Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 16

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 oktober 2016

Elk kind moet, ongeacht afkomst, zijn of haar talenten ten volle kunnen ontplooien. Lang gold dat je toekomst bepaald werd door je afkomst. In de 20e eeuw kwam daar geleidelijk verandering in en ontstond een breed toegankelijk onderwijsstelsel, waarin goed onderwijs voor iedereen beschikbaar werd. Het werd voor veel mensen een route naar emancipatie. Het aantal lager opgeleiden daalde enorm en het aantal hoger opgeleide jongvolwassenen steeg in Nederland in vijftig jaar van 2 procent naar 45 procent.

Deze goede uitgangspositie blijkt echter niet vanzelfsprekend. Vorig jaar, bij de behandeling van de OCW-begroting, heeft de Minister al aandacht gevraagd voor (de bedreigingen voor) gelijke kansen in het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs constateert in het recente Onderwijsverslag dat de onderwijskansen van kinderen van lager en hoger opgeleide ouders verder uit elkaar lopen. Ook de OESO signaleerde recent dat gelijke kansen in het Nederlandse onderwijs onder druk staan.1

Maatschappelijke ontwikkelingen vergroten het risico van ongelijke kansen van jongeren in de samenleving en in het onderwijs. Het Sociaal Cultureel Rapport van het SCP en het WRR/SCP-rapport «Gescheiden werelden?» waarschuwden eind 2014 al voor het risico van toenemende sociale ongelijkheid en polarisatie in onze samenleving. Mensen met een verschillend opleidingsniveau komen elkaar minder vaak tegen en hebben heel andere ideeën over ontwikkelingen in de maatschappij. Wanneer ideeën en leefwerelden elkaar onvoldoende ontmoeten, leidt dit tot toenemend onbegrip en wederzijds wantrouwen.

We vinden het onacceptabel als talenten van kinderen onopgemerkt blijven en daardoor het potentieel van onze jongeren niet ten volle wordt benut. Iedereen moet zijn kansen kunnen grijpen en zijn talenten ten volle kunnen ontwikkelen. Dat is in het belang van onze kinderen en jongeren en hun eigen toekomst, maar ook essentieel voor de toekomst van Nederland. We streven naar onderwijs waarin álle leerlingen en studenten zich thuis voelen en het beste uit zichzelf kunnen halen, ongeacht hun thuissituatie, talenten of achtergrond.

Het bieden van kansen aan kinderen en jongeren is een kernopdracht van het onderwijs. Het is aan leerlingen en studenten, samen met hun ouders, om die kansen te benutten. Ons onderwijsstelsel scoort in internationale vergelijkingen al lange tijd goed op kwaliteit, toegankelijkheid en de mogelijkheid van leerlingen om op te stromen.

Hoewel we in internationaal perspectief nog steeds goed presteren wat betreft gelijke kansen, zien we op nationaal niveau wel risico’s. Leerlingen met lager opgeleide ouders blijken, ondanks gelijke cognitieve capaciteiten, minder ver te komen dan hun leeftijdsgenoten met hoger opgeleide ouders. Bovendien is de motivatie onder leerlingen relatief laag en blijft het dus belangrijk leerlingen uit te dagen op hun eigen niveau.

Om ervoor te zorgen dat alle kinderen en jongeren gelijke kansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen ontvangt u hierbij ons actieplan. In dit actieplan doen wij voorstellen voor het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs, zoals uw Kamer heeft verzocht in de motie Nijboer en Harbers.2 We bouwen hierbij voort op bestaand beleid dat als doel heeft om iedere leerling en student uit te dagen. Wij nemen daarbij ook de voorstellen uit de initiatiefnota van de PvdA-fractie mee. Met dit actieplan geven we een impuls aan het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs. We kiezen ervoor het accent te leggen op het verbeteren van de overgangen in het onderwijs, zodat ook leerlingen en studenten met minder ondersteuning en stimulans van huis uit, de kans krijgen hun talenten te benutten. Wij doen dat door bijvoorbeeld te investeren in schakelprogramma’s en het verbeteren van de overgang mbo-hbo, en door in te zetten op een traditioneel sterk punt van het Nederlandse onderwijs, namelijk de mogelijkheid om opleidingen te stapelen. We gaan het actieplan in de periode 2017–2019 zorgvuldig implementeren en evalueren, zodat we daarna goed zicht hebben op wat echt werkt in de praktijk en we de maatregelen duurzaam kunnen invoeren.

De afgelopen periode hebben wij, mede naar aanleiding van het rapport van de Onderwijsinspectie, veel gesprekken gevoerd over gelijke kansen in het onderwijs. Kansengelijkheid leeft in het onderwijs. Veel scholen en instellingen werken hier dagelijks aan en spannen zich continu in om hun leerlingen en studenten kansen te geven en te laten pakken. Het bevorderen van gelijke kansen kunnen we in het onderwijs echter niet alleen. Wij nemen de handschoen op, maar we moeten ook als samenleving aan de slag. Hierbij kunnen velen het verschil maken: ouders, schoolleiders en docententeams, studenten, werkgevers, werknemers, jongerenwerkers, vrijwilligers en professionals bij de sportclub, in de muziekschool of op straat.

Daarom gaan wij, in aanvulling op de maatregelen die we zelf nemen en in dit actieplan beschrijven, met al deze partijen, met iedereen die het verschil wil maken, een alliantie voor gelijke kansen vormen. Hiermee nemen we het initiatief voor een duurzame beweging; er bestaan immers geen snelle, simpele oplossingen. Zo dragen we er met elkaar aan bij dat elk kind en elke jongere, van de voorschoolse educatie tot de universiteit, de kans krijgt om zijn ambities te ontdekken, zijn talenten te ontwikkelen en zijn dromen waar te maken.

Bestaand beleid

De afgelopen jaren is volop geïnvesteerd in kwalitatief goed onderwijs dat recht doet aan de talenten van leerlingen en studenten. Zo is onder meer ingezet op verdere flexibilisering van het stelsel, verminderde schooluitval en op de kwaliteit van leraren. Daarnaast hebben we geïnvesteerd in het beter benutten van talent, academisch, beroepsgericht of creatief, zowel voor onze beste leerlingen en studenten als voor jongeren in een kwetsbare positie. We lanceerden vervolgplannen voor loopbaan oriëntatie en begeleiding. We bevorderen in het vo de plus-portfolio en het volgen van vakken op een hoger niveau. We investeren extra in professionele vaardigheden van leraren en schoolleiders en bevorderen een «lerende cultuur» op scholen door peer reviews. In het mbo zijn de keuzedelen geïntroduceerd, die de doorstroom van mbo naar hbo bevorderen. In het ho is in de strategische agenda expliciet aandacht besteed aan het doorontwikkelen van Associate Degrees en talentprogramma’s, om beter in te spelen op de behoeften van studenten en de arbeidsmarkt. Zo werken we aan een flexibeler stelsel, met verminderde schooluitval, meer uitdaging en een hogere kwaliteit.

Het benutten van talenten van al onze jongeren vraagt om een onderwijscultuur waarin leerlingen en studenten worden gestimuleerd en uitgedaagd, kansen krijgen en worden aangemoedigd om kansen te pakken. Het bevorderen van toptalent en gelijke kansen kunnen daarbij goed samen gaan. Landen die internationaal goed presteren, zoals Japan, laten dit ook zien.

Leeswijzer

In het eerste hoofdstuk beschrijven we het vraagstuk om helder te hebben waar de aangrijpingspunten liggen voor acties. We geven aan wat bekend is aan effectieve aanpakken en welke acties we afgelopen periode al in gang hebben gezet. In hoofdstuk 2 presenteren we ons actieplan en in hoofdstuk 3 gaan we in op de Gelijke Kansen Alliantie.

1. Analyse en effectieve aanpakken

In internationaal gezien presteert het Nederlandse onderwijs goed op kansengelijkheid. Ons stelsel selecteert relatief vroeg. Dit wordt nogal eens geassocieerd met grotere kansenongelijkheid. De OESO constateert dat, hoewel de uitkomsten van ons systeem van vroege selectie relatief goed zijn, het systeem onder druk staat. Het feit dat Nederland goed scoort, komt vooral doordat ons onderwijsstelsel een aantal compenserende maatregelen heeft.3 Ten eerste helpt het als voor de eindadvisering voor de plaatsing in het voortgezet onderwijs naast het oordeel van een docent gebruik wordt gemaakt van objectieve gegevens, zoals de eindtoets. Ten tweede is in ons stelsel ruimte voor uitstel van selectie doordat leerlingen geplaatst kunnen worden in gemengde brugklassen waarmee de definitieve plaatsing wordt uitgesteld. Ten derde kent ons stelsel de mogelijkheid van diplomastapeling en doorlopende leerlijnen. Dit geeft leerlingen de mogelijkheid om een hoger niveau te behalen dan oorspronkelijk was voorzien.
De compenserende mechanismen op de kenmerkende vroege selectie staan de laatste jaren echter onder druk. Leerlingen met hoger opgeleide ouders hebben, bij gelijke prestaties, ruim drie keer zoveel kans in het hoger onderwijs te komen als leerlingen met lager opgeleide ouders.4 Ook bij andere overgangen in het onderwijs zien we de invloed van de opleiding van de ouders op de onderwijscarrière van hun kinderen. Ongelijke kansen tellen dus op: bij iedere overgang in het onderwijs zijn kinderen van hoger opgeleide ouders in het voordeel.
Het schooladvies voor het voortgezet onderwijs van kinderen van lager opgeleide ouders daalde de afgelopen jaren sterker dan hun scores op de eindtoets. We zien dat leerlingen met hoger opgeleide ouders gedurende het voortgezet onderwijs vaker opstromen. Er zijn hiernaast duidelijke signalen dat het aantal categorale middelbare scholen toeneemt en het aantal brede scholengemeenschappen afneemt. Het SCP wees er recent nog op dat de toegang naar het hoger onderwijs voor jongeren uit lagere milieus en met niet-westerse migrantenachtergrond vaker via het mbo loopt dan voor overige jongeren.5 De omvang van deze routes neemt echter af. Ook een afname van stapelen in het mbo maakt het moeilijker om het hoger onderwijs te bereiken voor leerlingen die op een lager niveau in het vmbo en vervolgens het mbo starten. De trend van de afname van het stapelen in het mbo doet zich al langer voor, hoewel de laatste jaren de afname van het stapelen vanuit mbo2 stabiliseert. Voor veel van deze ontwikkelingen geldt dat zij niet gisteren of vandaag zijn ontstaan en dat het om al langer lopende meerjarige trends gaat.

Ongelijke kansen in het onderwijs komen tot uiting op verschillende momenten en in verschillende contexten. De oorzaken en katalysatoren voor ongelijke kansen liggen in:

  • (1)  overgangen in het onderwijs;
  • (2)  verschillen in de kwaliteit van het onderwijsaanbod en de mate waarin scholen en leraren toegerust zijn om gelijke kansen te bevorderen en talenten te motiveren;
  • (3)  de netwerken en hulpbronnen rond leerlingen en studenten.6

Iedere oorzaak van ongelijke kansen vormt een aangrijpingspunt voor interventies. Ons actieplan geven we daarom vorm langs drie lijnen gericht op extra aandacht voor soepele overgangen in het onderwijs, stimulerend onderwijs voor kinderen die van huis uit minder kansen krijgen en steun voor sterke netwerken rondom leerlingen, studenten en hun ouders.

Bij elk thema geven we aan wat volgens de wetenschappelijke evidentie kansrijke interventies zijn.7 Ook geven we aan welke acties we afgelopen periode al in gang hebben gezet om gelijke kansen in het onderwijs te bevorderen.

1.1 Soepele overgangen

• Analyse: overgangen in het onderwijs

Overgangen in het onderwijs zijn bepalende momenten in de schoolloopbaan. Juist voor jongeren die van huis uit minder ondersteuning en begeleiding krijgen, vormen overgangen soms een risico. Onderzoek laat zien dat leerlingen met dezelfde cognitieve capaciteiten maar een verschillende achtergrond heel andere onderwijsloopbanen hebben. Bij elke overgang in het onderwijs zijn de uitkomsten voor kinderen met hoger opgeleide ouders gunstiger dan voor kinderen met lager opgeleide ouders, ook als men leerlingen en studenten met dezelfde prestaties vergelijkt.

Onderwijsloopbaan van leerlingen met dezelfde CITO eindtoets score (535) maar andere sociale achtergrond (Bron: gegevens CBS, cohort schooljaar 2012/2013, groep 8)

Bovenstaande figuur laat zien dat leerlingen van lager opgeleide ouders, met dezelfde cito-score (namelijk 535 punten), gemiddeld een lager schooladvies krijgen. Na het basisschooladvies nemen de verschillen in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs verder toe (de horizontale as in de grafiek). Hier is een aantal verklaringen voor.

Jongeren met hoger opgeleide ouders nemen ten eerste meer ambitieuze onderwijsbeslissingen dan jongeren met lager opgeleide ouders.8 Ze hebben meer geloof in eigen kunnen dan leerlingen van lager opgeleide ouders. Ook hebben zij vaak meer rolmodellen in hun directe omgeving waar zij zich aan kunnen spiegelen.

Hoger opgeleide ouders hebben hiernaast meer kennis van het onderwijssysteem en kunnen hun kinderen beter begeleiden omdat ze beter zijn geïnformeerd over de kwaliteit van scholen en opleidingen. Hoger opgeleide ouders zijn in staat om hun eigen studie-ervaringen te delen met hun kinderen. Zij kunnen vertellen over de manier waarop zij tot hun studiekeuze zijn gekomen en wat studeren inhoudt.

Leerlingen met hoger opgeleide ouders die een vmbo-advies krijgen, gaan vaker naar een school waarin vmbo- en havoleerlingen in één klas samen zitten, waardoor de kans groter is dat zij alsnog havoniveau halen. Ook stromen vmbo-gediplomeerden met hoger opgeleide ouders vaker door naar hogere mbo-niveaus. Onderstaande grafiek laat bijvoorbeeld zien dat vmbo-tl-leerlingen van hoger opgeleide ouders vaker stapelen naar de havo.

Percentage stapelaars per opleidingsniveau ouders, van vmbo-tl naar havo (bron CBS)

Maar niet alleen ouders maken dat kansen van kinderen verschillen. Ook inschattingen en keuzes van leraren en docenten kunnen kansen van leerlingen beïnvloeden. Bij elke overgang in het onderwijs wordt door onderwijsprofessionals een inschatting gemaakt van zowel de potentie als de succeskansen van leerlingen of studenten op een bepaald onderwijsniveau. Leerlingen kunnen vergelijkbaar zijn in prestaties, maar verschillen in bijvoorbeeld werkhouding en studievaardigheden of de te verwachten ondersteuning vanuit huis. Dit speelt bij verschillende overgangen in het onderwijs, bijvoorbeeld bij de po-eindadvisering, de overstap van vmbo naar havo, maar ook bij de inschatting van een roc of een leerling met een vmbo-kaderdiploma beter kan beginnen op het hoogste mbo-niveau of op een lager niveau. We zien dat bij elke overstap leerlingen en studenten met lager opgeleide ouders gemiddeld genomen een voorzichtiger advies krijgen dan leerlingen met hoger opgeleide ouders. We moeten voorkomen dat leraren zich laten leiden door onterechte selectieve verwachtingen van leerlingen.

• Effectieve interventies en recent beleid

Om te voorkomen dat overgangen in het onderwijs kansenongelijkheid versterken, en leerlingen en studenten met minder stimulans en begeleiding van huis uit verder achterop raken, zijn loopbaanoriëntatie, en -begeleiding (LOB), coaching, voorbereiding op vervolgonderwijs en begeleiding na de overstap cruciaal. Dit gaat om méér dan het waarborgen van toegankelijkheid. Onderwijssocioloog Tinto stelt «access without support, is not an opportunity».9
Voor wat betreft de toegankelijkheid hebben we in het mbo een belangrijke stap gezet door aspirant-studenten een wettelijk recht op toelating te geven, net als aspirant-studenten in het hoger onderwijs al hebben. Ook hebben we in het mbo keuzedelen geïntroduceerd waarmee aspirant-hbo studenten zich alvast kunnen voorbereiden op een vervolgopleiding. Daarnaast krijgen mbo-studenten het recht op een studiekeuzegesprek. Daardoor kunnen zij hun studiekeuze samen met een professionele begeleider bespreken en waar nodig heroverwegen.10

In sommige gevallen is er echter meer nodig dan goede loopbaanoriëntatie en studiekeuzebegeleiding om een overstap goed te maken. Dit geldt met name voor leerlingen die weliswaar voldoende talent en vaardigheden hebben, maar door een leerachterstand of weinig geloof in eigen kunnen, nog niet over de kennis en (studie)vaardigheden beschikken die een vervolgopleiding van ze vraagt. Extra begeleiding voor deze groepen, bijvoorbeeld in de vorm van zomerscholen ingebed in een traject om de overgang te begeleiden, kan deze leerlingen net het steuntje in de rug geven dat ze nodig hebben (CPB, 2016). Daarom kijken we bij het bevorderen van soepele overgangen naar dergelijke vormen van gerichte ondersteuning.

Met name migrantenjongeren hebben nog wel eens een eenzijdig en minder realistisch beeld van beroepen, waardoor zij vaker kiezen voor studies met minder goede kansen op werk.11 Een ondoordachte studiekeuze leidt tot spijt, switchen van opleiding, voortijdige schooluitval en werkeloosheid. De Minister van OCW is daarom samen met de Minister van SZW binnen de Aanpak Jeugdwerkloosheid in zeven grotere steden een coalitie aangegaan om migrantenjongeren die de boot dreigen te missen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt nieuwe kansen te bieden. Samen met onderwijsinstellingen uit het vo, mbo en ho wordt in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Leeuwarden en Zaanstad en Almere ingezet op goede loopbaan oriëntatie en -begeleiding met aandacht voor het overbruggen van negatieve beeldvorming en discriminatie en voor het maken van een weloverwogen studiekeuze. Zo wordt onder meer voorzien in werkexploratie, ouderbetrokkenheid en een loopbaangerichte intake. De inzichten uit deze coalitie benutten we bij de verdere uitwerking van de gelijke kansen alliantie.
Zoals u onlangs in onze LOB-brief heeft kunnen lezen, zetten we de komende jaren extra in op goede loopbaanoriëntatie en studiekeuzebegeleiding.12 Verdere professionalisering van LOB-docenten is hierbij noodzakelijk. Loopbaanoriëntatie verdient tevens een prominente plek in het curriculum van elke school en mbo-instelling en de inspectie zal hier het toezicht op versterken.

Ook stimuleren we samenwerking tussen onderwijssectoren. Nog te vaak blijken institutionele grenzen samenwerking te belemmeren, sluiten curricula niet goed aan of hebben docenten onvoldoende kennis van het vervolgonderwijs om leerlingen en studenten adequaat te ondersteunen. Vanaf 2018 komen voor de verbetering van de aansluiting tussen vo/mbo en het hoger onderwijs middelen vrij als gevolg van het invoeren van het studievoorschot in het hoger onderwijs (binnen de 10 procent voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten).

Door meer uitwisseling tussen de onderwijssectoren sluiten de LOB-activiteiten beter op elkaar aan, leren scholen en instellingen van elkaar en worden onderwijssectoren meer samen verantwoordelijk voor de onderwijsovergangen. Ten slotte geven we een impuls aan het verhelderen van de informatie over het beroepenveld en het vervolgonderwijs zodat leerlingen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken.

1.2 Stimulerend onderwijs

• Analyse: Verwachtingen van leraren en verschillen in onderwijsaanbod

Alle leerlingen en studenten, ongeacht het opleidingsniveau van hun ouders, moeten waardering voor hun talenten in het onderwijs en de samenleving krijgen. Het gaat erom leerlingen en studenten vertrouwen te geven in hun talenten en aan te spreken op wat ze wél kunnen of in potentie in zich hebben, in plaats van af te rekenen op wat ze (nog) niet kunnen. Dat draagt ook bij aan het voorkomen van zelfselectie: het bewust vermijden van ambitieuze studiekeuzes of selectieve opleidingen door een gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen. Dit vertrouwen in eigen kunnen is een sleutelfactor voor een succesvolle onderwijsloopbaan, zo blijkt ook uit onderzoek.13

Hier ligt een belangrijke rol voor leraren en docenten. Leraren moeten kunnen inspelen op de sociale achtergrond van leerlingen en tegelijkertijd alert zijn op het risico van sociaal selectieve verwachtingen van leerlingen. Wij verwachten op dit punt van leraren een zelfkritische houding.

Scholen en opleidingen kunnen verschillen in de geboden kwaliteit, het aangeboden curriculum en de mate waarin zij erin slagen achterstanden weg te werken. Leerlingen die van huis uit minder stimulans krijgen, zijn meer afhankelijk van hun docenten en schoolleiders om te worden aangemoedigd te stapelen of tussentijds door te stromen naar een hoger onderwijsniveau. Opleidingen die veel sturing geven aan studenten, kleinschalig opgezet zijn en die studenten de gelegenheid bieden om sociale relaties op te bouwen, realiseren een hoog studiesucces, onafhankelijk van de sociale afkomst van studenten.14
Onderwijsloopbanen worden ook beïnvloed door het beschikbare aanbod van scholen. Een brede brugklas (gecombineerde klassen, zoals vmbo-t/havo) is gunstig voor de opstroomkansen van leerlingen met lager opgeleide ouders omdat zij in aanraking komen met een hoger niveau (CPB 2016, p.205). Voor een vmbo-t-leerling is het daarom gunstig op een hoger niveau in een vmbo-t/havo-brugklas les te krijgen.15 Tegelijkertijd moet ons onderwijs ook ruimte bieden aan leerlingen die juist het best presteren wanneer zij op hun eigen niveau les krijgen.

De laatste jaren zien we echter een ontwikkeling waarbij het aannemelijk is dat het aanbod van brede brugklassen afneemt. Een indicatie daarvoor is de toename van het aandeel scholen met alleen enkelvoudige inschrijvingen in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs, zoals onderstaande figuur illustreert. Tussen 2005 en 2015 groeide dit aandeel van 20 procent naar 35 procent van het totaal. Deze cijfers in de grafiek geven het aantal enkelvoudige en meervoudige inschrijvingen weer, wat niet exact overeen hoeft te komen met het aanbod van brede brugklassen. Het werkelijke aanbod van brede brugklassen wordt nog nader onderzocht.

Aandeel vo-scholen met enkel- of meervoudige inschrijving (Bron: DUO gegevens, Technisch rapport Staat van het Onderwijs, 2016)

• Effectieve interventies en recent beleid

Voor de kansen van leerlingen is het cruciaal dat achterstanden vroegtijdig worden gesignaleerd en dat hier adequaat op wordt gehandeld. Achterstanden pakken we daarom zo vroeg mogelijk aan, bijvoorbeeld door in vroeg- en voorschoolse educatie te investeren. Onderzoek laat zien dat investeren in vroeg- en voorschoolse educatie loont (CPB, 2016).

Taalvaardigheid is een belangrijke voorwaardelijke factor voor een succesvolle schoolloopbaan en om volwaardig mee te kunnen komen in onze samenleving. Het is een belangrijke opdracht van het onderwijs om alle leerlingen maximaal taalvaardig te maken. Het achterstandenbeleid maakt het gericht wegwerken van leerachterstanden mogelijk. Leerachterstanden kunnen worden ingelopen door extra steunlessen op maat, bijvoorbeeld een half jaar verdubbeling van de lessen in een specifiek vak (CPB, 2016).

In de Kamerbrief over VVE van juni jongstleden zijn maatregelen aangekondigd gericht op de verhoging van de educatieve kwaliteit (onder andere verhoging taalniveau van de pedagogisch medewerkers, aanscherping opleidings- en bijscholingseisen en verkenning inzet hbo’ers)(Kamerstukken 31 293 en 31 322, nr. 325). De Staatssecretaris heeft aangegeven dat een nieuwe verdeelsystematiek wordt ontwikkeld voor de gewichtenregeling voor basisscholen, zodat de middelen daar terecht komen waar ze het hardst nodig zijn. Om kleine en middelgrote (niet G37) gemeenten in staat te stellen een kwalitatief goed vve-aanbod te realiseren, komt er vanaf 2017 structureel € 5 miljoen extra beschikbaar.

Stimulerend onderwijs stopt niet bij de voorschoolse educatie. Alle leerlingen en studenten, van peuterspeelzaal tot universiteit, en ongeacht het opleidingsniveau van hun ouders, moeten waardering krijgen voor hun talenten. En leerlingen die uitgevallen zijn, moeten waar mogelijk snel terug naar school worden begeleid. Dankzij de aanpak van voortijdig schoolverlaten halen duizenden jongeren die zijn uitgevallen alsnog een startkwalificatie. Het aantal voortijdig schoolverlaters daalde van circa 70.000 in 2002 naar minder dan 25.000 per jaar in het schooljaar 2014/2015. De komende jaren streven we naar een verdere afname tot onder de 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters. Gemeenten en werkgevers werken in de praktijk goed samen om kwetsbare jongeren te begeleiden van school naar werk.

Het gaat erom leerlingen en studenten vertrouwen te geven in wat ze wél kunnen, in plaats van af te rekenen op wat ze (nog) niet kunnen. Dat draagt ook bij aan het voorkomen van zelfselectie: het bewust vermijden van ambitieuze studiekeuzes of selectieve opleidingen door een gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen.

Het bieden van kansen aan alle leerlingen in het onderwijs doet een groot beroep op de professionaliteit van leraren en docenten. Zij moeten kunnen differentiëren tussen leerlingen en hebben de taak om zich niet te laten leiden door selectieve verwachtingen op basis van afkomst. Een effectieve manier om kwaliteit van leraren te vergroten is coaching en feedback van leraren door goede collega’s (CPB, 2016). In de lerarenagenda en de sectorakkoorden zijn bovendien afspraken gemaakt over het verbeteren van de differentiatievaardigheden van docenten. Verder is de afgelopen jaren fors ingezet op verhoging van de kwaliteit van de pabo-opleidingen, mede door aangescherpte toelatingseisen. Ook ontwikkelingen in het onderwijs die gepersonaliseerd leren stimuleren, bijvoorbeeld door de inzet van digitale leermiddelen, kunnen differentiatie en maatwerk ondersteunen.

In het onderwijs moet steeds de balans gevonden worden tussen het bieden van kansen en het bevorderen van doelmatige leerwegen en het voorkomen van teleurstellingen omdat een leerling of student toch het niveau niet aankan.

We zullen steeds gezamenlijk naar die balans moeten zoeken, zowel op het niveau van de school en de onderwijsinstelling als op het niveau van het stelsel en de instrumenten van bekostiging en toezicht. Zo bewaken we toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit betekent ook dat we, waar nodig, schoolleiders en bestuurders aanspreken op onnodig risicomijdend gedrag waardoor jongeren kansen worden onthouden. Tegelijkertijd nemen we geluiden uit het onderwijsveld, over het afrekenen op lagere rendementen als gevolg van het bieden van kansen, serieus.

We moeten continu kritisch blijven kijken naar ons eigen beleid, en (gedrags-) effecten van het toezicht en bekostigingsprikkels. Het recente verleden heeft aangetoond dat het gedrag van leerlingen, ouders, leraren en schoolleiders niet altijd goed te voorspellen is. We zullen in de toekomst extra alert zijn op de effecten van beleid op gelijke kansen.

1.3 Sterke netwerken

• Analyse: Netwerken en hulpbronnen van ouders

Kinderen maken in het onderwijs geen gelijke start. Kinderen van hoger opgeleide ouders betreden het basisonderwijs bijvoorbeeld met een gemiddeld grotere woordenschat en sterker ontwikkelde cognitieve vaardigheden en geloof in eigen kunnen. Dat komt doordat kinderen van hoger opgeleide ouders vanaf hun geboorte toegang hebben tot meer hulpbronnen (economisch, sociaal en cultureel kapitaal van ouders) en een meer stimulerende omgeving in de vorm van vrienden, familie en culturele en andere activiteiten. Ouders kunnen hun netwerken inzetten bij het zoeken naar en stage of hulp met een werkstuk of opdracht. Ook hebben hoger opgeleide ouders meer (financiële) mogelijkheden om zogenaamd schaduwonderwijs in te zetten zoals huiswerkklassen of examentraining. Kinderen van hoger opgeleide ouders kunnen hier hun hele schoolloopbaan uit putten. Daardoor nemen verschillen die er bij de start van het onderwijs al zijn langzaam verder toe.

Lager opgeleide ouders bieden daarentegen niet altijd een cognitief stimulerende omgeving aan. Als ze niet taalvaardig zijn, kunnen ze niet goed voorlezen en ook geen aantrekkelijk leesklimaat bieden. Zij kunnen niet terugvallen op sterke netwerken met veel rolmodellen en hulpbronnen. Bovendien zijn lager opgeleide ouders doorgaans minder actief betrokken bij school. Ook worden deze leerlingen vaak minder gestimuleerd om zich buiten school in sport of cultuur te ontwikkelen. Juist in aanraking met sport en cultuur kunnen jongeren hun horizon verbreden en zich verder ontwikkelen.

• Effectieve interventies en recent beleid

Bij ouders rust de eerste verantwoordelijkheid om hun kinderen te stimuleren in hun ontwikkeling en te begeleiden in hun onderwijsloopbaan. Ouders willen het beste voor hun kind. Iedere ouder heeft de taak een stabiel en warm opvoedklimaat te bieden, waarin basale zaken op orde zijn, zoals de verzorging van kinderen en het met een ontbijt naar school gaan. Voor iedere ouder geldt dat het onderhouden van goede contacten met school een positief effect heeft op de ontwikkeling van hun kinderen. Waar we zien dat kinderen onvoldoende worden gestimuleerd en begeleid door hun ouders, spreken we ouders aan op hun verantwoordelijkheid. Ouders kunnen ondersteuning krijgen als zij de kennis, vaardigheden of middelen ontberen om hun rol naar behoren te vervullen.

Van ouders mogen wij verwachten dat zij investeren in de toekomst van hun kinderen, zich oriënteren op de Nederlandse samenleving en daar ook actief aan meedoen. Daar is het beleid van het kabinet ook op gericht als het gaat om de verplichte inburgering van nieuwkomers. Inburgering zorgt ervoor dat nieuwkomers de Nederlandse taal leren, kennismaken met de Nederlandse samenleving en eraan kunnen deelnemen.

Onderzoek laat zien dat betrokkenheid van ouders bij het onderwijs, vooral via gerichte programma’s, leidt tot betere prestaties van leerlingen. Het goed informeren van ouders over schoolgedrag en prestaties van hun kinderen leidt bijvoorbeeld tot betere leerprestaties. Hetzelfde geldt voor het verbeteren van de vaardigheden van lager opgeleide ouders, bijvoorbeeld door hen te leren hoe betrokkenheid kan worden vormgegeven. Dit draagt bij aan een positieve houding ten opzichte van leren (CPB, 2016).

Hoewel ouders cruciaal zijn voor de ontwikkeling van jongeren, kunnen ouders het niet alleen. Juist voor jongeren die op minder steun en begeleiding van huis uit kunnen rekenen, kunnen mensen en organisaties in hun omgeving het verschil maken. Cultuureducatie op en na school kan een belangrijke bijdrage leveren. Op diverse plekken in het land krijgen kinderen de kans om samen muziek te maken in een Leerorkest. Lezen en voorlezen dragen bewezen bij aan de taalontwikkeling van kinderen. Juist in gezinnen met lager opgeleide en laagtaalvaardige ouders bestaat veelal geen (voor)leescultuur, waardoor taalachterstanden van generatie op generatie worden doorgegeven. Bibliotheken zijn een belangrijke partner van ouders en scholen als het gaat om leesbevordering. Binnen het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen is een pilot gestart in samenwerking met Stichting Lezen & Schrijven gericht op gezinnen met een lage taalvaardigheid.16

Ook gemeenten doen vanuit hun verantwoordelijkheid voor onder meer de jeugdzorg veel om kansen van jongeren te vergroten. Samen met andere overheidspartijen, sportclubs en maatschappelijke organisaties zijn zij betrokken bij een grote verscheidenheid aan initiatieven: van programma’s die gezond leven en gezond opgroeien bevorderen, tot buurtcoachprojecten en bestuurlijke samenwerking om de ondersteuning van kwetsbare jongeren thuis, op school en in de wijk op elkaar te laten aansluiten (1 gezin, 1 plan).

2. Actieplan Gelijke Kansen

In dit hoofdstuk presenteren we onze maatregelen om gelijke kansen te bevorderen. Daarmee is het vraagstuk van ongelijke kansen in het onderwijs niet opgelost. Gelijke kansen in het onderwijs zullen ook in de toekomst hoog op de agenda moeten blijven. Onderwijs moet een stuwende kracht zijn in het bestrijden van ongelijke kansen, maar we beseffen dat we een bredere maatschappelijke beweging nodig hebben om ook op de lange termijn ongelijke kansen van jongeren in het onderwijs en samenleving te bestrijden. We gaan daar in het volgende hoofdstuk op in.

We zullen bij nieuwe beleidsvoornemens nog scherper zijn op de mogelijke gevolgen voor gelijke kansen. Met name voorstellen voor wijziging van de bekostiging of vernieuwing van het toezicht zullen steeds kritisch moeten worden bekeken op hun effecten op het stelsel en het effect op (de kansen voor) individuele leerlingen. De opgave daarbij is steeds de juiste balans te zoeken tussen doelmatige leerwegen, het voorkomen van uitval en het bieden van kansen aan alle leerlingen en studenten, zodat zij het maximale uit zichzelf kunnen halen.

Met het actieplan geven we een impuls aan het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs. Hiervoor trekken we in 2017 € 25 miljoen uit, oplopend in 2018 tot € 32 miljoen. Vanaf 2020 is structureel € 26 miljoen per jaar beschikbaar, waarvan € 25 miljoen door het Kabinet structureel is vrijgemaakt voor kansengelijkheid. Zo kunnen we de maatregelen die het meest effectief blijken, duurzaam voortzetten. Op die manier profiteren we maximaal van de ervaringen die met het actieplan zijn opgedaan en de inzichten die het in gang gezette onderzoek naar gelijke kansen oplevert. Zie voor de verdeling van de middelen het financiële overzicht in de bijlage17.
Op verschillende punten volgen we met dit actieplan de initiatiefnota van de PvdA.18 Zo zullen we de effecten van alle maatregelen die we in het kader van kansengelijkheid nemen in kaart brengen. Ook starten we een proef op twintig scholen in een aantal grote gemeenten waarbij lesuren van leraren worden vrij geroosterd, zodat ze die tijd kunnen besteden aan intensieve begeleiding van leerlingen en coaching door collega’s. We nemen het onderwijsachterstandenbeleid kritisch onder de loep en we evalueren de Wet Eindtoetsing PO om te bezien in hoeverre bijstelling hiervan nodig is. Verder stimuleren we de beschikbaarheid van brede brugklassen. Van verschillende voorstellen in de initiatiefnota maken we al werk in het kader van bijvoorbeeld de lerarenagenda, zoals het bevorderen van differentiatievaardigheden van docenten en de masterambitie.

2.1 Actielijn I: Soepele overgangen

Soepele Overgangen

1. Betere schooladviezen

2. Soepele overgangen door schakelprogramma’s

3. Doorstroomrecht binnen het voortgezet onderwijs

4. Verbeteren doorstroom mbo-hbo en toegankelijkheid hoger onderwijs

Ongelijkheid in het onderwijs manifesteert zich onmiskenbaar bij de overgangen in het onderwijs. Wanneer overgangen ertoe leiden dat leerlingen minder ambitieuze studiekeuzes maken of eerder uitvallen in het vervolgonderwijs dan op basis van hun cognitieve talenten verwacht mag worden, blijft talent nodeloos onbenut. Soepele overgangen, met lage drempels, hoge verwachtingen en goede begeleiding zijn daarom cruciaal om talenten te benutten.

• Betere schooladviezen

Het schooladvies aan het eind van de basisschool is voor leerlingen in belangrijke mate bepalend voor hun verdere onderwijsloopbaan. Daarom is het van cruciaal belang dat het advies met de grootste zorgvuldigheid tot stand komt en dat voldoende recht wordt gedaan aan zowel het professionele oordeel van de docent als de resultaten van de eindtoets. Sinds de wetswijziging vervult de eindtoets namelijk de rol van objectief tweede gegeven. Als het toetsadvies positief afwijkt zijn scholen wettelijk verplicht kritisch naar het eerder afgegeven schooladvies te kijken. Het afgelopen schooljaar is het aantal bijstellingen toegenomen. Tegelijkertijd is er nog steeds een aantal (grotere) schoolbesturen waar – ondanks hogere toetsresultaten – geen enkel schooladvies wordt bijgesteld. De inspectie gaat deze besturen wijzen op de wettelijke plicht om het schooladvies te heroverwegen, zodat de eindtoets daadwerkelijk functioneert als objectief tweede gegeven.

Bij een zorgvuldige advisering past niet dat scholen uitsluitend enkelvoudige schooladviezen (mogen) geven. In veel regio’s worden in zogenaamde plaatsingswijzers afspraken gemaakt over de overgang van leerlingen van het primair naar het voortgezet onderwijs. Uit onderzoek blijkt dat in 20 van de 35 regio’s nog steeds de afspraak geldt om (bij voorkeur) uitsluitend enkelvoudig te adviseren, ook bij leerlingen waar nog over wordt getwijfeld.19 Het categorisch uitsluiten van meervoudige adviezen – in plaatsingswijzers of anderszins – staan we daarom niet langer toe.

Zoals eerder met uw Kamer is besproken wordt de wetswijziging gedegen geëvalueerd, waarbij ook de doorstroom en het studiesucces van leerlingen die een bijgesteld advies hebben gekregen nauwlettend wordt onderzocht. In januari 2017 komen de resultaten van de tussenevaluatie van de eindtoets beschikbaar. In overleg met uw Kamer zullen we op basis van de uitkomsten een besluit nemen over een eventuele aanpassing van de Wet Eindtoetsing PO.

De inspectie zal daarnaast de komende jaren nauwgezet monitoren of de schooladviezen gezien de toetsresultaten bij bepaalde scholen of besturen (sterk) afwijken van het landelijke beeld. Ook wordt onderzocht op welke wijze scholen meer inzicht kunnen krijgen in hoe hun schooladvisering zich verhoudt tot scholen met een vergelijkbare populatie. De inspectie zal tot slot aanvullend onderzoek doen naar de totstandkoming van het schooladvies, op basis waarvan we, waar nodig en gewenst, gericht aanvullende actie kunnen ondernemen.

• Soepele overgangen door schakelprogramma’s

Schakelprogramma’s po-vo

Bij elke overgang in ons onderwijsstelsel lopen kinderen van lager opgeleide ouders een verhoogd risico op een keuze voor vervolgonderwijs die onvoldoende recht doet aan hun kwaliteiten. Het gaat om leerlingen met een taal- of leerachterstand of leerlingen die vanwege hun afkomst onvoldoende zelfvertrouwen en studievaardigheden hebben. Daardoor blijven hun talenten onnodig onbenut. We investeren daarom in 2017 € 5 miljoen en vanaf 2018 structureel € 9,5 miljoen per jaar om leerlingen met een minder stimulerende thuissituatie, een taal- of leerachterstand beter voor te bereiden op een keuze voor vervolgonderwijs door middel van schakelprogramma’s.

Dit doen we de komende jaren door middel van programma’s die een variant zijn op zomerscholen. De schakelprogramma’s worden door basisscholen en middelbare scholen samen ontwikkeld. In de maanden tussen de eindtoets en de start van het nieuwe schooljaar wordt een intensief programma ingericht. De scholen geven echter niet alleen samen een zomerprogramma vorm, maar besteden gedurende minstens twee jaar ook in de reguliere onderwijstijd extra aandacht aan het ontwikkelen van zelfvertrouwen, verbeteren van de werkhouding, motivatie of planningsvaardigheden van leerlingen. Juist bij leerlingen van lager opgeleide ouders schieten deze vaardigheden soms te kort.

Naar verwachting komen de schakelprogramma’s op termijn tevens de kwaliteit van de schooladvisering door de basisschool en de plaatsingsbeslissing door de middelbare school ten goede. We streven vanaf schooljaar 2018/2019 naar een bereik van circa 10.000 leerlingen per jaar en monitoren de (leer)opbrengsten van de schakelprogramma’s. Op basis van deze inzichten wordt in 2019 besloten op welke wijze dit initiatief het effectiefst kan worden voortgezet.

Schakelprogramma’s voor vmbo-leerlingen20

Ook voor de overgang tussen vmbo en havo en de overgang van vmbo naar mbo gaan we schakelprogramma’s inrichten. We investeren in 2017 € 3,5 miljoen en vanaf 2018 komt structureel jaarlijks € 5 miljoen beschikbaar, waarmee we vanaf schooljaar 2018/2019 circa 5.000 leerlingen per jaar bereiken. Zo geven we laatbloeiers in het vmbo en «onderpresteerders» een extra duwtje in de rug.

We laten middelbare scholen rond de examenperiode bepalen of een leerling deelneemt aan een schakelprogramma. Leerlingen worden daar niet wettelijk toe verplicht. Het schakelprogramma kan voor of na de eindexamens op het vmbo plaatsvinden en kan doorlopen in het eerste jaar van het mbo of de havo. De inrichting van de programma’s komt tot stand in afstemming met het vervolgonderwijs en sluit aan bij de regionale samenwerking om een warme overdracht van leerlingen te realiseren en uitval zoveel mogelijk tegen te gaan. Ook voor deze schakelprogramma’s zullen we de uitkomsten evalueren. Op basis van deze inzichten zullen we in 2019 besluiten hoe we deze programma’s het beste kunnen voortzetten.

• Doorstroomrecht binnen het voortgezet onderwijs

Belangrijk voor het bieden van kansen in het onderwijs is dat jongeren de mogelijkheid hebben om opleidingen te stapelen of tussentijds door te stromen naar hogere onderwijsniveaus. Niet elke leerling zit immers vanaf de eerste dag op de juiste plaats. De mogelijkheid voor vmbo-gediplomeerden (gl/tl) om door te stromen naar de havo is een belangrijke route voor de kansen van leerlingen. De afgelopen jaren is de doorstroom van vmbo naar havo weer toegenomen.

Hoewel wettelijk geen beperkingen zijn gesteld aan de instroom van vmbo-gediplomeerden (gl/tl) naar de havo, hebben scholen voor voortgezet onderwijs de afgelopen jaren uiteenlopende eisen voor de toelating gehanteerd. De toelatingscode vmbo-havo, die vo-scholen in 2012 onderling overeenkwamen, heeft weliswaar meer uniformiteit in de doorstroom naar de havo gebracht, maar bleek bij de eerste evaluatiemomenten in 2014 en 2015 nog niet overal op dezelfde manier toegepast. Dit najaar ontvangt u de derde en laatste monitor over de toelatingscode.21 De initiatiefnota van de PvdA doet het voorstel om te komen tot een doorstroomrecht. Tevens heeft uw Kamer hier met de motie Grashoff om gevraagd.22

Wij zien een doorstroomrecht als een goed middel om de kansen van leerlingen te vergroten. Leerlingen die de potentie hebben om te slagen op een hoger onderwijsniveau zouden het recht moeten hebben die uitdaging aan te gaan. Dat geldt voor iedere overgang in het voortgezet onderwijs, zowel voor vmbo-havo als voor havo-vwo en het stapelen binnen het vmbo.

Als eerste stap starten we met de uitwerking van een doorstroomrecht van vmbo-havo. In de uitwerking zijn drie uitgangspunten leidend. Ten eerste moet er een juiste balans worden gevonden tussen het geven van kansen aan jongeren en voorkomen dat jongeren uitvallen omdat het vervolgonderwijs te moeilijk blijkt. Een ongeclausuleerd recht op doorstroom ligt daarom niet voor de hand. Ten tweede moeten de criteria op grond waarvan doorgestroomd kan worden duidelijk en objectief zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast. Voor leerlingen en ouders is het dan van tevoren duidelijk aan welke eisen zij moeten voldoen om de overstap naar de havo te kunnen maken. In de praktische uitvoering van het doorstroomrecht moeten alle leerlingen van verschillende sociale achtergrond daar in gelijke mate een beroep op kunnen doen, zodat een doorstroomrecht ook daadwerkelijk bijdraagt aan gelijke kansen. Ten derde biedt een doorstroomrecht van vmbo naar havo alleen échte kansen wanneer de vmbo- en havo-profielen beter op elkaar aansluiten en vmbo-scholieren in een vroegtijdig stadium de kennis en vaardigheden kunnen verwerven die ze op de havo nodig hebben. De bovengenoemde schakelprogramma’s kunnen hierbij op korte termijn behulpzaam zijn en de ervaringen hiermee kunnen bijdragen aan een structurele verbetering van de aansluiting. Tegelijkertijd mag een doorstroomrecht niet leiden tot een verschraling van het beroepsonderwijs, of tot een verslechterde aansluiting van het vmbo met het mbo. Het beroepsonderwijs en het algemeen vormend onderwijs zijn gelijkwaardige onderwijsvormen, die beide de uitdaging hebben verschillende typen talenten tot maximale bloei te brengen. Voor vmbo-t leerlingen moet de route naar het hbo ook via het mbo aantrekkelijk blijven. Voor een deel van de leerlingen past deze route immers beter bij hun talenten.

Vanwege de samenhang met de toelatingscode overstap vmbo – havo zal u dit najaar, samen met de derde monitor van de toelatingscode, een voorstel ontvangen waarin een doorstroomrecht vmbo – havo is uitgewerkt. Hierbij zal worden aangegeven op welke wijze en op welke termijn een doorstroomrecht kan worden ingevoerd.

• Verbeteren overgang mbo-hbo en toegankelijkheid hoger onderwijs

Verbeteren doorstroom mbo-hbo

De overgang van mbo naar hbo is kwetsbaar. Nog altijd vallen teveel mbo-instromers in het hbo in de eerste twee jaar uit. Wij zien de laatste jaren een groeiende afstand tussen mbo en hbo.23 Mbo-opleidingen zijn in de laatste fase vooral georiënteerd op stages en uitstroom naar de arbeidsmarkt. Ook voor de overgang mbo-hbo geldt dat de juiste balans gevonden moet worden tussen het bieden van kansen en het voorkomen van uitval omdat studenten het niveau niet aankunnen of onvoldoende voorbereid zijn ten aanzien van bijvoorbeeld hun studievaardigheden. Cruciaal is dat de mbo-studenten die de overstap naar het hbo willen maken goed worden voorbereid. Recent hebben we de keuzedelen geïntroduceerd zodat mbo-studenten die de overstap willen maken zich beter kunnen voorbereiden.

In het hbo zijn veel opleidingen in het begin vooral gericht op het leggen van een goede theoretische basis. Ook is het eindniveau van veel opleidingen verhoogd. Voor studenten die doorstromen vanuit het mbo brengt dit uitdagingen met zich mee. Wij gaan daarom onderzoeken of er in mbo-4 een gericht uitstroomprofiel kan worden geïntroduceerd dat studenten grondiger voorbereidt op de persoonlijke ontwikkeling en de studievaardigheden die nodig zijn om succesvol te zijn in het hbo. Onderdeel hiervan is een experiment, waarin al vroeg in de mbo4-opleiding studenten die daarvoor kiezen zich kunnen richten op doorstroom naar het hbo. Bij de evaluatie van dit experiment zullen we ook de eerste ervaringen met de doorstroomkeuzedelen betrekken.

Daarnaast stellen we in 2017 € 4 miljoen beschikbaar en vanaf 2018 structureel € 7,5 miljoen per jaar als extra impuls voor een soepele overstap. We zorgen ervoor dat deze middelen direct ten goede komen aan de doelgroep doordat we ze niet alleen beschikbaar stellen aan samenwerkende mbo’s en hbo-instellingen, maar mbo-studenten en hbo-studenten een actieve rol geven bij het besteden van het geld. Wij zijn er namelijk van overtuigd dat studenten vaak heel goed weten wat ze nodig hebben om de overstap naar het hbo goed te kunnen maken en waar het soms nog aan schort: bijvoorbeeld persoonlijke begeleiding, het gevoel «welkom» te zijn, specifieke studievaardigheden, docenten en begeleiders met tijd en aandacht, en mentoren met voldoende loopbaanoriëntatievaardigheden.

We nodigen mbo-studenten en hbo-studenten van verschillende instellingen daarom uit om onder professionele begeleiding innovatieve (project)voorstellen te bedenken, die de instellingen waaraan ze zijn verbonden benutten bij het verbeteren van de overstap.

We evalueren de resultaten van de projecten die in 2017 en 2018 worden uitgevoerd. De meest effectief gebleken interventies kunnen worden voortgezet. Vanaf 2018 worden structureel middelen vrijgemaakt voor het versterken van regionale samenwerkingsverbanden tussen vo/mbo en ho-instellingen ten behoeve van een betere doorstroom in het onderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt. Zo vergroten we de kansen in het hoger onderwijs voor jongeren die vanuit het mbo hun kwaliteiten en talenten verder willen ontwikkelen.

Bevorderen toegankelijkheid hoger onderwijs

Het is belangrijk dat er een goede match is tussen studenten en studie. Iedere student heeft daarom recht op een studiekeuzecheck. In het hoger onderwijs mogen sommige opleidingen selecteren bij de toelating van studenten. Dat kan voor sommige opleidingen waardevol zijn, bijvoorbeeld bij kunstopleidingen. Daar moet immers onomstotelijk duidelijk zijn dat de kandidaat aanleg en talent bezit voor het specifieke beroep waarop de opleiding voorbereidt. Selectie mag echter geen groepen benadelen of kansengelijkheid ondermijnen.

In het voorbereidend onderwijs (mbo en vo) moeten studenten, ook degenen die dat niet van huis uit meekrijgen, goed worden voorbereid op de stap naar het hoger onderwijs. Dat geldt ook voor de stap naar een opleiding waarvoor selectie geldt. Bij deze voorbereiding gaat het niet alleen om studievaardigheden, maar ook om aspiratieontwikkeling en het bevorderen van het zelfvertrouwen van leerlingen en studenten. Zij moeten niet ten onrechte de conclusie trekken dat een selectieve opleiding niet bij hen zou passen. Zo voorkomen we «zelfselectie» als een onwenselijk neveneffect van selectie door de hoger onderwijsinstelling.

Instellingen die selectieve opleidingen aanbieden moeten zich ervan bewust zijn hoe (onbewuste) vooroordelen de selectie kunnen beïnvloeden en er op inzetten om deze te voorkomen. Daarnaast is het van belang dat de selectieprocedure die de instelling hanteert wetenschappelijk onderbouwd is. Selectiecriteria moeten zo objectief mogelijk gemeten kunnen worden. Ook willen wij voorkomen dat er financiële belemmeringen zijn voor studenten om te kiezen voor een selectieve opleiding waardoor getalenteerde kandidaten niet aan een opleiding beginnen. Instellingen vragen soms financiële bijdragen voor deelname aan de selectieprocedure. Deze selectiekosten kunnen oplopen tot meer dan € 200. Dit kan ontmoedigend zijn, vooral voor jongeren die minder financiële mogelijkheden hebben. Daarom staan we niet langer meer toe dat selecterende opleidingen een eigen bijdrage vragen van kandidaten. Een aantal instellingen met selectie zal worden gecompenseerd.

Diversiteit op University Colleges

Ook kleinschalige en intensieve opleidingen in het hoger onderwijs, zoals de University Colleges, moeten toegankelijk zijn voor studenten voor wie deze opleidingen van huis uit niet vanzelfsprekend zijn. De University Colleges bieden uitdagend onderwijs met veel gemeenschapszin, persoonlijke begeleiding en mogelijkheden voor onderwijs op maat. Het benutten van de kracht van diversiteit is een essentieel onderdeel van hun onderwijsfilosofie. Voor eerste generatiestudenten zijn University Colleges daarmee heel geschikte studieomgevingen. Ondanks eerdere inspanningen is op dit moment het aandeel eerste generatiestudenten nog onvoldoende. Een drempel is wellicht dat de University Colleges een hoger collegegeld rekenen en selectief zijn. De University Colleges hebben in gesprek met ons de ambitie uitgesproken de diversiteit te versterken. Om meer eerste generatiestudenten te bereiken zullen de University Colleges een nationaal programma lanceren, «SUCCESS» (Supporting University Colleges in Community Engagement with Schools and Society). In dit programma worden in de regio bestaande projecten versterkt en nieuwe projecten gestart, samen met scholen die relatief veel leerlingen hebben van wie de ouders niet in het hoger onderwijs hebben gestudeerd. Ook gaan de University Colleges zich actief inspannen om onbewuste vooroordelen bij (zelf-)selectie zo veel mogelijk te vermijden. Gezamenlijk zullen wij onderzoek doen naar de diversiteitsproblematiek, zodat ook andere opleidingen hiervan kunnen profiteren.

Begeleiden van studenten in het eerste jaar hoger onderwijs

De uitvalpercentages in het hoger onderwijs zijn met name onder studenten die een niet-westerse achtergrond hebben en studenten die de eerste in hun familie zijn die in het hoger onderwijs studeren nog altijd zeer hoog. Dit is een weerbarstig probleem dat meerdere oorzaken kent. Een belangrijke factor is de mate waarin studenten zich thuisvoelen op hun instelling (sense of belonging); hoe meer dat gevoel er is, hoe kleiner de kans op uitval. Vanaf 2017 investeren we daarom in begeleiding en coaching van studenten in het eerste jaar van hun opleiding. Dat doen we door in te zetten op kennisdeling, onder andere door het ondersteunen van een (online) platform waarin bewezen effectieve methoden gedeeld kunnen worden. En dat doen we door de middelen die vrijvallen uit het studievoorschot in te zetten voor kleinschaliger onderwijs met meer contact tussen student en docent.

Overgang hbo-wo

Voor hbo-studenten die de stap naar de universiteit willen zetten en daar een wo-masteropleiding willen volgen, moeten er voldoende kansen zijn op doorstroom. In de Wet studievoorschot is vastgelegd dat instellingen vanaf 2017/2018 alleen nog maximaal het wettelijk collegegeld mogen vragen voor een schakelprogramma. Daarmee is een belangrijke stap gezet in het aantrekkelijker maken voor studenten om te schakelen van hbo naar wo. Wel zijn er zorgen over het aanbod van schakelprogramma’s. Het aanbod lijkt af te nemen. Schakelprogramma’s vragen per definitie om maatwerk, deze programma’s zijn immers ingericht op het wegwerken van deficiënties van individuele studenten. In de huidige bekostigingssystematiek is dergelijk maatwerk nu niet geregeld. Momenteel loopt er bij ResearchNed een onderzoek naar het aanbod van schakelprogramma’s en mogelijke knelpunten rondom het aanbieden en volgen van schakelprogramma’s. Dit onderzoek is voor het einde van het jaar gereed. Vervolgens zullen we op zoek gaan naar een maatwerkoplossing binnen de huidige bekostigingssystematiek voor de periode vanaf 2017/2018 wanneer de instellingen verplicht worden enkel wettelijk collegegeld te vragen voor schakelprogramma’s.

2.2 Actielijn II: Stimulerend onderwijs

Stimulerend Onderwijs

1. Investeren in leraren en docenten

2. Brede brugklassen bereikbaar voor alle leerlingen

3. Steun voor mbo-instellingen met veel stapelaars

4. Kansrijk toezicht

• Investeren in leraren en docenten

Cruciaal voor stimulerend onderwijs zijn inspirerende leraren en docenten. Goed onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de leraren voor de klas. Zij zijn degenen die, samen met ouders, elke dag het verschil kunnen maken. Binnenkort ontvangt uw Kamer de voortgangsrapportage van de lerarenagenda waarin we aangeven hoe we werken aan de verdere professionalisering van leraren.

Het blijft een uitdaging om onze beste docenten in te zetten op scholen waar die het hardst nodig zijn. We willen de expertise van docenten met veel ervaring in het omgaan met achterstandsleerlingen beter benutten, bijvoorbeeld door initiatieven met Lerarenbrigades zoals geïnitieerd door de Nationale Denktank te ondersteunen. In Lerarenbrigades werken ervaren docenten samen met minder ervaren lerarenteams gericht aan onderwijsverbetering, bijvoorbeeld op het gebied van zorgplannen, lesmaterialen en het verbeteren van ouderbetrokkenheid. We zullen dergelijke initiatieven faciliteren met monitoring, onderzoek en een online platform zodat deelnemers van elkaar kunnen leren.

Ook zullen we docenten die lesgeven op scholen met veel achterstandsleerlingen extra gaan ondersteunen. Op twintig scholen in een aantal grote steden starten we daarom een proef waarbij lesuren van leraren worden vrij geroosterd. De vrijgekomen tijd moet worden besteed aan intensieve begeleiding van leerlingen met leerachterstanden en gebrekkige studievaardigheden en aan gerichte coaching en begeleiding van leraren door collega’s met veel ervaring met achterstandsleerlingen. We maken hierbij ook gebruik van de manier van werken die in de aanpak van jeugdwerkeloosheid succesvol is gebleken.24 Hiervoor trekken we vanaf 2017 structureel € 3 miljoen per jaar uit, waarmee we tevens uitvoering geven aan de motie Ypma/Van Meenen.25 We zullen de leeropbrengsten voor leerlingen en docenten evalueren.

Tot slot zetten we extra in op divers samengestelde docententeams. Omdat docenten zo’n belangrijke rol vervullen als rolmodel in de ontwikkeling van jongeren, is het van groot belang dat docententeams een afspiegeling vormen van onze samenleving. Een aantal lerarenopleidingen deelt al gericht kennis en ervaring op dit gebied. We zien dat gemotiveerde en getalenteerde aspirant-leraren met een migrantenachtergrond zich vaker ten onrechte laten ontmoedigen om voor een opleiding met extra toelatingseisen zoals de pabo te kiezen.

We geven aan in z'n algemeenheid te streven naar diversiteit bij de lerarenopleidingen. Binnen ons streven naar goed opgeleide leraren en meer masters in het primair onderwijs is diversiteit een belangrijk aandachtspunt. Bij de pabo's doet zich, als gevolg van recent ingevoerde extra instroomeisen, een extra probleem voor. Gebleken is dat de recent ingevoerde extra eisen ertoe leiden dat veel minder mbo'ers doorstromen naar de pabo. Zij moeten – anders dan havisten en vwo'ers – altijd extra toetsen doen om toegelaten te worden. Dat weerhoudt veel mbo’ers, met name studenten met een migrantenachtergrond, om aan deze opleiding te beginnen. De samenstelling op de pabo's is, met name in de grote steden, daarmee steeds minder divers.

Daarom intensiveren en verlengen we het bestaande ondersteuningstraject voor mbo-studenten die de stap naar de pabo kunnen zetten. Daarnaast verkennen we een aanvullende aanpak voor de grootstedelijke context voor de groep studenten die we met de ondersteuningsaanpak nu onvoldoende bereiken. We investeren in 2017 € 2,5 miljoen in deze activiteiten om een diverse instroom in de pabo te bevorderen. Voor alle studenten die instromen in de pabo blijft gelden dat zij aan de bijzondere nadere opleidingseisen moeten voldoen.

Met de Comeniusbeurzen zetten we in het hoger onderwijs in op onderwijsvernieuwing. Dit programma geeft docenten met nieuwe ideeën de mogelijkheid hun plannen te realiseren, passend binnen de doelen voor «onderwijs van wereldformaat» uit de Strategische agenda hoger onderwijs. In dit eerste jaar zullen 10 voorstellen gehonoreerd worden van elk € 50.000 voor onderwijsprojecten specifiek gericht op het versterken van gelijke kansen in het hoger onderwijs. De onderwijsvernieuwingen die met deze Comeniusbeurzen worden gerealiseerd kunnen bijdragen aan het inspireren van collega-docenten en aan het leren binnen onderwijsinstellingen over manieren waarop gelijke kansen praktisch vorm kunnen krijgen. De Comeniusbeurzen voor gelijke kansen zullen in het voorjaar van 2017 worden uitgereikt.

• Brede brugklassen bereikbaar voor alle leerlingen

We gaan in kaart brengen hoe het feitelijke aanbod van brugklassen over Nederland is verspreid. Daar waar witte vlekken zijn – namelijk gebieden met onvoldoende brede brugklassen op acceptabele afstand – bevorderen we dat scholen onderling (zowel brede scholengemeenschappen als categorale scholen) goede afspraken maken over een (lokaal en/of regionaal) dekkend aanbod van brede brugklassen en brede scholengemeenschappen. Dat doen we door hierover (bestuurlijke) afspraken te maken met de sector voortgezet onderwijs. Daarbij zullen ook de regionale plannen onderwijsvoorzieningen (RPO’s) worden betrokken.

We zullen ook onderzoeken welke motieven scholen hebben om al dan niet brede brugklassen in te richten en hoe dit samenhangt met «concurrentieverhoudingen» en keuzemotieven van ouders. Op deze wijze kunnen we achterhalen wat de meest kansrijke aangrijpingspunten zijn om de beschikbaarheid van brede brugklassen (verder) te bevorderen.

Het stimuleren van brede brugklassen via de basisbekostiging lijkt op voorhand niet de meest kansrijke optie. In de huidige bekostiging bestaat geen financieel nadeel of voordeel voor besturen en scholen om een brede of juist een categorale brugklas te organiseren. Ook de ARK heeft, in de evaluatie van de huidige bekostiging vo, dit niet genoemd als perverse prikkel in het systeem. We gaan een impactanalyse uitvoeren om te onderzoeken welke interventies wenselijk zijn om een toereikend aanbod van brede brugklassen (en dus ook van de samenwerking tussen schoolsoorten) te stimuleren. Het kabinet is niet van zins categorale scholen te verbieden: keuzevrijheid van ouders en kinderen is en blijft een belangrijk uitgangspunt.

• Steun voor mbo-instellingen met veel stapelaars

Voor het mbo is in de periode 2017 tot en met 2019 € 4 miljoen per jaar beschikbaar voor steun aan mbo-instellingen met veel stapelaars. Beoogd wordt om instellingen te ondersteunen deelnemers die zonder diploma of met een lage opleiding instromen en (mede) als gevolg daarvan langer in het mbo verblijven, extra kansen te bieden om toch een diploma of een diploma van een hoger niveau te halen. In principe hebben alle mbo-instellingen in meer of mindere mate te maken met deze deelnemers en voorziet de reguliere rijksbijdrage erin ook deze deelnemers naar een (hoger) mbo-diploma te leiden.

Uit de gegevens van DUO is echter gebleken dat een beperkt aantal instellingen met relatief veel lager opgeleide deelnemers te maken heeft. Daarom is met de MBO Raad en de instellingen besproken dat de beschikbare € 4 miljoen gericht zal worden ingezet bij die instellingen waar het aandeel van deze doelgroep 20 procent of meer bedraagt.26 De focus zal daarbij liggen op instellingen in en bij de grote steden. Het betreft de instellingen waar evenredig veel ongediplomeerde en laag opgeleide deelnemers (vanuit vmbo-bb) staan ingeschreven die langer in het mbo verblijven omdat ze of switchen van opleiding of instelling, de opleiding hebben onderbroken, stapelen, of om andere redenen langer in een opleiding of op een instelling verblijven.

Afgesproken is voor de korte termijn (in principe 2 jaar, met een optie op verlenging) een regeling te maken die voorziet in een aanvullende vergoeding voor de betreffende instellingen. Elk jaar zal op basis van de meest recent beschikbare informatie vastgesteld worden welke instellingen hiervoor in aanmerking komen.

Voor de langere termijn zal in die periode gekeken worden of structureel gericht middelen voor deze doelgroep ingezet moeten worden. Dat kan zijn door de kwaliteitsafspraken die met de sector worden gemaakt hierop af te stemmen. Hierover vindt een evaluatie plaats. Een andere optie is de reguliere bekostiging van het mbo aan te passen.

• Kansrijk toezicht

Ook de werking van het toezicht mag voor scholen nooit reden zijn om risico’s te mijden of kansen aan jongeren te onthouden. Nog steeds krijgen wij signalen dat er besturen en schoolleiders zijn die de werking van het toezicht, en de recente veranderingen hierin, verkeerd begrijpen of onterecht denken risico’s te moeten mijden. Op de korte termijn doet de inspectie het volgende:

  • –  Onderzoeken of scholen die leerlingen laten stapelen waardoor ze op een hoger niveau uitkomen dan aanvankelijk was verwacht, extra kunnen worden beloond. Scholen die kansen bieden én waarmaken, verdienen namelijk een pluim.
  • –  Bij de waardering «goed» en het predicaat «excellent», zal de inspectie monitoren wat dit betekent voor de kansengelijkheid op deze scholen. Daarnaast zal de inspectie in openbare rapportages en themaonderzoeken goede voorbeelden opnemen en verspreiden.
  • –  Besturen en scholen die werk willen maken van kansengelijkheid desgevraagd ondersteunen met data en met expertise.
  • –  Heldere communicatie over het huidige toezichts- en waarderingskader, waarmee we feitelijke onjuistheden uit de wereld helpen.

Naast deze acties zal de Inspectie van het Onderwijs zelf ook kritisch reflecteren op de praktische doorwerking van haar instrumenten in de onderwijspraktijk en de consequenties daarvan voor gelijke kansen. Bij vernieuwing van het toezicht zal steeds worden nagegaan hoe het toezicht gelijke kansen kan bevorderen binnen het brede doel van kwaliteitsbewaking en stimulerend toezicht.

2.3 Actielijn III: Sterke Netwerken

Sterke Netwerken

1. Versterken ouderbetrokkenheid

2. Ondersteuning van scholieren en studenten in armoede

3. Investeren cultuureducatie vmbo

4. Giving back programma’s studenten

• Versterken ouderbetrokkenheid

Leerlingen doen het beter op school als hun ouders betrokken zijn. Ouders mogen daarom niet weglopen voor hun verantwoordelijkheid bij het opgroeien en schoolgaan van hun kinderen en moeten hier waar nodig door school en andere partijen op worden gewezen. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat niet alle ouders beschikken over de kennis of vaardigheden om hun kinderen goed te begeleiden. Vooral gebrekkige taalvaardigheid bemoeilijkt vaak enorm het contact tussen ouders en de school.

De huidige middelen voor het actieprogramma Tel mee met Taal worden gerichter ingezet voor lager opgeleide ouders. We investeren daarnaast in 2017 en 2018 € 2 miljoen per jaar extra in het actieprogramma Tel mee met Taal, waarmee de ministeries van OCW, SZW en VWS gezamenlijk de strijd aangaan met taalachterstanden bij kinderen en laaggeletterdheid bij volwassenen. Met onze extra inzet bereiken we de komende twee jaar circa 10.000 laagtaalvaardige ouders met taaltraining en steun in het bieden van een educatief thuismilieu, zodat zij effectiever met de school kunnen communiceren. Getrainde vrijwilligers begeleiden de deelnemende ouders bijvoorbeeld naar een ouderavond of ondersteunen ouders bij het communiceren met de gemeente over (jeugd)zorg en financiële steun voor deelname aan buitenschoolse activiteiten. Juist de gecombineerde aanpak van het bevorderen van ouderbetrokkenheid en het tegengaan van taalachterstanden is voor deze groep ouders effectief gebleken.

• Ondersteunen van scholieren en studenten in armoede

Een belangrijke oorzaak van ongelijke kansen in het onderwijs is de inkomenspositie van ouders. Om sociale uitsluiting tegen te gaan in het onderwijs, sport en cultuur, werken de rijksoverheid, gemeenten en maatschappelijke organisaties zoals Stichting Leergeld nauw samen in het bestrijden van armoede onder kinderen. In 2014 leefden meer dan 400 duizend kinderen in een huishouden met een laag inkomen.27
Om ervoor te zorgen dat ook deze kinderen kunnen meedoen, stelt het kabinet structureel € 100 miljoen euro extra beschikbaar. Dat geld is bestemd voor benodigdheden voor kinderen (0 tot 18 jaar) die zij missen door gebrek aan geld. Dat gaat dan onder meer om schoolbenodigdheden, sportattributen, lidmaatschap van (muziek/sport)verenigingen, zwemles, schoolreisje of een abonnement op de bibliotheek. Gemeenten en maatschappelijke organisaties werken samen om deze ondersteuning in natura ter beschikking te stellen.28 Zo wordt voorkomen dat sport, cultuur en (buiten)schoolse activiteiten voor sommige kinderen onbereikbaar zijn.

• Investeren cultuureducatie vmbo

Deelname aan sport en cultuur zijn namelijk een belangrijke bron voor het ontwikkelen van onder meer creativiteit, samenwerkingsgerichtheid en zelfvertrouwen. Juist voor jongeren die vanuit huis minder sociaal en cultureel kapitaal meekrijgen, is cultuureducatie op school, of buiten de school, van belang.

Om het belang van cultuureducatie te onderstrepen, investeren we in de periode 2017–2020 extra in cultuureducatie op het vmbo met een bedrag van € 1,2 miljoen per jaar. Daarnaast ondersteunen we via het Fonds voor Cultuurparticipatie meerjarige projecten waarbij intensief wordt samengewerkt tussen scholen en culturele instellingen verspreid over Nederland. De komende periode willen we hierbij samen optrekken met het Prins Bernhard Cultuurfonds en/of gemeenten en provincies die deze ambitie delen.29

• Giving back programma’s studenten

Voor jongeren die in hun thuisomgeving weinig rolmodellen hebben, is het van grote waarde als zij in of rond hun school in contact kunnen komen met voorbeeldfiguren. Scholieren in het voortgezet onderwijs of mbo-studenten die in hun directe omgeving geen mensen kennen die hoger onderwijs volgen of hebben gevolgd, ontberen soms de kennis of (ten onrechte) het zelfvertrouwen om de stap naar het hoger onderwijs te zetten. We investeren daarom vanaf 2017 structureel € 1 miljoen per jaar in het ondersteunen van maatschappelijke initiatieven waarbij hbo- en wo-studenten als coach of rolmodel gekoppeld worden aan jongeren in het vo of mbo in hun stad of regio. Hierbij valt te denken aan giving back programma’s die (getrainde) studenten als rolmodellen inzetten, zoals het programma Mentoren op Zuid in Rotterdam. Bij giving back programma’s doen zowel studenten als leerlingen een leerzame en vormende ervaring op.

2.4 Actielijn IV onderzoek en kennisopbouw

Ongelijke kansen hebben vele oorzaken en vele partijen kunnen een bijdrage leveren aan het voorkomen en bestrijden van ongelijkheid. Dit is geen gemakkelijke opgave en er bestaan geen gemakkelijke oplossingen. We hebben weliswaar een redelijk beeld van effectieve interventies op kansengelijkheid, maar dit beeld is tegelijkertijd incompleet. Ook kunnen we het gedrag van leerlingen, ouders, docenten, schoolleiders en andere betrokkenen niet voorspellen. Er is altijd het risico dat maatregelen onbedoelde effecten hebben op gelijke kansen. We zullen daar alert op zijn en zorgvuldig zijn in de keuze en uitwerking van onze maatregelen.

We presenteren hier dus geen pasklare oplossingen, maar zetten met ons actieplan wel gericht in op maatregelen waarvan het effect op het verkleinen van leerachterstanden en vergroten van gelijke kansen eerder is bewezen. Zo boeken we snel resultaat. Daar waar extra kennis nodig is, gaan we die opbouwen, waar mogelijk met gerichte experimenten zodat we alle (gedrags-)effecten in beeld krijgen en we er zeker van kunnen zijn dat kansen van leerlingen daadwerkelijk worden vergroot.

De Inspectie van het Onderwijs zal de ontwikkeling van gelijke kansen op stelselniveau blijven monitoren en ook in thematische onderzoeken aandacht blijven vragen voor gelijke kansen in het onderwijs.

Daarnaast investeren we in onderzoek om ongelijke kansen in het onderwijs beter aan te kunnen pakken. In september is een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar onderwijsachterstandenbeleid van start gegaan. Het IBO kijkt allereerst naar de effectiviteit en doelmatigheid van de specifieke onderwijsachterstandsregelingen (VVE, gewichtenregeling, impulsregeling, leerplusarrangement), maar zal vervolgens ook naar andere mechanismes en prikkels die kansen en prestaties van achterstandsleerlingen bevorderen of belemmeren kijken. Op basis hiervan worden medio volgend jaar beleidsvarianten opgesteld.

Onderzoek naar gelijke kansen van jongeren in het onderwijs en samenleving kan ons meer inzicht geven in achterliggende mechanismen en biedt mogelijk nieuwe aangrijpingspunten voor toekomstige interventies. We gaan het thema «onderwijs en jongeren in een veerkrachtige samenleving» prioriteit geven binnen de routes van de Nationale Wetenschapsagenda, zodat we al in 2017 een start kunnen maken. Onderzoek naar gelijke kansen neemt hierbij een belangrijke plek in. Zo geven we de wetenschapsagenda een vliegende start op een thema dat voor de samenleving en het onderwijs van groot belang is.

3. Gelijke Kansen Alliantie

Met het maatregelenpakket dat we hierboven hebben beschreven, leveren wij vanuit onze verantwoordelijkheid een bijdrage aan onderwijs dat álle jongeren maximale kansen biedt en hen waar nodig extra ondersteunt om die kansen te benutten. Zo versterken we de toekomstige basis van onze samenleving met zelfbewuste burgers die geloven in hun eigen mogelijkheden en erop kunnen vertrouwen dat hun toekomst niet door hun afkomst wordt bepaald. Tevens voorkomen we zo verspilling van talent.

In onze overtuiging dat we kinderen en jongeren nog meer kunnen laten profiteren van de kansen die het onderwijs hen biedt, staan wij als bewindslieden niet alleen. De afgelopen maanden spraken we tal van bevlogen professionals die ieder op hun eigen wijze eraan bijdragen dat elk kind en elke jongere gelijke kansen krijgt. In Schiedam zagen we bijvoorbeeld hoe lokale werkgevers, een kinderopvangorganisatie, de bibliotheek, een sportclub en een lokaal fonds samen met het Lentiz College een «alliantie voor talent» vormen. Het Lentiz College is een school met relatief veel vmbo- en mbo-leerlingen uit een achterstandssituatie. Deze jongeren worden door de school en de alliantiepartners uitgedaagd én gestimuleerd, om geen kans onbenut te laten.

We denken ook aan initiatieven zoals Champs-on-stage dat met steun van bedrijven en gemeenten jongeren helpt bij hun stage- en studiekeuze. Een ander voorbeeld is de IMC Weekendschool, die beroepsoriëntatie voor jongeren uit een achterstandssituatie mogelijk maakt. We zien betekenisvolle initiatieven in alle onderwijssectoren en met betrokkenheid van vele maatschappelijke organisaties. Deze breed gedeelde betrokkenheid blijkt ook uit het feit dat de sectorraden samen met werkgeverorganisaties in een gezamenlijke brief hebben aangegeven zich voor gelijke kansen in te willen zetten. Dat krachtige signaal waarderen we, want het onderwijs kan het niet alleen.

De uitdaging bestaat eruit de betrokkenheid, kennis en energie van alle betrokken partijen, van scholen tot welzijnsorganisaties, van gemeenten tot werkgevers en vele anderen, te bundelen zodat een vermenigvuldigingseffect ontstaat. Daarom nemen wij het initiatief voor een Gelijke Kansen Alliantie (GKA).

Deze alliantie is een open netwerk van en voor professionals binnen en buiten het onderwijs. We willen deze betrokkenen samenbrengen om elkaar en anderen te inspireren, kennis op te halen en bewezen successen op te schalen. Bestaande samenwerkingsverbanden kunnen zich bij de alliantie aansluiten om samen één landelijke beweging te vormen voor gelijke kansen. Uitgangspunt hierbij is dat alle alliantiepartners vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid een concrete inzet formuleren in de vorm van gerichte acties en activiteiten. De alliantie is daarmee niet alleen een netwerk van ideeën, maar ook een voorhoede voor verandering.

We nodigen iedereen die het verschil wil maken – sectorraden, schoolbesturen, ouderorganisaties, onderzoekers, werkgevers, werknemers en maatschappelijke initiatieven – uit om zich bij deze voorhoede aan te sluiten. Hierbij gaat het er niet om nieuwe projecten op te starten, maar vooral om reeds bestaande activiteiten te versterken, goed te kijken naar wat elders werkt en de samenwerking te verdiepen tussen onderwijs, voorschoolse instellingen, gemeenten, cultuur, sport en maatschappelijke initiatieven. Bij de lancering van de Alliantie, vandaag in Amsterdam, hebben zich al veel partijen aangesloten. En dit is pas het begin. De komende maanden gaan deze partijen zelf, samen met ons, aan de slag. De inzet van alle alliantiepartners, zowel op landelijk als op regionaal niveau, is te vinden op het platform www.gelijke-kansen.nl. Hier kunnen nieuwe partners zich ook bij aansluiten.

Wij stimuleren en ondersteunen de alliantiepartners de komende jaren desgevraagd met onderzoek en kennisdeling en ruimte om te experimenteren, zodat ambities niet in woorden blijven steken. Daarnaast zullen wij de alliantie benutten om op landelijk niveau een blijvende dialoog te voeren met sectorraden en andere betrokkenen over mogelijkheden om ons onderwijsstelsel nog beter in te richten op het bieden van kansen aan iedereen.

4. Samen aan de slag

Het bieden van gelijke kansen in het onderwijs is een opdracht waar het onderwijs iedere dag voor staat. Veel gedreven leraren staan voor de klas omdat ze het verschil willen maken in de toekomst van jonge mensen. Het Nederlandse onderwijs doet het volgens de OESO internationaal bovengemiddeld goed op kansengelijkheid. Maar we kunnen deze relatief goede positie ook in de toekomst alleen waarmaken als we nu met alle betrokken binnen het onderwijs en daarbuiten actie ondernemen. Het realiseren van gelijke kansen is geen eenvoudige opdracht; het vergt voortdurende aandacht en een langetermijninvestering in de toekomst van kinderen. Met het hier gepresenteerde actieplan geven we op de korte termijn een impuls aan gelijke kansen in het onderwijs.

Met de Gelijke Kansen Alliantie vormen we hiernaast een duurzame beweging die zich hier structureel voor inzet. De alliantie biedt een platform om kennis te delen, samenwerking te verstevigen, gezamenlijk ambities te formuleren en de uitvoering hiervan te laten monitoren. We vergroten onze kennis over effectieve initiatieven door het effect van alle maatregelen die we nemen in kaart te brengen.

Zo bundelen we onze krachten en maken we het verschil voor de toekomst van onze jongeren en voor Nederland. Want verschil moet er niet zijn, dat moeten we maken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker

Noot 1: OESO (2016), Netherlands 2016.

Noot 2: Kamerstuk 21 501-07, nr. 1354.

Noot 3: Volgens de recente OECSO review studie is er wisselende evidentie voor de effecten van vroege selectie. Zie OESO (2016), Netherlands 2016 (met name hoofdstuk 3).

Noot 4: Korthals, R. (2015) Tracking Students in Secondary Education: Consequenses for Student Performance and Inequality.

Noot 5: SCP (2016) Wikken en wegen in het hoger onderwijs.

Noot 6: In de literatuur wordt er onderscheid gemaakt tussen primaire effecten (sociaal milieu), secundaire effecten (verschillende overgangen bij gelijke prestaties) en soms tertiaire effecten (verschillen in kwaliteit onderwijsaanbod). Zie bijvoorbeeld Van der Werfhorst (2008) Leren of ontberen.

Noot 7: Wij benutten daarvoor in het bijzonder CPB (2016) Kansrijk onderwijsbeleid. In de tekst wordt hier naar verwezen als «CPB 2016».

Noot 8: Zie bijvoorbeeld Tieben, N. (2010) Transitions, tracks and transformations.

Noot 9: Engstrom, C., Tinto, V. (2008) Change, vol.40, No. 1 (Jan. – Feb.), pp. 46–50.

Noot 10: Kamerstuk 34 457, nr. 17.

Noot 11: Zie bijvoorbeeld Crul, M. et al., Amsterdam University Press, (2012) The European Second Generation Compared.

Noot 12: Loopbaanoriëntatie en -begeleiding, 28 september 2016, Kamerstuk 31 524, nr. 301.

Noot 13: Borghans, L. (2014) Persoonlijkheid voorspelt succes, CPB policy brief.

Noot 14: Wolf, F, R. (2013) Presteren op vreemde bodem.

Noot 15: Kennisrotonde (2016) Effecten van brede brugklassen. Te raadplegen via http://www.nro.nl/kennisrotonde/; Van Elk et al (2009) Effect van vroege selectie op deelname hoger onderwijs.

Noot 16: Kamerstuk 28 760, nr. 39.

Noot 17: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 18: Kamerstuk 34 511, nr. 2.

Noot 19: Dit is een onderzoek van Oberon naar de plaatsingswijzers dat meegestuurd wordt met de brief aan de Tweede Kamer over de resultaten op de eindtoets.

Noot 20: Motie Rog, Kamerstuk 31 289, nr. 316.

Noot 21: Motie Grashoff, Kamerstuk 31 289, nr. 307.

Noot 22: Motie Grashoff c.s., Kamerstuk 31 332, nr. 53.

Noot 23: Elffers, L. (2016) Kansrijke schoolloopbanen in en op weg naar het hbo, lectorale rede

Noot 24: Kamerstuk 29 544, nr. 674.

Noot 25: Motie Ypma/Van Meenen, Kamerstuk 31 293, nr. 320.

Noot 26: Het landelijk gemiddelde is 17 procent.

Noot 27: CBS (2015) Armoede en sociale uitsluiting 2015 N.B. Het CBS rapport bevat de laatste cijfers (over 2014) volgens hun definitie van een laag inkomen. Deze cijfers hebben geen betrekking op Caribisch Nederland.

Noot 28: Kamerstuk 24 515, nr. 378.

Noot 29: Kamerstuk 32 820, nr. 211.