Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2013-2014

M

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 april 2014

Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de evaluatie van de verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten1.
Deze evaluatie is uitgevoerd naar aanleiding van de toezegging van de Minister-president tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 7 december 2010 dat de effecten van de btw-verhoging op podiumkunsten zullen worden gemonitord.2
Nadat de podiumkunsten weer onder het verlaagde btw-tarief zijn komen te vallen heeft het Kabinet aanvankelijk in haar brief van 18 september 2012 aangegeven dat de evaluatie niet meer opportuun is en daarom niet zal plaatsvinden.3 Daarop heeft de vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer in de brief van 5 oktober 2012 aangegeven van mening te zijn dat een onderzoek naar de effecten van het verhoogde btw-tarief op de podiumkunsten en beeldende kunsten alsnog passend en dienstig zou zijn. In de brief van 26 oktober 2012 heeft het kabinet aangegeven bereid te zijn de evaluatie te ondernemen.4

De evaluatie bevat een analyse van het effect van de verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten van het verlaagde tarief naar het algemene tarief in de periode van 1 juli 2011 tot 1 juli 2012

Uit de analyse blijkt dat sinds het uitbreken van de crisis in 2008 het aantal bezoekers aan podiumkunsten bij verschillende podia daalt. De analyse richt zich daarom voornamelijk op de vraag of in de periode dat het algemene tarief van toepassing was, de ontwikkeling van het aantal bezoekers een additionele negatieve afwijking van deze dalende trend laat zien.

Een belangrijke factor die het vaststellen van het effect van de btw-verhoging op podiumkunsten bemoeilijkt, is de relatief korte periode dat het algemene tarief van toepassing is geweest. Effectief heeft die periode één jaar geduurd, van 1 juli 2011 tot 1 juli 2012. Op 26 april 2012 is, na het tot stand komen van het begrotingsakkoord, bekend gemaakt dat de podiumkunsten weer onder het verlaagde tarief zouden komen, waardoor de tariefsverhoging «slechts» 10 maanden onvoorwaardelijk is geweest.

Uitkomst van de analyse is dat in de periode waarin het algemene tarief van toepassing is geweest de bezoekersaantallen in geen van de geanalyseerde gevallen een additionele negatieve afwijking van de trend laten zien. Op basis van deze waarnemingen is het aannemelijk dat de btw-verhoging op de korte termijn slechts beperkt effect heeft gehad op het aantal bezoekers aan de podiumkunsten, en moet de verklaring voor de daling vooral worden gezocht in dezelfde factoren die reeds de daling in de voorgaande jaren hebben veroorzaakt.

Dat de btw-verhoging niet direct heeft geleid tot een additionele afname van het aantal bezoekers kan mogelijk worden verklaard door de korte periode dat het algemene tarief van toepassing is geweest, en door het ondernemerschap van de podia en/of gezelschappen.

Wat de lange termijn effecten van een structurele tariefsaanpassing zouden zijn geweest kan niet uit deze evaluatie worden afgeleid, gegeven de korte periode dat het algemene tarief van toepassing is geweest. Bij invoering van het algemene tarief was aangegeven dat rekening werd gehouden met een daling van 3,9 procent op de korte termijn, en de daling van 4,5 procent op de langere termijn. Het valt niet uit te sluiten dat als het algemene tarief voor een langere periode van toepassing was geweest dit effect zich had voor gedaan.

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Noot 1: Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 154880.

Noot 2: Handelingen I 2010/11, nr. 10, blz. 73–74

Noot 3: Kamerstukken I 2012/13, 33 400 IX, A

Noot 4: Kamerstukken I 2012/13, 33 400 IX, C