Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 572

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 januari 2017

Hierbij informeer ik uw Kamer over het gevoerde gesprek met de vier technische universiteiten over de aangekondigde numerusfixusopleidingen voor komend collegejaar. Uw Kamer heeft mij hiertoe opgeroepen met de motie van de leden Rog en Duisenberg.1

Tijdens de begrotingsbehandeling (Handelingen II 2016/17, nr. 17, items 4 en 7 en Handelingen II 2016/17, nr. 18, item 8) heb ik met u gedeeld dat de afgelopen jaren met het Techniekpact is ingezet op een grotere instroom in de technische opleidingen. Daar merken we nu het succes van. Steeds meer studenten kiezen voor een bètatechnische opleiding en we komen steeds dichter in de buurt van de doelstelling dat 4 op de 10 studenten instromen in een bètatechnische opleiding.

Op universiteiten is de instroom in de bètatechniek sterk gestegen. Waar in 2000 zo’n 8.500 bètatechnische instromers waren, zijn dat er inmiddels meer dan 20.000. Het succes van deze toename roept ook vragen op aan de aanbodkant van het onderwijs. De technische universiteiten zijn verantwoordelijk voor ongeveer de helft van de universitaire instroom in de bètatechniek en hebben aangegeven problemen te ervaren door groeiende studentenaantallen.

In het gesprek met de technische universiteiten, gaven de voorzitters van deze instellingen aan dat vanwege de kwaliteit van het onderwijs is gekozen om voor deze opleidingen een numerus fixus in te voeren. Zij gaven aan dat het voor hen niet mogelijk is om voor de acht opleidingen die over minder dan 8 maanden beginnen, nu veel meer goede docenten aan te trekken en in sommige gevallen zelfs laboratoria bij te bouwen. De fixusopleidingen betreffen Industrieel Ontwerpen, Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, Klinische Technologie en Nanobiologie van de TU Delft. Bij de Universiteit Twente gaat het om de opleiding Klinische Technologie en Wageningen University kent komend collegejaar voor de opleidingen Biotechnologie, Voeding en Gezondheid en Moleculaire Levenswetenschappen een numerus fixus. De TU Eindhoven heeft komend jaar geen opleidingen met een numerus fixus.

Daarmee zijn er voor komend collegejaar drie extra bètatechnische opleidingen bij de TU’s die een numerus fixus kennen, ten opzichte van afgelopen collegejaar. Sommige van de opleidingen met een numerus fixus zijn aan een andere instelling te volgen waar geen numerus fixus geldt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor Moleculaire Levenswetenschappen en Industrieel Ontwerpen.

Voor de technische universiteiten is een grote taak weg gelegd om te kunnen voldoen aan de vraag van de arbeidsmarkt. Zij hebben rekening te houden met de belangen van (kandidaat)studenten, afgestudeerden en de maatschappelijke belangen. Tegelijkertijd moet de organisatie van de technische universiteiten ingericht worden op het bieden van hoogstaande onderwijskwaliteit aan meer studenten. Het kost tijd om de organisatie daarop aan te passen. Dat geldt voor elke groeiende organisatie en ik vind het mijn verantwoordelijkheid om die tijd en ruimte ook te bieden.

De technische universiteiten zitten overigens niet stil. Zij zijn druk bezig om de studentengroei goed te accommoderen. Zo wordt al tijdelijk uitgeweken naar andere locaties buiten de campus, wordt gekeken naar andere momenten om onderwijs te geven, zoals in de avond, en worden practica met innovatief onderwijs efficiënter ingezet. Hierbij wordt ook nauw samen gewerkt met de technologische bedrijven in de omgeving. De technische universiteiten zijn ook in gesprek met FME, een ondernemersorganisatie voor de technologische industrie, om te bekijken wat het bedrijfsleven kan betekenen ten aanzien van de groei van de studenteninstroom en de vraagstukken die daarbij komen kijken.

Daarnaast hebben de voorzitters van de technische universiteiten mij aangegeven dat studenten die niet kunnen beginnen aan de studie van hun eerste voorkeur, in vrijwel alle gevallen kiezen voor een andere bètatechnische studie. De niet-geplaatste studenten zijn dus in veruit de meeste gevallen niet verloren voor de bètatechniek. Het aantal afgewezen studenten voor een bètatechnische opleiding bij een technische universiteit is overigens beperkt. Dit collegejaar konden 91 studenten niet beginnen aan de studie van hun eerste voorkeur, maar zij zijn veelal begonnen aan een andere bètatechnische opleiding. In het collegejaar daarvoor betrof het 146 studenten.

Daarnaast benadruk ik wederom dat we in Nederland heel veel bètatechnische opleidingen kennen zonder numerus fixus. Alleen al op bachelorniveau hadden we in 2015–2016 152 universitaire opleidingen en 222 hbo-opleidingen in de bètatechniek. Daarvan waren er 54 bij de technische universiteiten en voor 5 van deze opleidingen gold een numerus fixus. Bij twee van deze vijf werd er wel een fixus ingesteld, maar die is afgelopen twee jaar niet gehaald. In feite waren er dus drie opleidingen die een effectieve fixus hadden.

Ook zien we dat de doorstroom van een technische opleiding naar een technisch beroep nog niet altijd goed gaat. Nog teveel technisch afgestudeerden, van mbo tot universiteit, gaan aan de slag in een niet-technisch beroep in een niet-technische sector. Om meer van deze afgestudeerden in een technisch beroep te krijgen, zijn ook de werkgevers aan zet. Als het bedrijfsleven er in slaagt meer technisch afgestudeerden een aantrekkelijk carrièreperspectief te bieden, dan zou dat een belangrijke bijdrage aan de oplossing van deze tekorten zijn.

Komende tijd blijf ik in gesprek met de technische universiteiten over de uitdagingen waar zij voor staan. Daarnaast heb ik, in het verlengde van de motie van de leden Rog en Duisenberg, de technische universiteiten gevraagd om een nadere onderbouwing van de financiële en capaciteitsknelpunten die zij ervaren. Over de uitkomsten van deze analyse bericht ik uw Kamer in het voorjaar. In bredere zin voer ik momenteel ook een verkenning uit naar de huidige manier van bekostigen in het hoger onderwijs. Concrete scenario’s voor aanpassing van het bekostigingsmodel in het hoger onderwijs zijn een onderdeel van deze verkenning. Deze scenario’s kunnen gebruikt worden bij de kabinetsformatie.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

Noot 1: Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 24.