vertaling van hogeschool: university of applied science. Dat kan heel goed op kaartjes en dergelijke staan. Het wordt nu dus echt een keer tijd om die knoop door te hakken. Wij moeten binnen het binaire stelsel blijven, maar wij moeten dit zo doen dat het onderscheid binnen opleidingen groter wordt en het minder herleidbaar is tot een titel. Anders isoleren wij ons echt van de hele internationale wereld, terwijl zowel het hbo als het wo steeds meer op internationaal niveau moet kunnen opereren.

De heer Bisschop (SGP): Ik heb angstvallig twee interrupties opgespaard. Ik denk dat er wel wat te handelen valt, jongens! Er is € 100 geboden. Wie biedt? Nee, zo gaan wij daar niet mee om!

Ik heb mijn vraag zo geformuleerd: Heeft de minister kennis genomen van de suggesties die vanuit de Vereniging Hogescholen is gedaan? Zij pleit er eigenlijk voor om het nog iets verder te stroomlijnen en het strakker in het pak te steken, zodat het internationaal meer geüniformeerd wordt. Let op de mooie woordspelingen die ik gebruik! Wil de minister daar eens op reageren? Het gaat een stapje verder. Het mag dus ook in tweede termijn, als zij daarvan even kennis wil nemen. Dat is geen probleem. Ik hecht er wel aan om haar mening daarover te vernemen.

Minister Bussemaker: Ik loop een beetje achter in mijn informatievoorziening, want dit voorstel van de Vereniging Hogescholen heb ik nog niet tot in detail tot mij genomen. Naar wat ik er in de gauwigheid van begrijp, sluit het er heel goed op aan en kunnen wij daarmee met de vereniging in overleg gaan over de vraag hoe wij dat kunnen doen. Met alle plezier kom ik daar voor morgen nog even op terug, als dat helpt.

De heer Bisschop (SGP): Morgen in tweede termijn vind ik ook prima.

Minister Bussemaker: Goed, dat heb ik liever nog. Dan doen wij dat.

De voorzitter: Dat is dan toegezegd.

De heer Van Meenen (D66): Volgens mij is er een vraag nog niet beantwoord. Ik heb nog een vraag gesteld over de lijst van Nuffic. Is die lijst zoals het gaat worden? Misschien heb ik het antwoord gemist.

De voorzitter: De minister heeft iets gezegd over Nuffic.

Minister Bussemaker: Ja, volgens mij heb ik in het begin gezegd dat de Nuffic-lijst het uitgangspunt is en dat wij daar dus bij aansluiten.

De voorzitter: U moet dus opletten, mijnheer Van Meenen, en niet gezellig met de heer Klaver kletsen!

Minister Bussemaker: Nee, dat krijg je er van!

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Van mij was er ook een vraag niet beantwoord. Kan de minister nog ingaan op de problematiek rondom de basisjaren, de tussenjaren, die nu door alle onduidelijkheden hun instroom dramatisch zien dalen, omdat geen enkele student meer weet waar hij nu aan toe is? Kan de minister in overleg gaan met die opleidingen?

Minister Bussemaker: Daarom hecht ik eraan zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over het leenstelsel. Die discussie is echter niet vandaag geagendeerd. Voor het overige moeten studenten vooral goed blijven nadenken over hun studiekeuze en niet overhaast beslissen. In dit wetsvoorstel zit geen regeling voor een gap year. Waar studenten zo'n jaar gebruiken, zal ik ze altijd aanraden om dat te blijven doen. In de meeste gevallen is dat wel voor eigen rekening. Je gaat namelijk of iets heel anders doen of je gaat een studie bij een particuliere instelling doen, waaraan mevrouw Schouten refereerde, om je te verdiepen in de vervolgstudie. Dat is te allen tijde mogelijk. Daar ga ik niet over, maar dat bekostigen we ook niet.

De heer Duisenberg heb ik inderdaad aangegeven dat het wenselijk is dat het niveau van het hbo overal omhoog gaat. Over meer excellentie ben ik het helemaal met hem eens. Ik zie ook dat de instellingen ermee bezig zijn. Met de nieuwe titels veranderen de opleidingen overigens niet. De titel wordt internationaal gestroomlijnd, maar we gaan niet de inhoud van de opleidingen veranderen. Het kan altijd beter, dat is heel wenselijk. Er kan best nog een tandje bij in het hbo, maar dat heeft niet een direct verband met de titulatuur.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie): Ik heb ook helemaal niet gevraagd om bekostiging van het particulier onderwijs. Dat was het punt niet. Het punt is dat de opleidingen nu juist de studentenaantallen enorm zien terugvallen, omdat alle studenten denken dat als zij zich het komende jaar niet inschrijven bij een reguliere instelling, zij de kans lopen dat zij straks niet meer voor studiefinanciering in aanmerking komen en onder het sociaal leenstelsel vallen. Anders waren zij wel een tussenjaar gaan doen. Die instellingen komen enorm in de problemen door de onzekerheid die boven de markt blijft hangen. Ik snap dat de minister zegt dat het niet alleen haar probleem is, maar wat zijn dan nog wel de opties voor die opleidingen? Ik vraag het in alle openheid en eerlijkheid. Is de minister eventueel bereid om het gesprek aan te gaan?

Minister Bussemaker: Dan pleit ik ervoor dat ik eerst het gesprek met u aanga. Het is echt een onderwerp dat hoort bij het debat over het leenstelsel. Het is onvermijdelijk dat dit op een gegeven moment gevolgen heeft. Ik zou niet weten wat nu het nut is van dat gesprek aangaan. Ik zeg het maar heel eerlijk.

De voorzitter: De heer Duisenberg voor een punt van orde. Dat moet dan ook een punt van orde zijn.

De heer Duisenberg (VVD): Omdat ik ook een antwoord wil hebben op de vraag over kwaliteit. Ook de Raad van State heeft aangegeven dat er wel degelijk een verschil is in kwaliteit. Wij praten alleen bij de titulatuur over de Nuffic-tabellen. Ik denk dat de kwaliteit wel degelijk te maken heeft met deze titulatuurdiscussie.

De voorzitter: Als dit gebeurde op een JS-congres, was het geen punt van orde maar gewoon een vraag. Ik heb net voorgesteld dat de minister haar betoog afrondt. Dan kijken wij of er nog vragen niet zijn beantwoord.

Ik stel toch voor dat de minister doorgaat. Volgens mij is ze ook bijna klaar.

Minister Bussemaker: Ik kom bij de amendementen. Voor een deel ben ik er natuurlijk al op ingegaan.

Het amendement-Rog op stuk nr. 8 heeft als inzet om de termijn drie of vier jaar op te rekken, tot maximaal vijf jaar. Dat is bij de brede bachelors. Ik heb verschillende leden over dit amendement gehoord. Ik ben geneigd om het oordeel aan de Kamer te laten. Er zijn verschillende mogelijkheden om het te doen. Ik ontraad dat het amendement er ook voor zorgt dat een instelling pas vanaf het vierde jaar kan teruggaan naar de oorspronkelijke opleiding. Het laatste lijkt mij zeer onverstandig. Een instelling kan immers ook al eerder knelpunten tegenkomen wat betreft organisatie of onaantrekkelijkheid van een nieuwe opleiding. Daarom wil ik dat brede bachelors ook al binnen de termijn van drie of vijf jaar terug kunnen naar hun oorspronkelijke vorm. Als dit aangepast zou worden, zou dit bezwaar weggenomen kunnen worden en zou ik volmondig kunnen zeggen dat ik het oordeel aan de Kamer laat.

Het amendement op stuk nr. 11 van mevrouw Schouten om het collegegeld voor excellente opleidingen minimaal tweemaal het wettelijk collegegeld te laten bedragen, ontraad ik. Tweemaal is wat instellingen voor kleinschalig intensief residentieel onderwijs ongeveer vragen. Zij hebben dan bijna nauwelijks de ruimte om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen, bijvoorbeeld het wegvallen van financieringsbronnen. Met maximaal vijfmaal wordt aangesloten bij hetgeen wij nu al hebben, ook bij opleidingen die uiteindelijk veel duurder konden zijn. Ik zeg er wel bij dat een maximum stellen niet het maximum gelijk invullen is. Ik zeg graag toe dat ik het gesprek daarover met de VSNU en de Vereniging Hogescholen zal aangaan om ervoor te zorgen dat men geen onredelijke prijzen hanteert.

Het amendement op stuk nr. 12 van de heer Klaver regelt dat excellente opleidingen bovenop het wettelijk collegegeldtarief niet meer aan collegegeld kunnen vragen dan dat zij voor hun excellente opleiding aan extra kosten hebben. Dit amendement ontraad ik ook, want er is geen een-op-eenrelatie te leggen tussen de hoogte van het collegegeld en de kostendekkendheid ervan. De instelling bepaalt binnen de kaders van de wet hoeveel hoger het collegegeld wordt. De medezeggenschap is betrokken bij het vaststellen met adviesrecht, dus ook daar zit de nodige tegenspraak. De student kan via het jaarverslag en de jaarrekening inzicht krijgen in de bestedingen en kan ook nagaan of hij waar voor zijn geld krijgt. Dat komt immers tot uitdrukking in het oordeel «excellent». Hij kan ook altijd ergens studeren waar geen sprake is van excellente opleidingen en waar dat hogere collegegeld niet wordt gevraagd.

Met het amendement op stuk nr. 13 willen de leden Van Meenen en Van Dijk de toegankelijkheid waarborgen door helemaal geen collegegelddifferentiatie te vragen bij excellente opleidingen. Volgens mij hoef ik na alles wat ik al heb gezegd niet verder toe te lichten dat ik dit amendement helemaal zal ontraden, omdat dit de instellingen op enorme kosten zou jagen.

Met hun amendement op stuk nr. 14 willen de leden Van Meenen en Van Dijk de maximale lengte van een schakelprogramma dat valt onder het tarief van het wettelijk collegegeld verlengen tot 60 studiepunten. Ik blijf dat echt onwenselijk vinden. De instellingen die langere schakelprogramma's organiseren zonder dat ze daarvoor bekostiging krijgen, moeten een vergoeding kunnen vragen, mede omdat ze er flink wat werk aan hebben en geen bekostiging krijgen. Ik ga ervan uit dat het voor een beperkt aantal tekortkomingen is. Ik zal hierover graag het gesprek met de VSNU en de Vereniging Hogescholen aangaan om ervoor te zorgen dat de schakeling al veel eerder plaatsvindt, tijdens de bachelor op hbo-niveau. Nogmaals, de grens van 30 studiepunten dempt de stimulans tot het vragen van een forse verhoging en stimuleert het de schakeling niet langer te maken dan nodig is.

Met het amendement op stuk nr. 15 willen de leden Van Meenen en Van Dijk de mogelijkheid voor een eigen bijdrage in de selectieprocedure voor studenten verwijderen. Ik heb al aangegeven dat het redelijk is dat van studenten over het algemeen nooit de kostprijs gevraagd zal worden, maar wel een redelijke prijs, ook om te voorkomen dat studenten zich bij heel veel verschillende opleidingen inschrijven. Er gaat dus enig dempingseffect van uit.

Het amendement op stuk nr. 16 van de heer Rog gaat over het maximeren van collegegeld voor tweede studies. Dit loopt echt vooruit op de discussie die wij nog krijgen. Ik heb al gezegd dat ik zal proberen de evaluatie snel te sturen, na de zomer of in het najaar, maar dan wel goed, zodat wij een ordentelijk besluit kunnen nemen waarbij wij de voors en tegens goed wegen.

Ik ontraad het amendement op stuk nr. 17 van de heer Bisschop over de educatieve minor. Het is mij overigens niet duidelijk waarop de heer Bisschop baseert dat slechts een beperkt deel van de studenten een master volgt of van plan is te volgen. Ik denk dat wij daarmee het omgekeerde effect bereiken, want het kan er uiteindelijk toe leiden dat ook de educatieve minor en de rechten die studenten daaraan kunnen ontlenen, vervallen als zij niet binnen de gestelde tijd hun master behalen.

Dan kom ik op het amendement van de heer Beertema op stuk nr. 18, dat ertoe strekt de aanpassing van de regeling inzake toekenning van titulatuur te schrappen uit het wetsvoorstel. Volgens mij heb ik zo-even al duidelijk aangegeven dat er redenen zijn om nu eindelijk een keer de knoop door te hakken.

Het amendement op stuk nr. 19 van de heren Duisenberg en Mohandis regelt dat de eis van 80 studiepunten per jaar voor driejarige hbo-opleidingen wordt gewijzigd in 60 studiepunten per jaar. Ik heb daarvan al aangegeven dat je er verschillend tegen aan kan kijken en er voor het een en het ander wat te zeggen is en dat ik het oordeel over dit amendement overlaat aan de Kamer.

Het amendement op stuk nr. 20 van de heren Duisenberg en Rog gaat er over om collegegelddifferentiatie voor excellente programma's bij honourprogramma's mogelijk te maken. Dat amendement ontraad ik, want ik vind het juist van heel groot belang dat er ook bij reguliere programma's honourtrajecten zijn, juist met het oog op die toegankelijkheid. Waar het gaat om de excellente programma's zeg ik dat er altijd andere programma's naast zijn, zodat de student er nooit voor hoeft te kiezen. Als we dat nu gaan veralgemeniseren voor alle honourstracks hebben we op een gegeven moment de situatie waar velen van u zich zorgen over maken, namelijk dat de toegankelijkheid in het gedrang komt. Dus dat vind ik echt een stap te ver. Dit amendement ontraad ik derhalve.

Het amendement op stuk nr. 21 van de heer Rog regelt dat naast de pabo aan alle lerarenopleidingen nadere vooropleidingseisen kunnen worden gesteld. Ook dat amendement ontraad ik. Ik heb al aangegeven dat ik verwacht dat de reguliere nadere opleidingseisen voldoende uitkomst bieden voor de tweedegraadslerarenopleidingen, dat we al met veel maatregelen bezig zijn, dat er in het vo extra eisen worden gesteld en dat er in het mbo nadere vooropleidingseisen worden gesteld. De enige reden om voor de pabo bijzondere nadere opleidingseisen te stellen in afwijking van de reguliere nadere vooropleidingseisen, is dat deze eisen op een ander niveau gesteld kunnen worden dan het eindexamenniveau. Dus de vraag zou moeten zijn of er aanleiding is om voor lerarenopleidingen af te wijken van de reguliere nadere vooropleidingseisen. Welnu, daar zie ik geen aanleiding toe. Wel zie ik aanleiding om bij de lerarenopleidingen heel goed en kritisch te blijven kijken of we daar de juiste studenten trekken.

Het amendement op stuk nr. 22 van de heer Duisenberg strekt ertoe de promotiestudies op te nemen in de wet. Dat is eigenlijk het invoeren van de bursalen. Daarvan heb ik volgens mij al omstandig uitgelegd waarom ik dat geen goed idee vind.

Ten slotte kom ik op het amendement op stuk nr. 23 van de heren Duisenberg en Mohandis dat regelt dat de wettelijk verplichte studievoorlichting wordt uitgebreid met de punten die zijn genoemd in de door de Kamer aangenomen motie-Lucas (31 288, nr. 214). Dat amendement ontraad ik met dezelfde argumentatie als die welke mijn voorganger gebruikt heeft. De instellingen moeten wel voorlichting geven maar hoe ze dat doen, ga ik niet in de wet vastleggen. Er is al een grondslag in de wet om een ministeriële regeling te maken. Ik ga uit van zelfregulering. Ik zie dat instellingen er heel goed mee bezig zijn. Wij gaan over het wat en de instellingen over het hoe. Wij kunnen ze ertoe aansporen om het gelijksoortig te doen, maar het lijkt mij niet wenselijk om daar nu doorheen te fietsen.

Volgens mij heb ik alle amendementen hiermee gehad.

De voorzitter: We zijn hiermee gekomen aan het eind van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de minister voor haar uitvoerige beantwoording. Ik wijs erop dat we morgen de tweede termijn hebben waarvoor best wel veel tijd is uitgetrokken. Dus ik zou zeggen: maak er gebruik van of niet, want dan zijn we ook snel klaar morgen; de heer Klaver heeft daarna namelijk nog een debat.

Ik zie dat de heer Duisenberg nog iets wil zeggen.

De heer Duisenberg (VVD): Ik vind het vervelend om op dit tijdstip nog een vraag te stellen, maar een eerdere vraag is niet beantwoord. Die vraag had betrekking op de titulatuur. Ik heb gevraagd welke andere opties zijn overwogen. Welke creatieve oplossingen zijn geopperd zoals destijds minister Plasterk heeft gedaan? Zijn oplossing is ongetwijfeld weer over tafel gegaan en ik ben daar heel benieuwd naar.

Daarnaast heb ik gevraagd waarom de minister van mening is dat kwaliteit hier geen rol speelt, aangezien dat toch een opgave is. Het gaat niet alleen om het lijstje van Nuffic met een vertaaltabelletje. Hier ligt wel degelijk ook een kwaliteitsvraag op tafel, omdat die uitdaging zo concreet is. Ik ben van mening dat dit met elkaar te maken heeft.

Minister Bussemaker: Wij hebben verschillende alternatieven overwogen, maar het was niet gemakkelijk. De heer Duisenberg verwees naar een van mijn voorgangers, de heer Plasterk. Hij heeft geopperd om als hbo-titels de titels bachelor of applied science en bachelor of applied arts in te voeren. Dat is internationaal gezien ongebruikelijk. Het leek mij een mooie oplossing, maar die lost het probleem internationaal gezien niet op. Toen hebben wij recentelijk overwogen of wij niet iets als uas voor university of applied science achter de titel zouden kunnen zetten. Dat is ook niet gebruikelijk. Zelfs landen als Duitsland en Oostenrijk die vroeger FH aan de titel toevoegden – dat staat voor Fachhochschule – hebben dit recentelijk geschrapt. Ook dat hielp ons niet. Ik ben dus gewoon een beetje uitgepraat. Ik denk dat wij dit nu moeten oplossen door die titels wel te gebruiken. Vervolgens moeten wij blijven aangeven, ook internationaal, dat wij een university en een university of applied science hebben, ofwel een universiteit en een hogeschool. Het is van belang om dat op die manier te blijven hanteren.

In antwoord op de andere vraag van de heer Duisenberg zeg ik dat het onderwijs altijd omhoog kan. Het gaat echter ook om ander onderwijs. Nederlandse hogescholen doen het niet veel slechter of überhaupt niet slechter dan hogescholen in het buitenland. Ik snap het punt. Van mij mag het onderwijs op hogescholen altijd nog beter, maar die discussie staat los van de vraag naar de titulatuur. Die kwestie speelt ook niet in andere landen. Het gaat hier echt om de vergelijkbaarheid. Wij zien dat in andere landen hogescholen vaak veel meer universiteiten zijn geworden. Wij houden vast aan verschil, maar dat heeft niets met de titels te maken.

De voorzitter: Zo zijn wij aan het einde van de eerste termijn gekomen. Ik dank de leden, de minister, alle aanwezigen hier en degenen die ons hebben gevolgd via Politiek 24. Ik vond het leuk om uw voorzitter te zijn. Het is lang geleden dat ik dit heb gedaan.

De heer Jasper van Dijk (SP): En wat deed u dat goed, voorzitter.

(geroffel op de bankjes)

De voorzitter: Morgen gaan wij om 16.00 uur verder met de tweede termijn in de plenaire vergadering.

Wel thuis.

Sluiting 22.46 uur