Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 774

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2017

De positie van kunstenaars op de arbeidsmarkt is kwetsbaar. Dit wordt over de breedte van de cultuursector en ook daarbuiten onderkend. Op tal van plekken wordt samengewerkt om deze positie te verbeteren. Deze brief geeft inzicht in de voortgang van trajecten die voor verbetering moeten zorgen op het gebied van sociale dialoog, auteursrecht, honoraria, ondernemersvaardigheden, en uitgangspunten voor goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap.

Met deze brief informeer ik uw Kamer tevens over de verdeling van de incidentele middelen die beschikbaar zijn gekomen via het amendement van de leden Van Veen, Monasch, Jasper van Dijk, Pechtold en Grashoff.1 Ook informeer ik uw Kamer over de voortgang van motie met Kamerstuk 32 820, nr. 194, van de leden Monasch en Jasper van Dijk. Ik heb deze brief toegezegd in mijn reactie van 12 september 2016 op schriftelijke vragen van uw Kamer (Kamerstukken 29 544 en 32 820, nr. 742).

De arbeidsmarktpositie van kunstenaars

In januari 2016 hebben de sociaal-economische Raad (SER) en de Raad voor Cultuur op mijn verzoek een gezamenlijke Verkenning arbeidsmarkt culturele sector uitgebracht. Daarin uitten zij hun zorgen over de inkomens- en arbeidsmarktpositie van kunstenaars.2 Die is voor de gemiddelde kunstenaar nooit sterk geweest, mede door de economie van de culturele sector en de intrinsieke motivatie van kunstenaars. Volgens de analyse van de raden hebben de economische crisis en de bezuinigingen van Rutte I de positie van kunstenaars verder de economische crisis en de bezuinigingen van Rutte I de positie van kunstenaars verder verslechterd. Dit heeft onder andere geresulteerd in een daling van de werkgelegenheid, een sterke stijging van het aantal zelfstandigen, lage inkomens en beperkte toegang tot essentiële voorzieningen zoals scholing, verzekeringen en pensioen.

De bezuinigingen van het vorige kabinet moeten worden gezien in de context van de economische crisis, maar ook als een uiting van onvoldoende waardering voor kunst en kunstenaars in Nederland. Samen met de cultuursector heb ik de afgelopen vier jaar hard gewerkt aan een meer positieve benadering. Ik heb gelukkig op een aantal terreinen ook extra kunnen investeren. Instellingen en kunstenaars hebben zich de afgelopen jaren sterk gemaakt om de productie en de kwaliteit van de sector op peil te houden en het publieksbereik en het maatschappelijk draagvlak te vergroten. De kleinschalige organisatiestructuur van de sector staat herpositionering, kennisdeling of professionalisering echter soms in de weg.

Voortgang van trajecten uit het amendement van het lid van Veen c.s.

Hieronder informeer ik u over de stand van zaken bij de verschillende trajecten uit het amendement van het lid Van Veen c.s. (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 118)

Sectorbrede arbeidsmarktagenda

In mijn brief van 31 mei 2016 (Kamerstukken 29 544 en 32 820, nr. 721) heb ik benadrukt dat de arbeidsmarkt in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van de sector zelf: kunstenaars en instellingen in verschillende disciplines, al dan niet binnen de kaders van een cao, in afstemming met het kunstvakonderwijs, beroepsgroepen en belangenverenigingen.

De raden hebben in hun arbeidsmarktverkenning geconstateerd dat veel van de knelpunten over de hele cultuursector voorkomen, terwijl deze is georganiseerd in kleinschalige disciplines. De beperkte organisatiegraad heeft ook te maken met het grote aandeel zelfstandigen en de kwetsbare financiële positie van de sector, zowel van instellingen als van kunstenaars. Ik heb de sector daarom gevraagd om een sectorbrede arbeidsmarktagenda op te stellen waarin gezamenlijk ambities worden geformuleerd voor goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap, scholing en betere toepassing van wet- en regelgeving, zoals het arbeidsrecht en het auteursrecht. Ik ondersteun de sector met een bedrag van 400.000 euro, dat beschikbaar is gekomen via het genoemde amendement. Deze middelen zorgen voor extra capaciteit, kennis en overleg, en kunnen daarna gebruikt worden voor concrete projecten of pilots.

In de herfst van 2016 heeft Kunsten »92 op mijn verzoek het draagvlak, de rolverdeling en de werkwijze verkend. Ook is een quickscan uitgevoerd van relevante wet- en regelgeving. De eerste helft van 2017 is gereserveerd voor overleg met een brede vertegenwoordiging van disciplines en belanghebbenden. Daarbij wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij het vervolg dat de Raad voor Cultuur en de SER geven aan hun arbeidsmarktverkenning cultuur.

Op basis van de verzamelde input wordt een onafhankelijke commissie gevraagd om een arbeidsmarktagenda op te stellen en af te stemmen met de betrokken partijen. Vanaf de zomer zal met vervolgacties de invoering van de agenda worden ondersteund. Van de 400.000 euro die beschikbaar is voor dit traject, is voorzien dat 300.000 euro wordt ingezet voor deze fase.

Ondersteuning van ondernemerschap

Er bestaan grote verschillen in de beroepspraktijk en het verdienvermogen van de verschillende disciplines in de culturele en creatieve sector. Daarom zijn de overige middelen uit het amendement van het lid Van Veen c.s. beschikbaar gesteld aan de zes publieke cultuurfondsen.

  • –  Bij het Fonds Podiumkunsten en het Nederlands Filmfonds komen via het amendement in 2017 respectievelijk 600.000 euro en 200.000 euro beschikbaar voor projecten die bijdragen aan de herverdeling van risico en inkomsten over de productieketen. Het Fonds Podiumkunsten richt zich op een pilot rond afstemming van (redelijke) gages en uitkoopsommen bij concerten van middelgrote ensembles. De pilot onderzoekt de consequenties van betere honorering voor alle betrokken partijen en brengt vervolgens mogelijke oplossingsrichtingen in beeld. De pilot wordt opgezet in overleg met de vakbond en (brancheorganisaties van) podia en gezelschappen.
  • –  Het Filmfonds faciliteert de totstandkoming van nieuwe koepelafspraken tussen distributeurs en producenten. Afspraken tussen producenten en opdrachtnemers moeten leiden tot algemene bepalingen voor modelcontracten. Deze afspraken dragen bij aan de verbetering van de positie van zelfstandige opdrachtnemers en aan het verdienvermogen van de sector als geheel. Tevens wordt een deel van de middelen ingezet ter versterking van de bestaande regeling voor training ten behoeve van deskundigheidsbevordering en kennisopbouw over nieuwe verdienmodellen en ondernemerschap van makers (bijvoorbeeld regisseurs, producenten en scenaristen).
  • –  Via het Fonds voor Cultuurparticipatie, het Nederlands Letterenfonds en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie zijn in totaal 200.000 euro beschikbaar gesteld voor kennisdeling over ondernemerschap.
  • –  Het Fonds voor Cultuurparticipatie ondersteunt regionale partners in de uitwisseling van kennis en ervaring van zzp’ers, gericht op hun beroepspraktijk. Het gaat dan over het versterken van ondernemerschapsvaardigheden, bijvoorbeeld het aantrekken van nieuwe opdrachten, waardebepaling, netwerkvorming en communicatie.
  • –  Het Letterenfonds biedt met dit budget scholingstrajecten voor schrijvers en vertalers aan, gericht op de toepassing van modelcontracten, de onderhandelingspraktijk en kennis over het auteursrecht. Een ander deel van het budget wordt aangewend voor een expertmeeting en een adviestraject over marketing en fondsenwerving bij festivals en literair-educatieve instellingen.
  • –  Het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie versterkt met deze middelen bestaande regelingen, in het bijzonder de regeling voor talentontwikkeling. De doelgroep is jonge ontwerpers en jonge makers van digitale cultuur, waarbij wordt ingezet op het ontwikkelen van ondernemerschapskennis en -vaardigheden. Door contact met ervaren professionals (meester-gezel) uit de sector wordt de overdracht van kennis en ervaring in projecten bereikt. De intensivering van middelen zal aanvullend enkele jonge creatieve professionals in staat stellen hun positie op de arbeidsmarkt te versterken.

Betere beloning voor beeldende kunstenaars

De beeldende kunstsector heeft concrete stappen genomen om de onderhandelingspraktijk bij honoraria te versterken. Een aantal leden van BKNL, het overlegplatform van de partners in deze sector, heeft een richtlijn laten opstellen voor onderhandelingen bij exposities zonder verkoopdoel. De richtlijn beoogt houvast te bieden bij het overeenkomen van een maatschappelijk aanvaardbaar tarief. Bij de ontwikkeling van de richtlijn is gekeken naar mededingingsrechtelijke, arbeidsrechtelijke en sociaal-economische aspecten. Het sociaal minimum is daarbij als objectief minimum genomen. Opdrachtgevers (musea en presentatie-instellingen) committeren zich sinds januari 2017 aan deze richtlijn op vrijwillige basis, door middel van een convenant en het uitgangspunt «pas toe of leg uit». In het komende jaar zal de werking van deze richtlijn worden onderzocht. Het gaat dan onder andere over wisselwerking tussen verschillende soorten vergoedingen en de gevolgen voor de begroting van instellingen.

Om redelijke honoraria te stimuleren heb ik, conform het advies van de Raad voor Cultuur, 600.000 euro beschikbaar gesteld aan het Mondriaan Fonds voor een matchingsregeling in 2017. Deze is bedoeld voor compensatie aan instellingen van een deel van de honoraria. De eerste aanvragen zijn reeds toegekend. Daarnaast wordt de richtlijn als uitgangspunt genomen voor andere regelingen van het fonds, zoals de Bijdrage Opdrachtgeverschap.

In het voorjaar van 2017 organiseer ik een bijeenkomst voor de cultuurfondsen en Stichting Cultuur+Ondernemen om kennis en ervaring op het gebied van ondersteuning uit te wisselen. Dit met het oog op de loketfunctie van Cultuur+Ondernemen en een integrale aanpak. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de mogelijkheden voor vergroting van kennis over (uitbating van) het auteursrecht.

Mededinging en de onderhandelingspositie van zelfstandige kunstenaars

Op 23 juni 2016 heeft uw Kamer de motie met Kamerstuk 32 820, nr. 194, van de leden Monasch en Jasper van Dijk aangenomen (Handelingen II 2015/16, nr. 100, item 9), die de regering verzocht om «…in gezamenlijk overleg met belanghebbenden en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een voorstel te doen om krachten (van zelfstandige kunstenaars) bij onderhandelingen te bundelen, en de Kamer daarover te informeren». In een schriftelijk overleg hebben leden van uw Kamer mij ook gevraagd «uiteen te zetten op welke manier zelfstandigen in de culturele sector nu mogen samenwerken in het maken van afspraken met opdrachtgevers» en welke mogelijkheden ik zie om dit te versterken.

In de tweede helft van 2016 hebben de ministeries van OCW, SZW en EZ overlegd met de ACM en verenigingen van werkenden en werk- en opdrachtgevers in de culturele sector. In deze gesprekken zijn de opties voor versterking van de onderhandelingspositie van kunstenaars besproken, ook in internationaal perspectief. Mijn verwachting is dat de reeds bestaande mogelijkheden, bijvoorbeeld van de «Richtsnoeren samenwerking ondernemingen» van de ACM en van bestaande wetgeving, beter kunnen worden benut.3 De besprekingen in het kader van de motie, maar ook het komend advies van de SER en de Raad voor Cultuur en dat sectorbrede arbeidsmarktagenda zullen daar naar ik verwacht verder aan bijdragen. Deze mogelijkheden zullen echter niet van toepassing zijn op alle zelfstandige kunstenaars, in alle sectoren, onder meer omdat er in sommige disciplines geen sprake is van werkgevers en cao’s.
In enkele andere Europese landen zijn kunstenaars via wetgeving breder uitgezonderd van de kartelbepaling van de mededingingswet. Een samenvatting van de besprekingen treft u aan als bijlage bij deze brief4. Daarin wordt besproken wat binnen bestaande wet- en regelgeving mogelijk is en welke wetgeving in Nederland en andere Europese landen is ingezet om de bestaande mogelijkheden te verruimen.

Andere ontwikkelingen op gebied van de culturele arbeidsmarkt

Behalve de trajecten van Kunsten »92, de publieke cultuurfondsen, en de SER en Raad voor Cultuur is de sector op tal van andere dossiers bezig om de arbeidsmarktpositie van kunstenaars te verbeteren. Onderstaand treft u enkele voorbeelden van trajecten die ook bijdragen aan versterking van de culturele arbeidsmarkt.

Voortzetting steunpunt Kunst en Cultuur – UWV

Met behulp van projectfinanciering van het Ministerie van OCW heeft de Federatie Cultuur samen met het UWV sinds medio 2013 werkzoekende professionals uit de kunst- en cultuursector ondersteund middels de Servicepunten Kunst & Cultuur (SPKC). De belangstelling en waardering voor het project blijft nog steeds groeien doordat het werk- en baanverlies later op gang is gekomen dan voorzien. Uiterlijk in de zomer van 2017 moet duidelijk zijn of Servicepunten Kunst en Cultuur ingebed kunnen worden in de reguliere dienstverlening van het UWV.

Afronden Sectorplan Cultuur

Met het Sectorplan Cultuur, dat begin dit jaar is afgerond, hebben meer dan 3.000 werkenden in de cultuursector ondersteuning gekregen op gebied van scholing, loopbaanoriëntatie en mobiliteit. Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en sociale fondsen in de sector hadden dit sectorplan gezamenlijk opgezet om werkgelegenheid te behouden en bestaand personeel duurzaam inzetbaar te maken, ook buiten de sector. Gekeken wordt hoe de ervaring met het sectorplan nu kan worden ingezet in de sectorbrede arbeidsmarktagenda.

Sociale dialoog

Binnen diverse disciplines van de cultuursector zoeken bestuurlijke partners elkaar in toenemende mate op en vinden zij gezamenlijk oplossingen. Zo zijn werkgevers en werknemers in de vrije theatersector per 1 januari 2017 voor het eerst een zogenaamde one-issue cao aangegaan, voor een verruiming van de Wet werk en zekerheid. De partijen hebben afgesproken verder te praten over welke belangen van de werknemers en werkgevers zij nog meer bij collectieve arbeidsovereenkomst willen vastleggen. Een ander voorbeeld zijn de partners binnen de Stichting Overleg Arbeidsvoorwaarden Kunsteducatie (OAK), die voor hun sector enkele proeftuinen op het gebied van innovatie en ondernemerschap willen faciliteren met het oog op behoud van inkomsten en werkgelegenheid.

Er is ook steeds meer sectorbrede samenwerking. Zo zijn de vakbonden en beroepsorganisaties die via het Platform Makers deelnemen aan de Federatie Auteursrechtenbelangen, overeengekomen te onderzoeken hoe zij hun beleidsinspanning kunnen verbreden. Waar relevant zullen zij als collectief van makers en kunstenaars deelnemen aan bestuurlijk overleg met het Ministerie van OCW. Deze samenwerking juich ik toe.

Vervolg Sectorplan kunstonderwijs

In de periode 2012–2016 hebben de hogescholen met kunstopleidingen gezamenlijk het Sectorplan kunstonderwijs «Focus op Toptalent» uitgevoerd met het oog op onder meer betere profilering en lagere instroom. In oktober 2016 hebben zij een nieuwe agenda voor het kunstonderwijs gepresenteerd, KUO NEXT 2016–2020. De agenda voor deze volgende fase bevat actiepunten op vier terreinen: diversiteit, flexibele opleidingen, research en development, en internationale positie. Het kunstonderwijs benadrukt daarin de afstemming met partners zoals Kunsten »92, de Federatie Cultuur, het Fonds Cultuurparticipatie en organisaties uit de creatieve industrie.5

Monitor kunstenaars en afgestudeerden aan creatieve opleidingen

De Monitor kunstenaars en afgestudeerden aan creatieve opleidingen die het CBS maakt in opdracht van OCW, geeft periodiek zicht op inkomens, werkpraktijk en loopbaanperspectief van kunstenaars en afgestudeerden aan de creatieve hbo- en mbo-opleidingen over een langere periode. Dit onderzoek was ook een belangrijke bron voor de arbeidsmarktverkenning die vorig jaar is uitgevoerd door de SER en de Raad voor Cultuur. Op dit moment wordt gewerkt aan de volgende editie, die gebruik zal maken van gegevens tot en met 2015. De resultaten worden in mei 2017 verwacht.

Tot slot

Op verzoek van de sociale partners in de cultuursector werken de SER en de Raad voor Cultuur aan het vervolg op hun arbeidsmarktverkenning cultuur. Dit rapport, dat verwacht wordt in het voorjaar van 2017, zal naar ik verwacht meer inzicht geven in oplossingsrichtingen, ook ten aanzien van de onderhandelingspositie van (zelfstandige) kunstenaars. In aanvulling op de vraag van de sociale partners heb ik de raden gevraagd om bij de oplossingsrichtingen ook aandacht te besteden aan de verdeling van verantwoordelijkheid tussen het Rijk, de sector en subsidieverstrekkers en opdrachtgevers.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

Noot 1: Kamerstukken 29 544 en 32 820, nr. 721 en Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 118.

Noot 2: De term kunstenaars wordt in enge en in brede zin toegepast. De arbeidsmarktverkenning van Raad voor Cultuur en de SER richtte zich echter op de volle breedte van de culturele en creatieve sector.

Noot 3: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/7072/Richtsnoeren-Samenwerking-Ondernemingen/

Noot 4: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 5: http://www.vereniginghogescholen.nl/kennisbank/sectoren/artikelen/kuo-next-voor-de-studiejaren-2016–2020