Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 140

Mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, bieden wij u het

Onderwijsverslag 2014–2015 van de Inspectie van het Onderwijs aan1. Daarbij sturen we u onze beleidsreactie.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker

Beleidsreactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Staatssecretaris van OCW en de Staatssecretaris van Economische Zaken op het Onderwijsverslag 2014–2015, de Staat van het Onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs.

Inleiding

Met de Staat van het Onderwijs doet de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) verslag van de toestand van het onderwijs in Nederland in alle sectoren. De inspectie constateert dat het Nederlandse onderwijs van hoog niveau is, ook in internationaal opzicht. Nederland heeft een hoog aandeel hoogopgeleiden. Het onderwijsaanbod is kwalitatief goed, divers en sluit goed aan op de arbeidsmarkt. Dat is goed nieuws en resultaat van de inzet van leraren, docenten, schoolleiders en bestuurders. Zij maken het onderwijs iedere dag opnieuw.

Goed nieuws is tevens dat in alle sectoren slechts een laag percentage scholen en opleidingen van onvoldoende kwaliteit is. De aanpak van zwakke en zeer zwakke scholen levert resultaat op. In de afgelopen jaren zijn er ook meer excellente scholen bij gekomen. Verder merkt de inspectie op dat, op de hbo-bachelor na, studiesucces in het vervolgonderwijs toeneemt. We zijn blij met dit gegeven. Het betekent dat studenten bewuster bezig zijn met studeren en afstuderen.

Daarnaast zien we positieve ontwikkelingen bij schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Schoolbesturen worden steeds professioneler. Samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs vinden in toenemende mate hun draai. Zij zijn vaker bezig met de inhoud nu de organisatie staat.

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs is dus goed. Tegelijkertijd wijst de inspectie erop dat niet alle leerlingen en studenten de kans krijgen het onderwijs te volgen dat past bij hun niveau. De inspectie constateert een toegenomen verschil tussen kinderen van hoger en lager opgeleide ouders bij de overgang van po naar vo. De inspectie wijst daarbij op het schooladvies, maar ook op selectie en plaatsing in de onderbouw van het vo. Ook bij de uitstroom uit het vo en de doorstroom naar het ho vanuit vo en mbo ziet de inspectie over de afgelopen jaren toenemende selectiviteit.

Dit is zorgelijk en hierop gaan we in deze beleidsreactie uitgebreid in. De inspectie ziet ook grote verschillen tussen scholen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en passend onderwijs. In deze reactie reageren we uitgebreid op deze zorgen. Verder gaan we tot slot in op het groen onderwijs.

Kansengelijkheid

Een belangrijk uitgangspunt in ons onderwijsstelsel is dat alle leerlingen en studenten het onderwijs moeten kunnen volgen dat past bij hun talenten. Voor het kabinet is het uitgangspunt dat in het onderwijs altijd het talent en motivatie bepalend zijn voor het uiteindelijke genoten opleidingsniveau, niet het inkomen of het opleidingsniveau van je ouders. De inspectie heeft in lijn met motie Ypma c.s. een nadere analyse uitgevoerd op de doorstroomkansen van leerlingen naar een hogere opleiding. Daarbij heeft de inspectie specifiek gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen.2

Sociaal milieu speelt altijd een rol bij de onderwijskansen. Niettemin, onderwijskansen zouden gebaseerd moeten zijn op wat je kan, niet op het sociale milieu waaruit je komt. In de afgelopen decennia is ons onderwijsstelsel meer meritocratisch geworden. Ouderlijk opleidingsniveau of beroep werd steeds minder belangrijk voor de onderwijskansen van jongeren. In plaats daarvan werden de talenten van leerlingen en studenten zelf steeds bepalender. Het gevolg is dat bijna 45 procent van de Nederlanders hoog opgeleid is. Dit is een van de grootste verworvenheden van ons onderwijs, niet in de laatste plaats omdat hier en in het buitenland kennis en onderwijs belangrijker zijn geworden voor deelname in de samenleving, de democratie en op de arbeidsmarkt.

We kunnen niet genoeg benadrukken dat een goed toegankelijk onderwijssysteem met kansen voor alle leerlingen cruciaal is in een open samenleving die internationaal meetelt. We vragen al langer aandacht voor sociale ongelijkheid zoals in de reactie op het rapport Twee werelden, Twee werkelijkheden?3 en bij de behandeling van de begroting 2016. Bij de begrotingsbehandeling hebben we onder meer aangekondigd dat we de effecten van een extra financiële bijdrage op de samenstelling van de studentenpopulatie in het ho onderzoeken, bijvoorbeeld bij honourstrajecten en university colleges, en hebben we onze zorgen uitgesproken over de toename van het schaduwonderwijs. Daarnaast heeft het kabinet in de reactie op het Sociaal en Cultureel Rapport en het rapport Gescheiden Werelden aangegeven welk beleid het voert om te komen tot een meer gelijke verdeling van kansen op maatschappelijk succes.4

In onze complexer geworden maatschappij zijn kennis en opleidingsniveau steeds meer van belang. Niet alleen in Nederland, maar ook over de grens. Dit is een andere drijvende kracht achter de groei van de academische kant in ons onderwijs. Wij begrijpen die ontwikkeling en zien het belang van een hoog opgeleide bevolking, zowel voor het individu als voor de samenleving. Maar we plaatsen ook twee kanttekeningen. Ten eerste, de groei van het algemeen vormend onderwijs mag niet ten koste gaan van het belang en de status van het beroepsonderwijs. Het mbo levert jaarlijks uitstekende vakmensen af die onmiskenbaar een belangrijke rol spelen in onze samenleving en economie. Dit moeten we koesteren. Ten tweede, het groeiende belang van onderwijs stelt ons voor de opgave om de toegang tot het onderwijs voor iedereen open te houden.

Dit is een maatschappelijke opgave die het gehele onderwijs raakt en terreinen daarbuiten. Daarom baart het ons des te meer zorgen dat de inspectie dit jaar na nader onderzoek constateert dat de onderwijskansen van kinderen van lager opgeleide ouders en hoger opgeleide ouders verder uit elkaar lopen. Dat geldt ook voor de constatering dat de prestaties van allochtone leerlingen nog altijd achterblijven bij die van autochtone leerlingen en zij minder vaak dan voorheen doorstromen naar het ho.

Er is niet één oorzaak of startpunt aan te wijzen voor deze verschuivingen. Een complex van factoren en veranderingen in de afgelopen tien jaar draagt bij aan deze ontwikkeling. Sommige langer lopend, sommige korter. Allereerst is er de toenemende invloed van het (keuze)gedrag van ouders. Dat is op individueel niveau goed te begrijpen. Elke ouder wil immers het beste voor zijn of haar kind. Maar maatschappelijk gezien heeft het ongewenste effecten. Hoger opgeleide ouders zijn over het algemeen intensiever betrokken bij de schoolloopbaan en -prestaties van hun kinderen dan lager opgeleide ouders. Hoger opgeleide ouders kiezen bijvoorbeeld eerder voor huiswerkbegeleiding voor hun kinderen. Dit leidt tot maatschappelijke verschillen tussen kinderen van laag- en hoogopgeleide ouders in kansen op opleidingsniveau. Daarnaast constateert de inspectie dat leraren onbewust lagere verwachtingen kunnen hebben van kinderen van lager opgeleide ouders dan van hoger opgeleide ouders. Dit wordt zichtbaar bij de keuze voor een onderwijsniveau, bijvoorbeeld bij overgangen in het stelsel. Ook zijn er verschillen tussen scholen. De inspectie geeft aan dat leerlingen van lager opgeleide ouders in toenemende mate op minder goede scholen zitten, terwijl leerlingen van hoger opgeleide ouders vaker naar de betere scholen gaan. Verder zijn er veel overgangen en selectiemomenten die voor kinderen van lager opgeleide ouders eerder een knelpunt vormen. Tot slot spelen ook het gedrag van schoolleiders en besturen alsmede prikkels in stelsel en toezicht een rol. Er kan immers spanning ontstaan tussen enerzijds het belang van de school en anderzijds hun maatschappelijke opdracht. Een voorbeeld hiervan is de spanning tussen aan de ene kant het terugbrengen van de uitval in het ho en aan de andere kant het geven van de kans aan individuele studenten om een opleiding te starten. De inspectie wijst terecht op de maatschappelijke opdracht die het onderwijs heeft.

Volgens de OESO doet het Nederlandse stelsel het bovengemiddeld goed op kansengelijkheid. Dit ondanks de vroege selectie die ons stelsel kenmerkt en nogal eens wordt geassocieerd met grotere kansenongelijkheid. De verklaring hiervoor ligt in een aantal compenserende elementen die in de onderwijspraktijk zijn ingebakken. Ten eerste helpt het als de eindadvisering en vroege plaatsing geschiedt mede op basis van een objectief gegeven van de capaciteiten van de leerlingen, zoals de eindtoets. Ten tweede is in ons stelsel ruimte voor uitstel van selectie. Middelbare scholen kunnen er voor kiezen om de plaatsing in niveau gefaseerd over enkele jaren te doen. Ten derde kent ons stelsel de mogelijkheid van diplomastapeling. Dit geeft leerlingen de mogelijkheid om een hoger niveau te behalen dan oorspronkelijk was voorzien. Deze drie compenserende mechanismen staan de laatste jaren onder druk. Mede daardoor bevat ons stelsel verschillende selectiemomenten die een knelpunt kunnen vormen voor kinderen van lager opgeleide ouders. We zien nu geen aanleiding voor een grote stelselwijziging, ook in het licht van conclusies van commissie-Dijsselbloem en het feit dat op een aantal punten de precieze effecten van genoemde ontwikkelingen nog niet helder zijn.5 Om de toegankelijkheid van ons onderwijs te versterken zetten we in op die onderdelen van ons onderwijs die dat van oudsher borgen. Daar gaan we hieronder op in.

Eindadvisering PO

De niveaus van het schooladvies daalden het afgelopen jaar sterk bij kinderen van lager opgeleide ouders. Dat is een onaangename verrassing. Een belangrijke verandering in het afgelopen schooljaar was dat op verzoek van de Tweede Kamer het advies van de basisschoolleraar afgelopen jaar voor het eerst zwaarder telt dan de eindtoets. Scholen zijn verplicht om het advies te heroverwegen indien de eindtoets daartoe aanleiding geeft en de keuze voor wel of niet bijstellen te motiveren. Scholen stellen het advies echter weinig bij. Van de leerlingen die voor heroverweging in aanmerking komen, krijgt slechts 15 procent een bijgesteld advies. Mogelijk hebben scholen en leraren daarvoor in individuele gevallen goede redenen, maar het heeft over de gehele linie maatschappelijk ongewenste effecten. Waar het leidt tot het ontnemen van kansen voor leerlingen die op basis van objectieve gegevens mogelijk meer hadden gekund, is dit reden tot zorg.

Momenteel loopt de evaluatie van de eindtoets. Dit schooljaar is het tweede jaar van deze evaluatie, die in totaal vier jaar duurt. Als de tussentijdse uitkomsten van de evaluatie in 2017 hetzelfde zorgelijke beeld laten zien, zullen wij in het belang van onze leerlingen het beleid bijstellen. We overwegen daarbij het verplichten van bijstelling, evenals het naar voren halen van de eindtoets zodat het objectieve gegeven opnieuw wordt gebruikt als basis voor het advies.

Verder sturen wij scholen begin mei een brief, voordat de resultaten op de eindtoets bekend zijn. In die brief zullen wij leraren er op wijzen dat heroverwegen van het eerder afgegeven basisschooladvies verplicht is als de leerling de eindtoets beter maakt dan op basis van het advies werd verwacht. Als de leraar besluit om het advies niet aan te passen, dient dit goed onderbouwd te gebeuren en in overleg met de ouders van de leerling. Ook zullen wij in deze brief benadrukken dat het belangrijk is dat leraren en schoolleiders hierover op school het gesprek aangaan. De opstellers van plaatsingswijzers – waarin regionale afspraken staan over de overgang van het po naar het vo – ontvangen een afschrift van genoemde brief. Wij zullen ook preciezer volgen welke redenen leraren geven om het advies al dan niet aan te passen en dat betrekken bij de evaluatie in 2017.

Een meer langdurige trend is dat basisschoolleraren minder vaak meervoudige adviezen geven (bijvoorbeeld vmbo.tl en havo) en vaker enkelvoudige adviezen (zoals vmbo.tl). We vinden dit een ongewenste ontwikkeling. Het bevordert plaatsing in homogene brugklassen, ook voor die leerlingen die wellicht in een dakpanklas beter af waren geweest. Wij willen benadrukken dat een meervoudig advies altijd een optie moet zijn voor scholen, leerlingen en hun ouders. Dat was ook de strekking van de brief die we alle basisscholen in februari stuurden. Uitgangspunt daarbij is dat basisscholen zich de mogelijkheid om een meervoudig advies te geven niet langer (kunnen) laten ontnemen door vo-scholen of regionale afspraken.

Zoals we u op 1 maart jongstleden schreven, hebben wij op uw verzoek besloten de evaluatie van de Wet eindtoetsing PO aan te vullen met een analyse van plaatsingswijzers die momenteel in omloop zijn.6 De analyse zal een landelijk beeld geven van de plaatsingswijzers en het aantal daarvan dat aanstuurt op louter enkelvoudige adviezen. Over de eerste uitkomsten hiervan zullen wij u in mei informeren. Wij gaan op basis van die eerste uitkomsten met besturen en regio’s waar nauwelijks meervoudige adviezen worden gegeven of waar basisschooladviezen nauwelijks bijgesteld worden in gesprek. Wanneer dit niet leidt tot verbetering, zullen we informatie per bestuur of regio over advisering en bijstellen van de adviezen actief openbaar gaan maken.

Heterogene brugklassen

De afname van het aantal heterogene brugklassen in de afgelopen tien jaar heeft hetzelfde effect als de toename van het aantal enkelvoudige adviezen. Verdwenen is de brede brugklas zeker niet. Meer dan de helft van de leerlingen zit in een heterogene brugklas. Wel zien we een daling van 70 procent van de leerlingen tien jaar geleden naar 54 procent nu. Behalve scherper is de selectie in toenemende mate daardoor ook vroeger. Hoewel wij de waarde zien van homogene brugklassen voor bepaalde leerlingen, is het belang van heterogene brugklassen voor andere leerlingen ook helder. Scholen kunnen wellicht goede redenen hebben om tot homogene brugklassen te komen, maar het opgetelde effect is onwenselijk. In de verschillende regio’s in Nederland moeten voldoende scholen met heterogene brugklassen blijven bestaan, zodat leerlingen kunnen kiezen voor een school die plaatsing met een of twee jaar uitstelt. Iedere leerling moet voor een heterogene brugklas kunnen kiezen.

Zoals we u onlangs hebben laten weten, zullen we schoolleiders en leraren in het vo daarom wijzen op het blijvende belang van het behoud van voldoende heterogene brugklassen.7 Tevens blijven we bij scholen benadrukken dat kansen bieden aan leerlingen door hoge plaatsing niet leidt tot lagere beoordelingen door de inspectie bij afstroom. Wij gaan uit van de motivatie en professionaliteit van schoolleiders en leraren om vooral naar de kansen van hun leerlingen te kijken, zodat dakpanklassen en hoge verwachtingen blijven bestaan voor leerlingen die daar baat bij hebben.

Verder onderzoeken we de feitelijke inrichting van de eerste leerjaren op alle vo-scholen in Nederland. Als er te weinig heterogene brugklassen zijn in bepaalde regio’s, zullen we gericht actie ondernemen richting gemeenten, schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Juist vanwege het belang van het bestaan van voldoende aanbod in een regio is er nadrukkelijk ook een rol van gemeenten. Gemeenten kunnen vanuit hun regiefunctie een lokale visie vormen op de samenhang in het onderwijsaanbod die ook aansluit op de lokale behoefte en de lokale sociale infrastructuur.

Tot slot onderzoeken we de beweegredenen van scholen om een bepaalde inrichting te kiezen. Wij willen daarmee onder meer goede voorbeelden inventariseren en delen, zodat scholen onderbouwde keuzes kunnen maken bij de inrichting van de onderbouw.

Stapelen

De inspectie constateert dat de daling van het aantal leerlingen dat de «stapelroute» volgde van vmbo naar havo in 2014–2015 is gestopt. Dit is positief, want stapelen kan schooluitval terugdringen, en geeft laatbloeiers nieuwe kansen. Ook uw Kamer heeft aandacht hiervoor gevraagd, onder andere met de motie Grashoff, waarin wordt gepleit voor een doorstroomrecht van leerlingen met een diploma vmbo-gl en vmbo-t naar havo.8 Ook binnen het mbo is de doorstroom stabiel. Een fors deel van de mbo-studenten stroomt door naar een hoger niveau.

Alle leerlingen die de theoretische leerweg of de gemengde leerweg van het vmbo hebben afgerond, hebben de mogelijkheid door te stromen naar de havo. Aan de overstap van het vmbo naar de havo zijn geen wettelijke minimumeisen gesteld. Bij deze overgang beslist het schoolbestuur over de toelating van de leerling tot de havo. Sinds 1 augustus 2012 is de toelatingscode vmbo-havo van kracht. Het doel van deze code is om te komen tot transparante en faire toelatingseisen voor leerlingen die willen doorstromen van het vmbo naar de havo. In het verleden was er namelijk sprake van grote verschillen in de eisen die individuele scholen stelden aan de overstap.

Wij vinden dat een leerling die wil stapelen daarbij niet onnodig belemmerd mag worden. Wij blijven de ontwikkelingen rondom de overstap van vmbo naar havo daarom nauwlettend volgen. Uw Kamer heeft afgelopen zomer het rapport Monitor toelatingsbeleid vmbo-havo, tweede meting 2014–2015 ontvangen (Kamerstuk 30 079, nr. 62). In 2016 volgt een derde en laatste monitor. Deze zullen wij gebruiken bij de inhoudelijke reactie op de motie Grashoff. Als blijkt dat scholen de code niet naleven en dat dit leidt tot vermindering van kansen van leerlingen, zullen wij stappen zetten om tot een generiek recht op toelating tot de havo te komen.

Verder stimuleren wij onder andere met financiële middelen dat studenten in het mbo diploma’s stapelen.

Doorstroom naar vervolgonderwijs

Wij vinden het een groot aandachtspunt dat in tegenspraak met de uitgangspunten van het beleid het selecteren bij de start van de opleiding in het mbo en ho toeneemt. In het mbo vindt selectie voornamelijk op informele wijze plaats in het intakegesprek. Uit ervaringen van aspirant-studenten en onderzoek blijkt dat aanvullende testen of de indruk van de medewerker medebepalend zijn voor het studieadvies.

We werken daarom aan een wetswijziging die aspirant-studenten recht geeft op toelating tot het mbo en verduidelijkt dat de intake niet bedoeld is om studenten die aan de vooropleidingseisen voldoen te weigeren op grond van aanvullende criteria.

Daarnaast vinden wij het van belang om te werken aan de professionalisering van docenten die betrokken zijn bij de intakegesprekken. Voorop moet staan dat elke student de onderwijsroute moet kunnen volgen die het beste bij hem past. Mede daarom zijn recentelijk de experimenten met doorlopende leerlijnen vmbo-mbo verbreed en uitgebreid. Daarmee is het mogelijk om geïntegreerde leerlijnen van vmbo naar mbo vorm te geven op alle niveaus en voor alle sectoren.

Met de invoering van de entreeopleiding in het mbo in augustus 2014 is er meer ruimte gekomen voor begeleiding op maat van een groep kwetsbare jongeren. De opleiding biedt jongeren zonder een diploma van een vooropleiding doorstroming naar een mbo-2 opleiding of naar de arbeidsmarkt.

We zien het afgelopen jaar een dalende instroom in het ho. Of die daling werkelijk een trendbreuk is, is onduidelijk. De afgelopen twintig jaar zagen we een vrijwel constante groei van het aantal eerstejaars in het ho die af en toe werd onderbroken door een lichte daling. De daling in 2014/2015 wordt mede veroorzaakt door het «boeggolf-effect» dat optrad voor de invoering van het studievoorschot. We zien met name bij de pabo een sterke daling van studentenaantallen. Dit is een gevolg van een bewuste aanscherping van beleid maar mogelijk ook ongewenste zelfselectie van studenten. Tegelijkertijd zijn afgestudeerden van lerarenopleidingen redelijk tevreden over hun opleiding. We zullen de instroom de komende jaren scherp in de gaten houden, onder andere via de studievoorschotmonitor.

Het verbeteren van de doorstroom mbo-hbo is voor ons een grote beleidsprioriteit. Juist voor studenten uit armoedeprobleemcumulatiegebieden en van niet-westerse komaf is doorstroom naar het hbo een belangrijke emanciperende onderwijsroute. De student die verder wil studeren moet daartoe de kans krijgen. Daarom stimuleren we mbo-instellingen en hogescholen om samenwerkingsverbanden aan te gaan zodat studenten goed voorbereid in het hbo starten. Ook zullen we in de toekomstige kwaliteitsafspraken mbo en ho expliciet aandacht vragen voor de samenwerking mbo-hbo. Zoals we ook hebben gesteld in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek is ons uitgangspunt dat het ho maximaal toegankelijk is. We zien dat de invoering van doorstroomkeuzedelen in het mbo de samenwerking tussen mbo-instellingen en hogescholen versterkt.

In december jongstleden hebben we u laten weten dat er geen aanwijzingen zijn dat de toegankelijkheid van het ho onder druk staat. We denken wel dat alertheid is vereist, evenals goede voorlichting en balans in de selectieprocedure.9 De Staat van het Onderwijs bevestigt dat beeld. Vooralsnog kunnen we niet goed inschatten of de lagere doorstroom naar het ho vooral plaatsvindt onder studenten die voorheen vaak in het eerste jaar van het hbo uitvielen. Daarop krijgen we in 2017 meer zicht.

Wij willen nogmaals benadrukken dat opleidingen met een vorm van selectie de verantwoordelijkheid dragen dat iedere student een eerlijke kans heeft en de toegankelijkheid is gewaarborgd. In aanloop naar de afschaffing van de centrale loting bij opleidingen met een numerus fixus hebben wij de instellingen erop gewezen dat zij er zorg voor moeten dragen dat de selectieprocedure geen groepen benadeelt. Hierbij is een balans tussen cognitieve en niet-cognitieve criteria van groot belang. Hier blijven we instellingen op aanspreken. Bij het maken van de toekomstige kwaliteitsafspraken hechten we aan een open en inclusief ho waarin een brede toegankelijkheid voor alle studenten is geborgd.

Mede voor de toegankelijkheid hebben wij besloten om de uitwerking van een beleidskader gericht op collegegelddifferentiatie voor door de NVAO «excellent» beoordeelde opleidingen tot 2018 aan te houden. Hiermee komen we ook tegemoet aan de aangenomen motie Mohandis.10 In het najaar van 2016 zullen we u informeren over de instroom in de pabo’s. Daar zullen we indien nodig ook extra beleid formuleren.
In het kader van doorstroom naar het ho zijn wij er niet van overtuigd dat een schakeljaar nodig is om de aansluiting van de havo op een Associate degree (Ad) voor de procestechniek te verbeteren, zoals bepleit door het lid Rog.11 Tijdens dat extra jaar zou de havist met N&T-profiel na zijn diplomering aanvullend een mbo4-kwalificatie kunnen behalen. Wij denken echter niet dat een schakeljaar nodig is. Het is de taak van de hogescholen om aan te sluiten op het mbo-4 en de havo. Zowel de havist als de mbo’er met niveau 4 zijn immers – rekening houdend met inhoud van hun vooropleiding – gekwalificeerd voor een studie in het hbo. Een extra jaar is dan ook niet aantrekkelijk voor de student. Wij verwachten dat instromers in de Ad met een havo-achtergrond voldoende kunnen profiteren van het ingezette beleid om de Ad te versterken.

Verschillen tussen scholen

Verschillen tussen scholen en instellingen vormen ook een factor bij verschillende kansen van leerlingen. Dit benadrukt het belang om te zorgen dat het aantal (zeer) zwakke scholen afneemt. Het aantal (zeer) zwakke scholen is de afgelopen jaren afgenomen en we blijven ons inzetten voor een verdere afname. Daarnaast zorgen we dat de kwaliteit van elke school op een laagdrempelige manier inzichtelijk wordt voor leerlingen, ouders en andere betrokkenen zoals gemeenten. Hierover hebben we u in oktober jongstleden geïnformeerd.12

Doorstroom naar arbeidsmarkt

Voor het bevorderen van kansengelijkheid is ook de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt van belang. De Aanpak Jeugdwerkloosheid is voor het kabinet, ondanks de sterke daling van zowel de jeugdwerkloosheid als voortijdig schoolverlaten, een hoge prioriteit. Specifieke aandacht hierbij heeft de werkloosheid onder kwetsbare jongeren. Dit zijn jongeren zonder startkwalificatie, jongeren met een uitkering en migrantenjongeren. Onderdeel van de Aanpak Jeugdwerkloosheid is de buurtgerichte aanpak of Citydeal met vijf steden.13 Daarnaast worden in Werkakkoorden afspraken gemaakt met werkgevers uit regio’s. De afspraken gaan onder andere over het bieden van werkervaring in het onderwijs aan kwetsbare jongeren en over het bevorderen van diversiteit.
Verder blijft de aanpak van voortijdig schoolverlaten belangrijk om jongeren die (dreigen) uit te vallen een nieuwe kans te geven in het onderwijs. De komende jaren steunen we regionale samenwerking om kwetsbare jongeren en voortijdig schoolverlaters nog effectiever te begeleiden naar onderwijs of werk.14 Daarbij past ook een aangescherpte doelstelling van maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in het schooljaar 2019–2020.

Afsluitend

De inspectie presenteert opvallende ontwikkelingen ten aanzien van de kansen van leerling en studenten in het onderwijs. We gaan daarom ook in overleg met de sectorraden om te bespreken welke rol zij kunnen hebben bij het bevorderen van kansengelijkheid. Daarnaast willen we graag beter doorgronden waardoor kinderen van hoger en lager opgeleide ouders verschillende kansen hebben. Naar aanleiding van de motie Van Meenen c.s. hebben we de Onderwijsraad gevraagd om nog dit jaar te adviseren over de vraag «hoe we ons onderwijsbestel zo kunnen inrichten dat gelijke kansen, opstroom, doorstroom en maatwerk weer de norm worden in ons onderwijsbestel».15

We organiseren een congres over de onderwijskansen van leerlingen en studenten. Daarbij nodigen wij zowel wetenschappers als onderwijsprofessionals uit. Onze eigen sturing en toezicht zullen daarbij onderwerp van gesprek zijn, evenals ieders verantwoordelijkheden voor de kansengelijkheid in het onderwijs en de mogelijkheden die scholen hebben om van elkaar te leren en te verbeteren. Met de resultaten van dit congres zullen wij bekijken welke maatregelen noodzakelijk zijn en welke rol scholen, sectorraden, gemeente en Rijk kunnen spelen.

De gevolgen van de thuissituatie en de sociale herkomst voor kansen van leerlingen zijn niet alleen in het onderwijs te ondervangen. Goede voorschoolse voorzieningen zijn cruciaal in het tijdig identificeren en aanpakken van achterstanden in de sociale en cognitieve ontwikkeling van jonge kinderen.

Zoals de inspectie aangeeft, is er niet één actor die de simpele oplossing in handen heeft. Het vraagt om een gezamenlijke analyse en een gezamenlijke aanpak. Daarom wijzen we ook op een aantal initiatieven die erop gericht zijn kinderen met uiteenlopende achtergronden sociaal-maatschappelijke en culturele verrijking te bieden. Om te voorkomen dat mensen aan de kant komen te staan, hebben we samen met de Ministeries van VWS en SZW geïnvesteerd in het actieprogramma Tel mee met Taal. Daarbinnen beoogt het Actieplan Kunst van Lezen in 2018 1 miljoen jonge kinderen tot en met de basisschoolleeftijd te bereiken met leesbevorderingsactiviteiten, zodat hun taalvaardigheid en leesplezier toenemen. Een ander mooi voorbeeld is de IMC Weekendschool, die met het bedrijfsleven kinderen uit achterstandswijken kennis laat maken met professionals uit uiteenlopende vakgebieden. We roepen scholen en gemeenten op om goed gebruik te maken van de achterstandsmiddelen en de middelen voor zomerscholen en schakelklassen, om leerlingen die dat nodig hebben gedurende het schooljaar extra ondersteuning te bieden. Wij zullen scherp blijven sturen en kritisch blijven over de ongewenste neveneffecten van beleid, zoals de inspectie dat ook zal doen in het toezicht.

Burgerschapsvorming

Om goed te kunnen participeren in de maatschappij en democratie is burgerschapsvorming onontbeerlijk. Het is goed dat scholen aandacht besteden aan levensbeschouwelijke, culturele, etnische en seksuele diversiteit. Dit zijn belangrijke onderdelen van de sociale vorming van onze leerlingen. Daarnaast is het onderwijs ook bij uitstek de plek waar jongeren leren wat het betekent om in een vrije en open samenleving te leven. Het gaat ook om het ontwikkelen van burgerschapsvaardigheden, democratische waarden, een reflectieve houding en je eigen stem.

Vorig jaar hebben wij u geïnformeerd over de voortgang van de versterking van het burgerschapsonderwijs en laten weten wat onze plannen zijn rondom burgerschapsvorming in de hele onderwijskolom.16 De Staat van het Onderwijs bevestigt en onderstreept nog eens de urgentie van die boodschap.
Bij burgerschapsvorming ligt een belangrijke taak voor scholen en leraren. Onze maatschappij wordt meer divers, maar onderling contact is niet vanzelfsprekend.17 Ondertussen uiten maatschappelijke spanningen zich ook in het onderwijs.18 Een goed functionerende democratie kan niet zonder een stevig fundament van sociaal vertrouwen en begrip. Dat begint thuis, in het gezin waarin een kind opgroeit, en wordt voortgezet op school en in de samenleving.

De kennis van leerlingen over burgerschap verschilt aanzienlijk per school. De inspectie stelt vast dat het burgerschapsonderwijs op scholen voor verbetering vatbaar is. Scholen regelen de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs niet altijd goed, werken weinig planmatig en hebben niet altijd concrete doelen.

Maar het kan wel. Scholen die wel actief en reflectief bezig zijn met burgerschapsonderwijs bereiken daarop betere resultaten. Dit toont andermaal het belang van gerichte aandacht van schoolleiders en leraren voor diversiteit en burgerschap en het belang van leraren die voldoende geëquipeerd zijn om met hun klas het gesprek over mogelijke onderwerpen aan te gaan.

Burgerschapsonderwijs heeft daarom al langere tijd onze aandacht. Zo heeft het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO een ondersteuningsaanbod voor burgerschap ontwikkeld, waarmee scholen hun burgerschapsonderwijs planmatig kunnen vormgeven. Ook speelt burgerschap een belangrijke rol in de herijking van het curriculum, zoals wij u hebben laten weten in de beleidsreactie op het voorstel van het Platform Onderwijs2032. Hierin hebben wij gemeld dat burgerschap een prominentere positie krijgt in de vaste kern van het onderwijsaanbod.

Gevoelige thema’s die raken aan religieuze, etnische of seksuele identiteit zijn in sommige klaslokalen moeilijk of niet bespreekbaar.19 Om leraren daarbij te helpen, hebben we de Stichting School en Veiligheid vorig jaar opdracht gegeven om scholen en leraren ondersteuning te bieden. Daarnaast steunen we ook het project Dialoog als burgerschapsinstrument, waarin samen met lerarenopleidingen een methodiek wordt ontwikkeld om leraren in opleiding voor te bereiden op het moeilijke gesprek.

De grote aandacht voor Bildung in de lerarenopleidingen, die tijdens de rondgang van de Minister langs de lerarenopleidingen zichtbaar werd, versterkt tevens de vaardigheden van toekomstige leraren voor burgerschapsonderwijs. Persoonsvorming en socialisatie van de docent zelf zijn een voorwaarde voor goed burgerschapsonderwijs. Toekomstige leraren zijn beter voorbereid op de dialoog over moeilijke burgerschapsthema’s wanneer zij zelf een morele, kritische en open houding hebben. De inzet van de voorlopersgroep Bildung stimuleert blijvende aandacht voor het thema.

In het mbo wordt per 1 augustus het aangescherpte Examen- en kwalificatiebesluit van kracht. Hiermee krijgen kritische denkvaardigheden en vaardigheden als het kunnen voeren van een dialoog over complexe thema’s een belangrijkere plek in het mbo. Daarnaast ontwikkelen we een handreiking en training voor docenten en onderzoeken we de kwaliteit van het loopbaan- en burgerschapsonderwijs in het mbo. De resultaten van dit onderzoek worden in het najaar bekend en moeten aanknopingspunten bieden voor verdere verbetering.

In het ho werken we met het idee van een waardengemeenschap. Dit is een gemeenschap waarin docenten en studenten met elkaar spreken over verantwoordelijkheden en opvattingen, met ruimte voor meningsverschillen en kritische reflectie. Daarom hebben we in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek aangekondigd dat we inzetten op kleinschalige, inclusieve leergemeenschappen.

Burgerschapsvorming vindt niet alleen plaats in het onderwijs, maar ook thuis, op straat en in sport en culturele verenigingen. Het onderwijs kan niet alleen de verantwoordelijkheid dragen voor de sociale en maatschappelijke vorming van jongeren. Desalniettemin spelen leraren, scholen en instellingen onmiskenbaar een centrale rol bij het voorbereiden van de volgende generatie op participatie in onze democratie en maatschappij. Met de genoemde maatregelen beogen wij hen te ondersteunen om deze belangrijke taak in te vullen. Want geen maatschappij kan zonder goede sociale vorming.

Veiligheid en schoolklimaat

Om te kunnen leren en zich te kunnen ontwikkelen moeten leerlingen onbezorgd naar school kunnen gaan. Het is daarom goed dat de inspectie heeft geconstateerd dat leerlingen zich over het algemeen veilig voelen. Zo zijn er minder meldingen van psychisch en fysiek geweld.

De inspectie constateert ook minder meldingen van pestsituaties. De afgelopen jaren hebben we ons ingezet om pesten zoveel mogelijk te voorkomen.20 Met onze aanpak stimuleren we dat pesten bespreekbaar wordt gemaakt, leraren effectief kunnen signaleren en handelen en scholen gebruik gaan maken van bewezen effectieve anti-pestprogramma’s. De uitvoering van het plan van aanpak tegen pesten blijven we doorzetten.

Het is de verantwoordelijkheid van iedere school en instelling om te zorgen voor een sociaal veilige schoolomgeving. De inspectie constateert echter dat niet alle leerlingen zich veilig voelen en dat ernstige incidenten blijven voorkomen. De veiligheidsbeleving van leerlingen verschilt sterk per school. In het po en vo zijn schoolbesturen verplicht te zorgen voor de een sociaal veilige schoolomgeving door de invoering van de Wet Veiligheid op school, die dit schooljaar van kracht is gegaan. De bevindingen van de inspectie onderstrepen het belang van deze wet. De wet geeft ook de inspectie het mandaat om effectief toezicht te houden op de sociale veiligheid op scholen en zo nodig handhavend op te treden.

In het mbo is onderzoek naar veiligheid uitgevoerd met de JOB-monitor. We verwelkomen het initiatief van studenten. Zij houden hiermee zelf de vinger aan de pols.

Veiligheid kan ook worden gezien als een aspect van de menselijke maat in het mbo. De menselijke maat manifesteert zich in kleinschalige leeromgevingen, waarin studenten zich herkend en thuis voelen en waarin zij snel en gemakkelijk hun weg naar de juiste personen en informatie vinden. Veiligheidsbeleving is daarvan een onderdeel. In dit verband vragen we dat Colleges van Bestuur met de studentenmedezeggenschap niet-vrijblijvende afspraken maken over verbeteringen van de menselijke maat en meer in het bijzonder veiligheid.

Het aantal meldingen van seksueel misbruik en seksuele intimidatie is gestegen. Er zijn grote verschillen tussen de jaren en er is geen sprake van een trend. Het aantal meldingen van seksueel misbruik ligt meestal rond de 110 per jaar. In 2013/2014 was dit gedaald naar 86 en in het jaar daarop is het weer gestegen. Daarbij is het niet duidelijk of er echt meer incidenten waren, eerder aangifte wordt gedaan of in algemene zin, ook buiten het onderwijs, sprake is van een stijgende trend. Niettemin onderschrijven we de oproep van de inspectie aan scholen en instellingen om werk te maken van gedragscodes en te zorgen voor de weerbaarheid van hun leerlingen, passende seksuele voorlichting en een veilig schoolklimaat. OCW en de inspectie staan de scholen bij met raad en daad. In het ernstige geval van seksueel misbruik moet de school direct aangifte doen bij de politie.

Iedere twee jaar wordt in opdracht van OCW de monitor sociale veiligheid in en rond scholen uitgevoerd. Hierin wordt ook onderzocht in hoeverre er sprake is van seksueel geweld op scholen.

De monitor van dit jaar wordt ingevuld door scholen. In het najaar zijn de cijfers bekend en zullen wij u deze aanbieden. Of er sprake is van toe- of afname van seksueel geweld over de jaren heen wordt in de monitor meegenomen. Wij zullen u hierover bij het verschijnen van de veiligheidsmonitor informeren.

Passend onderwijs

We vinden het belangrijk dat meer leerlingen een passende plek krijgen in het reguliere onderwijs. Dit is het doel achter passend onderwijs. Zoals in de achtste voortgangsrapportage passend onderwijs is gemeld (Kamerstuk 31 497, nr. 183), lijken de eerste stappen hiertoe gezet: in het eerste jaar na de invoering van passend onderwijs hebben meer leerlingen een plek gekregen in het reguliere onderwijs. Ook de inspectie signaleert dit.

Bij een aantal samenwerkingsverbanden neemt het aantal leerlingen in het speciaal (basis) onderwijs toe. Het gaat hierbij vooral om samenwerkingsverbanden die komende jaren meer geld voor extra ondersteuning krijgen. Verder gaan bij de overgang van po naar vo meer leerlingen naar een reguliere vo-school. Dat geldt zeker in regio’s waar komende jaren als gevolg van de verevening minder geld beschikbaar is voor extra ondersteuning. Op basis hiervan concludeert de inspectie dat financiële redenen een rol spelen bij het plaatsen van leerlingen. Dat er sprake is van een oorzakelijk verband, is echter niet aan te tonen op basis van de beschikbare gegevens. De afname van de instroom van leerlingen in het speciaal onderwijs en twaalfjarigen in het voortgezet speciaal onderwijs zou erop kunnen wijzen dat scholen en samenwerkingsverbanden kinderen eerst een kans willen geven in het reguliere onderwijs.

Passend onderwijs betekent verder dat scholen en samenwerkingsverbanden met elkaar in de regio zorgen voor een dekkend aanbod voor alle leerlingen. De inspectie constateert dat bij een aantal samenwerkingsverbanden een goede organisatie van de ondersteuning voor de leerlingen niet op de eerste plaats komt. Dit zou vooral voorkomen bij samenwerkingsverbanden die hun taken en bevoegdheden decentraliseren (het «schoolmodel»).

Eerder hebben we, op basis van onderzoek van de inspectie, gemeld dat daar waar samenwerkingsverbanden investeren in een goede onderlinge samenwerking, passend onderwijs sneller vorm krijgt.21 Daarbij speelt ook de mate, waarin binnen het samenwerkingsverband inhoudelijk regionaal beleid wordt ontwikkeld voor passend onderwijs een rol.

Welke vorm de samenwerkingsverbanden ook kiezen, de kwaliteit van de ondersteuning moet op de eerste plaats komen. Samenwerkingsverbanden die niet goed functioneren of taken onvoldoende uitvoeren, worden hierop aangesproken. In de brede evaluatie passend onderwijs nemen we mee wat de effecten zijn van de door samenwerkingsverbanden gekozen uitwerking voor de invulling van passend onderwijs.

Thuiszitten

Het is onaanvaardbaar als kinderen niet naar school gaan, zeker als dat langere tijd duurt. De inspectie herkent, net als wij, het belang van goede regionale samenwerking om thuiszitten te voorkomen. Die samenwerking is niet altijd vanzelfsprekend en de taakopvatting van de samenwerkingsverbanden over thuiszitters loopt uiteen.

We hebben u recent geïnformeerd over hoe we partners in de regio gaan ondersteunen om thuiszitten tegen te gaan.22 We voeren verzuimgesprekken met gemeenten om de samenwerking te stimuleren tussen regionale partners, gericht op het terugbrengen van de duur en het aantal thuiszitters. Regio's die achterblijven, leren van sterke regio's. Daarnaast verbinden we landelijke partijen, via een thuiszitterspact aan resultaatsafspraken. Recent is ook het Interventieteam Onderwijs en Zorg gestart om in individuele situaties van langdurig thuiszitten een doorbraak te forceren.

Lerende organisaties

Het onderwijs wordt gevormd door leraren, schoolleiders, bestuurders en interne toezichthouders die samenwerken om iedere dag het beste uit de leerlingen en studenten te halen. We zien met de inspectie dat leraren zich blijven scholen, de kwaliteit van de schoolleiders over het algemeen voldoende is en onderwijsinstellingen veel aandacht besteden aan de verdere ontwikkeling en professionalisering van bestuur en intern toezicht.

Steeds meer scholen hebben aantoonbaar een duurzaam excellentieprofiel. De inspectie benadrukt dat excellente scholen vaak lerende organisaties zijn, die constant op zoek zijn naar verbetering en die de lat nog hoger willen leggen. Leraren en schoolleiders zijn er gedreven om het beste uit hun leerlingen te halen en werken daarbij goed samen. In lerende organisaties zijn leraren zeer betrokken en nemen zij initiatief om zaken te verbeteren of te veranderen. De schoolleider stimuleert en adviseert. Niemand is hierbij ooit uitgeleerd of uitgegroeid. Het beste uit de leerlingen halen, vraagt van scholen en instellingen dat zij blijven leren en zich blijven verbeteren.

Schoolleider

Zoals de inspectie aangeeft, speelt de schoolleider een essentiële rol bij het bereiken van goed onderwijs. Daarom stimuleren we de kennisuitwisseling tussen schoolleiders met de Nationale Schoolleiders Top. In november 2015 hebben we in samenwerking met de VO-academie, School aan Zet, stichting LeerKRACHT en NL2025 voor het eerst de Nationale Schoolleiders Top georganiseerd voor schoolleiders in het vo. In het najaar van 2016 komt hierop een vervolg. Daarnaast organiseren we samen met de PO-Raad, de Algemene Vereniging Schoolleiders, Schoolleidersregister PO en NL2025 ook een Nationale Schoolleiders Top voor schoolleiders in het po. In alle verbeterprocessen is de rol van de schoolleider cruciaal. Ook in het mbo zien we een belangrijke rol voor onderwijskundig leiderschap weggelegd bij het verbeteren van de kwaliteit. Zo constateert de inspectie dat onderwijskundig leiderschap bijdraagt aan de bevordering van de verbetercultuur en kwaliteitszorg. Professionalisering van teamleiders, directeuren en andere managers is evenwel een aandachtspunt; in de rapportages van MBO15 over de voortgang van professionalisering in het mbo zijn hierover kritische opmerkingen gemaakt. In het kader van thema professionalisering in de Kwaliteitsplannen blijven we in gesprek met de mbo-instellingen over hoe zij onderwijskundig leiderschap bevorderen.

Leraren

Professionalisering van leraren is belangrijk, ongeacht de ervaringsjaren. Volgens de inspectie is de begeleiding van startende leraren echter nog niet voldoende. Daarom begonnen we het landelijke project «Begeleiding startende leraren in het VO». Scholen krijgen subsidie voor deelname aan een wetenschappelijk onderbouwd begeleidingstraject, dat wordt gecoördineerd door de universitaire lerarenopleidingen. De deelname aan dit traject is hoger dan verwacht.

Ook de sociale partners in het po hebben een goede basis gelegd voor de begeleiding van startende leraren. In het mbo hebben werkgevers een regeling startende werknemers op grond van de cao mbo, waarin aandacht wordt besteed aan de begeleiding van startende werknemers.

Dat de inspectie concludeert dat leraren niet meer differentiëren dan in eerdere jaren is zorgelijk. In de sectorakkoorden zijn afspraken gemaakt over het bevorderen van differentiërende vaardigheden. Besturen stemmen hun beleid daar op af.23 De inzet op differentiatievaardigheden is van groot belang – ook in het perspectief van de toenemende kansenongelijkheid. Juist leerlingen uit een kansarm milieu kunnen baat hebben bij een op maat gesneden didactische en pedagogische aanpak. Dat de toegenomen aandacht voor maatwerk zijn vruchten afwerpt, blijkt bijvoorbeeld uit de voortgangsrapportage van het Plan van Aanpak Toptalenten 2014–2018. Meer leraren besteden aandacht aan toptalenten. In het po gold dit voor 85 procent van de leraren en dit is gestegen naar 98 procent in 2015. In het vo steeg dit percentage van 52 naar 76 procent. De verveling onder toptalenten in het vo is meer dan gehalveerd, van 56 procent in 2014 naar 24 procent in 2015. Leraren zijn ook vaker tevreden over de ondersteuning, die zij hiervoor krijgen vanuit de school.

Deze positieve ontwikkeling blijkt nog niet uit de observaties van de inspectie. Dat is aanleiding voor ons om met de sectorraden de oorzaken daarvan te onderzoeken en te kijken of aanvullende actie nodig is. Hierover zullen we u dit najaar op de hoogte brengen in de voortgangsrapportage van de sectorakkoorden. Daarop vooruitlopend, lanceerden we op de conferentie Toptalenten op 14 maart jongstleden al een Toolbox Uitdagend gedifferentieerd vakonderwijs voor leraren.

Onze ambitie is dat in 2017 alle lessen in het vo worden gegeven door daartoe bevoegde of benoembare leraren. Om hiertoe te komen geven we samen met de VO-raad meer inzicht in de problematiek, handhaaft de inspectie bij evidente overtredingen van de wet en faciliteren we de wederzijdse afstemming tussen lerarenopleidingen en scholen.

Beroepsregisters

Het stelsel van beroepsregisters ondersteunt de ontwikkeling dat leraren en schoolleiders stelselmatig blijven werken aan hun professionele ontwikkeling. De registers maken immers bevoegdheden en professionele ontwikkeling zichtbaar. Vanaf 2017 wordt het lerarenregister wettelijk verankerd.

Bestuurscultuur

Het vormen van een lerende organisatie vraagt ook om een goede bestuurscultuur. De inspectie ziet dat scholen en instellingen veel aandacht besteden aan de verdere ontwikkeling en professionalisering van bestuur, intern toezicht en medezeggenschapsraden. De sectorraden en verenigingen van toezichthouders hebben initiatieven genomen om de expertise en de kennisuitwisseling te versterken.

Het wetsvoorstel Versterking bestuurskracht is een belangrijke stap om de bestuurskracht in het onderwijs verder te versterken. De wet regelt voor alle onderwijssectoren essentiële zaken, zoals benoemingen van bestuursleden en de positie van de medezeggenschap. De medezeggenschap is van groot belang, want actieve en kritische inspraak is één van de belangrijkste voorwaarden voor goed bestuur. De rol van personeel, studenten, leerlingen en ouders als tegenkracht en kritische vriend is onontbeerlijk voor de kwaliteit van het onderwijs.

Groen onderwijs

Al het bovenstaande geldt ook voor groen onderwijs. Ook daar is het belangrijk dat leerlingen en studenten kansen krijgen ongeacht hun achtergrond, zich veilig voelen en scholen lerende organisaties vormen. We zijn tevreden dat de basiskwaliteit in het groen onderwijs over de gehele linie op orde is. De kwaliteitsimpuls van enkele jaren geleden werpt zijn vruchten af. Binnen het groen vmbo blijven de onderwijsresultaten stijgen, vooral binnen de gemengde/theoretische leerweg. Binnen het groen mbo ontwikkelt de kwaliteitsborging zich positief, nadat die eerder een zorgpunt was binnen de AOC’s.

Er zijn echter nog verbeteringen nodig op het niveau van de opleidingen, op zorg en maatwerk. Daarnaast blijft aandacht nodig voor het terugdringen van zwakke opleidingen binnen het groen mbo. Binnen het hoger groen onderwijs ten slotte, zijn studenten zeer tevreden over de opleiding en docenten. Binnen het groen hbo nemen de uitval en het switchen af, tot een niveau dat vergelijkbaar is met de rest van het hbo. In het groen wo (Wageningen Universiteit) zijn het studiesucces en de instroom gestegen.

Voor de komende periode zal het groen onderwijs met overheid en bedrijfsleven werken aan een meerjarige strategische ontwikkelagenda. Deze agenda moet de kwaliteit en de vakinhoudelijke vernieuwing bevorderen en de aansluiting op de maatschappij en arbeidsmarkt versterken. Het kabinet ziet in groen onderwijs een belangrijk middel om bij te dragen aan maatschappelijke opgaven binnen en buiten het groene domein.

Tot slot

De Staat van het Onderwijs heeft een urgente boodschap. We zien veranderingen optreden in ons stelsel die raken aan de toegankelijkheid van ons onderwijs – naast kwaliteit en doelmatigheid – één van de pijlers van ons onderwijssysteem. De afgelopen jaren hebben wij ingezet op de brede kwaliteit van ons onderwijs en de doelmatigheid van opleidingen. En met resultaat. Zoals de inspectie constateert, staat het Nederlandse onderwijs er goed voor. De kwaliteit van onze scholen is verbeterd en de resultaten van ons onderwijs blijven hoog. We zien onder meer vooruitgang in de vormgeving van passend onderwijs, het studiesucces en een afname van pesten. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Maar een stelsel is nooit voltooid; door de tijd verschijnen nieuwe zwakke plekken en risico’s op en onderhoud blijft dan ook noodzakelijk. Het is de taak van alle betrokkenen bij het onderwijs om hier gezamenlijk aan te blijven werken.

Noot 1: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Noot 2: Kamerstuk 34 200 VIII, nr. 9.

Noot 3: Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 129.

Noot 4: Kamerstuk 34 300 XV, nr. 7.

Noot 5: Kamerstuk 31 007, nr. 6.

Noot 6: Kamerstuk 31 289, nr. 289.

Noot 7: Kamerstuk 31 289, nr. 288.

Noot 8: Kamerstuk 31 332, nr. 53.

Noot 9: Kamerstuk 31 288, nr. 499.

Noot 10: Kamerstuk 33 519, nr. 32.

Noot 11: Kamerstuk 31 288, nr. 524.

Noot 12: Kamerstuk 31 293, nr. 273.

Noot 13: Amsterdam, Den Haag, Eindhoven, Leeuwarden en Zaanstad.

Noot 14: Kamerstuk 26 695, nr. 109.

Noot 15: Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 49.

Noot 16: Kamerstuk 34 000 VIII, nr. 93.

Noot 17: SCP en WRR (2014), Gescheiden werelden?, Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland.

Noot 18: Kleijwegt (2016), 2 werelden 2 werkelijkheden, hoe ga je daar als docent mee om?

Noot 19: ITS (2015), Maatschappelijke thema’s in de klas, Hoe moeilijk is dat?

Noot 20: Kamerstuk 29 240, nr. 52.

Noot 21: Kamerstuk 31 497, nr. 183.

Noot 22: Kamerstuk 26 695, nr. 108.

Noot 23: Regioplan (2015), Enquêtes Bestuursakkoord PO.