Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2013-2014

Nr. 3

ALGEMEEN DEEL

§ 1. Achtergrond en aanleiding

Het onderhavige wetsvoorstel regelt de overheidszorg op het gebied van meteorologie, seismologie en overige geofysische terreinen en het intrekken van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (hierna: Wet op het KNMI). Dit is wenselijk gebleken naar aanleiding van de uitkomsten van de evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk en de daarna uitgevoerde verkenning naar de toekomstige positionering van het KNMI. Het op 28 april 2010 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte voorstel tot wijziging van de Wet op het KNMI1 is daarom ingetrokken in verband met dit voorliggende voorstel.

Het KNMI verstrekt momenteel meteorologische en seismologische informatie ten behoeve van de veiligheid, de economische ontwikkeling en een duurzaam milieu direct of indirect aan het algemene publiek, de overheid, de luchtvaart en de scheepvaart. Het is een agentschap van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en heeft als publieke organisatie geen commerciële taken en doelstellingen. Voor de meer lange termijn ontwikkelingen verricht het KNMI onderzoek naar de veranderingen in het klimaat. Het beschikbaar stellen van bij het KNMI aanwezige kennis, data en informatie is de kernactiviteit.

De Wet op het KNMI, die de taken en werkwijze van het instituut regelt, is tot stand gekomen in 2001 en in werking getreden op 1 februari 2002. Artikel 12 van die wet bepaalt dat deze telkens na vijf jaar wordt geëvalueerd, waarbij gekeken wordt naar de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In de periode 2007–2009 is de Wet op het KNMI geëvalueerd.2 Er bleek in de Tweede Kamer een brede steun voor de veiligheidstaken van het KNMI, zoals het weeralarm, en voor de invoering van een open data beleid. Over de positionering van de luchtvaartmeteorologie was de Tweede Kamer destijds verdeeld. Vervolgens heeft de Tweede Kamer op 29 april 2010 een voorstel ontvangen voor wijziging van de Wet op het KNMI. Omdat in de financiële paragraaf van het Regeerakkoord Rutte/Verhagen van oktober 2010 was opgenomen dat «de subsidies op het terrein van het (voormalige) Ministerie van Verkeer en Waterstaat worden beperkt en dat daarbij het huidige takenpakket van het KNMI nader zal worden bezien (eventueel privatisering)», is behandeling van het voorstel voor wijziging van de Wet op het KNMI aangehouden.3 Dit om een brede en fundamentele aanpak mogelijk te maken.

In 2011 is een verkenning naar de toekomstige positionering van het KNMI uitgevoerd (KNMI 2020) waaruit naar voren komt dat er naast de positieve kwaliteiten van het KNMI drie belangrijke aandachtspunten zijn:

  • –  er is sprake van onvoldoende vraagsturing voor bepaalde activiteiten van het KNMI en er is sprake van onduidelijk opdrachtgeverschap; de huidige wijze van financiering van het agentschap KNMI door het Rijk verhoudt zich onvoldoende met goed opdrachtgeverschap;
  • –  er is sprake van een onduidelijke en onvolkomen verhouding tussen de publieke taken van het KNMI op het gebied van weerinformatie en de rol die het meteobedrijfsleven daarbij wil en kan spelen;
  • –  er is sprake van een zekere spanning tussen de onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek bij het KNMI en de ministeriële verantwoordelijkheid voor het KNMI.

Deze aandachtspunten zijn te herleiden naar onduidelijkheden ten aanzien van de rollen en taken van het KNMI en de wijze waarop deze zijn verankerd in de Wet op het KNMI. Voor het omgaan met deze aandachtspunten is herziening van de huidige positionering van het KNMI dan ook nodig. De herziene positionering dient ten eerste een verbetering ten opzichte van de huidige positionering te zijn in termen van het garanderen van de wetenschappelijke onafhankelijkheid. Tevens moet deze een meer vraaggestuurde manier van werken ondersteunen en duidelijkheid bieden over de rol en taken van het KNMI in relatie tot zijn afnemers. De heroverweging van de Wet op het KNMI heeft ook plaatsgevonden om discussies met het meteobedrijfsleven over de reikwijdte van de rol en taken van het KNMI in de nabije toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.

Voor het ontwikkelen van oplossingsrichtingen heeft een uitgebreide consultatie van de bij het KNMI betrokkenen plaatsgevonden: de operationele partners van het KNMI zoals het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Rijkswaterstaat, andere departementen, weerbedrijven, de luchtvaartsector, wetenschappelijke instituties, de KNMI-Raad, overheidsklanten buiten de Rijksoverheid (zoals waterschappen) en de internationale meteorologische gemeenschap. Ook is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) gevraagd om te reflecteren op de rol en positie van het KNMI-onderzoek.

In de afgelopen twee jaar is verschillende keren overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de weerbedrijven op de Nederlandse markt over de rol van het KNMI bij de levering van weergerelateerde producten en diensten. Dit heeft geresulteerd in hun steun voor de voorgestelde positionering, de rol en taken van het KNMI en de wijze waarop deze formeel worden verankerd.

Over de uitkomsten van deze consultatie heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van 28 maart 2013.4 Het voorliggende wetsvoorstel is een uitvloeisel van dit proces.

§ 2. Doel en hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel heeft tot doel om de taken op het gebied van meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen als zorgplichten bij de Minister van Infrastructuur en Milieu neer te leggen. In deze wet wordt vastgelegd welke taken onder de verantwoordelijkheid van de Minister moeten worden uitgevoerd. In de huidige Wet op het KNMI zijn de wettelijk geregelde taken gedetailleerd beschreven en direct aan de organisatie KNMI toebedeeld. Daarnaast wordt de KNMI-organisatie als zodanig ook ingesteld. Het is wenselijk deze koppeling tussen organisatie en taken los te laten om de volgende redenen.

Ten eerste omdat het ontkoppelen op wetsniveau van de organisatie en de taak overeenkomt met de manier waarop met andere taken van de Minister wordt omgegaan, die worden uitgevoerd door agentschappen als Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport. In huidige wetgeving wordt hierbij de Minister aangewezen voor het uitvoeren van taken die aan de rijksoverheid zijn toebedeeld. Taken worden niet toebedeeld aan de afzonderlijke organisatie binnen de rijksoverheid die een taak daadwerkelijk uitvoert (anders dan bij zelfstandige bestuursorganen). De Minister is uiteindelijk verantwoordelijk voor het functioneren van de organisaties die onder het Ministerie ressorteren. Ook taken die buiten de omschrijving van de wet vallen kunnen bij ministerieel besluit worden toegevoegd en afgenomen. De wetenschappelijke onafhankelijkheid van het (klimaat)onderzoek van het KNMI is in dat verlengde niet geborgd door de organisatie te verzelfstandigen, maar door het onderzoek in de wet functioneel op afstand te zetten.

Ten tweede maakt ontkoppeling de wet eenvoudiger uitvoerbaar en meer flexibel. Onder de taakomschrijving van artikel 3 van het wetsontwerp valt een diverse hoeveelheid weergerelateerde diensten. Hierbij is onder de huidige Wet op het KNMI de verhouding tussen enerzijds het wettelijk geregelde algemeen weerbericht, de maatwerkproducten en het onderzoek van het KNMI en anderzijds de producten van het meteobedrijfsleven, veelvuldig onderwerp van discussie. In de kamerbrief over de heroverweging van de positionering van het KNMI5 wordt als één van de aandachtspunten genoemd dat er een onvolkomen en onduidelijke verhouding bestaat tussen de publieke taken van het KNMI op het gebied van weerinformatie en de rol die het meteobedrijfsleven daarin wil en kan spelen. In dat kader is er onder andere overleg geweest over welke dienstverlening door het KNMI aan decentrale overheden of binnen het Rijk wordt verleend. Om deze afspraken vorm te geven is het noodzakelijk dat de regelgeving meer ruimte biedt om mee te bewegen met de ontwikkelingen in de samenleving. De relatief lange totstandkomingsprocedure van een wet en het detailniveau van het al dan niet verlenen van een specifieke dienst door het KNMI leiden tot de conclusie dat de wet alleen een kader op hoofdlijnen moet bieden met betrekking tot de afbakening van de publieke taak en de bekostiging van de overheidsproducten- of diensten.

Daarnaast kunnen op grond van de huidige wetgeving meer sectorspecifieke diensten, die onder de reikwijdte van het algemeen weerbericht vallen (art. 5 van de Wet op het KNMI), niet tegen kostprijs worden aangeboden. Om deze reden is in het voorliggende ontwerp een helder onderscheid aangebracht tussen maatwerkdienstverlening (voor een afnemer tegen kostprijs) en basisdiensten als weerwaarschuwingen voor het algemene publiek en de algemene weerberichten (algemeen budget) aangebracht. Bij ministeriële regeling en in overleg met de meteobedrijfsleven zal worden afgebakend op welke wijze informatievoorziening over het weer aan het algemene publiek plaatsvindt en wanneer tegen kostprijs en onder voorwaarden maatwerkproducten worden geleverd aan andere overheidsorganisaties dan het Rijk. Het wetsvoorstel gaat hierbij uit van twee hoofdbeginselen. Als eerste kan genoemd worden dat de dienstverlening ondersteunend is met betrekking tot de bij of krachtens wet opgedragen publieke taak van de verzoekende overheidsorganisatie. Ten tweede dient voor de dienst ten minste de integrale kostprijs door de overheidsorganisatie betaald te worden. Dit in het kader van een «level playing field» met de markt. Binnen deze bandbreedte is het wenselijk zo flexibel mogelijk te kunnen opereren ten aanzien van ontwikkelingen op de markt.

Door te kiezen voor een nieuwe kaderwet met zorgplichten en een aanvullende ministeriële regeling, worden belangrijke publieke belangen en taken geborgd, maar kan de organisatie van die taken zo flexibel mogelijk worden ingericht.

Hoewel het niet strikt noodzakelijk is om de feitelijke taken van de overheid op het gebied van meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen wettelijk te regelen, heeft het bestendig waarborgen van deze taken op het gebied van publieke veiligheid, het zorg dragen voor de meet- en rekeninfrastructuur en voor de meteorologische en seismologische kennisbasis in de vorm van een regeling bij wet de voorkeur. Dit zijn taken die, zoals eerder aangestipt, niet zonder meer door marktwerking tot stand kunnen komen en ook taken waarbij het belangrijk is het kwaliteitsniveau in de hand te hebben. Tevens wordt de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het meteorologische en seismologische onderzoek gegarandeerd. Ten slotte is het belangrijk dat er één autoriteit is die weerwaarschuwingen afgeeft aan het publiek bij (potentieel) maatschappij-ontwrichtend weer.

Uitwerking van de in de wet opgenomen taken vindt zoals gezegd plaats middels een ministeriële regeling. Dit zal niet betekenen dat het KNMI geen rol meer speelt in het uitvoeren van deze taken, maar dat de uitvoering wordt vastgelegd op ministerieel niveau. Dit geeft de Minister de vrijheid om de taken neer te leggen bij de meest geëigende organisatie (zie mede artikel 44 van de Grondwet). Bij ministeriële regeling wordt onder andere uitgewerkt aan wie de Minister welke producten en diensten levert en hoe invulling wordt gegeven aan de wetenschappelijke onafhankelijkheid. De wijze waarop het uitvoeren van deze taken organisatorisch plaatsvindt, wordt bij ministerieel besluit verankerd (een zogenaamd instellingsbesluit). Aanvullend is op grond van Europees en internationaal recht wetgeving nodig voor het borgen en reguleren van de meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie. De Wet luchtvaart wordt hiervoor benut.

Doorslaggevende argumenten voor deze opzet zijn:

  • –  duidelijkheid en bestendigheid van de taken door de wetgeving te beperken tot zorgplichten voor de Minister en het vastleggen van algemene uitgangspunten. Het kader dat de huidige Wet op het KNMI biedt wordt veelal als onduidelijk en star ervaren.
  • –  Daarnaast wordt meer flexibiliteit gecreëerd voor de uitvoering en organisatie van de taken die toekomen aan de overheid, ten opzichte van de huidige Wet op het KNMI, door de organisatie ervan neer te leggen op ministerieel niveau. Dit is in lijn met de andere agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
  • –  De wetenschappelijke onafhankelijkheid van het KNMI-onderzoek wordt zo goed mogelijk geborgd. Dit is met name gewenst bij klimaatonderzoek en het economische beleid dat daaruit kan voortvloeien (bijvoorbeeld ambities duurzame ontwikkeling).
  • –  Tevens kan een bijzondere regeling worden getroffen voor het hergebruik van bepaalde meteorologische gegevens of onderzoeksresultaten.
  • –  Ten slotte kan het verstrekken van luchtvaartmeteorologische inlichtingen worden geregeld via de Wet luchtvaart. De gehele Europees Nederlandse luchtvaartnavigatiedienstverlening wordt dan in één wet geregeld.
De Wet op het KNMI komt als gevolg hiervan te vervallen. Daarmee is het ook niet meer opportuun om per 2012 wederom een evaluatie van de huidige wet op het KNMI uit te voeren. De behandeling van de in procedure gebrachte wijziging van die wet is dus ook gestaakt.6 Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt de werking ervan met alle betrokkenen geëvalueerd.

Met betrekking tot het hergebruik van bepaalde meteorologische gegevens kunnen desgewenst mede regels worden gesteld onder de implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie. Op grond van deze wet kunnen regels worden gesteld voor onder meer raadpleeg-, zoek-, download- en verwerkingsdiensten (art. 9). Tevens kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vergoedingen die voor deze diensten in rekening gebracht kunnen worden (art. 12 van die wet). Deze regels zijn nu nog niet vastgesteld.

§ 3. Verhouding met andere regelgeving

3.1 open data

Eén van de in dit voorstel beschreven kernactiviteiten als zorgplicht is het genereren van meteorologische informatie. Deze informatie wordt al of niet in internationaal verband ingewonnen ten behoeve van de veiligheidstaak en om bijvoorbeeld de ontwikkelingen van het klimaat te monitoren. Deze gegevens worden vervolgens door de weerbedrijven hergebruikt om verscheidene weerproducten te leveren. Onder de huidige regelgeving gebeurt dat veelal via een licentiesysteem waarin afspraken kunnen worden gemaakt over de extra diensten die het KNMI hen kan bieden. Het gaat dan om leveringsgaranties en technische ondersteuning (o.a. helpdesk). Er gelden momenteel drie wetten omtrent overheidsinformatie die relevant zijn voor overheidstaken op het gebied meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen:

  • –  de Implementatiewet EU-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie. Dit heeft als consequentie dat onder het Europese recht meteorologische gegevens voor iedereen vrij beschikbaar moeten zijn (art. 9 van de Implementatiewet).
  • –  Indien de Minister van Infrastructuur en Milieu producten aanbiedt die buiten de reikwijdte van de hiervoor genoemde Implementatiewet vallen geldt de Wet openbaarheid van bestuur en zal al dan niet een besluit tot hergebruik moeten worden genomen (art. 11b en 11c WOB). Tegen die besluiten staat bezwaar en beroep open. Gegevens worden dan tegen maximaal de marginale kosten verstrekt (fysieke kopie).
  • –  Ten slotte is ook de Mededingingswet relevant die stelt dat overheden de gegevens waar ze over beschikken enkel onder voorwaarden mogen hergebruiken voor andere economische activiteiten. Zie hiervoor verder onder 3.2.

Zoals eerder aangestipt kunnen op basis de Implementatiewet met betrekking tot het leveren van downloaddiensten, verwerkingsdiensten en diensten die andere diensten kunnen oproepen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over levering en kostprijs als het gaat om het aanbieden voor hergebruik van meteorologische informatie.

Met betrekking tot de weergerelateerde producten en diensten zal de wijze waarop ook nu reguliere publieke informatievoorziening plaatsvindt worden gehandhaafd. Dat betekent dat het KNMI via de gangbare communicatie- en informatietechnologie een algemeen weerbericht voor geheel Nederland afgeeft, aangevuld met berichtgeving over weerwaarschuwingen en duiding van extreme weersituaties.

Volgende het kabinetsbeleid dat in ontwikkeling is op het gebied van open data wordt door het KNMI al een groot deel van de meteorologische en seismologische data op basis van een inspanningsverplichting voor hergebruik beschikbaar gesteld. In een catalogus wordt aangegeven welke data elektronisch beschikbaar worden gesteld.

Het open data beleid is volop in beweging. Zo is op 26 juni 2013 de herziene Europese richtlijn voor het hergebruik van overheidsinformatie vastgesteld.7 Deze richtlijn zal voor 18 juli 2015 geïmplementeerd worden in de Nederlandse regelgeving (Wet openbaarheid van bestuur).
In 2012 is een motie aangenomen in de Tweede Kamer die overheden oproept om burgers goede en snelle toegang tot overheidsinformatie te bieden (motie Voortman, 19 december 2012). Een plan van aanpak voor snelle en goede beschikbaarheid van overheidsinformatie wordt meegenomen in het Actieplan Open Overheid dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in het kader van de Nederlandse deelname aan het «Open Government Partnership» opstelt.8 Dit plan zal onder meer aandacht schenken aan de vraag welke inspanning in redelijkheid van de overheidsorganen gevraagd kan worden bij het actief beschikbaar stellen van openbare overheidsinformatie.

In aanvulling op het aanbod van open data blijft het mogelijk weerkundige data op basis van aanvullende dienstverlening (de zogenaamde Service Level Agreements) af te nemen. In deze niet-exclusieve, afzonderlijke overeenkomsten kunnen afspraken rond bijvoorbeeld leveringszekerheid gemaakt worden. De Minister van Infrastructuur en Milieu berekent de kosten voor het nakomen van deze afspraken conform de Mededingingswet aan afnemers door (zie verder 3.2).

3.2 markt en overheid

De verhoudingen tussen markt en overheid worden onder andere gereguleerd door de Mededingingswet.

Als het gaat om de levering van operationele, weergerelateerde producten en diensten buiten de Rijksoverheid geldt als beleidsuitgangspunt dat in beginsel niet wordt getreden in de bestaande marktverhoudingen. Dienstverlening, zoals peilbeheer bij waterschappen of gladheidbestrijding voor gemeenten, valt hier ook onder. Dit betekent dat vanuit de zorgplichten van de Minister restrictief wordt omgegaan met het leveren van bewerkte data aan bijvoorbeeld waterschappen ten aanzien van de weersverwachtingen.

Welke producten en diensten worden geleverd op het gebied van weer wordt grotendeels bepaald door de vraag van opdrachtgevers of afnemers; uitgezonderd hiervan zijn zogenaamde basistaken. Onder de basistaken vallen onder andere wetenschappelijk onderzoek, de algemene weerberichten, weerwaarschuwingen, de nationale klimaatscenario’s en het onderhouden van het nationale meetnet. Dienstverlening aan decentrale overheden en overheidsbedrijven wordt in beginsel aan de markt overgelaten. In een aantal gevallen wordt gekozen voor een uitzondering hierop door de Minister een rol toe te kennen bij het rechtstreeks leveren van weergerelateerde producten en diensten aan overheidsorganisaties buiten de Rijksoverheid, namelijk:

  • •  wanneer sprake is van incidentele doelgroepspecifieke waarschuwingen voor gevaarlijk of maatschappij-ontwrichtend weer. Voorbeelden zijn de hoogwaterproblemen van januari 2012 in de noordelijke provincies en de extreme droogte in het voorjaar van 2011;
  • •  wanneer sprake is van gerichte verzoeken van de in de veiligheidsregio’s samenwerkende partners in verband met de openbare orde en veiligheid (inclusief preparatie, oefening, nazorg en evaluatie);
  • •  wanneer het KNMI als enige beschikt over de kennis en middelen die nodig zijn voor een specifiek product of dienst;
  • •  wanneer de opdrachtgever uit de aard van zijn werkzaamheden geen gebruik kan maken van niet-ambtelijke opdrachtnemers, zoals in het geval van gerubriceerde (weer)informatie (bijvoorbeeld bij vragen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of ingeval een gerechtelijke procedure aan de orde is).
In de bovenstaande punten gaat het om weerkundige activiteiten die moeten worden uitgevoerd in het kader van een publieke taak van verzoekende overheidsorganisaties. Het vormt enerzijds een invulling van het eerder genoemde vraaggestuurd dienstverlenen en anderzijds een afbakening tussen de activiteiten van de markt en de overheid waarbij bestaande marktverhoudingen worden gerespecteerd. Zowel het Ministerie van Infrastructuur en Milieu als het meteobedrijfsleven hebben er belang bij dat er nieuwe afspraken kunnen worden gemaakt in het Overleg Meteorologie9 – dat onderdeel is van het Overleg Infrastructuur en Milieu (OIM) – en dat deze afspraken ook nageleefd kunnen worden. Een en ander zeker als blijkt dat bepaalde overheidsorganisaties andere behoeften krijgen vanwege ontwikkelingen in de samenleving. Voor deze overheidsorganisaties geldt geen afnameplicht.

Overheidsorganisaties kunnen de Minister verzoeken om toetsing van de weerdienstverlening van marktpartijen (second opinion). Bijvoorbeeld de weerkamer van ProRail omtrent het waarschuwen bij mogelijke ontwrichting van de spoorinfrastructuur, gebaseerd op de dienstverlening door een weerbedrijf. Hierbij treedt het KNMI op als referentie-instituut.

Naast het restrictief omgaan met de keuze aan wie al dan niet weerdiensten kunnen worden verleend, wordt ook de financiering ervan gewijzigd. Voor zowel de dienstverlening buiten de Rijksoverheid die, zoals in deze paragraaf beschreven, wordt beperkt, als de dienstverlening binnen de Rijksoverheid wordt het profijtbeginsel leidend. Dit wil zeggen dat diensten die niet onder de basistaak van de overheid horen, op verzoek en tegen integrale kosten worden verleend.

De Mededingingswet eist op grond van artikel 25i dat ten minste de integrale kosten worden doorberekend bij economische activiteiten van bestuursorganen. Deze kosten worden berekend overeenkomstig het Besluit markt en overheid. Hiermee wordt concurrentievervalsing door de overheid tegengegaan, omdat bestuursorganen producten zouden kunnen leveren die mede tot stand zijn gekomen met publieke middelen. Voor aanvullende dienstverlening met betrekking tot leveringsgaranties en technische bijstand bij het hergebruik van meteorologische data zullen daarom ten minste de integrale kosten worden doorberekend. Daarbij is tevens artikel 25k relevant waarin staat dat overheden de gegevens waar ze over beschikken niet mogen hergebruiken voor andere economische activiteiten. Dat mag alleen als andere organisaties of bedrijven ook (onder dezelfde voorwaarden) over deze gegevens kunnen beschikken. Deze artikelen spelen vooral een rol bij het hergebruik van meteorologische data voor commerciële doeleinden.

In artikel 25h van de Mededingingswet staat dat de eisen van artikel 25i en 25j – doorberekenen integrale kosten – niet gelden in het geval dat bestuursorganen diensten verlenen aan andere bestuursorganen en overheidsbedrijven die zijn bedoeld ter ondersteuning voor het uitvoeren van hun publieke taak. Het gaat hier om maatwerk en niet om de basistaken. Om concurrentievervalsing en inbreuk op bestaande marktverhoudingen buiten twijfel te stellen wordt, ondanks de uitzondering van artikel 25h, voorgesteld om ten minste de integrale kosten in rekening te brengen voor de dienstverlening (m.n. weerkundige) aan decentrale overheden, de rechterlijke macht en overheidsbedrijven. Ook binnen de Rijksoverheid zullen kosten worden doorberekend voor maatwerkproducten. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan het zoveel mogelijk vraaggestuurd opereren bij het uitoefenen van de opgedragen overheidszorg inzake meteorologie en seismologie om zo een optimale en doelmatige inzet van mensen en middelen te bereiken. Bovendien kan door deze wijze van financiering een efficiëntie-bezuiniging worden ingeboekt. Mede in dat kader zal het KNMI een baten- en lastendienst blijven op grond van hoofdstuk 1, paragraaf 2, van de Comptabiliteitswet.

§ 4. Effecten en lasten wetsvoorstel

Het wetsvoorstel brengt geen extra lasten voor het bedrijfsleven met zich mee. Ook nu al moeten overeenkomsten worden opgemaakt over het afnemen van aanvullende diensten door het bedrijfsleven die de overheid niet hoeft uit te voeren voor het goed uitoefenen van de publieke taak. Daarnaast is in het voorstel de al bestaande ontwikkeling ten aanzien van vraaggestuurd werken verder bestendigd en gefaciliteerd.

Op het gebied van het hergebruik van data zal de bestaande wetgeving worden gevolgd (zie 3.1). Het in dat kader deelnemen aan overleggremia door het bedrijfsleven over nieuwe ontwikkelingen binnen de taakopvatting van de overheid op het gebied van de meteorologie vindt plaats op vrijwillige basis.

Het onderhavige voorstel behelst in hoofdzaak een kaderwet die het mogelijk maakt flexibel om te springen met functies op het gebied van meteorologie en seismologie die de overheid in stand wil houden of (kwalitatief) wil garanderen.

4.1 effecten KNMI

Zoals eerder vermeld bestaat er geen intentie om taken bij het KNMI weg te nemen. De activiteitenportefeuille zal in stand gehouden kunnen worden, maar de financiering ervan zal veranderen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen taken die het KNMI voor de Minister uitvoert (basistaken) en taken die op basis van een verzoek van derden worden uitgevoerd (maatwerk).

Het vigerende beleid is dat het KNMI een basisfinanciering ontvangt in de vorm van de agentschapbijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze bijdrage wordt gebruikt voor het leveren van gevraagde basisproducten en -diensten (bijv. algemeen weerbericht, weerwaarschuwingen, het nationale meteorologische meetnet, de nationale klimaatscenario’s en de meteorologische kennisbasis). De Minister van Infrastructuur en Milieu beslist over de aanwending van deze middelen.

Andere overheidsorganisaties kunnen aanvullend hierop maatwerkproducten en -diensten bij het KNMI afnemen. Afnemers van weergerelateerde producten en diensten gaan hiervoor de integrale kostprijs betalen. Met de introductie van een aangepast kostprijsmodel met integrale kostprijzen is het mogelijk om transparantie te bieden in de kosten van de diverse activiteiten van het KNMI.

In het kader van een kleinere overheid uit het regeerakkoord Rutte I is op de agentschapbijdrage van het KNMI vanaf 2018 structureel een efficiencytaakstelling van € 3,5 miljoen ingeboekt. Door het toepassen van het profijtbeginsel (vraagsturing) kan de resterende agentschapbijdrage van ca. € 28,5 miljoen (exclusief aardobservatie) vanaf 2014 structureel nog verder met € 6,5 miljoen worden verlaagd tot ca. € 22 miljoen. Het profijtbeginsel is ingevoerd met ingang van de Voorjaarsnota 2013 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013.

Dit betekent dat publieke opdrachtgevers (afnemers binnen het Ministerie, andere departementen en overheidsorganisaties) vanaf dat moment begonnen zijn te betalen voor activiteiten die niet tot de basistaken van het KNMI behoren.

Deze publieke opdrachtgevers maken een inschatting van de haalbaarheid – financieel maar ook in termen van beschikbare capaciteit – van aanvullende maatwerkopdrachten. De basistaken mogen niet onder een tekort aan middelen leiden. Het leeuwendeel van de operationele dienstverlening valt onder de basistaken van het KNMI. Binnen het Ministerie wordt geborgd dat de dienstverlening efficiënter wordt geleverd, met zo weinig mogelijk verlies aan kwaliteit.

§ 5. Consultatie en advisering

Na eerdere breder bezochte bijeenkomsten, is op donderdag 25 april 2013 het Overleg Meteorologie in vergadering bijeengekomen om het wetsvoorstel te bespreken met belanghebbende organisaties. Vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van WeerBedrijven, de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij, de Unie van Waterschappen en Argoss waren aanwezig tijdens het overleg. De deelnemers gaven aan in te stemmen met de hoofdlijnen van het wetsvoorstel en dat zij graag betrokken willen worden bij de verdere uitwerking van het voorstel in ministeriële regelingen. Hierbij werd onderstreept dat moet worden uitgegaan van het kabinetsstandpunt zoals geformuleerd in de Kamerbrief van 28 maart 2013 ten aanzien van de positionering van het KNMI (Kamerstukken II 2012–2013, 32 379, nr. 8). Naar aanleiding van opmerkingen tijdens de vergadering is deze toelichting verduidelijkt met betrekking tot de relatie markt en overheid (3.2) en de publiek-private samenwerking. De Luchtverkeersleiding Nederland heeft middels een schriftelijke inbreng te kennen gegeven in te stemmen met het wetsvoorstel.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

In dit artikel staan de definities opgenomen die in het wetsvoorstel worden gehanteerd.

Artikel 2

Dit artikel gaat in op het toepassingsbereik van deze wet. De wet is ook van toepassing in de openbare lichamen Sint Eustatius, Saba en Bonaire. De Minister levert diensten aan de luchthavens van de openbare lichamen – in het kader van de Luchtvaartwet BES – en verzorgt voor hen verder vooral basistaken op het gebied van veiligheid (orkanen en vulkanen), klimaatscenario’s en het algemeen weerbericht. De gelden waarmee de basistaken worden gefinancierd zijn afkomstig uit de algemene middelen (agentschapsbijdrage).

Artikel 6, dat betrekking heeft op het doorberekenen van de integrale kosten bij ondersteuning bij de publieke taken op het gebied van meteorologie en seismologie, is niet van toepassing op de dienstverlening van de Minister aan de openbare lichamen voor ondersteuning bij hun publieke taken (artikel 3, eerste lid, onderdeel e). Het doorberekenen van de integrale kosten is gestoeld op afspraken die zijn gemaakt met het meteobedrijfsleven in Europees Nederlandse context. De term «integrale kosten» in artikel 6 wordt gelezen in het kader van het mededingingsrecht dat niet van toepassing is in Caribisch Nederland.10 Er zijn afzonderlijke afspraken gemaakt over de meteorologische dienstverlening met de «Meteorological Department Curaçao» dat ook meteorologische en seismologische diensten voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba verzorgt (m.n. in de Regeling algemeen weerbericht BES). Het ligt niet in de rede, mede vanwege de kleine schaal van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, om de afspraken met betrekking tot de ondersteuning van de openbare lichamen bij hun publieke taken op het gebied van meteorologie en seismologie aan te passen en het voorgestelde artikel 6 toe te passen. Dit laat onverlet dat voor bepaalde dienstverlening het profijtbeginsel zou kunnen worden toegepast door afspraken te maken over de bekostiging. Het wetsvoorstel staat hieraan niet in de weg. Overigens wordt er momenteel zeer beperkt ondersteuning verleend aan de openbare lichamen in het kader van hun publieke taak.11

Artikel 3

Eerste lid

In deze voorgestelde bepaling wordt aan de Minister van Infrastructuur en Milieu de zorg opgedragen om de samenleving van informatie te voorzien met betrekking tot het weer en andere geofysische verschijnselen. Daartoe worden gegevens verzameld door internationale uitwisseling en uit eigen waarneming van geofysische verschijnselen in de dampkring, aan het oppervlak van en in de aarde en in de zee. Deze gegevens worden geïnterpreteerd en bewerkt o.a. door het rekenen met weermodellen op een supercomputer, zodat een algemeen weerbeeld van Nederland kan worden gegeven en informatie kan worden verstrekt die geschikt is voor gebruik door algemeen publiek, deskundigen, onderzoek en beleid. Concreet komen de taken neer op het volgende:

  • •  de beschikbaarstelling aan de samenleving van de algemene weerberichten, waaronder waarschuwingsberichten en berichten bij calamiteiten waarbij het weer een belangrijke rol speelt (onderdeel a en b);
  • •  het vergaren van geofysische data, op het gebied van meteorologie, seismologie en andere geofysische terreinen (bijv. hydrologie en oceanografie) (onderdeel c); denk hierbij bijv. aan het monitoren van ons huidige klimaat;
  • •  het onderhouden van een waarneem- en rekeninfrastructuur in Nederland en de bijbehorende kennis voor het vergaren van de bovengenoemde data (onderdeel d);
  • •  het ondersteunen van overheden, rechterlijke macht (rechtbanken, hoven en andere gerechtelijke organisaties), overheidsbedrijven en Bonaire, St. Eustatius en Saba op het gebied van weer voor de publieke taken die de genoemde organisaties hebben, onder andere bij calamiteiten, kwesties van openbare orde en zaken rond klimaatverandering (onderdeel e);
  • •  onderzoek, gericht op zowel operationele toepassingen van gegevens omtrent geofysische verschijnselen in de dampkring, aan het oppervlak van en in de aarde en in de zee (onder andere in verband met de eigen infrastructuur) als op het vermeerderen van kennis omtrent die verschijnselen (onderdeel f); denk hierbij in het bijzonder aan het onderzoek naar klimaatverandering
  • •  hierbij kan het bovenstaande onderzoek en het vergaren van gegevens ook in opdracht van de Europese Unie of de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) worden uitgevoerd (onderdeel g);
  • •  het beschikbaar stellen van de gegevens die worden vergaard in het kader van de publieke taak, mede in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur en de Implementatiewet EU-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie, waarbij desgewenst overeenkomsten met het meteobedrijfsleven worden aangegaan wanneer extra diensten (bijvoorbeeld aangaande betrouwbaarheid en frequentie van dataleveringen) gewenst zijn. Het gaat hier met nadruk niet om het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek voor marktpartijen (onderdeel h);
  • •  het participeren in internationale samenwerkingsverbanden of intergouvernementele organisaties met name op het gebied van meteorologie (EUMETSAT, ECMWF en de WMO) om de taak van het tijdig waarschuwen te kunnen realiseren (onderdeel i); en
  • •  het verlenen van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie in het kader van de Verordening (EG) 550/2004 ten behoeve van het Europese grondgebied (9, eerste lid, van de verordening) en voor de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba (onderdeel j).

De taken genoemd in artikel 3, eerste lid, zullen hoofdzakelijk worden neergelegd bij en uitgevoerd worden door het KNMI. Het kabinet heeft immers geen voornemen om taken geheel af te stoten naar de markt. Echter, het van tevoren vastleggen van de keuzes ten aanzien van het binnen of buiten het Ministerie van Infrastructuur en Milieu uitvoeren van de individuele activiteiten die onder de reikwijdte van de geformuleerde taakomschrijvingen vallen zou dit voorstel erg complex en rigide maken. Bij elke taak zou op wetsniveau afgewogen moeten worden of het gaat om een taak die onder de directe verantwoordelijkheid van de Minister zou moeten vallen of om een taak die, meer op afstand, via een intermediair kan worden uitgevoerd. Deze afweging is niet noodzakelijk en heeft weinig meerwaarde in het afbakenen van de publieke taken op het gebied van meteorologie en seismologie. Het is onderdeel van een normale bedrijfsvoering om sommige diensten die binnen de publieke taak vallen, via bijvoorbeeld een opdracht of een publiek-private samenwerking uit te voeren. Hierop is dan uiteraard de gangbare aanbesteding- of mededingingregelgeving van toepassing. Ook is het denkbaar dat in de toekomst taken (gedeeltelijk) worden overgedragen aan een internationaal of Europeesrechtelijk ingestelde organisatie. In dat geval blijft de Minister van Infrastructuur en Milieu nationaal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de dienstverlening door middel van een overeenkomst of het beschikbaar stellen van financiële middelen, bijvoorbeeld als het gaat om het financieren van onderzoek of van meetinrichtingen.

Tweede lid

In het tweede lid wordt een delegatiegrondslag voorgesteld om de zorgplichten concreter in te vullen bij ministeriële regeling. Het verlenen van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie is in dit lid uitgezonderd van verdere regeling door de Minister, omdat hiervoor een grondslag wordt opgenomen in de Wet luchtvaart (het in artikel 8 voorgestelde artikel 5.13a, tweede lid, van de Wet luchtvaart). De zorgplicht voor meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie wordt in het eerste lid opgenomen om te benadrukken dat deze diensten een publieke taak behelzen die onder de zorg van de Minister moet vallen. Verder wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8.

In onderdeel a wordt onder meer beoogd te regelen op wat voor manier weerwaarschuwingen en algemene weerberichten beschikbaar worden gesteld en aan welke specificaties zij moeten voldoen (termijn van de weersverwachting en parameters voor waarschuwingen, zoals windsnelheid, tij, golfslag en zonkracht). Tegenwoordig is de meeste berichtgeving continu beschikbaar via openbare media. Algemene weerberichten zijn bedoeld voor de openbare media, maar kunnen soms ook doelgroepgericht zijn, zoals voor de scheepvaart. Voor algemene weerberichten en weerwaarschuwingen worden geen kosten doorberekend aan de afnemer. De Regeling algemeen weerbericht BES zal op deze bepaling gaan rusten.

Het voorgestelde onderdeel b zal bij ministeriële regeling specificeren voor welke ondersteuning door de Minister zorg gedragen zal worden. Het gaat hier om de vier uitzonderingen genoemd in paragraaf 3. Het komt er op neer dat alleen in een aantal specifieke bij ministeriële regeling vastgestelde gevallen ondersteuning wordt gegeven door de Minister van Infrastructuur en Milieu bij de publieke taak van de bestuursorganen, de openbare lichamen, de rechterlijke organisatie en overheidsbedrijven. Voor het overige worden weerkundige diensten aan de markt overgelaten. Ondersteuning vindt slechts plaats voor taken die «bij of krachtens wet» zijn opgedragen, met andere woorden, taken van overheden die zijn gebaseerd op regelgeving. Taken die niet publiekrechtelijk zijn toebedeeld worden niet ondersteund door de Minister. Dienstverlening vindt plaats op verzoek. Er is geen afnameplicht en het uitgangspunt is om zoveel mogelijk vraaggestuurd diensten aan te bieden (zie verder de toelichting bij artikel 6). Voor de Onderzoeksraad voor Veiligheid en de rechterlijke macht bestaat er veelal wel een noodzaak tot het afnemen bij een onafhankelijk referentie-instituut (i.c. het KNMI). Zij maken voor weerverklaringen daarom gebruik van een ambtelijke leverancier. Om deze reden is in dit onderdeel opgenomen dat dienstverlening aan deze organisaties niet geweigerd kan worden. Op verzoek zullen weerverklaringen altijd worden afgegeven, zelfs als de markt daarin zou kunnen voorzien (zie § 3.2).

Het voorgestelde onderdeel c biedt een grondslag voor het stellen van voorwaarden voor het aangaan van samenwerkingsverbanden tussen de overheid en (meteo)bedrijven. Deze samenwerkingverbanden zijn mogelijk als het gaat om de inbreng van unieke kennis en het samen werken aan innovatie, bijv. in het licht van het topsectorenbeleid van de regering. Te denken valt aan een project van bedrijven uit de watersector met het KNMI om in Vietnam de Mekong-delta veiliger te maken. Bij ministeriële regeling worden bijvoorbeeld spelregels gesteld ten aanzien van de exclusiviteit van onderzoeksgegevens, juridische vormgeving van de samenwerking en wanneer sprake is van unieke kennis.

Onderdeel d biedt een grondslag voor het reguleren van het «open databeleid» van de overheid. Volgens dit beleid moeten meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens die worden geproduceerd in het kader van de overheidszorg, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar worden gemaakt. Aanvullend eist de Implementatiewet EU-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie ook verstrekking van data (zie verder § 3). Bij ministeriële regeling zal worden vastgesteld dat de voor hergebruik beschikbare gegevens worden opgenomen in een catalogus. Aan de hand van de catalogus wordt het bedrijfsleven geïnformeerd met betrekking tot de producten die in het kader van de publieke taak worden geproduceerd. Voor hen is het belangrijk om te weten welke nieuwe (bewerkte en onbewerkte) gegevens worden aangeboden zodat zij zich kunnen aanpassen aan de gewijzigde dienstverlening van de overheid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de manier van informeren.

Het is de bedoeling dat significante wijzigingen in het aanbod van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens een redelijke periode van tevoren kenbaar zullen worden gemaakt bij het (meteo)bedrijfsleven. Alle deelnemers aan het reguliere overleg tussen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en alle afnemers van meteorologische data (het zogenaamde providersoverleg) worden tijdig en periodiek geïnformeerd over nieuwe (technologische) ontwikkelingen die in de toekomst van invloed zijn op de open data en de opname daarvan in de in paragraaf 3 genoemde catalogus. Partijen kunnen op basis hiervan voorbereidselen treffen wanneer het beschikbaar stellen van nieuwe datasets invloed heeft op bestaande verdienmodellen.

Bij het beschikbaar stellen van gegevens voor hergebruik kan aanvullende dienstverlening worden aangeboden. Met «aanvullende dienstverlening» worden de zogenaamde «service level agreements» bedoeld. Bedrijven kunnen naast de verstrekking op grond van het «open databeleid» ook aanvullende dienstverlening overeenkomen. Het zal dan met name gaan om leveringsgaranties en technische ondersteuning bij datalevering. Hiervoor worden overeenkomstig de Mededingingswet de integrale kosten in rekening gebracht.

Derde lid

Ten slotte kan de Minister van Infrastructuur en Milieu nadere regels stellen naar aanleiding van internationale of Europese verplichtingen.

Artikel 4

Onderzoek naar weer, klimaat en aardbevingen, technologische ontwikkelingen, een uitbreiding of juist een inperking van (meet)activiteiten worden zichtbaar gemaakt in een vierjaarlijks activiteitenprogramma. De zorgplichten die worden opgesomd in artikel 3, eerste lid, zullen veelal vraaggestuurd worden ingevuld, door de Minister van Infrastructuur en Milieu voor de basistaken en door de opdrachtgevers voor het maatwerk. Door middel van het programma kan in de juiste capaciteit en begroting worden voorzien voor de uit te voeren projecten of dienstverlening. Het programma kan tussentijds worden geactualiseerd. Voor de betreffende producten en diensten wordt een transparante orderportefeuille van het KNMI uitgebracht in de vorm van een openbaar jaarlijks werkprogramma, gebaseerd op het activiteitenprogramma.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de voorbereiding, inrichting en inhoud van het programma. Dit gaat bijvoorbeeld over regels omtrent het tijdig consulteren van betrokken (internationale) meteorologische organisaties en het indelen van het plan in bijvoorbeeld gedeelten voor kort- en langdurige projecten, financiële middeleninzet voor onderzoek en weerproducten.

Artikel 5

Dit artikel richt zich op het borgen van het wetenschappelijk niveau en de onafhankelijkheid van het onderzoek dat door de overheid wordt gedaan naar geofysische verschijnselen in de dampkring (weer en klimaat), aan het oppervlak van en in de aarde (aardbevingen) en in de zee (oceanografie), zowel als bijdrage aan de internationale kennisinfrastructuur als in verband met de eigen werkprocessen. De spanning tussen de onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd door het KNMI en de ministeriële verantwoordelijkheid voor het KNMI wordt weggenomen doordat de Minister geen aanwijzingen geeft met betrekking tot het doen van onderzoek en het rapporteren en publiek maken van onderzoeksresultaten, net als dat bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu het geval is.

Een raad van toezicht (ten dele een voortzetting van de huidige KNMI-Raad), waarin naast Nederlandse wetenschappers en deskundigen op het gebied van technologie en innovatie, ook internationale vertegenwoordigers een plek hebben, zal de wetenschappelijke kwaliteit en onafhankelijkheid bewaken.

De Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt leden voor een periode van vier jaren. Onder deze leden zijn ten minste wetenschappers die deskundig zijn op het gebied van wetenschappelijk onderzoek op het terrein van meteorologie en seismologie, maar ook andere terreinen zijn relevant, zoals oceanografie.

De raad van toezicht beoordeelt de meteorologische en seismologische productieprocessen onder verantwoordelijkheid van de Minister op wetenschappelijke merites. Dat wil zeggen dat wordt gekeken of bij het maken van een product of dienst, indien van toepassing, gebruik is gemaakt van algemeen geaccepteerde wetenschappelijke methodes. Voor het deel wetenschappelijk onderzoek ligt het voor de hand aan te sluiten bij het Standaard Evaluatie Protocol (SEP) van de universiteiten. Verder kan de raad van toezicht gebruik maken van audits of internationale vergelijkingsonderzoeken (benchmarks). Zo wordt de kwaliteit onafhankelijk en objectief beoordeeld. De beoordeling betreft uitsluitend producten die door of in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu tot stand zijn gekomen en niet producten die buiten de zeggenschap van de Minister om worden voortgebracht. Uit de zorgplicht van de Minister om te zorgen voor onder andere onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek en adequate weerwaarschuwingen vloeit voort dat de Minister zal zorgen dat de raad deze producten goed kan beoordelen.

Het gaat niet om een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges. Er wordt geen beleidsadvies gegeven, maar slechts toegezien op de wetenschappelijke kwaliteit van de productieprocessen van het KNMI die onder de zorg van de Minister worden uitgevoerd. De bestuurlijke relevantie en bruikbaarheid van producten worden niet door deze raad getoetst. Daarbij zal de raad zich niet buigen over de bedrijfsvoering.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de deskundigheid van de leden, de vergoeding die zij voor hun werk ontvangen en de manier waarop zij worden benoemd en ontslagen. Daarnaast kan worden geregeld wanneer zij rapporteren en hoe deze rapporten ter inzage worden gelegd.

Artikel 6

De overheid heeft een rol in het waarschuwen van het publiek voor extreme weeromstandigheden. Het is belangrijk dat er met één stem wordt gesproken als het gaat om dit soort berichtgeving. In dat licht heeft de Minister op grond van het voorgestelde artikel 3 mede de zorg om Ministeries, decentrale overheden (waaronder Caribisch Nederland), de rechterlijke organisatie en overheidsbedrijven desgevraagd te ondersteunen op het terrein van meteorologie, seismologie of andere geofysische terreinen bij de uitvoering van hun publieke taak. Zoals in paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting is uiteengezet is hoofdstuk 4b van de Mededingingswet niet van toepassing op de ondersteuning van bestuursorganen bij het uitoefenen van hun publieke taak. Echter, uitgangspunt is dat de overheid zo min mogelijk in bestaande marktverhoudingen treedt en deze niet verstoort. Om deze reden wordt in dit artikel als stelregel gehanteerd dat ten minste integrale kosten worden doorberekend aan bestuursorganen en overheidbedrijven. Dit artikel vormt een invulling van de ruimte die artikel 25h van de Mededingingswet laat voor bestuursorganen om geen gebruik te maken van deze uitzondering bij het verrichten van economische activiteiten.

Het tweede lid verklaart de bepalingen uit de Mededingingswet die betrekking hebben op het vaststellen van de integrale kostprijs van overeenkomstige toepassing op het doorberekenen van kosten voor weergerelateerde maatwerkproducten aan overheidsorganisaties buiten het Rijk. Het Besluit markt en overheid moet hierbij worden gevolgd. Hiertoe heeft het KNMI in overleg (vrijwillige audit) met de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een kostprijsmodel ontwikkeld. De ACM heeft geen toezichtrol met betrekking tot het toetsen of de integrale kostprijs correct is berekend. De Minister van Infrastructuur en Milieu wordt verantwoordelijk gesteld voor het uitvoeren van de bepaling. Binnen het Rijk zullen de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer toezien op de rechtmatigheid van de kostprijsbepaling.

In paragraaf 2 is aangestipt dat ook binnen de Rijksoverheid ten minste de integrale kosten in rekening worden gebracht voor weergerelateerde producten en diensten; echter, dit wordt niet in dit artikel geregeld, maar op ministerieel niveau geborgd. Het behoort tot de interne huishouding van de Staat (hier wordt de Staat der Nederlanden als rechtspersoon bedoeld). Het gaat dan met name om het doorberekenen van kosten wanneer er vanuit het KNMI informatievoorziening en dienstverlening plaatsvindt aan Ministeries als Defensie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (vanwege het RIVM), de rechterlijke organisatie of aan onderdelen binnen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Volledigheidshalve kan worden genoemd dat de tarieven voor het beschikbaar stellen van meteorologische, seismologische en andere geofysische gegevens krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (maximaal de marginale verstrekkingskosten) of eventueel krachtens de Implementatiewet EU-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie worden vastgesteld.

Voor het genereren van zulke gegevens op grond van een overeenkomst voor aanvullende dienstverlening (service level agreement) voor decentrale overheden of overheidsbedrijven worden ten minste de integrale kosten doorberekend (Wet markt en overheid).

Bonaire, St. Eustatius en Saba vallen buiten deze regeling en de Mededingingswet is niet op hen van toepassing. In de aanhef van het artikel worden zij dan ook niet genoemd. Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.

Verder kan nog worden genoemd dat dit artikel niet ziet op het doorberekenen van de integrale kosten voor de samenwerking met Europese of internationale meteorologische partners, zoals de WMO of EUMETSAT.

Artikel 7

Artikel 7 wijzigt de Ambtenarenwet en regelt dat de leden van de raad van toezicht geen ambtenaren zijn. Zij zouden dan immers onder de Minister ressorteren wat onafhankelijkheid wellicht problematisch maakt.

Artikel 8

Dit artikel heeft tot doel de Wet luchtvaart te wijzigen. Voorgesteld wordt om artikel 8 van de Wet op het KNMI materieel in de Wet luchtvaart onder te brengen. Wat betreft luchtvaartmeteorologie vloeien uit de mondiale (Verdrag van Chicago) en Europese regelgeving eisen voort die implementatie in regelgeving behoeven. Het bepalen en vaststellen van de te verstekken luchtvaartmeteorologische dienstverlening die Nederland in het kader van de internationale luchtvaartnavigatie moet verlenen behoeft een wettelijke basis. De wettelijke basis is noodzakelijk ten opzichte van derden, omdat het om een exclusieve levering gaat. Het gaat hier onder meer om het aanwijzen op exclusieve basis van een meteorologisch dienstverlener op grond van regelgeving van het FABEC-verdrag (Functional Airspace Block Europe Central).

In de huidige wet op het KNMI wordt het KNMI expliciet aangewezen (art. 8 van die wet). Deze wettelijke aanwijzing van het KNMI wordt geschrapt en vervangen door een ministeriële aanwijzing, maar heeft niet als consequentie dat het KNMI geen meteorologische diensten meer verleent voor de luchtvaart. Het voornemen blijft om het KNMI exclusief aan te wijzen als verlener van luchtvaartmeteorologische diensten net als nu het geval is. Hoewel er in strikte zin geen onoverkomelijke technische of juridische beletselen zijn om via aanbesteding luchtvaartmeteorologische dienstverlening elders te positioneren, geven analyse en uitwerking van de relevante aspecten onvoldoende legitimatie voor de conclusie dat luchtvaartmeteorologische dienstverlening beter door een andere partij dan het KNMI kan worden uitgevoerd. Bovendien is het vooralsnog niet wenselijk gezien de (operationele) risico’s wanneer wordt overgestapt op een andere provider, onder meer op het gebied van veiligheid, continuïteit en capaciteit. Tevens wijzen ontwikkelingen binnen de «Single-European-Sky»-regelgeving en FABEC eerder op consolidatie van providers. Verwezen wordt naar de Kamerbrief van 28 maart 2013 (Kamerstukken 2012–2013 32 379, nr. 8). Door de aanwijzing op ministerieel regelingsniveau te leggen hoeft bij een eventuele wisseling van de aangewezen meteorologische dienstverlener niet opnieuw de wet te worden gewijzigd bij veranderingen in internationale of Europese regels.

De reden om de meteorologische dienstverlening voor de luchtvaart in de Wet luchtvaart te regelen is omdat deze wet op basis van Europese regelgeving de luchtvaartnavigatiediensten reguleert. De meteorologische dienstverlening maakt hier onderdeel van uit, tezamen met de luchtverkeerleiding. In een invoeringsregeling zal worden geregeld dat de Regeling luchtvaartmeteorologische dienstverlening na inwerkingtreding van dit artikel zal berusten op artikel 5.13a, derde lid, van de Wet luchtvaart en niet meer op het hierbij ingetrokken artikel 8b van de Wet op het KNMI.

B

Het voorgestelde onderdeel B breidt het toepassingsbereik van de Wet luchtvaart uit naar het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor zover het gaat om de aanwijzing van een verlener voor meteorologische diensten en de mogelijkheid dat deze aangewezen verlener gebruik maakt van een derde partij bij de uitvoering van zijn taken. De overige artikelen van hoofdstuk 5 zijn niet van toepassing op de BES omdat zij dan wel te specifiek op het vluchtinformatiegebied Amsterdam gericht zijn, dan wel voortvloeien uit Europese verplichtingen die niet op de BES van toepassing zijn.

De Luchtvaartwet BES en de daarop gebaseerde regelgeving biedt voor het overige het regelgevende kader omtrent luchtvaartmeteorologische diensten op de BES. De aanwijzingsbevoegdheid en de uitbestedingsmogelijkheid zijn niet in de Luchtvaartwet BES opgenomen om te voorkomen dat een versnippering zou ontstaan met betrekking tot de verlening van luchtvaartmeteorologische diensten. Bovendien is het streven op termijn de Luchtvaartwet BES te integreren in de Wet luchtvaart. De opname van de aanwijsbevoegdheid en de uitbestedingsmogelijkheid anticipeert hier op.

C

Onderdeel C maakt duidelijk dat titel 5.2 niet enkel op de verlening van luchtverkeersdiensten ziet, maar op de verlening van alle luchtvaartnavigatiediensten. Deze laatste omvat namelijk naast luchtverkeersdiensten tevens communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten, meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie en luchtvaartinlichtingendiensten. De overige artikelen van deze titel die over luchtvaartnavigatiediensten spreken, zoals artikel 5.14d inzake de certificeringsplicht of artikel 5.20 inzake vergoedingen, zijn automatisch al van toepassing op het verlenen van meteorologische inlichtingen voor de luchtvaartnavigatie.

E

De luchtvaartnavigatiedienstenverordening biedt lidstaten expliciet de mogelijkheid om een verlener van luchtvaartmeteorologische diensten exclusief aan te wijzen. Tot op heden werd het KNMI in de Wet op het KMNI exclusief aangewezen. Gelet op de veiligheidsaspecten die verbonden zijn aan het verschaffen van deze inlichtingen is ervoor gekozen om de aanwijzing van het KNMI voort te zetten. Onderdeel E maakt het mogelijk dat de Minister een verlener voor meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie aanwijst voor het vluchtinformatiegebied Amsterdam en voor het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het eerste geval moeten de aanwijzing en de verlener voldoen aan de vereisten die hiervoor op basis van de Europese «Single-European-Sky» verordeningen en met name de luchtvaartnavigatiedienstenverordening gelden. De voornaamste eis is dat de verlener gecertificeerd moet zijn. In het tweede geval gelden de eisen die bij of krachtens de Luchtvaartwet BES gesteld worden. Door het toekennen van deze aanwijzingbevoegdheid aan de Minister wordt tevens duidelijk dat de Minister de administratieve autoriteit, als bedoeld in de regelgeving van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), is namens wie de meteorologische diensten verstrekt worden. Het tweede lid biedt de grondslag voor het stellen van nadere regels omtrent de taken van de aangewezen verlener binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam en binnen het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en vervangt de delegatiegrondslag zoals die was opgenomen in de Wet op het KNMI. De nadere regels omvatten onder meer de wijze waarop de luchtvaartmeteorologische inlichtingen worden verstrekt, regels inzake de inhoud van deze inlichtingen, de luchtvaartterreinen waarop de beschikbaarstelling betrekking heeft, de perioden van beschikbaarstelling en de categorieën van gebruikers en zijn opgenomen in de Regeling meteorologische inlichtingen en de Regeling meteorologische inlichtingen BES. Deze regelingen worden geacht gebaseerd te zijn op het voorgestelde artikel 5.13a, tweede lid.

Gelet op de verantwoordelijkheid die de Minister van Defensie binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam12 heeft voor het verlenen van luchtverkeersdiensten, wordt de aanwijzing van de meteorologische dienstverlener en de ministeriële regeling opgesteld in overeenstemming met de Minister van Defensie. Voor wat betreft de regeling was de instemming van de Minister van Defensie ook in de huidige situatie al noodzakelijk.

F

Onderdeel F maakt duidelijk dat in een functioneel luchtruimblok niet alleen de verleners van luchtverkeersdiensten maar ook de verleners van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie in gezamenlijkheid met de betrokken staten van het functioneel luchtruimblok kunnen worden aangewezen.

G

Op basis van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening mogen aangewezen dienstverleners bij het uitvoeren van hun taken gebruik maken van andere dienstverleners, mits de betrokken lidstaat hiermee instemt en aan een aantal voorwaarden is voldaan zoals het beschikken over een certificaat. Ook verleners van luchtvaartmeteorologische diensten kunnen onder dezelfde voorwaarden hun taken uitbesteden. Hoewel de luchtvaartnavigatiedienstenverordening niet van toepassing is op de BES, is uitbesteding ook daar toegestaan. Het onthouden van instemming voor de uitbesteding wordt daar echter niet gekoppeld aan het certificaat, maar aan het kunnen voldoen aan de door Minister opgestelde regels.

Artikel 9

Dit artikel bevat een technische wijzigingen vanwege het intrekken van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. Het bij name noemen van het KNMI in de wet is niet meer nodig. Op grond van artikel 44 van de Grondwet legt de Minister van Infrastructuur en Milieu de opgedragen taak bij de aangewezen dienst neer die onder het eigen departement ressorteert.

Artikel 10

Dit artikel voorziet in een periodieke evaluatie van de voorgestelde wettelijke regeling net zoals dit het geval is in de huidige Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.

Artikel 12

De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geschiedt bij koninklijk besluit.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld

Noot 1: Kamerstukken II 32 379, 2009–2010, nr. 2.

Noot 2: Kamerstukken II 31 534, 2008–2009, nr. 2.

Noot 3: Kamerstukken II 32 379, 2011–2012, nr. 7.

Noot 4: Kamerstukken II 2012–2013, 32 379, nr. 8.

Noot 5: Kamerstukken II 2012–2013, 32 379, nr. 8.

Noot 6: Kamerstukken II 32 379, 2009–2010, nr. 2

Noot 7: Richtlijn 2013/37/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PbEU L 175/1).

Noot 8: Het «Open Government Partnership» is een wereldwijd samenwerkingsverband van landen die maatregelen willen nemen om de overheid meer open en transparant te maken richting burger. Het is in 2011 gestart met de VS, het VK, Indonesië, Brazilië, Mexico, Noorwegen, de Filippijnen en Zuid-Afrika. Inmiddels participeren al bijna 60 landen.

Noot 9: Dialoog met de samenleving is een kernwaarde in de bestuursfilosofie van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Participatie van maatschappelijke organisaties is essentieel voor het benutten van beschikbare expertise en denkkracht bij beleid in wording. Daarvoor heeft IenM een vast en wettelijk verankerd platform: Overleg Infrastructuur en Milieu (OIM).

Noot 10: Zie de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Noot 11: Advies bij een dreigende orkaan.

Noot 12: Joint Meteo Groep van de Koninklijke Luchtmacht.