Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 13 februari 2018, nr. 2201888, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Defensie;

Gelet op de artikelen 7, negende lid, 9, 21, 22 en 59, vijfde lid, van de Politiewet 2012, artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 maart 2018, nr. W16.18.0028/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 18 april 2018, nr. 2237697, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Defensie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren wordt als volgt gewijzigd:

Het opschrift van hoofdstuk 3 komt te luiden:

Hoofdstuk 3. Veiligheids- en vervoersfouillering

De artikelen 20 en 21 komen te luiden:

Artikel 20

Het onderzoek aan de kleding, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012, en het onderzoek aan de kleding van een te vervoeren persoon, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Als de ambtenaar bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012, of bij het onderzoek, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, ten behoeve van het vervoer van een persoon, voorwerpen aantreft die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, neemt hij die voorwerpen in bewaring.

Artikel 21

De ambtenaar die een onderzoek aan kleding of voorwerpen heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012 meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid wordt na «diens kleding» ingevoegd «en van de voorwerpen die de ingeslotene bij zich draagt of met zich mee voert».

2.

In het tweede lid wordt «voorwerpen als bedoeld in het eerste lid» vervangen door «voorwerpen die een gevaar kunnen vormen als bedoeld in het eerste lid».

3.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

De ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd, maakt hiervan onverwijld schriftelijk rapport op ten behoeve van de meerdere.

Artikel 29 wordt vervangen door twee artikelen, luidende:

Artikel 29

De ambtenaar kan slechts van de ingeslotene verlangen dat deze zich ontkleedt indien:

  • a.  met toepassing van artikel 7, vijfde of zesde lid, van de Politiewet 2012 is bepaald dat betrokkene aan of in zijn lichaam wordt onderzocht,
  • b.  de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven, of
  • c.  de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen kan vormen.

Bij toepassing van het eerste lid, onder b of c, neemt de ambtenaar de kleding in bewaring en draagt hij zorg voor vervangende kleding.

Artikel 29a

Voordat de officier van justitie met toepassing van artikel 7, zesde lid, van de Politiewet 2012 bepaalt dat de ingeslotene in het lichaam wordt onderzocht, wordt de ingeslotene gehoord, zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal.

Zo nodig geschiedt het horen met bijstand van een tolk. Van het horen wordt aantekening gehouden.

Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien:

  • a.  de vereiste spoed zich daartegen verzet;
  • b.  de gemoedstoestand van de ingeslotene daaraan in de weg staat.

De ingeslotene ontvangt van de beslissing tot toepassing van artikel 7, zesde lid, van de Politiewet 2012 onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

De mededeling vermeldt bij welke functionaris een klacht kan worden ingediend.

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste lid vervalt.

2.

Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

3.

In het tweede lid (nieuw) wordt «de aantekening, bedoeld in het tweede lid» vervangen door «de aantekening, bedoeld in het eerste lid».

Artikel 36a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.

In de eerste volzin wordt «De ambtenaarvan» vervangen door «De ambtenaar van» en wordt «, 19, 20, eerste lid, 21, 22 en 23 van dit besluit» vervangen door «en 19 tot en met 23 van dit besluit».

2.

In de derde volzin wordt »artikel 20, eerste lid,» vervangen door «artikel 20» en wordt «artikel 7, derde lid» vervangen door «artikel 7, derde en vierde lid».

3.

De vierde volzin komt te luiden: In artikel 21 wordt voor «onderzoek aan kleding of voorwerpen» gelezen «onderzoek aan kleding» en wordt voor «artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012» gelezen «artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten».

Artikel 37, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.

De zinsnede «artikel 7, zevende lid» wordt vervangen door «artikel 7, negende lid».

2.

De zinsnede «het eerste en derde lid van dat artikel» wordt vervangen door «het eerste, derde en vierde lid van dat artikel».

3.

De zinsnede «20, eerste lid, en 21» wordt vervangen door «20 en 21».

In artikel 39 wordt «artikel 7, eerste en derde lid» vervangen door «artikel 7, eerste, derde en vierde lid».

In artikel 39a wordt «artikel 7, zevende lid» vervangen door «artikel 7, negende lid».

ARTIKEL II

In de artikelen 6, eerste lid, 24, eerste lid, onder b, en 26, eerste lid, onder b, van het Besluit bewapening en uitrusting politie wordt «artikel 7, zevende lid» vervangen door «artikel 7, negende lid».

ARTIKEL III

Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 1, eerste lid, onder g, wordt «artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012» vervangen door «artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012».

In artikel 25, derde lid, wordt «artikel 7, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Politiewet 2012» vervangen door «artikel 7, eerste tot en met vierde en zevende lid, van de Politiewet 2012».

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar,, 3 mei 2018

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus

De Minister van Defensie,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Uitgegeven de vijfde juni 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Met dit besluit wordt de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) aangepast aan:

  • •  de wijziging van de artikelen 7 en 9 van de Politiewet 2012 (hierna ook: Polw) door de Wet verruiming fouilleerbevoegdheden,1 en
  • •  de wijziging van artikel 7 Polw door de Wet van 8 april 2015 tot wijziging van de Politiewet 2012 (onderzoek in lichaam).2

Daarnaast bevat dit wijzigingsbesluit een wetstechnische aanpassing van het Besluit bewapening en uitrusting politie en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

Dit wijzigingsbesluit is ook relevant voor de militair die de politietaak uitvoert (als medewerker van de Koninklijke marechaussee (KMar), zie artikel 4 Polw) of bijstand verleent aan de politie (als medewerker van een ander onderdeel van de krijgsmacht). Die militair heeft namelijk voor een groot deel dezelfde bevoegdheden als de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.3 Daar waar deze nota van toelichting alleen ingaat op de betekenis van dit wijzigingsbesluit voor de politie, is de tekst van overeenkomstige toepassing op de hier bedoelde militairen. Deze nota van toelichting is opgesteld mede namens de Minister van Defensie.
Artikel III van de Wet verruiming fouilleerbevoegdheden bevat de volgende inhoudelijke wijzigingen van de Polw. Allereerst wordt de zogenoemde veiligheidsfouillering (onderzoek aan de kleding bij onmiddellijk gevaar voor leven of veiligheid; artikel 7, derde lid, Polw) uitgebreid met de bevoegdheid om ook de voorwerpen te onderzoeken die de betrokkene bij zich heeft (zoals een tas). Deze wijziging is ook relevant voor de buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) aan wie de bevoegdheid is toegekend4 om een veiligheidsfouillering uit te voeren.
In de tweede plaats wordt de Polw aangevuld met een standaardbevoegdheid tot onderzoek aan de kleding en onderzoek van voorwerpen van degene die door de politie wordt vervoerd (artikel 7, vierde lid, vervoersfouillering). Meestal gaat het om een verdachte die wordt vervoerd naar het politiebureau, maar de bepaling geldt jegens elke persoon die door de politie wordt vervoerd, dus ook jegens personen die in het kader van de hulpverleningstaak naar het politiebureau worden overgebracht, zoals personen die onder invloed zijn.5 Deze bevoegdheid maakt fouillering ook mogelijk als er geen aantoonbare dreiging is. Deze nieuwe bevoegdheid kan ook aan boa’s worden toegekend.

De verruiming van de veiligheidsfouillering en de introductie van de vervoersfouillering leiden tot een wijziging van de artikelen 20 en 21 van de Ambtsinstructie. Zie nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen A en B.

In de derde plaats wordt de Polw aangevuld met fouilleerbevoegdheden ten aanzien van degene die in een politiecel wordt ingesloten (insluitingsfouillering): een standaardbevoegdheid tot onderzoek aan de kleding en onderzoek van voorwerpen (artikel 7, vierde lid) en voorwaardelijke bevoegdheden tot onderzoek aan het lichaam (artikel 7, vijfde lid) en in het lichaam (artikel 7, zesde lid). Het nieuwe artikel 7, vijfde lid, vervangt de bevoegdheid tot het veiligheidsonderzoek aan het lichaam, tot nu toe geregeld in artikel 7, vierde lid.

Artikel I van de Wet van 8 april 2015 wijzigt artikel 7 Polw zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III van de Wet verruiming fouilleerbevoegdheden. Een van de wijzigingen houdt in dat de beslissing over het onderzoek in het lichaam bij insluiting wordt genomen door de officier van justitie en niet door een leidinggevende binnen de politieorganisatie.

Het regime voor insluitingsfouillering in het nieuwe vijfde en zesde lid van artikel 7 Polw is afgeleid van de artikelen 29 en 31 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna ook: Pbw).6 Artikel 7 Polw verklaart beide Pbw-bepalingen deels van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop voorziet het onderhavige besluit in een wijziging van de artikelen 28, 29 en 30 Ambtsinstructie en in een nieuw artikel 29a.

2. Uitvoeringsaspecten

Dit wijzigingsbesluit (gelezen in samenhang met de wijzigingen van artikel 7 Polw) leidt niet tot een wijziging van de lasten die voortvloeien uit informatieverplichtingen aan de overheid. Het besluit leidt evenmin tot nalevingskosten of toezichtslasten. Wel heeft dit besluit gevolgen voor de politie zelf en voor de in paragraaf 1 bedoelde militairen, als de ambtenaar van politie of de militair die belast is met de leiding over de zorg voor ingeslotenen,7 bij de insluiting van mening is dat onderzoek in het lichaam nodig is. In dat geval wordt betrokkene gehoord (tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet of de gemoedstoestand van de ingeslotene eraan in de weg staat, zie artikel 29a, derde lid), waarbij zo nodig een tolk wordt ingeschakeld, wordt een verslag van het horen gemaakt, worden een arts en een officier van justitie ingeschakeld en wordt, als de officier van justitie beslist dat betrokkene in het lichaam wordt onderzocht, die beslissing met redenen omkleed op schrift gezet en aan betrokkene uitgereikt. Een en ander kost de politie of de in paragraaf 1 bedoelde militairen naar verwachting gemiddeld vier arbeidsuren per casus. Het beslag op de officier van justitie zal daarbij naar verwachting beperkt zijn tot gemiddeld een half uur per casus (uitgaande van telefonisch contact, en ervan uitgaande dat betrokkene niet wordt gehoord door de officier van justitie zelf maar bijvoorbeeld door degene die op dat moment feitelijk de leiding heeft over de arrestantenzorg (zie de toelichting bij het eerste lid van artikel 29a) en dat de conceptbeslissing niet wordt opgesteld door de officier van justitie maar door of onder verantwoordelijkheid van die leidinggevende). Overigens zal de noodzaak van onderzoek in het lichaam zich naar verwachting maar zelden voordoen, namelijk als men door de concrete omstandigheden8 (vrijwel) zeker weet dat betrokkene een voorwerp in zijn lichaam heeft verborgen (zoals drugs, een scheermesje of een aansteker) én betrokkene niet bereid of in staat is om het zelf te verwijderen. Uitgaande van in totaal vijf gevallen per jaar waarin alle te doorlopen stappen worden gezet (dus vijf keer dat er daadwerkelijk een onderzoek in het lichaam wordt verricht), betekent dit een extra belasting voor de politie van in totaal 20 arbeidsuren per jaar en voor het openbaar ministerie van tweeëneenhalf uur. (Naar verwachting wordt minder dan vijf keer per jaar een onderzoek in het lichaam verricht, maar er zullen daarnaast ook gevallen zijn waarin een deel van de te volgen procedure wordt gevolgd, bijvoorbeeld als betrokkene het voorwerp na de komst van de arts alsnog zelf verwijdert.) Een en ander betekent dat de structurele kosten van (de mogelijkheid van) onderzoek in het lichaam, waaronder begrepen de kosten van het inschakelen van tolken en artsen, naar verwachting lager zijn dan € 50.000 per jaar. Deze kosten worden gedekt uit het reguliere politiebudget. De scholing en bijscholing van politieambtenaren en KMar-militairen waartoe dit besluit noopt, kunnen zonder extra kosten worden ingepast binnen het reguliere IBT-programma.

3. Totstandkoming van dit besluit

Een eerdere versie van dit besluit is opengesteld voor consultatie op www.internetconsultatie.nl9 en voor commentaar toegezonden aan het Bureau ondersteuning regioburgemeesters, het openbaar ministerie (OM), de politie, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten. Er zijn inhoudelijke reacties ontvangen van de NVvR, de politie en de Landelijke Organisatie van Politievrijwilligers (LOPV).

De NVvR vraagt om in de toelichting te verduidelijken waarom in alle gevallen een schriftelijke vastlegging moet plaatsvinden van een onderzoek als bedoeld in artikel 20 (veiligheidsfouillering), en niet alleen wanneer bij het fouilleren iets bijzonders wordt aangetroffen en/of in beslag genomen.

Anders dan de NVvR lijkt te veronderstellen, wijzigt de Ambtsinstructie op dit punt niet. De registratie stelt de leidinggevende in staat, al dan niet naar aanleiding van een klacht, om te bezien of op een juiste wijze gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid (die alleen mag worden toegepast bij onmiddellijk gevaar voor leven of veiligheid), zo nodig corrigerend op te treden en eventueel misbruik te bestraffen.10 Dat belang staat los van de vraag of bij het fouilleren iets bijzonders is aangetroffen.

Verder vraagt de NVvR bij wie kan worden geklaagd over een onderzoek in het lichaam op grond van artikel 7, zesde lid, van de Politiewet 2012 en wat het rechtsgevolg van deze klacht is. Is het de bedoeling om een procedureel klachtrecht mogelijk te maken, met achteraf een toetsing door de rechter? De NVvR zou het oneigenlijk vinden als deze klacht wordt afgehandeld binnen het OM en acht het niet wenselijk dat een ingediende klacht opschortende werking heeft ter zake van het lopende strafrechtelijk onderzoek. De NVvR oppert om voor de afhandeling van een dergelijke klacht aan te sluiten bij de in het vooruitzicht gestelde regeling van schadevergoeding bij strafvorderlijk optreden.

In de toelichting bij artikel 29a is verduidelijkt bij wie kan worden geklaagd over een onderzoek in het lichaam, zie ook hierna, bij de bespreking van het advies van de politie. Een dergelijk onderzoek heeft als doel om de veiligheid van de insluiting te beschermen en heeft geen strafvorderlijk doel. De mogelijkheid om over het onderzoek een klacht in te dienen, geeft een vorm van rechtsbescherming achteraf en leidt niet tot opschorting van een eventueel al lopend strafrechtelijk onderzoek. Daarbij past dat de klacht wordt afgehandeld door het OM of (als de klacht zich richt tegen een ambtenaar van politie) door de politie. Wel is in beide gevallen ook de Nationale ombudsman bevoegd. Deze neemt een klacht doorgaans pas in behandeling nadat de klacht intern is behandeld.

De politie reageert op de toelichting bij artikel 29a, waar stond: «Het eerste lid van artikel 29a laat in het midden door wie de ingeslotene wordt gehoord. Dat kan de officier van justitie zijn, die uiteindelijk de beslissing neemt, maar het kan ook het hoofd arrestantenzorg zijn.» De politie wijst erop dat iedere politie-eenheid maar één hoofd arrestantenzorg heeft, die wordt bijgestaan door leidinggevenden arrestantenzorg. Om tijdige beschikbaarheid te garanderen, moet de ingeslotene volgens de politie ook gehoord kunnen worden door de leidinggevende arrestantenzorg of door een hulpofficier van justitie. Dit advies is gevolgd.

Verder adviseert de politie om in de toelichting bij artikel 29a, vijfde lid, niet alleen te verwijzen naar de klachtregeling van de Politiewet 2012, aangezien de beslissing tot het doen verrichten van het onderzoek in het lichaam wordt genomen door de officier van justitie en het onderzoek zelf wordt verricht door een arts. Dit advies is gevolgd.

De LOPV doet een concreet tekstvoorstel om in artikel 20 (veiligheids- en vervoersfouillering) nadere regels op te nemen over het onderzoek van de voorwerpen die betrokkene bij zich draagt of met zich meevoert, ter voorkoming van discussie over de vraag hoe uitvoerig dit onderzoek mag zijn en wat de ambtenaar van politie moet doen als hij bij dat onderzoek gevaarlijke voorwerpen aantreft.

Naar aanleiding van dit advies is aan artikel 20 toegevoegd dat voorwerpen die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, in bewaring genomen worden. Over de wijze waarop voorwerpen onderzocht worden, kan de politie desgewenst werkinstructies vaststellen.

Verder adviseert de LOPV om in artikel 28, eerste lid, de zinsnede «direct voorafgaand aan de insluiting» te vervangen door «direct bij aankomst op het politie- of brigadebureau, dan wel op een andere plaats waar de persoon zal worden ingesloten». Het komt namelijk voor dat de in te sluiten persoon niet-gefouilleerd in een «ophoudruimte» wordt geplaatst, voorafgaand aan de plaatsing in een daartoe ingerichte cel.

Naar aanleiding van dit advies is de toelichting bij de wijziging van artikel 28 verduidelijkt (artikel I, onder C).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (Ambtsinstructie)

Onderdeel A (opschrift hoofdstuk 3)

Door de wijziging van de artikelen 20 en 21 ziet hoofdstuk 3 niet alleen op veiligheidsfouillering maar ook op vervoersfouillering. Die verbreding wordt tot uitdrukking gebracht in het opschrift van hoofdstuk 3.

Onderdeel B (artikelen 20 en 21)

De reikwijdte van de artikelen 20 en 21 is aangepast aan het nieuwe derde en vierde lid van artikel 7 Polw: het veiligheidsonderzoek aan kleding en voorwerpen en het onderzoek aan kleding en voorwerpen van degene die door de politie wordt vervoerd. Daarnaast is aan artikel 20 de bepaling toegevoegd (tweede lid) dat voorwerpen die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, in bewaring genomen worden. Het onderzoek van voorwerpen mag niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om de veiligheid van betrokkene of derden te beschermen. De bevoegdheid mag bijvoorbeeld niet worden gebruikt om een elektronische gegevensdrager (zoals een usb-stick) of een geautomatiseerd werk (zoals een smartphone) uit te lezen. Het kennisnemen van dergelijke gegevens is immers niet nodig voor het doel van de veiligheids-, respectievelijk vervoersfouillering. De aangetroffen voorwerpen kunnen eventueel wel (voor waarheidsvinding) strafvorderlijk in beslag genomen worden en in dat kader worden uitgelezen (artikel 94 Wetboek van Strafvordering).11

De insluitingsfouillering is geregeld in de artikelen 28 tot en met 30.

Onderdeel C (artikel 28)

Iedereen die wordt ingesloten (in een «ophoudruimte» of politiecel), wordt aan zijn kleding onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen. Uiteraard worden daarbij ook de voorwerpen onderzocht die betrokkene bij zich heeft (zoals een tas).12 In het eerste lid is dat verduidelijkt, in overeenstemming met het nieuwe vierde lid van artikel 7 Polw. Net als voor veiligheids- en vervoersfouillering (zie artikel 20) geldt ook voor insluitingsfouillering dat het onderzoek van voorwerpen niet verder mag gaan dan wat noodzakelijk is voor het doel van het onderzoek (in dit geval de veiligheid van de insluiting), en mag de bevoegdheid bijvoorbeeld niet worden gebruikt om een smartphone of usb-stick uit te lezen. En ook hier geldt dat dergelijke voorwerpen eventueel wel (voor waarheidsvinding) strafvorderlijk in beslag genomen kunnen worden en in dat kader uitgelezen kunnen worden (artikel 94 Wetboek van Strafvordering).

Het nieuwe vierde lid is gelijk aan het oude eerste lid van artikel 30. Het in deze bepaling bedoelde rapport houdt in de praktijk in dat in BVH wordt vermeld door wie betrokkene is gefouilleerd. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn als betrokkene later een klacht indient.

Onderdeel D (artikelen 29 en 29a)

Het gewijzigde artikel 7 Polw geeft voorwaardelijke bevoegdheden tot onderzoek aan het lichaam (vijfde lid) en in het lichaam (zesde lid). In verband daarmee zijn beide bepalingen toegevoegd aan de opsomming van situaties waarin van de ingeslotene kan worden verlangd dat hij zich ontkleedt (artikel 29, eerste lid). Uiteraard hoeft betrokkene zich ten behoeve van het onderzoek aan of in zijn lichaam pas te ontkleden als de volgens de wet bevoegde functionaris dat heeft bepaald. Voor onderzoek aan het lichaam is dat de leidinggevende binnen de politieorganisatie die deelneemt aan het lokale driehoeksoverleg, zijn plaatsvervanger of degene die op dat moment feitelijk de leiding heeft over de arrestantenzorg (zie artikel 7, vijfde lid, Polw). Voor onderzoek in het lichaam is dat de officier van justitie. Onderzoek in het lichaam mag alleen worden verricht door een arts of, in diens opdracht, een verpleegkundige (zie artikel 7, zesde lid, Polw).

Het tweede lid van artikel 29 (in bewaring nemen van kleding en zorgdragen voor vervangende kleding) is aangepast aan de wijziging van het eerste lid: na het onderzoek aan of in het lichaam kan kleding die geen gevaar kan vormen, weer worden aangetrokken.

Op het onderzoek aan het lichaam is artikel 29 Pbw deels van overeenkomstige toepassing. Concreet betekent dit:

  • •  het onderzoek omvat mede het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de ingeslotene;
  • •  het onderzoek wordt op een besloten plaats en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de ingeslotene verricht;
  • •  als hulpmiddelen nodig zijn voor het verwijderen van een voorwerp uit een opening of holte van het lichaam, dan wordt een arts of verpleegkundige ingeschakeld.

Voor alle vormen van insluitingsfouillering geldt dat aangetroffen gevaarlijke voorwerpen in bewaring worden genomen. Voor onderzoek van kleding en meegedragen voorwerpen volgt dat uit artikel 28, tweede lid, Ambtsinstructie, voor onderzoek aan het lichaam uit artikel 29, vierde lid, Pbw (in samenhang met artikel 7, vijfde lid, Polw), voor onderzoek in het lichaam uit artikel 31, derde lid, Pbw (in samenhang met artikel 7, zesde lid, Polw). Eveneens voor alle vormen van insluitingsfouillering geldt dat aantekening wordt gemaakt van de in bewaring genomen voorwerpen en dat betrokkene daarvan een afschrift krijgt (zie artikel 30 Ambtsinstructie).

De hier besproken voorschriften worden voor het onderzoek in het lichaam verder aangevuld met het nieuwe artikel 29a. Dat artikel is ontleend aan de artikelen 57, eerste lid, onder e, tweede en derde lid, en 58, eerste en vierde lid, Pbw.13 Die bepalingen geven de gedetineerde het recht (behoudens enkele uitzonderingen) om vooraf te worden gehoord, zo nodig met bijstand van een tolk, en het recht op een op schrift gestelde mededeling waarin hij wordt gewezen op de mogelijkheid van beklag. Deze voorschriften zijn in artikel 29a vertaald naar de situatie in een politiebureau of politiecellencomplex.

Het eerste lid van artikel 29a laat in het midden door wie de ingeslotene wordt gehoord. Dat kan de officier van justitie zijn, die uiteindelijk de beslissing neemt, maar het kan ook degene zijn die op dat moment feitelijk de leiding heeft over de arrestantenzorg, of een hulpofficier van jusitie. Gezien de aard van het onderzoek is vaak enige of zelfs veel spoed geboden. De officier van justitie zal niet altijd in staat zijn om snel ter plaatse te zijn. Als hij in zo’n geval zelf zou moeten horen, dan zou dat betekenen dat betrokkene telefonisch wordt gehoord. Een dergelijke hoorvorm is in deze situatie riskant, bijvoorbeeld vanwege de gemoedstoestand van betrokkene of vanwege taalproblemen. Een goed alternatief voor zelf horen is dat de officier van justitie zijn beslissing niet eerder neemt dan nadat degene die de leiding heeft over de arrestantenzorg hem telefonisch de situatie heeft uitgelegd en daarbij verslag heeft gedaan van het horen, en ook de arts met betrokkene (en eventueel ook met de officier van justitie) heeft gesproken.

In navolging van artikel 57, derde lid, Pbw bepaalt het derde lid van artikel 29a dat het vooraf horen achterwege kan blijven als (a) de vereiste spoed zich ertegen verzet of (b) de gemoedstoestand van betrokkene eraan in de weg staat. In die gevallen is het wenselijk om betrokkene alsnog te horen zodra de situatie dat toelaat.

In navolging van artikel 58, vierde lid, Pbw schrijft het vijfde lid van artikel 29a voor dat de schriftelijke mededeling die de ingeslotene onverwijld ontvangt, vermeldt bij welke functionaris een klacht kan worden ingediend. Als de klacht zich bijvoorbeeld richt tegen de officier van justitie die de beslissing heeft genomen, dan moet de klacht worden ingediend bij de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket. Richt de klacht zich tegen een ambtenaar van politie, dan moet de klacht worden ingediend bij de politiechef van de eenheid waar de betrokken ambtenaar van politie is aangesteld. Een klacht over een gedraging van een militair van de KMar wordt ingediend bij de Minister van Defensie. De behandeling van klachten over de politie en de KMar is geregeld in hoofdstuk 7 Polw en hoofdstuk 9 Awb, met nadere regels voor de politie in de Regeling klachtbehandeling politie en de Uitvoeringsregeling klachtbehandeling politie 2018 (Stcrt. 2018, 3393), en voor de KMar in de Klachtenregeling politietaken Koninklijke Marechaussee/krijgsmacht 2004.

Voor een klaagschrift in een vreemde taal geldt ingevolge artikel 9:4, derde lid, Awb, in samenhang met artikel 6:5, derde lid, Awb, dat als een vertaling noodzakelijk is voor een goede behandeling van de klacht, de indiener in de gelegenheid wordt gesteld een vertaling aan te leveren.

Onderdeel E (artikel 30)

De rapportageplicht van het oude eerste lid is verplaatst naar artikel 28 (nieuw vierde lid). De resterende bepalingen van artikel 30 (aantekening maken van de in bewaring genomen voorwerpen, en betrokkene daarvan een afschrift geven) gelden voor alle vormen van insluitingsfouillering.

Artikel I, onderdelen F tot en met I (artikelen 36a, 37, 39, 39a), en artikelen II en III (Besluit bewapening en uitrusting politie en Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar)

Dit zijn technische aanpassingen aan de wijzigingen van artikel 7 Polw en van de artikelen 20 en 21 Ambtsinstructie.

De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus

Noot 1: Wet van 21 mei 2014 tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 2012 (verruiming fouilleerbevoegdheden), Stb. 2014, 191.

Noot 2: Stb. 2015, 142. Artikel I van die wet wijzigt artikel 7 Polw zoals die bepaling komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III van de Wet verruiming fouilleerbevoegdheden. Deze artikelen I en III treden gelijktijdig in werking met dit wijzigingsbesluit (op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip).

Noot 3: Zie artikel 7, achtste lid, Polw zoals dat lid komt te luiden na inwerkingtreding van de hierboven besproken wijzigingen.

Noot 4: Op grond van het negende lid van artikel 7 Polw zoals dat artikel luidt na de inwerkingtreding van artikel III van de Wet verruiming fouilleerbevoegdheden (zevende lid oud).

Noot 5: Zie artikel 25, tweede lid, van de Ambtsinstructie.

Noot 6: Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 3, p. 16, 17, 42 en 46.

Noot 7: Onder ingeslotene wordt in de Ambtsinstructie degene verstaan die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, met inbegrip van degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht. Zie artikel 1, vierde lid.

Noot 8: Zie de nadere toelichting in Kamerstukken II 2011/12, 33 112, nr. 6, p. 14.

Noot 9: Zie www.internetconsultatie.nl/ambtsinstructie_fouilleren.

Noot 10: Stb. 1994, 275, p. 22.

Noot 11: Zie ook punt 1 van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerp van dit wijzigingsbesluit.

Noot 12: Vgl. HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4163.

Noot 13: Zie voor een toelichting bij die artikelen: Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 70–72.