Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 345

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 februari 2017

Op 5 juli 2016 heb ik uw Kamer voor het laatst geïnformeerd over de voortgang van de vereenvoudiging van de bekostiging van het voortgezet onderwijs.1 In die brief heb ik geschetst dat uit een uitgebreide consultatie is gebleken dat de vereenvoudiging van de bekostiging op brede steun kan rekenen. Het traject biedt meerwaarde, omdat een transparante en voorspelbare basisbekostiging scholen en bestuurders beter in staat stelt om te gaan met ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs, zoals leerlingendaling en de gevolgen daarvan voor het behoud van het onderwijsaanbod.
Naast een transparant bekostigingssysteem is goed bestuur een belangrijke randvoorwaarde om via een deugdelijke bedrijfsvoering het hoofd te bieden aan deze ontwikkelingen. Bestuurlijke samenwerking en goede verantwoording zijn hier onlosmakelijk aan verbonden, juist omdat door leerlingendaling het behoud van het onderwijsaanbod, met name het aanbod van het vmbo techniek, over een paar jaar een uitdaging wordt.2 Deze uitdaging vraagt echter om meer dan alleen een vereenvoudigd bekostigingsmodel en goed bestuur. Daarom heb ik de Onderwijsraad gevraagd om advies uit te brengen over de vraag welke mogelijke aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden om in de voorgestelde vereenvoudigde bekostiging rekening te houden met het behoud van het onderwijsaanbod, met name het vmbo techniek. De Onderwijsraad heeft het advies op 15 december 2016 opgeleverd.3 Op 23 december 2016 heb ik hier al kort op gereageerd.4
Op basis van dit advies wil ik voor deze uitdagingen maatregelen nemen, die ik in het vervolg van deze brief langs drie lijnen uitwerk: (1) de manieren waarop het voorgestelde vereenvoudigde model rekening houdt en gaat houden met de uitdagingen waar het voortgezet onderwijs voor staat, (2) de noodzaak van goed bestuur en bestuurlijke samenwerking en (3) aanvullende maatregelen die nodig zijn voor een goede implementatie van het nieuwe bekostigingsmodel. Met deze maatregelen creëer ik een solide basis voor een duurzaam stelsel. Hiermee geef ik invulling aan verschillende oproepen van uw Kamer.5
In deze brief ga ik ook in op bekostigingsmaatregelen tegen zittenblijven. Daarmee doe ik gestand aan de toezegging om na te gaan of scholen op dit moment financiële druk voelen om leerlingen al dan niet te laten blijven zitten.6 Tevens heb ik in de kabinetsreactie op het IBO-onderzoek Effectieve leerroutes in het funderend onderwijs toegezegd te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van mogelijke bekostigingsmaatregelen om scholen te prikkelen zittenblijven te voorkomen en meer kansrijke interventies te ontwikkelen.7

Het vereenvoudigde bekostigingsmodel biedt handvatten om uitdagingen het hoofd te bieden

Waarom vereenvoudigen?

Met de vereenvoudiging van de bekostiging creëer ik op budgetneutrale wijze een transparante basisbekostiging. Het voorgestelde vereenvoudigde model volgt de kostenverschillen in het onderwijs en kent gematigde herverdeeleffecten. Het aantal ongewenste prikkels wordt bovendien fors gereduceerd. Een begrijpelijke en voorspelbare basisbekostiging verbetert ook de mogelijkheden voor besturen om betere meerjarenramingen te maken. Hiermee biedt de vereenvoudiging een meerwaarde voor het voorgezet onderwijs en geeft het voorgestelde model handvatten aan besturen en scholen om met de basisbekostiging in te spelen op ontwikkelingen in de sector. Dit past binnen de sturingsfilosofie die ik voorsta, waarin besturen en scholen verantwoordelijk zijn voor kwalitatief hoogstaand onderwijs en een goede bedrijfsvoering.

In de komende periode speelt er in het voortgezet onderwijs een autonome ontwikkeling, die niet veroorzaakt wordt door de vereenvoudiging van de bekostiging, maar die wel samenhangt met het moment van invoering. Het betreft hier het behoud van onderwijsaanbod, specifiek het vmbo techniek, in tijden van leerlingendaling. De Onderwijsraad heeft deze ontwikkelingen geduid en heeft hierover aanbevelingen gedaan. Samen met de VO-raad heb ik gekeken in hoeverre het vereenvoudigde model al handvatten biedt voor deze uitdagingen en in hoeverre de aanbevelingen van de Onderwijsraad binnen het model kunnen worden opgenomen. Hierbij heb ik ook de uitkomsten van gesprekken met bestuurders, schoolleiders en controllers over de bekostiging van het vmbo techniek gebruikt. Hieronder schets ik de belangrijkste punten.

De vereenvoudiging biedt handvatten voor omgang met leerlingendaling

De Onderwijsraad bevestigt dat leerlingendaling een autonome ontwikkeling is en dat de uitdagingen die dat met zich meebrengt niet direct in verband staan met de effecten van de invoering van de vereenvoudigde bekostiging. Wel vind ik het van belang dat bij de invoering van de vereenvoudiging rekening wordt gehouden met de gevolgen van leerlingendaling.

De Onderwijsraad onderschrijft allereerst dat de vaste voet per vestiging meehelpt om ook in dunbevolkte gebieden vestigingen open te houden. Daarbij houdt de vaste voet per vestiging vanuit kostenvolgend perspectief rekening met de vaste lasten die gepaard gaan met het exploiteren van een vestiging, ongeacht het aantal aanwezige leerlingen. In eerdere brieven over de vereenvoudiging van de bekostiging heb ik al aangegeven welke criteria ik wil hanteren om vestigingen voor een vaste voet in aanmerking te laten komen, zoals bekostigingsnormen.8

Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat een goede overgangsregeling besturen helpt om in tijden van leerlingendaling eventuele herverdeeleffecten beter op te vangen. De invoering van de vereenvoudiging van de bekostiging gaat dan ook gepaard met een overgangsregeling, waarbij de voor- en achteruitgang in de bekostiging stapsgewijs wordt op- dan wel afgebouwd.

Het vmbo techniek kent hogere kosten, maar komt uit met bekostiging

Zowel het advies van de Onderwijsraad als de gesprekken die ik de afgelopen periode heb gevoerd met bestuurders, schoolleiders en controllers hebben laten zien dat het vmbo techniek kwetsbaar is. De organiseerbaarheid van de technische profielen in het vmbo staat in tijden van leerlingendaling onder druk, omdat hier ook met een beperkt aantal leerlingen hoge kosten aan verbonden zijn (meer dan dit bij andere schoolsoorten het geval is). Deze relatief hogere kosten worden onder meer veroorzaakt door duurdere inventaris, duurder materiaal en kleinere klassen voor de beroepsgerichte vakken (onder andere vanwege veiligheidseisen). De gesprekken hebben inzicht gegeven in de opbouw van de meerkosten en de redenen waarom deze meerkosten verschillen per bestuur. Deze variatie hangt onder meer samen met onderwijsinhoudelijke keuzes, het aantal leerlingen en de wel of niet geslaagde samenwerking met andere scholen, het vervolgonderwijs en het bedrijfsleven.

Juist omdat de kosten hoger zijn ontvangen besturen die in de bovenbouw voorbereidend beroepsonderwijs (waaronder techniek) aanbieden in zowel de huidige als de voorgestelde vereenvoudigde systematiek een hogere bekostiging dan het algemeen vormend onderwijs. Ook wordt er nu binnen het voorbereidend beroepsonderwijs nauwelijks onderscheid gemaakt tussen de bekostiging van de verschillende profielen. De breuk die de Onderwijsraad in de vereenvoudiging constateert met het huidige beleid, deel ik dan ook niet. In zowel het huidige als in het voorgestelde vereenvoudigde model wordt rekening gehouden met de kostenverschillen waar besturen mee te maken hebben. Schoolbesturen hebben vervolgens de verantwoordelijkheid om voor een passende allocatie van middelen te zorgen. Dat gebeurt nu ook al goed. Ik constateer dan ook dat het voortgezet onderwijs er op sectorniveau financieel goed voorstaat.9 Qua financiële positie van de schoolbesturen zie ik daarbinnen wel veel variatie. De Algemene Rekenkamer constateert dezelfde variatie, maar benoemde in 2014 al dat de onderwijssoorten die een bestuur aanbiedt niet voorspellend zijn voor een positief of negatief exploitatieresultaat.10 Ook in de voorgestelde vereenvoudigde bekostiging krijgen besturen die vmbo techniek aanbieden te maken met verschillende herverdeeleffecten, zowel positief als negatief. Op basis van deze constateringen licht ik in onderstaande paragrafen toe hoe ik hier mee om wil gaan.

Verdere implementatie van de vereenvoudiging

De verdere implementatie van de vereenvoudigde bekostiging vraagt ten aanzien van de hierboven geschetste uitdagingen om nog een paar kleine uitwerkingen, zodat het model ook verantwoord kan worden ingevoerd in gebieden met forse leerlingendaling.

Omdat het aantal vestigingen van een schoolbestuur een bekostigingsparameter wordt, is het allereerst van groot belang dat de registratie van vestigingen in het voortgezet onderwijs goed aansluit bij de praktijk. Daarom wil ik in het tweede kwartaal van 2017 een werkgroep instellen om nader te onderzoeken op welke manier deze registratie geoptimaliseerd kan worden, hoe de criteria kunnen worden aangescherpt en hoe deze in de bekostigingssystemen van DUO kunnen worden geoperationaliseerd.11 Vervolgens zal ik besturen oproepen om hun registraties waar nodig te actualiseren, zodat de vaste voeten op een juiste manier worden verstrekt.

Daarnaast heb ik in eerdere brieven over de vereenvoudiging van de bekostiging een overgangsregeling van drie jaar voorgesteld. Schoolbesturen hebben hun zorgen geuit over de vraag of dit wel voldoende is. Daarom heb ik in overleg met de VO-raad afgesproken om de overgangsregeling met één jaar te verlengen. Dit helpt besturen om in tijden van leerlingendaling een mogelijk negatief herverdeeleffect beter op te vangen.

Voor wat betreft de bekostiging van het vmbo techniek hebben de gesprekken aangetoond dat, ondanks de geconstateerde variatie in kostenverschillen, de schoolbesturen die vmbo techniek aanbieden niet structureel negatieve exploitatieresultaten hebben. Ik constateer dat besturen handelen binnen gestelde financiële kaders en dat er op macroniveau geen financiële problemen ontstaan, ook niet na vereenvoudiging. Daarom zie ik geen reden om in de vereenvoudigde basisbekostiging ingrepen te doen in de samenstelling van de twee leerlingafhankelijke bekostigingsparameters.

Goed bestuur is noodzakelijk voor behoud van het onderwijsaanbod

Zoals ik aan het begin van deze brief en in eerdere brieven al heb aangegeven, acht ik goed bestuur een vereiste om goed om te gaan met de uitdagingen voor het voortgezet onderwijs. Juist in een context van leerlingendaling zijn er bestuurders nodig die vooruit kijken, open staan voor samenwerking met hun partners in de regio, gerichte en noodzakelijke keuzes durven maken en hierover verantwoording kunnen afleggen. Ook de versterking van financiële expertise is hierbij van belang. Om deze redenen werkt dit kabinet aan maatregelen om goed en professioneel bestuur in het onderwijs te bevorderen. Hier hebben de Minister en ik in het wetsvoorstel Versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen uitgebreid bij stil gestaan.12
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) constateert dat ook scholen zelf in de afgelopen jaren veel aandacht besteden aan de professionalisering van het bestuur. De inspectie stelt dat besturen het grootste deel van hun tijd besteden aan sturen op de onderwijskwaliteit, zowel op het bewaken van de ondergrens als op het stellen van doelen of normen voor verdere verbetering. Daarbij is de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker aandacht voor de relatie tussen financiën en kwaliteit, en voor aspecten van gedrag en cultuur.13 Dit vind ik een positieve ontwikkeling.

De Onderwijsraad geeft aan dat samenwerking en afstemming tussen scholen de beste manier is om een dekkend en gevarieerd onderwijsaanbod te behouden. Dit onderschrijf ik. Zeker in gebieden met forse leerlingendaling is het in samenspraak afstemmen van het aanbod dé sleutel tot behoud van een relevant onderwijsaanbod dat aansluit op vervolgopleidingen en de regionale arbeidsmarkt. Net als de Onderwijsraad zie ik grote kansen in samenwerking tussen scholen onderling, met het vervolgonderwijs en met het lokale en regionale bedrijfsleven. Het is niet de bedoeling dat scholen geïsoleerd van elkaar koste wat kost hun afdelingen in stand proberen te houden. Dat is niet doelmatig en niet bevorderlijk voor de onderwijskwaliteit. Wanneer te kleine afdelingen onrendabel dreigen te worden, is het van groot belang dat scholen en besturen met hun partners in de regio om tafel gaan om afspraken te maken over welke school zorg draagt voor welk aanbod. Het behoeft geen betoog dat deze samenwerking juist in regio’s met forse leerlingendaling noodzakelijk is.

Naast goed bestuur en samenwerking is het ook van belang om de (horizontale) verantwoording over de besteding van de bekostiging te verbeteren. Hierbij zet ik onverminderd in op de acties die voortvloeien uit de brief over transparantie in het funderend onderwijs.14 In mijn brief van 17 december 2015 over de vereenvoudiging van de bekostiging heb ik opgemerkt dat ik het wenselijk acht te komen tot een instemmingsbevoegdheid voor de medezeggenschap op hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid in het funderend onderwijs. 15 Het wetsvoorstel daartoe is in het najaar van 2016 aan de Raad van State ter advisering voorgelegd. Inmiddels is over dit voorstel advies uitgebracht. Ik zal mijn reactie daarop overeenkomstig de reguliere wetgevingsprocedure in een nader rapport uiteenzetten.

Aanvullende maatregelen zorgen voor ondersteuning

De vereenvoudiging maakt de basisbekostiging beter voorspelbaar en creëert een solide grondslag voor besturen en scholen om in te spelen op ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs. Om in tijden van leerlingendaling een dekkend onderwijsaanbod te garanderen, is goed bestuur, bestuurlijke samenwerking en verantwoording over de besteding van de bekostiging van groot belang. Zoals opgemerkt zet ik in eerste instantie in op de verbetering van (intrinsiek gemotiveerde) samenwerking, om zodoende het onderwijsaanbod in stand te houden. Ik neem daarbij al een aantal maatregelen om besturen en scholen te ondersteunen bij het opvangen van de gevolgen van leerlingendaling. Barrières die de samenwerking belemmeren wil ik hierbij zoveel wegnemen. Hierover informeer ik uw kamer via de voortgangsrapportages leerlingendaling.16

Tegelijkertijd ben ik het eens met de Onderwijsraad dat op termijn mogelijk meer nodig is om kwetsbaar onderwijsaanbod in stand te houden. Daarom wil ik in samenwerking met de VO-raad op het vlak van leerlingendaling en het behoud van het onderwijsaanbod (in het bijzonder het aanbod van het vmbo techniek) een aantal aanvullende maatregelen ontwikkelen. Naast mijn inzet voor de vereenvoudiging van de bekostiging en voor goed bestuur creëer ik hiermee een goede basis voor een duurzaam stelsel.

Voor het vmbo techniek wil ik allereerst sterk inzetten op meer samenwerking tussen besturen en andere partijen, zoals vervolgopleidingen en het bedrijfsleven. In aanvulling op de maatregelen uit de voortgangsrapportages leerlingendaling wil ik leren van lessen van het regionaal investeringsfonds mbo en ga ik onderzoeken op welke wijze een vergelijkbare regeling ook voor het vmbo techniek kan worden ontwikkeld.

Ik realiseer mij dat er grenzen zijn aan de doelmatigheid van samenwerking. Ten aanzien van het vmbo techniek zal ik daarom monitoren in hoeverre de stimulering van samenwerking toereikend is om basaal aanbod op orde te houden. Hierbij betrek ik de vraag in hoeverre in de toekomst mogelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om het basale aanbod van het vmbo techniek op orde te houden. Dit zal dan bedoeld zijn voor besturen waarbij het, ook na intensieve samenwerking, niet langer mogelijk is om specifiek het aanbod van het vmbo techniek in stand te houden.

Overigens geldt over het algemeen dat het behoud van een breed onderwijsaanbod in regio’s met forse leerlingendaling de komende periode mogelijk kwetsbaar wordt. Daarom zal ik bepalen welk instrumentarium kan worden ingezet om kwetsbaar aanbod (zoals het laatste brede en kleine aanbod in de regio) verder te ondersteunen. Hiervoor monitor ik vanzelfsprekend alle vmbo-profielen en schoolsoorten in het voortgezet onderwijs, inclusief het groen onderwijs. Uiteraard ga ik hier in eerste instantie uit van regionale samenwerking. Tegelijkertijd zal ik evalueren in hoeverre bestaande regelingen gerichter kunnen worden ingezet, zodat zij beter aansluiten bij de nieuwe realiteit van een krimpend voortgezet onderwijs. Hierbij betrek ik zowel geografische als onderwijsinhoudelijke aspecten en bezie daarin ook mogelijke bekostigingsmaatregelen ter stimulering van brede brugklassen.17 Ik betrek hierbij uiteraard ook de adviezen van de Onderwijsraad over bijvoorbeeld de kleinescholentoeslag en de regeling uitzonderingsbekostiging.

Ik treed de komende periode in gesprek met de VO-raad om de genoemde maatregelen verder te concretiseren. Overigens geldt bij alle maatregelen dat ik deze na een aantal jaar wil evalueren. Per maatregel kan dan worden vastgesteld of deze nog nodig is, of deze gehandhaafd moet worden, of dat deze in kan/moet dalen in de lumpsum.

Effectieve maatregelen tegen zittenblijven zitten niet in de bekostiging

In de afgelopen periode heb ik in het kader van de vereenvoudiging van de bekostiging onderzocht in hoeverre scholen in het funderend onderwijs op dit moment financiële druk voelen om een leerling al dan niet te laten blijven zitten. Hiervoor heb ik gesprekken gevoerd met de sociale partners (PO-Raad, VO-raad, CNV, AVS en AOB). Uit deze gesprekken blijkt dat leraren een inhoudelijke afweging maken om een leerling al dan niet te laten blijven zitten. Deze afweging is vaak gebaseerd op pedagogisch-didactische motieven en wordt gemaakt in overleg met de ouders. Scholen stellen het belang van een leerling voorop en laten zich hierbij niet leiden door financiële overwegingen. Overigens is in de afgelopen jaren een dalende trend van het aantal zittenblijvers waarneembaar. Zo daalde het aandeel zittenblijvers in het primair onderwijs tussen 2013 en 2015 met ongeveer 15 procent. In het voortgezet onderwijs daalde dit aandeel tussen 2012 en 2015 eveneens met ongeveer 15 procent. Dit alles bij elkaar genomen concludeer ik dat scholen op dit moment geen prikkel in het systeem ervaren om leerlingen te laten blijven zitten.

In reactie op het IBO-onderzoek Effectieve leerroutes in het funderend onderwijs heb ik toegezegd te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van aanpassing van de bekostiging om zittenblijven tegen te gaan. Hiervoor heb ik een bekostigingsmaatregel uitgewerkt en deze besproken met de sociale partners in verband met gedragseffecten en mogelijke neveneffecten. Deze maatregel betreft het naar beneden bijstellen van de boven-nominale bekostiging (de bekostiging voor een extra verblijfsjaar vanwege zittenblijven). De vrijgekomen middelen kunnen vervolgens worden gebruikt om scholen te stimuleren alternatieve maatregelen te nemen om zittenblijven te voorkomen, zoals preventie en maatwerk.

In het onderzoek zijn enkele nadelige aspecten als gevolg van de bekostigingsmaatregel geconstateerd. De maatregel bevat mogelijke perverse prikkels, zoals selectie van leerlingen bij aanmelding, het ontmoedigen van stapelen en het lager laten uitstromen van leerlingen. De sociale partners achten een bekostigingsmaatregel om zittenblijven tegen te gaan dan ook ongewenst. De leraar in de klas weet wat goed is voor de leerling en de afweging om een leerling wel of niet te laten blijven zitten mag niet worden beïnvloed vanuit financiële overwegingen. Een schoolbestuur moet op zijn beurt op basis van onderwijskundige overwegingen komen tot de optimale verdeling van de middelen, zonder daarbij te worden gehinderd door in de bekostiging opgenomen prikkels.

Ik deel dit standpunt. Een maatregel tegen zittenblijven zit wat mij betreft niet in de bekostiging, maar in beleidsinhoudelijke maatregelen. Niet voor niets zijn hierover afspraken gemaakt in het bestuurs- en sectorakkoord. In navolging daarvan heb ik in het primair onderwijs bijvoorbeeld de handreiking Doorstroom van kleuters aan leraren verstrekt. In het voortgezet onderwijs stimuleer ik de lente- en zomerscholen om zittenblijven zoveel mogelijk tegen te gaan. De sociale partners geven aan dat zij graag willen doorgaan op de ingeslagen weg. Het aantal zittenblijvers neemt op dit moment nog steeds af. Met de bestaande beleidsinhoudelijke initiatieven zie ik daarom op dit moment geen noodzaak voor het initiëren van maatregelen in de basisbekostiging om zittenblijven tegen te gaan.

Afsluitend

De vereenvoudiging van de bekostiging biedt een positieve bijdrage aan de slagkracht van het voortgezet onderwijs. De onderzoeken, adviezen en gesprekken die ik in de afgelopen tijd heb gevoerd hebben geleid tot een breed doordachte verdere uitwerking van het model, waarbij het veld intensief is betrokken. Tezamen met mijn inzet op goed bestuur en met mijn inzet op mogelijke toekomstige maatregelen, ben ik ervan overtuigd dat met de vereenvoudiging van de bekostiging een solide basis wordt gecreëerd voor een toekomstbestendig stelsel.

De komende periode ga ik in samenwerking met de VO-raad door met het verder uitwerken en aanscherpen van het voorgestelde vereenvoudigde bekostigingsmodel in het voortgezet onderwijs.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker

Noot 1: Kamerstuk 31 289, nr. 335

Noot 2: Onder het vmbo techniek versta ik (in lijn met de brief over fundamenteel vmbo (Kamerstuk 30 079, nr. 52), de Wet op het voortgezet onderwijs artikel 10b lid 3 (onderdeel a t/m e) en de bijbehorende memorie van toelichting (Kamerstuk 31 184, nr. 3)) de vijf technische profielen in het vmbo, namelijk (1) Bouwen, Wonen & Interieur, (2) Produceren, Installeren & Energie, (3) Mobiliteit & Transport, (4) Media, Vormgeving & ICT en (5) Maritiem & Techniek.

Noot 3: Onderwijsraad (2016): Advies Verfijning vereenvoudiging bekostiging voortgezet onderwijs

Noot 4: Kamerstuk 31 289, nr. 342

Noot 5: Ik reageer in deze brief op de motie van de leden Veldman en Ypma (Kamerstuk 34 226, nr. 10), de motie van de leden Rog, Ypma, Bisschop en Siderius (Kamerstuk 34 226, nr. 11), de motie van het lid Siderius (Kamerstuk 30 079, nr. 66) en de motie van de leden Bruins en Jasper van Dijk (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 36). Ook ga ik in deze brief in op het verzoek van uw Kamer (Kamerstuk 31 289, nr. 342) om te reageren op het advies van de Onderwijsraad over dit thema. Tot slot geef ik met deze brief invulling aan mijn toezegging om het vereenvoudigde bekostigingsmodel op een aantal punten verder uit te werken (Kamerstuk 31 289, nr. 335).

Noot 6: AO Kleuteronderwijs, d.d. 13 oktober 2016 (Kamerstuk 31 293, nr. 339)

Noot 7: Kamerstuk 31 293, nr. 276

Noot 8: De vaste voet per vestiging gaat gepaard met een bekostigingsnorm van 60 leerlingen voor vestigingen voor praktijkonderwijs en 130 leerlingen voor overige vestigingen. De bekostigingsnorm van 60 leerlingen komt voort uit de helft van de stichtingsnorm van een school voor praktijkonderwijs (artikel 65 lid 1e van de WVO). De bekostigingsnorm van 130 leerlingen komt voort uit de helft van de laagste stichtingsnorm van een school voor het overige onderwijs, namelijk een vbo-school met één of twee profielen (artikel 65 lid 1d van de WVO). Daarnaast moet er sprake zijn van een uniek adres om voor een vaste voet in aanmerking te komen. Wanneer een bestuur meerdere vestigingen op hetzelfde adres heeft geregistreerd, wordt er voor deze vestiging één vaste voet verstrekt. Wanneer meerdere besturen een vestiging op hetzelfde adres hebben geregistreerd, wordt per bestuur een vaste voet verstrekt.

Noot 9: Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 101

Noot 10: Algemene Rekenkamer (2014): Bekostiging voortgezet onderwijs (Kamerstuk 31 289, nr. 193)

Noot 11: Deze werkgroep bestaat uit deelnemers van het Ministerie van OCW, DUO, de Inspectie van het Onderwijs, de VO-raad en een accountant en wordt belast met een kortlopende opdracht, die binnen het jaar 2017 uitgevoerd zal worden.

Noot 12: Kamerstuk 33 495, nr. 10

Noot 13: Inspectie van het Onderwijs (2016): Staat van het Onderwijs 2014/2015 (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 140)

Noot 14: Kamerstuk 31 293, nr. 273

Noot 15: Kamerstuk 31 289, nr. 274

Noot 16: De meest recente voortgangsrapportage is afgelopen najaar naar uw Kamer gezonden (Kamerstuk 31 289, nr. 336).

Noot 17: Hiermee geef ik invulling aan de motie van de leden Grashoff, Van Meenen en Jasper van Dijk (Kamerstuk 34 511, nr. 9)