Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2015-2016

Nr. 74

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juni 2016

We werken al geruime tijd aan het verbeteren van de taal- en rekenvaardigheden van alle leerlingen en studenten in het primair onderwijs (po), het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) naar aanleiding van klachten van het vervolgonderwijs en het bedrijfsleven over het lage reken- en taalniveau van jongeren. Dit was aanleiding voor onder andere de toenmalige HBO-raad om een dringend beroep te doen op uw Kamer dit probleem snel aan te pakken, wat vervolgens ook met grote urgentie is gedaan.

De basisvaardigheden Nederlandse taal en rekenen zijn voor jongeren essentieel om de lessen goed te kunnen volgen en onmisbaar voor een succesvolle doorstroom naar een vervolgopleiding en voor het functioneren in het beroep en de maatschappij. Met het wettelijk vastleggen van de referentieniveaus in 2010 is een basis gelegd om de vaardigheden op het gebied van Nederlandse taal en rekenen van onze leerlingen te verbeteren. De afgelopen jaren zijn de po- en vo-scholen en de mbo-instellingen hard aan de slag gegaan met het verbeteren van het taal- en rekenonderwijs op basis van deze referentieniveaus.

Om ervoor te zorgen dat iedereen gemotiveerd blijft om het rekenonderwijs te verbeteren, wordt met de partijen die direct betrokken zijn bij rekenen gewerkt aan het actieplan rekenonderwijs, zoals aan uw Kamer is toegezegd in de brief van 22 oktober 2015.1 In gezamenlijkheid is besloten de naam aan te passen naar agenda rekenonderwijs vo/mbo (hierna rekenagenda). De rekenagenda bevat activiteiten die leerlingen, studenten, ouders, besturen, rekencoördinatoren, docenten en ander onderwijzend personeel de komende jaren motiveert om de kwaliteit van het rekenonderwijs te verbeteren. Wij willen deze rekenagenda nog voor de zomer naar uw Kamer sturen.

In dit schooljaar is de hoogte van het resultaat op de rekentoets voor het eerst een onderdeel van de diplomeringsbeslissing in het vwo. In deze brief informeren wij uw Kamer over de resultaten van de rekentoets 2016 die tot nu toe behaald zijn in het voortgezet onderwijs (vo). Het gaat hier om de afnames van januari en maart 2016 op referentieniveau 2F en 3F. Aan de hand van de goede resultaten in het vwo hebben wij besloten het vangnet niet in werking te laten treden. Tevens hebben wij besloten om de resultaten van de rekentoets niet mee te laten tellen voor de diplomering in het havo en vmbo voor het schooljaar 2016–2017.

Ook gaan we in deze brief in op het onderzoek naar de besteding van aanvullende middelen Nederlandse taal en rekenen in het vo en mbo. Daarmee geven wij uitvoering aan de motie van de leden Straus en Van Dijk.2 Uit het onderzoek blijkt dat de vo-scholen en de mbo-instellingen de afgelopen jaren veel acties hebben ondernomen voor de verbetering van het taal- en rekenonderwijs en de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen en studenten. De inschatting van de scholen en instellingen is dat deze acties hebben geleid tot een verbetering van het onderwijs en de vaardigheden van leerlingen en studenten.

Ten slotte gaan we in deze brief in op de wettelijke borging van enkele zaken in het kader van Nederlandse taal en rekenen. Na de zomer ontvangt u, als onderdeel van de aanbieding van de examenmonitor vo:

  • •  een uitgebreidere analyse van de resultaten op de rekentoets in het schooljaar 2015–2016 voor vo en ook de resultaten op het rekenexamen in het mbo. Alle resultaten van het schooljaar zijn dan bekend zodat wij u een volledig beeld kunnen geven.
  • •  de resultaten van de pilot rekentoets 2A en 3S.

Resultaten rekentoets vo

De resultaten van de rekentoets vo van de eerste twee afnames zijn bekend. Deze resultaten – en die van heel 2015 – zijn opgenomen in tabel 1. De resultaten over het hele schooljaar 2015–2016, ook voor het mbo, sturen wij u na de zomer.

Bij deze resultaten merken we op dat dit de resultaten van de eerste twee afnames (januari en maart) in 2016 zijn.3 Een deel van de leerlingen heeft recent, in de afnameperiode van mei/juni 2016, nog een extra kans gehad voor het behalen van een hoger cijfer. Deze resultaten zijn echter nog niet bekend en daarom niet meegenomen in onderstaand overzicht, maar de uiteindelijke resultaten van een deel van deze leerlingen zullen dus waarschijnlijk hoger zijn.
Tabel 1: Het percentage vo-eindexamenkandidaten dat minimaal een 5 of 6 heeft gehaald en het gemiddelde cijfer van alle vo-eindexamenkandidaten
 

% 5 of hoger

% 6 of hoger

gemiddeld cijfer

 

2015

2016

2015

2016

2015

2016

vmbo-bb

60%**

62%**

34%**

36%**

4,9**

4,9**

vmbo-kb

73%

74%

44%

43%

5,4

5,3

vmbo-gt

78%*

93%

53%*

75%

5,8*

6,6

havo

84%

80%

44%

37%

5,5

5,3

vwo

99%

98%

87%

85%

7,0

6,9

* Voor het vmbo gt was in 2015 sprake van cijferdifferentiatie.

** Voor het vmbo bb is zowel in 2015 en 2016 sprake van cijferdifferentiatie. De leerlingen krijgen een cijferpunt extra.

Na een aantal jaren waarin de resultaten jaar op jaar verbeterden, lijkt het nu alsof de resultaten afvlakken. Alleen in het vmbo-gt lijken de cijfers en het percentage leerlingen met een voldoende sterk te zijn gestegen. Deze toename is te verklaren doordat de cijferdifferentiatie tussen vmbo-gt en -kb is beëindigd, wat inhoudt dat vmbo-gt leerlingen nu niet meer 1 cijferpunt strenger worden beoordeeld dan vmbo-kb leerlingen.

Besluit vangnet vwo

Vanaf dit schooljaar telt de hoogte van het cijfer voor de rekentoets mee voor het behalen van het diploma op het vwo. In onze brief van 25 juni 2015 hebben we aangegeven dat er, als onderdeel van het invoeringstraject, een mogelijkheid is van een vangnet tijdens dit eerste schooljaar waarin de hoogte van het resultaat meetelt voor het behalen van het diploma.4 Met deze mogelijkheid hebben we invulling gegeven aan het advies van de Commissie Steur (2014) over verantwoorde invoering van de rekentoets in het vo en mbo.5 Als meer dan 5 procent van de leerlingen extra zakt vanwege de rekentoets, treedt het vangnet in werking: leerlingen hoeven dan geen 5 maar een 4 te halen om het diploma te kunnen halen. Er zijn twee vangnetten: één voor vwo 3F en één voor vwo 3ER.

Om scholen tijdig op de hoogte te stellen van het besluit om het vangnet in werking te laten treden, maken wij het besluit op dit moment bekend, vóór 16 juni. Vanaf die dag worden namelijk de eindexamenuitslagen bekend en om te kunnen bepalen of een leerling is geslaagd, moeten scholen weten of het vangnet wel of niet in werking treedt. Wij moeten daarom dus nu het besluit over het vangnet nemen, op basis van de resultaten van januari en maart 2016.

Tabel 2 Aantal deelnemers, gemiddeld cijfer, percentage voldoende en percentage 5 of hoger van de rekentoets van de afnames januari en maart 2016.1Dit zijn de resultaten van de rekentoetsen die in Examentester zijn gemaakt. Er zijn ook rekentoetsen gemaakt in Facet maar daarvan is het onderscheid tussen leerlingen in het laatste en voorlaatste jaar niet mogelijk. De resultaten van Facet laten hetzelfde beeld zien.
 

totaal vwo

vwo 5

vwo 6

3ER vwo

Aantal afnames

5.969

4.404

1.565

13

Gemiddeld cijfer

6,9

6,9

6,6

6,2

Percentage voldoende

85%

87%

79%

77%

Percentage 5 en hoger

98%

98%

97%

95%

Uit de resultaten van januari en maart 2016 blijkt dat hoogstens 3 procent van de vwo-leerlingen het diploma niet zal behalen op basis van deze resultaten. Dit is binnen de marge van 5 procent waarbij het vangnet in werking treedt. Waarschijnlijk ligt dit percentage uiteindelijk zelfs lager, aangezien de resultaten van de rekentoets van de afname van mei/juni 2016 nog niet bekend zijn en dus niet zijn meegenomen in dit overzicht. Een deel van de leerlingen haalt mogelijk nog een hoger cijfer voor de rekentoets waardoor het percentage van de studenten dat zakt verder zal dalen. Het kan ook zijn dat deze leerlingen vanwege andere eindexamenonderdelen zouden zakken, maar daar wordt voor de beslissing over de inwerkingtreding van het vangnet geen rekening mee gehouden.

Op basis van de goede resultaten hebben wij besloten om het vangnet niet in werking te laten treden voor de rekentoets 3F.

Er is de mogelijkheid om een apart vangnet in werking te laten treden voor de rekentoets 3ER, indien er aanwijzingen zouden zijn dat juist in deze specifieke groep wel meer dan 5 procent van de studenten extra zou zakken vanwege het meetellen van de hoogte van het resultaat voor de rekentoets. Er zijn slechts 13 ER afnames in het vwo geregistreerd, waarbij er 12 keer een 5 of hoger is behaald. Op basis daarvan zien wij geen reden om het vangnet in werking te laten treden voor de rekentoets 3ER.

Gezien deze goede resultaten, maakt de rekentoets – in lijn met het aangekondigde invoeringstraject – vanaf schooljaar 2016–2017 onderdeel uit van de kernvakkenregel in het vwo.

Besluit over meetellen resultaten rekentoets in schooljaar 2016–2017 vmbo en havo

De rekentoets zal ook in 2016–2017 niet meetellen in vmbo en havo voor het behalen van een diploma. De tussentijdse resultaten zijn nog niet voldoende verbeterd. Volgend schooljaar zal er weer aan de hand van de resultaten onderzocht worden of het verantwoord is om de rekentoets te laten meetellen in het schooljaar 2017–2018. Voor het mbo geldt dat de hoogte van het resultaat op het rekenexamen pas gaat meetellen voor het behalen van het diploma zodra het resultaat ook voor alle diplomerende leerlingen in het vo heeft meegeteld voor het behalen van het diploma. Hiervan kan worden afgeweken als de resultaten op een bepaald mbo-niveau zich zo goed ontwikkelen dat ze voor dat niveau eerder kunnen meetellen.

Ook al telt het resultaat op de rekentoets nog niet mee voor het behalen van het vmbo-, havo- en mbo-diploma, leerlingen en studenten hebben recht op goed rekenonderwijs. Zij hebben rekenvaardigheden immers overal in de samenleving nodig. Daarom moedigen wij alle betrokkenen aan om het rekenonderwijs en de rekenvaardigheden van leerlingen en studenten naar een hoger niveau te brengen.

Onderzoek naar de besteding van aanvullende middelen voor Nederlandse taal en rekenen

Zoals is toegezegd aan uw Kamer hebben wij een onderzoek laten uitvoeren naar de besteding van de aanvullende middelen voor Nederlandse taal en rekenen in het vo en het mbo. Dit onderzoek had als doel om een beeld te krijgen van in hoeverre de aanvullende middelen voor Nederlandse taal en rekenen ook daadwerkelijk zijn besteed aan de verbetering van het onderwijs voor Nederlands taal en rekenen. Het onderzoek is uitgevoerd door Regioplan beleidsonderzoek. U vindt de rapportage van het onderzoek als bijlage bij deze brief6.

Resultaten in het vo

Uit het rapport blijkt dat de inzet van middelen voor Nederlandse taal en rekenen groter is dan het extra toegekende bedrag dat de vo-scholen via de verschillende regelingen hebben ontvangen. De scholen maken binnen het beschikbare budget hun eigen keuzes en houden daarbij geen rekening met of de middelen uit de extra middelen voor Nederlandse taal of rekenen komen of uit het macrobudget.

Vo-scholen hebben de laatste jaren meer rekenlessen en/of ondersteuningsuren aangeboden. Ook hebben ze een bewuste keuze gemaakt voor passendere methoden. Op het gebied van Nederlandse taal zijn er op veel scholen extra activiteiten ondernomen, zij het op minder scholen dan bij rekenen. De inspanningen voor Nederlandse taal zijn onder andere gericht op extra ondersteuningsuren en na- en bijscholing en richten zich minder op extra taallessen. De Nederlandse taal was op de vo-scholen al een apart vak met een centraal examen. Dat verklaart waarom er voor Nederlandse taal andere acties zijn ondernomen dan voor rekenen.

Een groot deel van de deelnemende vo-scholen heeft aangegeven dat het onderwijs voor rekenen en Nederlandse taal door de uitgevoerde activiteiten is verbeterd. Ook geeft het merendeel van de scholen aan dat de vaardigheden van leerlingen zijn verbeterd. Met name in het havo en de beroepsgerichte vakken vinden de scholen wel dat de resultaten van rekenen soms tegenvallen. De scholen geven aan dat het vasthouden van de motivatie bij leraren en leerlingen een aandachtspunt is, nu het cijfer van de rekentoets niet meetelt voor het behalen van het diploma in het havo en vmbo.

Resultaten in het mbo

Op basis van specificaties van de extra activiteiten voor Nederlandse taal en rekenen in de toelichting bij de jaarrekeningen van de mbo-instellingen blijkt dat ook voor het mbo de totale inzet van middelen de afgelopen jaren groter is dan het extra toegekende bedrag dat ze hebben ontvangen. In de keuzes voor extra activiteiten die worden ondernomen, worden mbo-instellingen dus niet geleid door welke middelen extra beschikbaar worden gesteld maar door onderwijskundige overwegingen over wat nodig is voor goed onderwijs voor Nederlandse taal en rekenen.

Alle aan het onderzoek deelnemende mbo-instellingen hebben de afgelopen jaren extra activiteiten ondernomen. Bijna allemaal hebben ze aparte lessen voor rekenen opgenomen in het rooster. Daarnaast zetten veel van de ondervraagde instellingen in op extra ondersteuningsuren en de aanschaf/verbetering van lesmethoden. De inspanningen op het gebied van Nederlandse taal zijn nagenoeg hetzelfde van aard maar de percentages instellingen met activiteiten is minder hoog. De activiteiten zijn veelal op alle studenten gericht. Een groot deel van de instellingen geeft ook aan specifieke aandacht te besteden aan leerlingen met een vermoedelijke of geconstateerde achterstand.

Nagenoeg alle respondenten (97 procent) van de deelnemende mbo-instellingen geven aan dat het rekenonderwijs enigszins of sterk is verbeterd de afgelopen jaren. Er is sprake van een grotere motivatie van docenten en er is toegenomen aandacht voor individuele studenten. 88 procent van de respondenten geeft aan dat ook de rekenvaardigheden zijn verbeterd. Ook op het gebied van Nederlandse taal is er sprake van een hoog percentage instellingen dat aangeeft enigszins of (zeer) sterk verbeteringen waar te nemen in het onderwijs (100 procent) en de vaardigheden van studenten (91 procent).

Conclusies naar aanleiding van het onderzoek

Zoals uit het onderzoek blijkt, hebben de vo-scholen en de mbo-instellingen de afgelopen jaren veel acties ondernomen voor de verbetering van het taal- en rekenonderwijs en de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen en studenten. De inschatting van de scholen en instellingen is dat door de extra middelen zowel het onderwijs als de vaardigheden van leerlingen en studenten zijn verbeterd. De scholen en instellingen hebben hiervoor de afgelopen jaren niet alleen de middelen ingezet die ze extra hebben ontvangen, maar ook andere middelen uit de bekostiging, waardoor in totaal ruim meer middelen zijn ingezet dan het totaal van ontvangen extra middelen. Gezien dit feit zien wij geen aanleiding om over te gaan tot terugvordering van de aanvullende middelen die zijn verstrekt voor het verbeteren van het onderwijs voor Nederlandse taal en rekenen.

Met de rekenagenda willen we inzetten op maatregelen om de motivatie hoog te houden. Ook wordt er in het mbo nog gezocht naar de manieren waarop het onderwijs en de resultaten verder kunnen worden verbeterd. Ook dit willen wij terug laten komen in de rekenagenda, onder andere door de verdere kennisdeling tussen docenten onderling.

Wetsvoorstel differentiatie exameneisen taal en rekenen

We hebben uw Kamer eerder gemeld dat er een wetsvoorstel in voorbereiding is waarin een aantal zaken voor taal en rekenen wordt geregeld. Onderdeel van dit wetsvoorstel is het opnemen van de wettelijke grondslag voor de rekentoets/het rekenexamen 2A voor het vmbo-bb, de entreeopleiding en mbo-2, voor de groep leerlingen en studenten die niet in staat is om aan het referentieniveau 2F te voldoen.7 Ook wordt in dit wetsvoorstel de grondslag geregeld voor het onderscheid in diploma’s voor de entreeopleiding en mbo-2. Studenten die alle onderdelen hebben behaald krijgen een diploma met doorstroomrecht naar een hoger niveau. Studenten die (nog) niet alle eisen voor Nederlandse taal en rekenen hebben behaald maar wel aan de overige eisen van de opleiding voldoen krijgen een diploma waarmee ze niet direct kunnen doorstromen naar een hoger niveau maar wel aan de slag kunnen op de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel sturen we later dit jaar aan uw Kamer. De voorziene inwerkingtredingsdatum is schooljaar 2018–2019.
Zoals aangegeven in onze brief van 6 oktober 2015 is ook het behalen van het referentieniveau 2F voor Nederlandse taal niet haalbaar voor een deel van de leerlingen en studenten in het vmbo-bb, de entreeopleiding en mbo-2.8 Daarom wordt er op dit moment nog gewerkt met cijferdifferentiatie ten opzichte van het referentieniveau 2F, waarbij studenten in deze niveaus ongeveer 1 cijferpunt soepeler worden beoordeeld. Om dit transparant te kunnen maken op de cijferlijst en resultatenlijst, zullen we ook voor Nederlandse taal een niveau 2A introduceren. De examens voor Nederlandse taal veranderen hierdoor niet. Wij zullen de grondslag voor het niveau 2A voor Nederlandse taal meenemen in het eerder aangekondigde wetsvoorstel. Tot de wetswijziging van kracht wordt, blijven we werken met de cijferdifferentiatie.

Eerder is aangekondigd dat de centrale examinering van de entreeopleiding zou starten in het schooljaar 2016–2017. Dit was echter onder de conditie dat er dan ook een onderscheid in diploma’s, zoals hiervoor gemeld, zou zijn. Omdat het wetsvoorstel waarin dit onderscheid in diploma’s voor de entreeopleiding een basis krijgt zoals gezegd nog in voorbereiding is, hebben we daarom besloten om nog niet te starten met de centrale examinering van Nederlandse taal en rekenen voor de entreeopleiding. De centrale examinering in de entreeopleiding zal starten bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

In dit wetsvoorstel zal ook de wettelijke basis voor de rekentoets 3S worden geregeld. Zoals aan uw Kamer is gemeld, is de rekentoets 3S bedoeld voor leerlingen die meer aankunnen dan de rekentoets 3F. De rekentoets 3S zal net als de rekentoets/het rekenexamen 2A in pilotvorm worden afgenomen tot de wetswijziging van kracht is.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

Noot 1: Kamerstuk 31 332, nr. 70.

Noot 2: Kamerstuk 31 332, nr. 66.

Noot 3: In de Voortgangrapportage invoering referentieniveaus rekenen 2015 (Kamerstuk 31 332, nr. 51) stonden de hoogst behaalde resultaten per leerling, in deze brief betreft het de gemiddelde cijfers van de afnameperiodes. De hoogst behaalde resultaten per leerling zullen na de zomer bekend zijn.

Noot 4: Kamerstuk 31 332, nr. 51.

Noot 5: Kamerstuk 31 332, nr. 36.

Noot 6: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 7: Kamerstuk 31 332, nr. 36.

Noot 8: Kamerstuk 31 332, nr. 52.