Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 194

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 april 2017

Met deze brief wil het kabinet u informeren over de voorlopige uitslag van het referendum in Turkije van 16 april jl. waarin de bevolking zich kon uitspreken over een achttiental amendementen op de Turkse Grondwet. Daarnaast gaat de brief in op de toezeggingen die de Minister van BHOS deed tijdens het vragenuurtje op 11 april jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 66, item 6) en op hoe uitvoering is gegeven aan de moties van de leden Van Haersma Buma c.s.1, Roemer c.s.2 en Azmani c.s.3. Tevens wordt beschreven hoe het kabinet optreedt tegen ongewenste beïnvloeding in lijn met de uitvoering van de motie van het lid Azmani c.s.4 en informeren we u over de voortgang die is gemaakt sinds de Kamerbrief «Spanningen Turks Nederlandse gemeenschap» van 12 september 2016 (Kamerstukken 32 824 en 29 279, nr. 148).

Het referendum

De voorlopige uitslag van het referendum over de invoering van een presidentieel systeem in Turkije is op de avond van het referendum door de voorzitter van de Turkse kiesraad medegedeeld. Deze uitslag gaf het «ja»-kamp bij een opkomst van 83,7% een nipte overwinning met iets meer dan 51% van de stemmen. In de grote steden, het zuidoosten van Turkije en provincies aan de kust had het «nee»-kamp de overhand. Deze resultaten laten zien hoe diep verdeeld de Turkse samenleving is. De finale uitslag zal eind april door de Kiesraad worden vastgesteld, na afhandeling van bezwaarprocedures.

De Europese Unie, de Venetië Commissie van de Raad van Europa en de OVSE hebben hun zorgen geuit over de omstandigheden waarin het referendum plaatsvond: onder de noodtoestand heeft Turkije maatregelen genomen die de politieke vrijheid ernstig inperken. Zo concludeerde de waarnemingsmissie van de OVSE/PACE daags na de verkiezingen dat het referendum is gehouden in een politiek klimaat waarin de fundamentele vrijheden die essentieel zijn voor een democratisch proces als gevolg van de noodtoestand waren ingeperkt. Beide partijen zouden niet dezelfde kansen hebben gehad om hun standpunten over het voetlicht te brengen. Het kabinet heeft de afgelopen dagen uitdrukking gegeven aan dezelfde zorgen en steunt de oproep van de Europese Commissie om op transparante wijze onderzoek te doen naar de vermeende onregelmatigheden bij het referendum.

De grondwetswijzigingen brengen grote veranderingen aan in het politieke bestel van Turkije en concentreren veel macht in één persoon. Dit heeft mogelijkerwijs consequenties voor de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije. Het kabinet acht dit een ernstige ontwikkeling. De Voorzitter van de Europese Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hebben ook hierover hun zorgen uitgesproken. Ook het kabinet acht dit een zorgelijke ontwikkeling.

Het merendeel van de wijzigingen in de Turkse Grondwet wordt van kracht na de eerstvolgende parlementsverkiezingen. Deze zijn nu voorzien voor 2019. De tijd die rest tussen nu en de implementatie van de amendementen, zal benut moeten worden om de tegenstellingen in de Turkse samenleving te overbruggen. De Turkse regering doet er goed aan hierbij rekening te houden met de aanbevelingen van de Raad van Europa, in het belang van de democratie, de rechtsstaat en om verdere polarisatie te voorkomen.

Het kabinet is van mening dat de Europese Unie het verdere verloop kritisch zal moeten beoordelen en zal de Europese Commissie daarom verzoeken om een assessment van de ontwikkelingen te maken in het licht van de verplichtingen van Turkije als EU-kandidaat-lidstaat. De Kopenhagen-criteria bieden daarvoor een duidelijk kader. In dit verband tekent het kabinet aan dat herinvoering van de doodstraf, zoals door president Erdo─čan daags na het referendum opnieuw genoemd, onder geen beding te verenigen is met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het voeren van onderhandelingen over het lidmaatschap van de Europese Unie. Afschaffing van de doodstraf was in 2004 een belangrijke prealabele voorwaarde voor het starten van de toetredingsonderhandelingen met Turkije.

Het is bij dit alles van belang zo effectief mogelijk te opereren en maximale eenheid onder Europese lidstaten ten aanzien van Turkije te bewaren. Zoals uw Kamer meermaals is gemeld, pleit Nederland in Europees kader reeds geruime tijd voor het opschorten van pre-accessiesteun voor Turkije. Hiervoor is echter onvoldoende draagvlak. In het licht van zijn zorgen over de wijzigingen van de Turkse Grondwet zal het kabinet steun blijven zoeken voor opschorting van de pre-accessiesteun aan Turkije.

Daarnaast is Turkije een NAVO-bondgenoot in een geopolitiek uiterst gecompliceerde regio en een belangrijke partner waar het gaat om bijvoorbeeld terrorismebestrijding. Dat ontslaat Turkije niet van de plicht te voldoen aan haar internationale verplichtingen, bijvoorbeeld binnen de Raad van Europa, op het gebied van de democratie en de rechtsstaat. Het is cruciaal dit bij Turkije aan de orde te stellen. Ook bilateraal zal Nederland dit opbrengen en steun blijven bieden aan partijen in Turkije die zich inzetten voor versterking van de democratie en rechtsstaat.

Gevolgen in Nederland

Het referendum in Turkije brengt niet alleen in Turkije, maar ook in Nederland onrust en spanningen met zich mee, zoals dat eerder ook bij de couppoging het geval was. Het kabinet heeft voortdurend stelling genomen tegen de export van spanningen als gevolg van ontwikkelingen in Turkije. De situatie in Turkije kan nooit een rechtvaardiging zijn voor scheldpartijen, bedreigingen of zelfs geweld hier in Nederland.

In Nederland kan iedereen aangifte doen van een strafbaar feit. Dit kan ook anoniem. Het aantal aangiftes in Nederland dat mogelijk in verband kan worden gebracht met interne Turkse aangelegenheden is, met uitzondering van de incidentele stijging rondom de couppoging vorig jaar zomer, redelijk stabiel.

Tijdens de debatten die afgelopen maanden hebben plaatsgevonden in de Tweede Kamer over Turkije zijn verschillende moties aangenomen die ingaan op de gevolgen in Nederland van ontwikkelingen in Turkije.

Inzet kabinet

De afgelopen maanden heeft het kabinet verschillende maatregelen genomen, onder meer met betrekking tot campagnebezoeken aan Nederland van Turkse Ministers, om te voorkomen dat politieke spanningen in Turkije geïmporteerd worden en ingrijpen in de levenssfeer van inwoners van Nederland. Het kabinet richt zich hierbij op het terugdringen van spanningen, het voorkomen van ongewenste buitenlandse beïnvloeding en het versterken van de binding met de samenleving. In ons land moet immers iedereen kunnen meedoen in de samenleving, wordt ieders individuele vrijheid gerespecteerd en is er ruimte voor verschillende meningen en opvattingen. Onze democratische rechtsstaat biedt bescherming aan alle burgers. Bedreigingen en intimidaties worden nooit geaccepteerd en hiertegen wordt stevig opgetreden. Nederlandse burgers moeten in vrijheid eigen keuzes kunnen maken in hun leven, over hun politieke voorkeur, geaardheid, de scholing van hun kinderen en de band die zij hebben met hun land van oorsprong. Het kabinet vindt het ongewenst dat buitenlandse overheden die keuzes openlijk dan wel heimelijk proberen te beïnvloeden. Turkije heeft al sinds jaar en dag openlijk een actief beleid richting de Turkse diaspora, ook in Nederland. In de periode na de couppoging is dit beleid actiever en zichtbaarder geworden, zoals dat ook zichtbaar werd rondom het Turkse referendum. Dit mag niet leiden tot ongewenste beïnvloeding in Nederlandse aangelegenheden of een negatieve invloed hebben op de integratie en de binding met de Nederlandse samenleving belemmeren.

De gezamenlijke inzet van het kabinet, gemeenten, Turks Nederlandse organisaties en anderen heeft er – na couppoging als ook rond het Turkse referendum – voor gezorgd dat ongewenste effecten als spanningen, bedreigingen of intimidaties in Nederland zijn ondervangen. Het is nu zaak om blijvend te voorkomen dat gebeurtenissen in Turkije leiden tot onacceptabel gedrag en spanningen in Nederland.

Voortgang

Verminderen spanningen

De spanningen die in Nederland ontstonden door de couppoging en rond het referendum, hebben tot verschillende acties van het kabinet geleid.

U bent geïnformeerd over het spanningenoverleg van 14 september 20165 waar de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verschillende vertegenwoordigers van Turks Nederlandse maatschappelijke en religieuze organisaties heeft gesproken. Op 9 februari en 13 maart heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wederom met deze organisaties gesproken. Hierbij is met de organisaties gesproken over de opstelling van hun achterban en is hen gevraagd duidelijk afstand te nemen van alle vormen van geweld en bedreiging. Deze overleggen zijn bijzonder, omdat organisaties met elkaar aan tafel zitten die dat in Turkije niet zouden doen. Het spanningenoverleg gaat dan ook nadrukkelijk over de situatie in Nederland en niet over die in Turkije.

Naast het spanningenoverleg spreekt het kabinet ook met verschillende Turkse Nederlanders. Tijdens het VAO Integratie d.d. 2 november 2016 (Handelingen II 2016/17, nr. 17, item 12), heeft het lid Azmani een motie ingediend waarin het kabinet wordt verzocht niet meer te spreken met klassieke Turks-Nederlandse organisaties (Kamerstuk 32 824, nr. 164). Dit behelst echter geen spreekverbod, maar is een verzoek aan het kabinet om met een bredere groep Turkse Nederlanders te spreken. Het kabinet ziet dit als ondersteuning van het beleid en beschouwt deze motie als uitgevoerd. Naast bovengenoemde overleggen, vinden op ambtelijk niveau op reguliere basis overleggen plaats met gemeenten waar sprake is van spanningen binnen de Turks Nederlandse gemeenschap. Het kabinet zet in op ondersteuning van de lokale overheden om spanningen te kanaliseren, te verminderen en tijdig te signaleren. Dit gebeurt onder andere via gezamenlijk ambtelijk overleg met gemeenten en de rijksoverheid, via contacten tussen de Expertise-unit Sociale Stabiliteit van het Ministerie van SZW en gemeenten en via de Stichting School en Veiligheid.

Ongewenste beïnvloeding

Het is gebruikelijk dat diplomatieke vertegenwoordigingen van een land contacten onderhouden met leden van en organisaties binnen de diaspora. Het kabinet vindt het echter onwenselijk dat buitenlandse overheden ongewenste beïnvloeding uitoefenen op de individuele levens van Nederlanders en de keuzes die zij maken. Ongewenste beïnvloeding kan leiden tot het inperken van de vrijheden en verworvenheden van de Nederlandse democratische rechtsstaat en kan een anti-integratieve invloed hebben op mensen. Het kabinet is hierover altijd helder geweest naar de Turkse autoriteiten en treedt stevig en consequent op wanneer dergelijke beïnvloeding plaatsvindt (zie o.a. de brieven aan de Kamer van 12 september6 en 21 december 20167).

Een concreet voorbeeld hiervan is het optreden van het kabinet naar aanleiding van berichten over rapportages die de attaché Religieuze Zaken van de Turkse ambassade in Nederland, tevens voorzitter van de Islamitische Stichting Nederland – de Nederlandse tak van Diyanet (ISN), aan Ankara stuurde over vermeende banden van Nederlandse organisaties en burgers met de Gülenbeweging. De Turkse autoriteiten hebben daarop in goed onderling overleg met het Ministerie van BZ besloten de attaché terug te trekken uit Nederland.

Het kabinet heeft tevens aan de Turkse autoriteiten laten weten het niet wenselijk te achten dat de nieuwe attaché Religieuze Zaken, of een andere vertegenwoordiger met diplomatieke of consulaire status, een rol vervult in het bestuur van ISN. De reden hiervoor is de constatering dat deze structuur met een «dubbele pet» op zijn minst de schijn wekt van een ongewenste vermenging van politiek en religie. In navolging hierop heeft in januari 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ISN-bestuur, waarin de Minister duidelijk heeft aangegeven dat het kabinet geen ongewenste vermenging van religie en politiek wenst in de wijze waarop de gebedshuizen in Nederland door Turkse imams van Diyanet worden bediend. Daarnaast heeft het bestuur van ISN in gesprek met de Minister toegezegd een commissie in te stellen, bestaande uit interne en externe experts, die adviseert over een nieuwe organisatiestructuur waarin deze ongewenste vermenging in de toekomst wordt voorkomen. Dit betekent concreet dat de toekomstige voorzitter van ISN uitsluitend een rol als religieus leider zal hebben. Het kabinet heeft daarnaast regelmatig overleg met andere EU-lidstaten met vergelijkbare problematiek om ervaringen en «best practices» uit te wisselen. Bij het beoordelen van de uitwerking van een nieuwe bestuursstructuur van ISN zal het kabinet dan ook kijken naar hoe dit in andere Europese landen is geregeld. Tevens is in het voorgenoemde gesprek door het bestuur van ISN bevestigd dat de Turkse overheid gebedshuizen in Nederland niet direct financiert, en dat alleen de uitgezonden imams van moskeeën die aangesloten zijn bij ISN door Diyanet worden betaald. Het kabinet zal de ontwikkelingen binnen ISN kritisch blijven volgen.

Het kabinet onderstreept de zorgen van het lid Van Haersma Buma (CDA), die hij in zijn motie heeft benoemd met betrekking tot «de ongewenste invloed van Turkije op de Nederlandse samenleving die loopt via Diyanet, het Turkse Ministerie van Godsdienst-zaken, dat imams benoemt en betaalt in Nederland.» Om die reden wordt het kabinet bij motie verzocht «maatregelen te nemen om te voorkomen dat gebedshuizen in Nederland worden gefinancierd door de Turkse overheid» (Kamerstukken 32 824 en 29279, nr. 155).

Zoals gesteld in de brief aan de Kamer over ongewenste (buitenlandse) financiering van instellingen en activiteiten van 5 december 20168 en de brief aan de Kamer van 5 juli 20169 over buitenlandse financiering, tast het volledig en in alle gevallen verbieden van de buitenlandse financiering van instellingen de grondwettelijke vrijheden aan. Het kabinet heeft de motie van het lid Van Haersma Buma uitgevoerd door in te zetten op het voorkomen van ongewenste beïnvloeding voor politieke doeleinden via Diyanet en ISN.

Met betrekking tot (ongewenste) buitenlandse financiering in algemene zin, maakt het kabinet zich zorgen om die vormen van intransparante financiering die het risico vergroten op buitenlandse beïnvloeding en bijdragen aan anti-democratisch, anti-integratief en onverdraagzaam gedrag dat haaks staat op de uitgangspunten van de rechtsstaat. Deze vormen beschouwt het kabinet als ongewenst. Om deze vormen van financiering tegen te gaan heeft het kabinet nadere regels aangekondigd om de transparantie van maatschappelijke en religieuze instellingen te vergroten. In dit kader wordt ook verkend wat de mogelijkheden zijn om via wet- en regelgeving ongewenste financiering in te perken.

Inburgering van Turkse imams

De imams die door de Turkse overheid worden uitgezonden zijn opgeleid in Turkije. Zij zijn vaak niet bekend met de Nederlandse taal en cultuur, noch zijn zij toegerust op wat er in onze samenleving speelt. Het is belangrijk dat imams kunnen bijdragen aan de integratie en participatie van Nederlanders met een Turkse achtergrond in de samenleving. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gesproken met ISN over de voorbereiding van imams die naar Nederland worden uitgezonden. ISN ziet ook het belang in van een goede voorbereiding. Voorheen namen imams van Diyanet deel aan het overkoepelende traject dat werd georganiseerd voor geestelijk bedienaren. Het ISN-bestuur geeft aan dat zij hier een meerwaarde in zag. Momenteel wordt met ISN verkend welke concrete mogelijkheden er zijn om te voorzien in een programma dat zich richt op de Nederlandse taal en essentiële kennis van de Nederlandse samenleving na aankomst in Nederland. Er wordt ook gekeken hoe imams zich in Turkije al beter kunnen voorbereiden op hun komst naar Nederland.

Imamopleiding

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft aan de Vrije Universiteit (VU) gevraagd om met de verschillende islamitische groeperingen in Nederland te verkennen hoe imamopleidingen een vervolg kunnen krijgen. Voor het slagen van een goede imamopleiding is het belangrijk dat er draagvlak is in de gemeenschap zelf, daarom is het cruciaal dat deze verkenning van onderop plaatsvindt. De VU en het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) hebben het afgelopen jaar met financiële ondersteuning van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tweetal expertmeetings georganiseerd om deze verkenning verdere invulling te geven. Hierover is een notitie opgesteld die in de komende maanden verder uitgewerkt zal worden in een stappenplan.

Vooralsnog ziet het ernaar uit dat een ontwikkeling via drie stappen kan plaatsvinden. Het eerste waar de VU en het CMO kansen zien, is de ontwikkeling van een na- en bijscholingsprogramma voor imams die nu al werkzaam zijn in de moskeeën in Nederland. Het gaat daarbij met name om het vergroten van het professionele handelingsrepertoire, bijvoorbeeld op het gebied van counseling, onderwijs en het voorkomen van radicalisering. Vanuit de gemeenschap wordt er op dat vlak handelingsverlegenheid ervaren. Voor deze eerste stap is er voldoende draagvlak om op relatief korte termijn te komen tot een programma op hbo-niveau, dat op termijn uitgebreid zou kunnen worden tot een associate degree. Daarnaast is de wens uitgesproken om een academische master Islamitische Theologie te starten die ook in deeltijd gevolgd kan worden. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de moties van de leden Kuzu10 en Van Meenen en Van Weyenberg11 die beiden het belang van een imamopleiding benadrukken. Ten slotte wordt gedacht aan de oprichting van een kenniscentrum waarin de belangrijkste partijen op het gebied van religieuze diversiteit elkaar ontmoeten en waarin het bespreken van en zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken centraal staat.

ANBI-status

Tijdens het debat over de attaché en voorzitter van ISN op 21 december 2016 (Handelingen II 2016/17, nr. 38, item 8) werd geopperd kritisch te kijken naar de ANBI-status van ISN, dit mede in relatie tot openheid over financiële bijdragen. Moskeeën kunnen net als andere religieuze instellingen zoals kerken in aanmerking komen voor de ANBI-status. Deze status wordt door de inspecteur van de Belastingdienst verleend op grond van voorwaarden die in de fiscale wetgeving zijn vastgelegd. De ANBI-status brengt verplichtingen met zich mee, onder meer met betrekking tot integriteit en transparantie. Zo wordt de ANBI-status niet verleend als de instelling of daarbij betrokken personen in de afgelopen vier jaar onherroepelijk zijn veroordeeld wegens aanzetten tot haat of geweld of het gebruik van geweld, dan wel het plegen van een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht. Vanaf 2016 geldt ook voor ANBI’s die religieuze instellingen zijn, dat zij hun jaarrekening voorzien van een toelichting online moeten publiceren. Dit omvat informatie op hoofdlijnen over de ontvangsten en uitgaven. In zijn algemeenheid dient de publicatieplicht voor ANBI’s ertoe de donateurs inzicht te geven in de inkomsten en uitgaven van de ANBI-instelling zodat er zicht is op besteding van de giften. Stichtingen die geen ANBI zijn kennen deze publicatieplicht niet.

Op basis van bovenstaande is er in zijn algemeenheid geen reden de ANBI-status m.b.t. religieuze instellingen ter discussie te stellen. Het feit dat de transparantie rond giften is gewaarborgd, kan juist als een voordeel worden gezien.

Vergroten van de binding

Uit het SCP-rapport «Werelden van Verschil»12 blijkt dat Turkse Nederlanders zich van alle migrantengroepen het meest op hun land van herkomst oriënteren. Tweede generatie Turkse Nederlanders zijn hier geboren maar niet iedereen voelt zich verbonden met Nederland. Zaken als de actieve diasporapolitiek van Turkije, ondervonden discriminatie als ook de spanningen tussen de verschillende geledingen van de Turks Nederlandse gemeenschap, kunnen een rol spelen. Het bevorderen van de binding van de Turkse Nederlanders aan de samenleving zal mede in het licht moeten staan van het wegnemen of reduceren van deze belemmerende factoren.

De gebrekkige binding van een deel van de Turkse Nederlanders aan de samenleving is een probleem dat zich in vele jaren heeft ontwikkeld. Het versterken van de binding zal dan ook duurzame meerjarige inzet vergen. Een goede dialoog, gericht op de bovengenoemde factoren, kan hier zeker aan bijdragen. Initiatieven vanuit Turks Nederlandse gemeenschappen of organisaties, die zich richten op dialoog en debat, worden waar mogelijk ondersteund. Daarbij wordt nadrukkelijk getracht om met een breed spectrum aan organisaties en individuen in gesprek te zijn. Onder meer vanuit de opbrengsten van deze dialoogactiviteiten zal verder bekeken worden welke specifieke maatregelen nodig zijn ter versterking van de binding.

Tot slot

Het samenhangend geheel van maatregelen om spanningen terug te dringen, het voorkomen van ongewenste buitenlandse beïnvloeding door consequent op te treden in elk geval van ongewenste beïnvloeding en het versterken van de binding met de samenleving geeft het staande kabinetsbeleid weer ten aanzien van de gevolgen van de couppoging. Dit is in lijn met wat de motie van het lid Azmani c.s. (formuleren contrastrategie tegen diasporapolitiek van Turkse overheid) het kabinet heeft verzocht. De uitvoering van de moties van de leden Van Haersma Buma en Roemer worden beiden uitgevoerd binnen de context van de motie van het lid Azmani c.s. Het optreden van het kabinet naar aanleiding van berichten over rapportages die de attaché Religieuze Zaken van de Turkse ambassade in Nederland aan Ankara stuurde over vermeende banden van Nederlandse organisaties en burgers met de Gülenbeweging, en met betrekking tot campagnebezoeken aan Nederland van Turkse Ministers, vormen hier concrete voorbeelden van.

Het kabinet onderstreept nogmaals dat het zich continu inzet voor een vrije en veilige samenleving voor alle Nederlanders. Dit betekent dat niemand zich belemmerd mag voelen om zijn mening te uiten door intimidaties en bedreigingen vanuit het land van herkomst of door anderen.

Justitiële samenwerking

De justitiële samenwerking met Turkije wordt zo goed mogelijk voortgezet. Nederland heeft geen justitiemagistraat geplaatst in Turkije. De politieliaison is nog steeds werkzaam op de ambassade in Ankara.

Deze brief wordt verzonden mede namens de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Veiligheid en Justitie.

De Minister van Buitenlandse Zaken,
A.G. Koenders

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher

Noot 1: Kamerstukken 32 824 en 29 279, nr. 155 (voorkomen financiering van gebedshuizen door Turkse overheid)

Noot 2: Kamerstukken 32 824 en 29 279, nr. 157 («lange arm van Ankara» veroordelen)

Noot 3: Kamerstuk 32 824, nr. 164 (niet alleen wenden op Turks-Nederlandse organisaties maar met een bredere groep in gesprek gaan)

Noot 4: Kamerstuk 32 824, nr.163 (formuleren contrastrategie tegen diasporapolitiek van Turkse overheid)

Noot 5: Kamerstukken 32 824 en 29 279, nr. 160

Noot 6: Kamerstukken 32 824 en 29 279, nr. 148

Noot 7: Kamerstuk 32 824, nr. 177

Noot 8: Kamerstuk 29 614, nr. 56

Noot 9: Kamerstuk 29 614, nr. 50

Noot 10: Kamerstuk 33 750 VIII, nr. 129

Noot 11: Kamerstuk 33 750 VIII, nr. 130

Noot 12: Werelden van verschil, Sociaal Cultureel Planbureau, 2015 (bijlage bij Kamerstuk 32 824, nr. 117).