Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 278

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 januari 2016

Het primair en voortgezet onderwijs leggen de basis voor de toekomst van onze kinderen. Dit funderend onderwijs helpt leerlingen om competente, creatieve, verantwoordelijke en kritisch denkende volwassenen te worden. Het helpt leerlingen bij het ontdekken van hun talenten en later bij de keuze van een vervolgstudie of een beroepsopleiding. Het leert jonge volwassenen om straks een actieve bijdrage te leveren aan onze pluriforme samenleving en economie. Goed onderwijs gaat mee met zijn tijd en speelt in op een veranderende wereld. Daarbij rijst de vraag of we de kinderen die nu in de kleuterklas zitten nog wel de juiste dingen leren om zich voor te bereiden op 2032 – het jaar waarin ze hoogstwaarschijnlijk hun opleiding afronden en op eigen benen moeten staan.

Het is niet te voorspellen hoe de wereld er in 2032 uitziet. Maar er zijn wel ontwikkelingen waarvan we weten dat we er rekening mee moeten houden. Zo gaat technologische vooruitgang steeds sneller. Uit een recent rapport van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) blijkt dat door verregaande digitalisering en robotisering op termijn veel van de bestaande banen zullen verdwijnen en er nieuwe beroepen voor in de plaats komen.1 Ook zien we dat nieuwe bedrijven exponentieel groeien, maar eveneens snel weer om kunnen vallen. Een baan voor het leven behoort daarmee ook vaak tot het verleden. Dit vraagt van mensen – meer dan vroeger – flexibiliteit, vindingrijkheid en bovenal het vermogen om een leven lang te blijven leren. Door al op jonge leeftijd op school het plezier van leren te ontdekken en te ontwikkelen worden onze kinderen leerlingen voor het leven.
Om de uitdagingen van deze eeuw goed aan te kunnen, hebben leerlingen, naast een stevige kennisbasis, creativiteit, kritisch denkvermogen en een ondernemende houding nodig. Die vaardigheden zijn niet in een algoritme te vangen, maar ze worden wel steeds belangrijker, zo constateert ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De kleuters van vandaag zijn in de toekomst immers niet alleen consument van de veranderende wereld, maar geven er ook mede vorm aan. Leraren dragen bij aan de identiteitsontwikkeling van leerlingen en helpen ze hun persoonlijke drijfveren en ambities te ontdekken en te ontwikkelen. Ze leren reflecteren op wat ze van waarde vinden en hoe ze daar alleen of met elkaar invulling aan kunnen geven. Goed onderwijs helpt kinderen om op verschillende manieren problemen op te lossen en leert ze de sociale vaardigheden om met andere mensen om te kunnen gaan, ze te overtuigen en met ze te onderhandelen.2 Kinderen leren in het funderend onderwijs namelijk niet alleen om zelfstandig in de wereld te staan, maar ook om verantwoordelijkheid te nemen in een samenleving die gekenmerkt wordt door een toenemende diversiteit.
Tegen deze achtergrond heb ik met de brief «Toekomstgericht funderend onderwijs» in november 2014 het startsein gegeven voor een inhoudelijke koersbepaling voor het curriculum in het primair en voortgezet onderwijs.3 Om deze discussie gericht te kunnen voeren en hierbij zoveel mogelijk mensen te kunnen betrekken is het Platform Onderwijs2032 in het leven geroepen. Dit platform kreeg de opdracht mee om op basis van een brede maatschappelijke dialoog, wetenschappelijke inzichten en internationale vergelijkingen tot een samenhangende en gedragen visie op een toekomstgericht curriculum voor het funderend onderwijs te komen.4 Het platform heeft het advies nu afgerond. Op dit advies – dat ook als bijlage is toegevoegd5 – reageer ik in deze brief. Ik hanteer hierbij de volgende uitgangspunten:
  • •  Geen revolutie maar evolutie: Een vernieuwing van het curriculum in het funderend onderwijs betekent niet dat het hele onderwijs op de schop hoeft. Een belangrijk deel van het huidige curriculum blijft ook voor de lange termijn onverminderd relevant.
  • •  Regie en eigenaarschap: Veel leraren en scholen zijn al volop bezig met curriculumvernieuwing. Het is zaak op deze beweging voort te bouwen door eigenaarschap en regie, meer dan nu, bij de leraar en de school te leggen en te vertrouwen op hun motivatie om continu te verbeteren.
  • •  Richting en ruimte: Door duidelijker te omschrijven wat de leerling moet kennen en kunnen, is de leraar beter in staat om in te spelen op de behoeften van leerlingen en wordt hij minder afhankelijk van de standaard lesmethoden. Door het curriculum integraal te benaderen en minder op basis van incidenten te vernieuwen, wordt daarnaast de samenhang binnen het curriculum vergroot en overladenheid voorkomen.
  • •  Pluriformiteit en diversiteit: Deze vernieuwing moet niet leiden tot eenvormigheid. Het is juist een kans om de pluriformiteit en diversiteit die ons stelsel zo kenmerken te versterken, zodat leerlingen en ouders kunnen kiezen voor de school en het onderwijs dat het beste bij hen past.
  • •  Realistisch tijdpad: De vernieuwing van het curriculum vraagt om een zorgvuldig proces, waarbij de randvoorwaarden in termen van ondersteuning en professionalisering op orde moeten zijn. Deze vernieuwing is daarom ook een zaak van de lange adem. Het zal meer dan één kabinetsperiode vergen om het tot een succes te maken.

Waar in deze brief over het curriculum wordt gesproken, worden de landelijk vastgelegde kerndoelen, eindtermen (in het voortgezet onderwijs) en referentieniveaus bedoeld. De school stelt binnen deze kaders een onderwijsprogramma samen dat optimaal aansluit bij zijn visie en de behoeften van leerlingen, ouders en de omgeving van de school. De leraar vertaalt dit onderwijsprogramma naar goed onderwijs in de klas en maakt hierbij de keuzes die nodig zijn om in te spelen op de individuele behoeften van leerlingen.

1. Advies van het Platform Onderwijs2032

Veel belangstellenden – van leraren tot wetenschappers, van leerlingen tot maatschappelijke organisaties – zijn de afgelopen maanden het gesprek over de inhoud van ons primair en voortgezet onderwijs met het Platform Onderwijs2032 aangegaan. Tijdens honderden debatten over de toekomst van het onderwijs bij symposia, onderwijsmanifestaties en andere bijeenkomsten stond de vraag centraal wat kinderen nu moeten leren om straks goed op de toekomst en het vervolgonderwijs te zijn voorbereid.

Naast fysieke bijeenkomsten is ook een scala aan schriftelijke bijdragen geleverd: van honderden whitepapers tot duizenden bijdragen op de sociale media. Van pleidooi tot manifest. Tienduizenden tweets, posts, Facebook-berichten en het grote aantal aanwezigen bij de talloze bijeenkomsten onderstrepen het belang dat velen – zowel binnen als buiten het onderwijs – hechten aan het realiseren van toekomstgericht onderwijs. Deze positieve energie heeft ervoor gezorgd dat we kunnen terugblikken op een zeer succesvolle dialoog waarin de deelnemers elkaar vaak op de inhoud wisten te vinden.

De rode draden uit de dialoog zijn getoetst aan, en verrijkt met, relevante wetenschappelijke evidentie en maatschappelijke ontwikkelingen uit binnen- en buitenland. Zo is door het platform – in samenwerking met het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO) – gekeken naar de wijze waarop leerlingen leren, de effecten van het curriculum op leerlingmotivatie en de mate waarin leerlingen het huidige curriculum beheersen. Daarnaast heeft de OESO ten behoeve van het platform een reeks papers uitgebracht over toekomstgerichte kennis en vaardigheden voor leren en werken, het belang van aandacht in het onderwijs voor maatschappelijke toerusting en persoonsvorming en trends in «curriculumontwerp».

Bij het opstellen van het advies ging de aandacht van het platform ook uit naar het buitenland, waar het zich liet inspireren door goede voorbeelden uit andere landen. Zo onderstreepten de Schotten en de Finnen het belang van een breed gedragen debat en een collectieve visie op de opdracht van het onderwijs om daadwerkelijk een verandering in het onderwijsaanbod op gang te brengen. De ervaringen met curriculumvernieuwing in Canada bevestigden het beeld dat de rol van leraren cruciaal is in het vervolgproces. Pas als de beroepsgroep in staat is om in de praktijk handen en voeten aan het onderwijsaanbod te geven, is de vernieuwing geslaagd.

Op 1 oktober 2015 heeft het platform de eerste hoofdlijnen uit het advies gepresenteerd. In verschillende bijeenkomsten en gesprekken is getoetst of deze hoofdlijnen herkend en gedeeld werden. Deze gesprekken lieten zien dat de vele deelnemers aan de dialoog zich herkenden in de voorlopige uitkomsten. Op basis van deze consultatieronde heeft het platform het advies verder uitgewerkt tot het eindadvies dat vandaag is gepresenteerd.

1.1. Het advies van het platform op hoofdlijnen

Het platform stelt voor om tot een kerncurriculum voor zowel het primair als het voortgezet onderwijs te komen dat bestaat uit een vaste basis van essentiële kennis en vaardigheden die iedere leerling moet leren beheersen. In dit curriculum is een beter evenwicht nodig tussen de drie doelen van het onderwijs: kennisontwikkeling, persoonsvorming en maatschappelijke toerusting. Door de kern duidelijker af te bakenen ontstaat in het onderwijsaanbod naast het kerncurriculum meer ruimte voor verdieping en verbreding.

In het advies van het platform behoren de volgende kennis en vaardigheden tot dit kerncurriculum:

  • •  Nederlands: Om volwaardig te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving is een goede beheersing van het Nederlands onmisbaar. Leerlingen hebben het Nederlands ook nodig om zich andere kennis en vaardigheden eigen te maken.
  • •  Engels: Om toegang tot de wereld te krijgen, om goed te kunnen communiceren en te leren samenwerken in een internationale context is een goede beheersing van het Engels van groot belang. Daarvoor is het nodig het aanbod in het primair onderwijs te intensiveren en de aansluiting met het voortgezet onderwijs te verbeteren.
  • •  Rekenen en wiskunde: Rekenvaardigheid en wiskunde zijn niet alleen nodig om een opleiding te kunnen volgen of om goed te presteren in een beroep. Iedereen heeft er elke dag profijt van, bijvoorbeeld bij het reizen met het openbaar vervoer of in de supermarkt. Onderdeel van rekenvaardigheid is ook dat kinderen leren hoe ze verantwoord met geld kunnen omgaan, zodat zij optimaal worden voorbereid op hun financiële zelfstandigheid.
  • •  Digitale geletterdheid: Het werken en leren in de digitale wereld behoort tot de kern van toekomstgericht onderwijs. Dat betekent dat leerlingen ICT-basiskennis opbouwen, informatievaardigheid ontwikkelen, mediawijs worden en leren begrijpen hoe informatietechnologie werkt (computational thinking). Dit betreft niet alleen het gebruik van computers en ICT als consument, maar ook als producent.
  • •  Burgerschap: Burgerschap krijgt een prominentere positie in de vaste kern van het onderwijsaanbod. Het gaat hierbij om kennis van de werking en van het belang van de democratische rechtsstaat, de ontwikkeling van sociale vaardigheden en omgangsvormen, kennis van de betekenis van mensenrechten en het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid.
  • •  Kennis van de wereld: De verschillende vakdisciplines dragen ieder op hun eigen wijze bij aan de kennisbasis en vaardigheden die leerlingen nodig hebben voor hun vervolgopleiding en hun deelname aan de samenleving. Tegelijkertijd zijn er raakvlakken tussen verwante disciplines in de concepten die ze onderzoeken en de (denk-) instrumenten die ze daarbij gebruiken. Om deze samenhang te benutten en het onderwijs voor leerlingen meer betekenisvol te maken, stelt het platform voor de kennisbasis uit te werken in de volgende drie interdisciplinaire kennisdomeinen:
    • −  Mens en Maatschappij: Leerlingen leren om zowel vanuit historisch, geografisch als politiek, economisch en maatschappelijk perspectief naar de samenleving te kijken.
    • −  Natuur en Technologie: Leerlingen ontwikkelen een solide basiskennis om natuurwetenschappelijke en technische verschijnselen te begrijpen en te onderzoeken.
    • −  Taal en Cultuur: Leerlingen krijgen inzicht in verschillende culturen en de wijze waarop die tot uitdrukking komen in taal en kunst. Ze maken kennis met diverse kunstvormen zoals literatuur, muziek en theater, leren hierop te reflecteren en er vanuit hun eigen verbeelding aan bij te dragen.
  • •  Vakoverstijgende vaardigheden: De samenleving en de arbeidsmarkt doen een steeds groter beroep op de beheersing van vaardigheden die niet zijn gebonden aan een specifiek vak. De volgende vijf vakoverstijgende vaardigheden behoren tot de vaste basis voor alle leerlingen: samenwerken, kritisch denken, leervaardigheden, creativiteit en probleemoplossend vermogen.

In de visie van het platform leren leerlingen de basiskennis en vaardigheden op een diepgaande manier aan. Daardoor begrijpen ze de onderwerpen beter en kunnen ze wat ze geleerd hebben later goed toepassen. In plaats van een vluchtige kennismaking met veel verschillende onderwerpen, leren leerlingen «meer over minder». Dit betekent bijvoorbeeld dat een tweede en derde vreemde taal niet langer voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs verplicht is. Kiezen leerlingen voor een extra vreemde taal, dan gaat het niet om een oriënterende kennismaking, maar dan is het de bedoeling om tot beheersing op een hoog niveau te komen.

Scholen en besturen krijgen in de visie van het platform meer ruimte en verantwoordelijkheid om de samenhang in hun onderwijsaanbod te vergroten en leerlingen uit te dagen om hun kennis en vaardigheden te verbreden en te verdiepen. Het onderwijs moet aansluiten op de belevingswereld van leerlingen, ook wanneer de persoonlijke achtergronden van die leerlingen gekenmerkt worden door veel diversiteit. Om schoolleiders en leraren in deze rol te faciliteren moeten de leerdoelen concreter dan nu bij de kerndoelen het geval is worden uitgewerkt. Leraren kunnen dan duidelijker zien wat tot de verplichte kern behoort en weten daarmee ook waar ruimte is om eigen keuzes te maken en de samenwerking aan te gaan met partijen buiten de school. Het platform vindt het van belang dat scholen die samenwerking actief opzoeken. Dat zij, nog meer dan nu, deel uitmaken van een bredere omgeving, waar ook bijvoorbeeld maatschappelijke instellingen, vervolgonderwijs en het bedrijfsleven onderdeel van zijn.

2. Advies vormt de basis voor een vernieuwd curriculum in het po en vo

Het platform is erin geslaagd om in samenwerking met een groot aantal betrokkenen een visie te formuleren en te vervatten in een helder advies. Dit is een knappe prestatie waarvoor waardering op zijn plaats is. Het advies dient als basis om te komen tot een uitgebalanceerd toekomstgericht curriculum dat helderheid biedt over wat leerlingen moeten leren, waarin aandacht bestaat voor vakoverstijgende vaardigheden en waarbij leraren en leerlingen meer ruimte hebben voor verdieping en verbreding.

2.1. Helderheid over wat alle leerlingen moeten leren

Het kerncurriculum bestaat uit een vaste basis van kennis en vaardigheden die iedere leerling moet leren beheersen. In deze kern worden bestaande essentiële onderwijsinhouden behouden, maar krijgen ook nieuwe onderwerpen een passende plek. De inhoud van het kerncurriculum zoals het platform die definieert, wordt niet alleen onderschreven door vele deelnemers aan de dialoog. Ik herken hierin ook de thema’s die in de afgelopen periode veelvuldig in de Tweede Kamer onderwerp van gesprek waren.

Het platform stelt voor om burgerschap op te nemen in het kerncurriculum. Vanuit uw Kamer is door verschillende leden – onder andere door het lid Jadnanansing (PvdA) – gepleit voor versterking van het onderdeel burgerschapsvorming in het onderwijs.6 Ik heb uw Kamer eerder gemeld dat een integrale herziening van het curriculum in het kader van Onderwijs2032 daartoe een goede mogelijkheid biedt.7 Dit geldt tevens voor digitale geletterdheid, een thema waarvoor onder meer het lid Van Meenen (D66) de afgelopen periode veelvuldig aandacht heeft gevraagd.8 Ook het Engels krijgt – in lijn met eerdere toezeggingen – een volwaardige plek in het onderwijsaanbod van het primair onderwijs.9 In de interdisciplinaire kennisdomeinen natuur & technologie, mens & maatschappij en taal & cultuur bestaat aandacht voor essentiële thema’s als techniek en cultuur.10 Het platform vindt het ten slotte van belang dat er op school ruime aandacht bestaat voor lichamelijke ontwikkeling, een gezonde leefstijl en sport. Dit sluit aan bij het plan van aanpak bewegingsonderwijs primair onderwijs.11

2.2. Een betere balans in de hoofddoelen van het onderwijs

Goed onderwijs is meer dan alleen cognitieve kennisoverdracht en gaat verder dan taal en rekenen. Goed onderwijs speelt een belangrijke rol in de sociale, maatschappelijke en persoonlijke ontwikkeling van jongeren. De school helpt leerlingen – bijvoorbeeld door loopbaanoriëntatie en begeleiding – te ontdekken wie ze zijn en wat ze willen worden, zodat zij zelfstandig en zelfbewust keuzes kunnen maken voor hun (werkzame) leven.12 De school helpt leerlingen ook om te onderzoeken wat ze belangrijk vinden en hoe ze zich tot anderen en de wereld om hen heen verhouden. Daarom hoort burgerschapsvorming tot de vaste opdracht van het onderwijs. We mogen van onze leerlingen verwachten dat zij kennis opdoen van de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat. De betekenis van burgerschapsonderwijs wordt des te meer zichtbaar wanneer vrijheden onder druk staan of grondrechten botsen. Wanneer sprake is van terroristische aanslagen op televisie, discriminatie in de wijk of pesten op het schoolplein. Juist als het ingewikkeld wordt, of heel dichtbij komt, is het de taak van de leraar om dit te bespreken in de klas en leerlingen de vaardigheden mee te geven die zij hun leven lang nodig hebben om een verantwoordelijke burger te zijn. Dit draagt niet alleen bij aan het welzijn van de leerlingen zelf, maar ook aan dat van de samenleving als geheel.
Er bestaan momenteel grote verschillen in de mate waarin scholen aandacht besteden aan de persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke vorming van leerlingen. Een oorzaak hiervoor kan worden gevonden in het gegeven dat de brede opdracht niet goed tot uitdrukking komt in de huidige kerndoelen.13 Het advies van het platform biedt een goede basis om tot meer richtinggevende kerndoelen voor deze fundamentele taak van het onderwijs te komen. Hiermee kan de balans tussen de drie doelen van het onderwijs – kennisontwikkeling, persoonsvorming en maatschappelijke ontwikkeling – worden verbeterd. Dit is tevens in lijn met de strategische agenda hoger onderwijs, waarover de Minister uw Kamer afgelopen jaar heeft geïnformeerd. Hierin wordt het belang van leren reflecteren en kritisch denken onderstreept. Het gaat hierbij om inhoudelijke én ethische reflectie vanuit een beeld over wat voor de samenleving wenselijk is en welke waarden daarbij horen. Ook in het mbo is er in toenemende mate aandacht voor persoonsvorming en burgerschap.14 Daarmee staan ook in het vervolgonderwijs de drie hoofddoelen van het onderwijs centraal.

2.3. Meer aandacht voor vakoverstijgende vaardigheden

Vakoverstijgende vaardigheden zijn onmisbaar voor het leven, werken en leren in de toekomst.15 Het gaat dan bijvoorbeeld om het vermogen creatief, kritisch en analytisch te denken, ondernemend te zijn en samen te werken. Deze vaardigheden krijgen echter pas betekenis door ze met concrete leerinhoud te verbinden, waardoor leerlingen opgedane kennis leren toepassen. Het is dan ook niet zo dat leerlingen zich straks geen kennis meer eigen hoeven te maken omdat toch alle informatie online vindbaar is. Leerlingen hebben juist kennis nodig om informatie te duiden, complexe vraagstukken te doorgronden, creatieve oplossingen te bedenken en nieuwe vaardigheden te leren. Kennisoverdracht is en blijft daarom een essentieel onderdeel van het onderwijs.
Het advies dat er nu ligt, vormt een solide basis om te komen tot een kerncurriculum dat – naast aandacht voor kennisoverdracht en cognitieve prestaties – ook voldoende richting geeft voor het aanleren en toepassen van vaardigheden. Het gaat hierbij om vaardigheden die voor elke baan relevant zijn en een hele loopbaan meegaan. Aandacht voor het belang van vakoverstijgende kennis en vaardigheden op een veranderende arbeidsmarkt sluit ook aan op de ingezette koers in het mbo, met bijvoorbeeld de herziening van de kwalificatiestructuur.16

2.4. Ruimte voor verdieping en verbreding

Door binnen het curriculum expliciet ruimte te maken voor verdieping en verbreding, wordt de responsiviteit van scholen en besturen vergroot. Hierdoor kunnen zij beter inspelen op hun omgeving. Leraren kunnen de ruimte pakken om het onderwijs vorm te geven op een manier die het beste past bij hun eigen opvattingen over goed onderwijs, het profiel van de school, de regio en de wensen en kwaliteiten van hun leerlingen.17 Zo kunnen scholen het kerncurriculum aanvullen met extra vakken, vakoverstijgende modules en praktijkprojecten, bijvoorbeeld in samenwerking met maatschappelijke en culturele instellingen. Samen met het lokale bedrijfsleven kan een school gastlessen, bedrijfsbezoeken en stages organiseren. Ook kunnen zij verdieping en verbreding aanbieden van onderwerpen die tot het kerncurriculum behoren. Het vernieuwde curriculum biedt daarmee meer mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit. Dit vraagt van ons terughoudendheid ten aanzien van het indienen van een wensenlijst: de invulling van de keuzeruimte is aan de school.

Het onderwijs dat scholen binnen de ruimte voor verdieping en verbreding geven, moet ook van hoge kwaliteit zijn. Scholen verantwoorden zich over de invulling en opbrengsten van gemaakte keuzes richting ouders en de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie). Voor keuzevakken in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs – zoals een extra moderne vreemde taal – blijven centrale examens van toepassing. Hiermee wordt gewaarborgd dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is en leerlingen een goede basis leggen voor het vervolgonderwijs.

3. Van visie naar ontwerp van een vernieuwd curriculum

Een breed gedeelde visie op een toekomstgericht curriculum is een belangrijke stap. De volgende uitdaging is om deze visie te vertalen naar concrete vernieuwde onderwijsdoelen.18 Anders dan voorheen zal deze vernieuwing niet per vakgebied, onderwijssector of schoolsoort, maar in samenhang plaatsvinden. Dit betekent dat we niet gelijk kunnen beginnen met de vernieuwing van vakken of zomaar losse onderwerpen aan het curriculum kunnen toevoegen. Eerst moet worden uitgedacht hoe het totale bouwwerk eruit zal zien. Deze stap moet ook samen met leraren en schoolleiders – en met nauwe betrokkenheid van het vervolgonderwijs – worden gezet. Om dit ontwerpproces te organiseren en op interactieve wijze te komen tot een ontwerp van een vernieuwd curriculum, stel ik een onafhankelijk ontwerpteam in.

3.1. Opdracht aan het Ontwerpteam2032

De opdracht aan het Ontwerpteam2032 is om een integraal ontwerp te maken van het nieuwe curriculum voor het primair onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs: vwo, havo, vmbo en het praktijkonderwijs. De beroepsgerichte profielen in het vmbo zijn onlangs in een interactief proces inhoudelijk vernieuwd.19 Deze profielen treden volgens plan op 1 augustus 2016 in werking. Aangezien deze profielen uiteindelijk een logische plek in het bouwwerk moeten hebben, zal uit het ontwerp blijken hoe deze profielen passen in het geheel.
Het curriculumontwerp bestaat uit een concretisering van de inhoud van het curriculum. Dit betekent dat de heldere, maar nog vrij algemene inhoudelijke koersbepaling van het platform verder wordt uitgewerkt.20 Daarnaast doet het ontwerpteam een voorstel voor de opbouw en ordening van het curriculum, zodat duidelijk wordt welke leerinhoud waar een plek krijgt. Het ontwerp moet zo concreet zijn uitgewerkt dat in de volgende fase voor alle onderdelen uit het curriculum de vertaling gemaakt kan worden naar vernieuwde onderwijsdoelen, zonder dat de samenhang verloren gaat of het curriculum overladen wordt.

Het Ontwerpteam2032 krijgt de volgende ontwerpeisen mee:

  • •  Een realistisch en uitvoerbaar curriculum met ruimte voor verdieping en verbreding: In het ontwerp wordt nader uitgewerkt welke kennis en vaardigheden voor alle leerlingen van belang zijn en waar wordt verwacht dat scholen, leraren of juist leerlingen keuzes maken om tot verbreding en verdieping te komen. Dit vraagt om scherpe keuzes over welke inhoudelijke onderdelen wel en welke niet tot het kerncurriculum behoren, zodat overlap wordt vermeden. Het ontwerp geeft daarnaast een indicatie van wat het kerncurriculum vraagt aan onderwijstijd. Deze tijdsafbakening is bedoeld om overladenheid te voorkomen en noodzakelijk om tot een realistisch en uitvoerbaar curriculum te komen dat meer ruimte biedt voor verdieping en verbreding. In het ontwerp wordt rekening gehouden met reeds in gang gezette vakvernieuwingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.
  • •  Een helder kerncurriculum dat meer richting en houvast biedt: Het ontwerp geeft een compleet beeld van de opbouw en ordening van het curriculum. Het ontwerp beschrijft daarnaast de wijze waarop de uiteindelijke onderwijsdoelen voor de verschillende onderdelen uit het kerncurriculum uitgewerkt worden, zodat deze leraren voldoende richting geven, maar ook ruimte bieden om het onderwijsaanbod op de leerling af te stemmen. Uitgangspunt hierbij is dat voor de kennis en vaardigheden die tot de kern behoren ook helder moet zijn wat de beoogde niveaus zijn van datgene wat leerlingen moeten kennen en kunnen aan het einde van het primair onderwijs, het einde van de onderbouw van het voortgezet onderwijs en het einde van het voortgezet onderwijs. Door bij deze ijkpunten, ook binnen schoolsoorten, verschillende niveaus vast te leggen kan iedere leerling voldoende stimulans en uitdaging geboden worden.
  • •  Sterke doorlopende leerlijnen en samenhang in het onderwijsaanbod: Het ontwerp bevat voor het primair en het voortgezet onderwijs dezelfde opbouw, kennisdomeinen en terminologie, zodat doorlopende leerlijnen verder worden versterkt en expliciet worden gemaakt. Hierbij wordt de samenhang binnen het curriculum vergroot, zodat het voor leerlingen duidelijk is hoe onderdelen van het aanbod met elkaar verband houden en bijdragen aan de ontwikkeling van hun kennis en vaardigheden. Ook voor vakgerichte verdieping moeten vervolgopleidingen kunnen vaststellen wat het niveau is van leerlingen. Uitgangspunt is dat de aansluiting op de voor- en vroegschoolse educatie en het vervolgonderwijs optimaal gewaarborgd wordt en de herkenbaarheid en vergelijkbaarheid van vo-diploma’s voor mbo-, hbo- en wo-instellingen behouden blijft. In het ontwerp wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre de indeling in domeinen de profielen in de bovenbouw van het havo en het vwo kan vervangen.

Graag ga ik over bovenstaande opdracht met uw Kamer in gesprek. Vervolgens start het ontwerpteam met de opdracht. Het ontwerpteam zal divers zijn samengesteld en hoofdzakelijk bestaan uit leraren, schoolleiders en wetenschappers op het gebied van curriculumontwikkeling en onderwijskunde. De leden nemen op persoonlijke titel deel en zijn geen onderdeel van formele belangenvertegenwoordigers binnen of buiten het onderwijs. Ook in de ondersteuning van het ontwerpteam zal voor ruim voldoende (curriculum)expertise gezorgd worden. Over de samenstelling van het Ontwerpteam2032 zal ik uw Kamer spoedig informeren.

Figuur 1: Fasering van Onderwijs2032.

3.2. Samen met het onderwijs naar een curriculum dat werkt in de praktijk

Een groot aantal leraren en scholen is al bezig met curriculumvernieuwing en brengt de visie van het platform volop in de praktijk. Het advies bouwt daarmee ook vooral voort op een beweging die reeds is ingezet. Andere leraren en scholen zijn enthousiast en willen graag starten met de prioriteiten uit het advies. Ik juich dit van harte toe en hoop dat meer scholen zich aansluiten. Dat geldt ook voor vmbo-scholen met een beroepsgerichte bovenbouw. Zij hebben de afgelopen jaren namelijk veel praktijkervaring opgedaan met het op interactieve wijze ontwikkelen van het nieuwe beroepsgerichte curriculum.

Vele leraren en scholen hebben aangegeven een bijdrage te willen leveren aan het ontwerpproces. Deze praktijkervaring hebben we hard nodig. Om de wisselwerking tussen het ontwerpteam en praktijkdeskundigen vorm te geven, worden er onder regie van het ontwerpteam leerlabs ingericht. In elk leerlab gaan leraren en scholen samen met relevante partijen zoals maatschappelijke organisaties, vervolgonderwijs, bedrijfsleven, lerarenopleidingen, uitgeverijen en wetenschappers met thema’s uit de visie van het platform in de praktijk aan de slag. Leraren en scholen die deelnemen aan de leerlabs gaan bijvoorbeeld al met de kennisdomeinen werken of besteden op hun school extra aandacht aan onderwerpen als burgerschap of digitale geletterdheid. Deze praktijkervaringen geven het ontwerpteam inzicht in hoe het landelijke curriculum uitgewerkt kan worden zodat dit daadwerkelijk leidt tot uitdagend, toekomstgericht onderwijs voor de leerling en meer inspiratie en houvast voor de leraar. De ervaringen uit de praktijk helpen het ontwerpteam ook om een voorstel te doen over wat kinderen in welke fase van hun schoolloopbaan moeten en kunnen leren. Het ontwerpteam toetst daarnaast tussentijdse voorstellen in de leerlabs om zodoende het ontwerp te verfijnen en eventueel bij te stellen. Centraal staat dan de vraag of de voorstellen effectief zijn en of het ontwerp realiseerbaar is binnen de beschikbare onderwijstijd.

Ook werken de leerlabs als leergemeenschap waarin leraren en scholen – in samenwerking met de beroepsgroep, bestuurlijke partners en de SLO – elkaar helpen om met curriculumvernieuwing aan de slag te gaan. Studenten en startende leraren ontmoeten on- en offline meer ervaren leraren, zodat ze van elkaar kunnen leren. Zo kunnen leraren of scholen die al meer ervaring hebben met het bespreekbaar maken van lastige maatschappelijke thema’s of verder zijn met onderwerpen als digitale geletterdheid of persoonsvorming, anderen helpen. Daarnaast kunnen de leerlabs worden benut bij de ontwikkeling en verspreiding van lesmaterialen en nieuwe instrumenten. Door dit materiaal online te delen, kunnen leraren er direct mee aan de slag en kan de vernieuwing doorgezet worden in de praktijk. Iedereen die een bijdrage wil leveren aan het vervolgproces nodig ik hierbij van harte uit om zich op Onderwijs2032.nl in te schrijven als deelnemer aan de leerlabs.

De netwerken die tussen leraren, scholen, maatschappelijke organisaties, vervolgonderwijs, lerarenopleidingen, uitgeverijen en wetenschappers in de leerlabs ontstaan, kunnen ook na het ontwerpproces blijven bestaan. Zo krijgt curriculumvernieuwing van onderop ook voor de lange termijn een structurele vorm. Vernieuwing van het curriculum heeft directe invloed op het dagelijkse werk van leraren. Om de betrokkenheid van leraren structureel te garanderen, zou het daarom goed zijn als de beroepsgroep een lerarenraad inricht die – mede op basis van de opgedane ervaringen uit de leerlabs – de politiek en het onderwijs adviseert over curriculumontwikkelingen.21 Daarnaast is het streven om op termijn tot een systematiek van periodieke herijking te komen zodat het curriculum ook in de toekomst bij de tijd blijft. De vormgeving van deze systematiek en de rol van de lerarenraad daarin, baseer ik op een evaluatie van de (eerste) integrale herijking.
Figuur 2: Wisselwerking met Ontwerpteam2032.

4. Randvoorwaarden voor een succesvolle realisatie in het onderwijs

Om tot een toekomstgericht onderwijsaanbod op elke school te komen is meer nodig dan een vernieuwde set kerndoelen en eindtermen. Aan een aantal basisvoorwaarden moet tenminste worden voldaan om de ingezette koers te laten slagen. Ik denk hierbij ten eerste aan de ondersteuning en toerusting van leraren. Het vernieuwde curriculum moet daarnaast ook tot uitdrukking komen in toetsing, examinering en het toezicht op het onderwijs.

4.1. Professionele ontwikkeling van leraren

Leraren zijn uiteindelijk degenen die elke dag handen en voeten geven aan het curriculum. Zij moeten daarom goed toegerust zijn om een vernieuwd onderwijsaanbod in de praktijk te brengen. Dit betekent echter niet dat iedere leraar in het primair onderwijs vloeiend Engels moet leren spreken of dat elke docent in het voortgezet onderwijs zijn eigen curriculum moet ontwikkelen. Door meer diversiteit in de samenstelling van de teams te organiseren kunnen sommige leraren zich richten op curriculumontwikkeling. Andere leraren gebruiken dan hun specialisme, bijvoorbeeld op het gebied van cultuuronderwijs, techniek of ICT. Dit sluit ook aan bij de ambities uit de bestuursakkoorden om te investeren in het versterken van de collectieve professionaliteit van lerarenteams en juist gebruik te maken van de diversiteit binnen deze teams.22
Zoals de Minister eerder heeft aangekondigd, is het voornemen om samen met de lerarenopleidingen, de Onderwijscoöperatie, de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, VH en VSNU een dialoog te voeren over de vraag hoe thema’s die op het onderwijs en de lerarenopleidingen afkomen een plek kunnen krijgen in de lerarenopleidingen.23 Daarnaast zal ik – als het curriculumontwerp is afgerond – in samenwerking met de beroepsgroep bezien welke ondersteuning voor zittende leraren nodig is en of er in aanvulling op de bestaande scholings- en ontwikkelmogelijkheden (tijdelijk) extra voorzieningen moeten worden getroffen.

4.2. Vernieuwde onderwijsinhoud vraagt om bijpassende toetsing

Een optimale afstemming tussen curriculumvernieuwing enerzijds en toetsing en examinering anderzijds is een belangrijke voorwaarde voor succes. Voorkomen moet worden dat inhoudelijke vernieuwingen in de school- en lespraktijk worden belemmerd door onvoldoende aandacht voor een meebewegende toets- en examenpraktijk. Een andere balans tussen de hoofddoelen van het onderwijs vraagt daarom ook om een meebewegende manier van toetsen en examineren.

Aan de hand van het curriculumontwerp ga ik nader in op wat het vernieuwde curriculum betekent voor toetsing en examinering. Uitgangspunt hierbij is dat deze toetsen de realisatie van een vernieuwd curriculum zo goed mogelijk ondersteunen. Met het oog op de borging van de onderwijskwaliteit en het garanderen van gelijke kansen voor alle leerlingen, blijft centrale toetsing ook in de toekomst van belang. Tegelijkertijd moet een eenzijdige focus op (centraal) meetbare onderdelen binnen het curriculum worden voorkomen. Ook de leeropbrengsten op onderdelen die relevant, maar lastiger meetbaar zijn – zoals vaardigheden en persoonsvorming – moeten worden gewaardeerd. Dit vraagt om een benadering waarin – naast aandacht voor centrale toetsing – ook schoolgebonden (formatieve) toetsing en schoolexaminering binnen de school verder worden ontwikkeld en benut. In de komende periode ga ik het gesprek aan met (toets)ontwikkelaars over hoe we de ontwikkeling en toepasbaarheid van dergelijke instrumenten binnen de school kunnen versnellen.

4.3. Toezicht op de brede onderwijskwaliteit op school

De brede opdracht van het onderwijs vraagt om een rijk en zo volledig mogelijk beeld van kwaliteit. Dit is één van de redenen waarom de inspectie werkt aan de vernieuwing van het toezicht.24 In het vernieuwde toezicht vormt de visie en de ambitie van de school, zoals beschreven in het schoolplan, de basis van het werk van de inspectie. Dat stelt scholen goed in staat om zich te verantwoorden over zowel de gemeenschappelijke kern van het curriculum, als over de schoolspecifieke verbreding en verdieping die zij daarin aanbrengen.

Op basis van het curriculumontwerp zal ik bezien of de vernieuwing van het curriculum moet leiden tot een herziening van de deugdelijkheidseisen, die het uitgangspunt vormen voor het toezicht op het onderwijs. Scholen die al werken volgens de uitgangspunten van de visie van het Platform Onderwijs2032 en hierbij op belemmeringen stuiten, nodig ik uit om hierover het gesprek aan te gaan. Ik ben graag bereid waar nodig experimenteerruimte te bieden. Daarnaast zal de inspectie waar nodig haar onderzoekskader wijzigen.

5. Tot slot

Het enthousiasme en de betrokkenheid waarvan de samenleving en het onderwijs het afgelopen jaar blijk hebben gegeven, smaakt naar meer. Deze positieve energie en het gerealiseerde draagvlak hoop ik te behouden en te benutten in het vervolg. Daarom vindt het ontwerpproces niet in studiekamers plaats, maar wordt het in en samen met het onderwijs vormgegeven. Leraren en scholen zijn bepalend in hoe het curriculum – landelijk en op hun eigen school – er straks uitziet. Ik nodig hen hierbij van harte uit om zich te melden op Onderwijs2032.nl en samen met alle relevante partijen mee te werken aan de totstandkoming van een vernieuwd, toekomstgericht curriculum.

Eind 2016 rondt het Ontwerpteam2032 het ontwerp van het curriculum af. Graag ga ik ook over het curriculumontwerp met uw Kamer het gesprek aan. Ik zal in de beleidsreactie ingaan op het vervolgproces en de transitiekosten die met het ontwerp gemoeid zijn. Vervolgens wordt begin 2017 gestart met de uitwerking van het ontwerp naar concrete, vernieuwde onderwijsdoelen voor het funderend onderwijs. In de loop van 2017 wordt een begin gemaakt met de voorbereiding van de realisatiefase. Uitgangspunt hierbij is dat de invoering gefaseerd verloopt en aansluit op de beweging die al in gang is gezet. Hierbij wordt bezien welke andere randvoorwaarden – zoals geactualiseerde leermiddelen – op orde moeten zijn, zodat de integrale curriculumvernieuwing daadwerkelijk leidt tot toekomstgericht onderwijs voor elke leerling.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker

Noot 1: WRR (2015), De robot de baas. De toekomst van werk in het tweede machinetijdperk.

Noot 2: WRR (2015), De robot de baas. De toekomst van werk in het tweede machinetijdperk.

Noot 3: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 293, nr. 226.

Noot 4: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 31 293, nr. 232.

Noot 5: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Noot 6: Motie van het lid Jadnanansing, 6 november 2014, Kamerstuk 34 000 VIII, nr. 38.

Noot 7: Kamerstuk 33 750 VIII, nr. 80.

Noot 8: Motie van het lid Van Meenen, vergaderjaar 2014–2015, 31 289, nr. 205.

Noot 9: Kamerstuk 34 031, nr. T02152 en Kamerstuk 34 031, C en F.

Noot 10: Bijlage bij Kamerstuk 32 820, nr. 134 en Kamerstuk 32 820, nr. 166.

Noot 11: Kamerstuk 30 234, nr. 120.

Noot 12: Dit is lijn met de Aanpak jeugdwerkloosheid. Zie: Kamerstuk 29 544, nr. 674.

Noot 13: Onderwijsraad (2012). Verder met burgerschap in het onderwijs.

Noot 14: Kamerstuk 34 000 VIII, nr. 93.

Noot 15: OECD (2015). Skills for Social Progress: The Power of Social and Emotional Skills.

Noot 16: Kamerstuk 31 524, nr. 250.

Noot 17: Deze koers sluit aan bij de invoering van keuzedelen in het mbo, die onder andere verdieping en verbreding van de opleiding als doel hebben. Zie Kamerstuk 31 524, nr. 207.

Noot 18: Onder onderwijsdoelen kunnen de huidige kerndoelen (primair en speciaal onderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs) en eindtermen (bovenbouw voortgezet onderwijs) worden verstaan.

Noot 19: Kamerstuk 30 079, nr. 52.

Noot 20: Hierbij is bijvoorbeeld de vraag aan de orde wat concreet van scholen verwacht wordt op het gebied van mediawijsheid, het aanleren van probleemoplossend vermogen en de ontwikkeling van sociale vaardigheden en omgangsvormen. Ook wordt uitgewerkt welke interdisciplinaire onderwerpen in de domeinen taal & cultuur, mens & maatschappij en natuur & technologie behandeld worden. Deze tussenstap is nodig om een concrete uitwerking naar nieuwe onderwijsdoelen te kunnen maken.

Noot 21: Zie ook het voorstel hiertoe in het Manifest Leraar2032. https://www.onderwijscooperatie.nl/wp-content/uploads/manifest-In-het-curriculum-toont-zich-de-meester.pdf.

Noot 22: Bijlage bij Kamerstuk 31 293, nr. 211.

Noot 23: Kamerstuk 27 923, nr. 211.

Noot 24: Kamerstuk 33 905, nr. 1.