Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2012-2013

Nr. 2

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2013

1. Inleiding

Mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bied ik u de beleidsdoorlichting Preventiemaatregelen aan1. In deze beleidsdoorlichting is geïnventariseerd op welke wijze het preventiebeleid bijdraagt aan het veiliger maken van Nederland. Met behulp van preventieve maatregelen wordt criminaliteit voorkomen en worden minder burgers en bedrijven slachtoffer van een misdrijf.

2. Beleidsdoorlichting

Algemene en operationele beleidsdoelstellingen – zoals die zijn geformuleerd in het beleidsartikel van de beleidsbegroting – worden periodiek getoetst op doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Aan de hand van tien standaardvragen is het rapport Preventiemaatregelen het begrotingsartikel 13.1 uit de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie doorgelicht conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006 (RPE 2006).

De operationele doelstelling 13.1 wordt in de begroting in 2011 en 2012 als volgt omschreven: het voorkomen en verder terugdringen van criminaliteit en het effectief bestrijden van huiselijk geweld. Vanaf 2005 heeft het ministerie van (Veiligheid en) Justitie binnen het preventiebeleid gekozen voor drie beleidsthema’s, waarover tot en met 2011 ieder jaar in de begroting en de jaarverslagen is gerapporteerd:

  • –  voorkomen van geweld, met inbegrip van huiselijk geweld
  • –  voorkomen van criminaliteit tegen bedrijven
  • –  bevorderen van de integriteit van natuurlijke personen en rechtspersonen.

Op basis van de beantwoording van de standaardvragen uit de beleidsdoorlichting kunnen conclusies worden getrokken over de doelbereiking van de ingezette preventieve instrumenten.

3. Conclusies

Voorkomen is beter dan genezen. Iedere burger of bedrijf houdt zich in zekere mate aan dit adagium als het om criminaliteit gaat. Het op slot doen van deuren en ramen is daar een vanzelfsprekend voorbeeld van. Maar het gebruiken van kwalitatief deugdelijk hang- en sluitwerk is al minder vanzelfsprekend. Uit recent onderzoek van professor Jan van Dijk blijkt dat in Nederland voor huishoudens die geen preventiemaatregelen nemen de kans om slachtoffer te worden van een woninginbraak acht keer zo groot is als voor woningen waar adequate maatregelen zijn getroffen.2

Dit voorbeeld toont aan dat het loont om als overheid burgers en bedrijven te stimuleren passende preventieve maatregelen te nemen. Criminaliteit is met preventie wel terug te dringen, maar niet geheel uit te bannen. Daarom zijn opsporing en vervolging nodig om daders aan te pakken. Ook de zorg voor slachtoffers is nodig, om genoegdoening te geven en om herhaling van slachtofferschap te voorkomen. De beleidsdoorlichting laat zien dat in de afgelopen jaren grote inspanningen zijn gedaan in het ontwikkelen en uitvoeren van een integrale aanpak bestaande uit preventie, repressie en slachtofferzorg. In ketenverband, gezamenlijk door publieke en private partijen, wordt de criminaliteit stevig aangepakt.

Daarbij heeft de overheid met haar preventiebeleid vooral een aanjaagfunctie en een regierol vervuld. Door gerichte inzet van bijvoorbeeld subsidies als Veiligheid Kleine Bedrijven of het bevorderen van het Keurmerk Veilig Ondernemen worden bedrijven gestimuleerd om (uit welbegrepen eigen belang) zelf hun verantwoordelijkheid te nemen en preventieve maatregelen in te voeren. Voorbeelden daarvan zijn het toegenomen gebruik van camera´s, de inzet van afroomboxen, het meer gebruiken van elektronische betaalmiddelen waardoor minder contant geld in kas is en de inzet van wapenkluizen. Ook via grote publiekscampagnes heeft de overheid de noodzaak tot het nemen van preventieve maatregelen benadrukt.

Ook de opsporing en vervolging is in het kader van genoemde integrale ketenaanpak op een aantal terreinen verstevigd. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de aanpak van overvallen, waar een taskforce onder leiding van burgemeester Aboutaleb met daarin politie, Openbaar Ministerie (OM), lokaal bestuur, bedrijfsleven en natuurlijk mijn departement een samenhangend pakket van maatregelen heeft getroffen dat zijn vruchten afwerpt. Daarbij kan de waarde van wederkerigheid niet overschat worden. Door gelijktijdige inzet van preventieve maatregelen en een passende inzet van politie en OM is een situatie gecreëerd waarin publieke en private partijen op basis van een constructieve samenwerking gezamenlijk tot resultaten komen. De cijfers laten die resultaten ook zien. In de periode 2009 tot 2012 is het aantal overvallen met ruim 30% afgenomen. Bedroeg in 2009 het aantal overvallen nog 2.898, in 2012 was het aantal teruggedongen tot 1.982. Daarmee zijn we goed op weg om de doelstelling van maximaal 1.900 overvallen in 2014 te halen. Ladingdiefstal is een ander voorbeeld van nauwe samenwerking tussen private partners en de overheid. Cijfers uit de Criminaliteitsrapportage van ladingdiefstallen in de wegtransportsector van het KLPD laten een sterke daling zien in het aantal diefstallen in de transportsector: van 431 gevallen in de eerste helft van 2011 naar 176 in de eerste helft van 2012. Dit betekent een daling van 59%. Het zeilensnijden is zelfs met 75% afgenomen.

Bij deze cijfers kan niet exact worden aangegeven welk deel van de daling is toe te schrijven aan het preventiebeleid en welk deel door opsporing en vervolging is gerealiseerd. Echter, duidelijk is dat zonder de inzet van preventieve maatregelen bij bedrijven dergelijke resultaten alleen bereikt hadden kunnen worden door een veelvoudige inzet van politie en OM en ten koste van een groter aantal slachtoffers.

Integriteitsbeleid

Met het integriteitsbeleid ten aanzien van natuurlijke personen en rechtspersonen beoogt de overheid herhaling en (verdere) verspreiding van crimineel gedrag binnen kwetsbare sectoren, bedrijven en organisaties te voorkomen. Specifieke vormen van crimineel gedrag zijn aanleiding geweest om het integriteitsbeleid ten aanzien van bepaalde maatschappelijke sectoren aan te scherpen. Voorbeelden hiervan zijn de incidenten waar op grote schaal seksueel misbruik is gepleegd en de nog steeds veel voorkomende georganiseerde financieel-economische criminaliteit. Uw Kamer is recent bij brief geïnformeerd over de ontwikkelingen rond de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Het aantal aanvragen is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen.3 In 2005 werden circa 250.000 VOG-aanvragen gedaan, in 2012 al meer dan 560.000 en nog steeds is er sprake van groei. Jaarlijks worden enkele duizenden VOG-aanvragen geweigerd. In die gevallen acht mijn dienst Justis het risico te groot om betrokkene in de gewenste functie te laten werken. Daarnaast is er een onbekende groep die vanwege de VOG-verplichting al op voorhand zal afzien van sollicitatie naar bepaalde kwetsbare functies. Werkgevers en bestuurders van maatschappelijke (vrijwilligers-)organisaties kunnen aldus preventief hun personele veiligheidsrisico’s aanzienlijk verminderen.

De verantwoordelijkheid voor de juiste toepassing van een instrument als de VOG ligt, gezien de privacyaspecten, de consequenties voor burgers en bedrijven en de financiële belangen, exclusief bij de overheid. Ik acht het van belang te onderstrepen dat de inzet van de VOG niet op zichzelf staat, maar deel dient uit te maken van een breder integriteitsbeleid binnen bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ook op dit terrein is derhalve sprake van een publieke en private verantwoordelijkheid voor het veiliger maken van onze samenleving.

In de onderzoeksperiode van deze beleidsdoorlichting is de aanpak van geweld in verschillende programma´s aangepakt. Bij geweld in het (semi-)publieke domein blijkt4 dat het aantal geweldsdelicten in 2010 ten opzichte van 2006 met 19% is gedaald. Daarbij is met name geïnvesteerd in het terugbrengen van de belangrijkste risicofactoren van geweldsdelicten, zoals alcohol- en harddrugsgebruik, wapenbezit en schadelijke geweldsbeelden.

Op het terrein van de aanpak huiselijk geweld zijn eveneens bemoedigende resultaten bereikt. De signalering en de meldingsbereidheid zijn versterkt. Melding van huiselijk geweld bij de politie komt in 2010 (20%) aanmerkelijk vaker voor dan in 1997 (12%). Door huiselijk geweld uit de taboesfeer te halen en in te zetten op een toename van de meldingsbereidheid is aan een belangrijke voorwaarde voldaan om het aantal slachtoffers van huiselijk geweld op termijn te kunnen terugdringen

4. Tot slot

Als minister van Veiligheid en Justitie zal ik mij blijven inzetten voor het stimuleren en aanjagen van preventiemaatregelen. Zo heb ik bijvoorbeeld besloten de regeling Veiligheid Kleine Bedrijven, die tot 2012 gezamenlijk met het toenmalige ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie werd uitgevoerd, zelfstandig door te zetten. De effectiviteit van het instrument wordt vergroot door deze vanaf 2013 specifieker in te zetten in zogenaamde «hot spot» gebieden en in combinatie met het Keurmerk Veilig Ondernemen.

Belangrijke criteria voor een succesvolle uitvoering vormen een grondige probleemanalyse, een heldere toedeling van verantwoordelijkheden, waar mogelijk meetbare doelstellingen en -niet in de laatste plaats- een integrale aanpak waarbij preventie niet op zichzelf staat maar onderdeel is van een pakket van maatregelen gericht op preventie, opsporing en vervolging en hulp aan slachtoffers. Ik geef de aanpak van zogeheten high-impact crimes (overvallen, straatroof, woninginbraken, geweld) verder langs deze lijn vorm. In dit verband heb ik uw Kamer geïnformeerd over de intensivering van de aanpak van woninginbraken waarbij de verbinding wordt gelegd met onder meer woningcorporaties, verzekeraars en de Vereniging Eigen Huis.5 Ook hier geldt dat door gelijktijdige inzet van preventieve maatregelen en een passend optreden van politie en Openbaar Ministerie een situatie creëert waarin publieke en private partijen samen constructief tot resultaten komen. De publiek-private aanpak van veelvoorkomende criminaliteit tegen bedrijven (denk aan winkeldiefstal, transportcriminaliteit en bedrijfsinbraken) wordt in 2013 eveneens op deze wijze verder uitgebouwd, onder regie van de publiek-private Taskforce Criminaliteit tegen Bedrijfsleven.

Uit de beleidsdoorlichting leid ik af dat een goed en in een integrale aanpak ingebed preventiebeleid cruciaal is voor een veiliger Nederland. Burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties dienen hun verantwoordelijkheid te nemen om zichzelf en hun eigendommen te beschermen. Deze noodzaak benadruk ik des temeer, nu de huidige ongunstige economische situatie burgers en bedrijven zou kunnen verleiden tot het verkiezen van een korte termijn besparing (door preventie achterwege te laten) ten koste van duurzame veiligheid. En dan zou goedkoop duurkoop zijn.

De minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten

Noot 1: Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Noot 2: J. van Dijk. Closing the doors; Highlights of International Crime Victims Survey 1987–2012. Tilburg University, 2012.

Noot 3: TK 2012–2013, 33 400-VI nr. 87

Noot 4: Kamerstuk 28 684 VI, nr. 276

Noot 5: Kamerstuk 29 628, nr. 385