Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 164

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2017

Bijgevoegd treft u de tweede studievoorschotmonitor over de ontwikkelingen in studiekeuze, studiegedrag en studiefinanciering in het jaar 20161. Deze jaarlijkse monitor heb ik u toegezegd in de parlementaire behandeling van de Wet Studievoorschot, en is conform de breed gedragen motie Slob.2 De studievoorschotmonitor betreft een voortzetting – in licht aangepaste vorm – van de monitor beleidsmaatregelen. Dit maakt het mogelijk om de monitorresultaten in een meerjarig perspectief te bezien.
In deze brief schets ik u kort de opzet en belangrijkste conclusies uit de betreffende rapportage alvorens ik daarop reageer in het breder verband van de beleidsontwikkelingen die het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden. Ik wil daarbij opmerken dat het nu nog te vroeg is om structurele effecten van het studievoorschot te identificeren. Deze zijn pas op langere termijn zichtbaar, zo leren diverse internationale onderzoeken naar een verhoging van de eigen bijdrage in het hoger onderwijs ons.3 Deze effectmeting wordt de komende jaren dan ook herhaald, zodat op basis van al deze gegevens bezien kan worden of, wanneer en hoe eventuele bijsturing op onderdelen in het stelsel nodig is.

Totstandkoming van de monitorrapportage

De studievoorschotmonitor bevat een brede terugblik op de belangrijkste ontwikkelingen in het hoger onderwijs van het afgelopen jaar. Daarvoor is een aantal bronnen gecombineerd, waaronder de aanmeldcijfers uit het 1-cijfer-HO-bestand waarover ik u per brief van 30 januari 2017 heb geïnformeerd,4 de studiefinancieringscijfers tot en met eind 2016 van DUO, en diverse enquêtes. Daarnaast heb ik op een aantal terreinen aanvullend onderzoek laten verrichten: naar instroom en selectie in het hoger onderwijs, naar het gebruik van het studentenreisproduct door minderjarige mbo-studenten, en naar de motieven van studiekiezers met een mbo-opleiding en studiekiezers met een functiebeperking, en de belemmeringen die zij al dan niet ervaren en de hulpvraag die zij hebben. Al deze cijfers zijn afkomstig uit extern onderzoek. Ze bieden samen een zo compleet mogelijk beeld van de ontwikkelingen in het Nederlandse hoger onderwijs in 2016.

Moties en toezeggingen

Met deze monitorrapportage en bijbehorende beleidsreactie doe ik een aantal moties en toezeggingen gestand uit Eerste en Tweede Kamer, waaronder de moties Slob,5 Klaver en Van Meenen c.s,6 die zien op de opzet en uitvoering van de wijze van monitoring van de effecten van het studievoorschot. Voor een volledig overzicht van moties en toezeggingen uit de parlementaire behandeling van de wet Studievoorschot die in deze monitor een plaats hebben, verwijs ik u naar de aanbieding van de eerste monitor.7
Ik heb het Eerste Kamerlid Ganzevoort toegezegd het beleid van instellingen met betrekking tot instroommomenten te monitoren en daarover met de instellingen te spreken.8 Dit betreft het beleid rond meerdere instroommomenten in universitaire masteropleidingen. Hierbij doe ik deze toezegging gestand.

In 2012 constateerde de inspectie dat het merendeel van de universiteiten eraan werkt om meerdere instroommomenten in een collegejaar te realiseren. Op basis van de inschrijfgegevens over studiejaar 2016–2017 blijkt dat, op opleidingsniveau, aan 127 van de 467 universitaire masteropleidingen een of meer studenten na 1 januari 2017 zijn ingeschreven voor het studiejaar 2016–2017. Het is overigens mogelijk dat er meer opleidingen zijn die een tweede aanmelddeadline hanteren, maar dat studenten daar dan geen gebruik van hebben gemaakt.

Universiteiten houden rekening met de instroommomenten in de opbouw van het curriculum. Maar het past niet bij alle universiteiten om een tweede instroommoment te organiseren. Tegelijkertijd is het onwenselijk wanneer studenten bij een beperkte uitloop in de bachelor, vervolgens tot de start van het volgend studiejaar moeten wachten om in te kunnen stromen in de master.

Navraag bij de inspectie leert echter dat er de afgelopen drie jaar geen meldingen hierover zijn geweest bij de inspectie. Studenten zeggen in het onderzoek van de inspectie overigens ook dat zij hun studiegedrag zullen aanpassen als dit nodig is om het instroommoment van de masteropleiding op tijd te halen en zo studievertraging te voorkomen.

Studieschuld en draagkrachtregeling

Naar aanleiding van recente berichtgeving over studieschulden, heeft het Kamerlid Futselaar (SP) mij om een reactie gevraagd op deze thematiek. Met deze paragraaf in de monitorbrief kom ik aan dit verzoek tegemoet.9

Het is inderdaad zo dat een groeiend aantal studenten zijn studieschuld niet of gedeeltelijk terugbetaalt; dit staat echter los van de invoering van het studievoorschot. Het is het gevolg van een van de sociale voorwaarden van ons stelsel van studiefinanciering: de draagkrachtregeling. Een studieschuld is niet te vergelijken met een commerciële schuld, en studenten die niet genoeg inkomsten hebben om hun schuld terug te betalen, hoeven niet of slechts gedeeltelijk af te lossen. Dat er sinds 2012 een sterke groei te zien is van het aantal studenten dat onder de draagkrachtregeling valt, heeft te maken met een aanpassing in die regeling in dat jaar. Vóór 2012 was er een vrij complex schijvensysteem; dat heeft plaatsgemaakt voor een simpeler en gunstiger regeling voor studenten. Ook hoeft de oud-student sinds 2012 de draagkrachtregeling niet meer aan te vragen, maar gebeurt dit automatisch. Daarmee worden onnodige terugbetaalproblemen vanwege onbekendheid met deze voorziening voorkomen. Ten slotte speelt ook de conjunctuur een rol in de ontwikkeling van het aantal studenten in de draagkrachtregeling. Bij hogere werkloosheid komt een groter deel hiervoor in aanmerking en in de betreffende periode nam de werkloosheid toe. Dit alles zie je terug in de cijfers.

De oud-studenten die dit betreft, hebben nog onder het vorige stelsel gestudeerd, en maakten gebruik van de basisbeurs en van de leenmogelijkheid. Met de hervorming van het stelsel naar het studievoorschot, is wel de draagvlakregeling verder versoepeld. Studievoorschotstudenten hoeven na hun afstuderen pas terug te betalen vanaf minimumloon, waar de drempel in het oude stelsel lag op bijstandsniveau. Van het inkomen boven die drempel betalen zij maximaal 4% terug, waar dat voorheen 12% was. Ze mogen bovendien 35 jaar lang over de aflossing van hun schuld doen, maar kunnen er altijd voor kiezen om eerder af te lossen. Studenten zullen in de toekomst dus nog sneller onder de draagvlakregeling terecht komen; dit is een van de sociale aspecten in het studievoorschot om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te borgen. In de kosten die dit met zich meebrengt, is reeds voorzien.

Bovenstaande zaak staat ook los van een kwestie die recent door de Nationale ombudsman in een rapport werd aangekaart: de betalingsachterstanden bij studenten, die onder andere ontstaan door het te laat stopzetten van het studentenreisproduct. Ik zal u mijn reactie hierop voor de zomer doen toekomen.

Aanvullingen op de vorige monitor

In de aanbieding van de vorige monitor heb ik een aantal aanpassingen aangekondigd in de daaropvolgende monitor. Zo heb ik laten weten dat het privaat hoger onderwijs vanaf 2017 op de onderwijsregisters (BRON) zou worden aangesloten. Dit is helaas nog niet gerealiseerd, vanwege de vertraging die de noodzakelijke juridische borging via de Algemene Wet Onderwijs (AWO) heeft opgelopen. De afgelopen periode is in een projectgroep die onder meer als doel heeft deze aansluiting te realiseren, nauw samengewerkt met de NRTO, DUO en de onbekostigde mbo- en ho-instellingen. Om het proces te versnellen, is besloten de nota van wijziging met de benodigde bepalingen om de aansluiting juridisch te borgen, bij een lopend wetstraject in te dienen. Deze nota van wijziging bij het wetsvoorstel Associate Degrees is aan de Tweede Kamer gestuurd. Zodra er zekerheid bestaat over de juridische borging, kan de aansluiting worden gerealiseerd. Daarna worden gegevens met BRON uitgewisseld. Ook de informatievoorziening over het gebruik in het privaat hoger onderwijs van het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet, dat in studiejaar 2017–2018 in werking treedt, zal na de realisatie van voornoemde aansluiting op BRON mogelijk worden. Eveneens is deze aansluiting nodig om mogelijke effecten van afschaffing van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven voor studiefinancieringsgerechtigden te monitoren.

De LSVb pleitte er vorig jaar in de consultatie voor om de monitoring uit te breiden op het onderdeel selectie. Ik heb toen aangegeven dat ik het belang hiervan deel, maar dit wel op zinvolle wijze wil vormgeven, om niet te dubbelen met de themagerichte onderzoeken die de Inspectie van het Onderwijs al op dit vlak uitvoert. De eerste resultaten van deze aanvulling op de monitor zijn nu opgenomen in hoofdstuk negen, evenals de aan de studentenorganisaties toegezegde aanvullingen op het motievenonderzoek onder mbo-studenten om al dan niet door te studeren. Het volledige eindrapport over decentrale selectie bij numerusfixusopleidingen doe ik u voor de zomer toekomen. Dit rapport bevat ook de resultaten van en ervaringen met de selectieprocedure zelf en het aanbieden van plaatsen tot dan toe.

Consultatie huidige monitor

Ook dit jaar heb ik, conform mijn toezegging in de parlementaire behandeling van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, de conceptrapportage ter consultatie voorgelegd aan verschillende betrokkenen uit het hoger onderwijsveld, waaronder sectorraden, studentenorganisaties en relevante expertiseorganisaties. Dit heeft de nodige input opgeleverd voor betreffende beleidsreactie, maar ook waardevolle adviezen opgeleverd voor de vervolgmonitoring: waar zich bijvoorbeeld nog blinde vlekken bevinden en verdiepend onderzoek nodig is. Dat heeft geleid tot een aantal aanvullingen op de huidige opzet van de monitor, die bij de betreffende onderdelen in deze brief aan de orde zullen komen. In de volgende rapportages zullen de eerste resultaten van deze uitbreidingen worden verwerkt.

Beeld op hoofdlijnen

De studievoorschotmonitor is breed opgezet rond drie thema’s: onderwijsdeelname, (instroom, doorstroom, studiekeuze, uitval & switch), studiegedrag (studievoortgang, tijdsbesteding) en studiefinanciering (lenen, bijverdienen, ouderbijdrage). De belangrijkste conclusies op deze thema’s schets ik hieronder kort. Daarna zal ik ze in hoofdstukken per thema toelichten.

Wat betreft de onderwijsdeelname, is te zien dat de instroom in het hoger onderwijs na de invoering van het studievoorschot hersteld is, conform de verwachtingen op basis van het onderzoek ten grondslag aan de invoering van het studievoorschot. Het herstel van de deelnamepatronen is ook in lijn met het boeggolfeffect dat Researchned constateerde: na een hogere instroom in de aanloop naar het studievoorschot, volgde een dip in de instroom in het jaar dat de basisbeurs er definitief niet meer was voor een nieuwe lichting studenten. Het boeggolf-effect wordt dit jaar bevestigd, met een terugkeer naar traditionele deelnamepatronen. De instroom in de voltijdbachelor is dit studiejaar gestegen met ruim 7%. Dat is goed nieuws.

De dalende lijn in de directe instroom van studenten met een mbo-diploma, een ontwikkeling die zich al ruim voor de invoering van het studievoorschot heeft ingezet, is nog niet gekeerd. Wel stabiliseert de lijn ten opzichte van vorig jaar, en is de indirecte instroom van deze studenten flink gestegen. De instroom van studenten met een functiebeperking is dit jaar hersteld, na de dip die vorig jaar zichtbaar was. De komende jaren moeten uitwijzen of het herstel dat zich nu heeft ingezet in de deelnamepatronen, consolideert. Pas dan kunnen we immers uitspraken doen over de structurele effecten van het studievoorschot. Het beeld na twee jaar stemt mij in ieder geval positief.

De resultaten rond het studiegedrag laten zien dat studenten in 2016 meer tijd besteedden aan hun studie dan de jaren ervoor. Hbo-studenten besteden meer tijd aan hun studie dan wo-studenten. De invoering van het studievoorschot heeft afgelopen jaar niet geleid tot een stijging van het aantal werkende studenten, of een toename van het gemiddelde aantal uren dat zij aan een baan besteedden. De studievoortgang onder eerstejaarsstudenten is in het hbo gestegen, en in het wo gestabiliseerd. De uitval en switch zijn dit jaar weer licht gedaald. Studenten zijn tot slot vaker tevreden over hun opleiding.

Kijken we naar de studiefinanciering, dan zien we dat nog steeds 1 op de 3 eerstejaarsstudenten geen lening afsluit. Deze studenten verwachten ook zonder studieschuld af te studeren. Wel is het totaal aantal studenten dat een lening afsluit bij DUO, gestegen met de invoering van het studievoorschot. Leende vorig jaar nog 38% van alle studenten, dit jaar is dat 46%. Wo-studenten lenen vaker (53%) dan hbo-studenten (32%). Studenten lenen ook steeds bewuster, en bepalen zelf welk bedrag ze nodig hebben. Leende in 2006 nog 42% (van de leners) vrijwel maximaal, afgelopen jaar was dit gedaald tot 31%.

1. ONDERWIJSDEELNAME

1.1. Algemene onderwijsdeelname

Het afgelopen jaar is er veel aandacht geweest voor de instroom in het hoger onderwijs. Vorig jaar liet de monitor een daling zien in het aantal aanmeldingen in het hoger onderwijs. De onderzoekers van ResearchNed spraken in dat verband van een boeggolf-effect rond de invoering van het studievoorschot: toen dit kabinet het voornemen uitsprak om de studiefinanciering te hervormen, steeg de instroom van het aantal studenten flink. Studenten anticipeerden op het verdwijnen van de basisbeurs. Dit resulteerde in een dip in de instroom na de invoering van het studievoorschot. Ik sprak vorig jaar op basis van dit patroon de verwachting uit dat de deelnamecijfers weer zouden herstellen. De monitor van dit jaar bevestigt die verwachting. De onderzoekers wijzen er daarbij op dat voor de langjarige trend de periode rond de invoering van het studievoorschot geen goed beeld geeft; cijfers kunnen beter afgezet worden tegen het studiejaar 2012–2013. Nemen we dit jaar als uitgangspunt, dan is de directe doorstroom vanuit de havo – nagenoeg – en het vwo weer genormaliseerd, zo zegt ResearchNed. Alleen de directe doorstroom vanuit het mbo is nog niet op het niveau van toen. Wel is de trend ten opzichte van vorig jaar gestabiliseerd. De doorstroom van mbo-studenten wordt verder uitgediept in paragraaf 1.2. De indirecte doorstroom is dit jaar conform verwachting flink gestegen. De indirecte doorstroom betreft de doorstroom van studenten die niet meteen na hun eindexamen doorstuderen in het Nederlands hoger onderwijs. Bijvoorbeeld omdat zij in het buitenland gaan studeren, een tussenjaar nemen of eerst een tijd gaan werken. Met name het aantal studenten dat één tussenjaar neemt, was flink gedaald in de periode rond het studievoorschot. Dit jaar is te zien dat de indirecte doorstroom weer is aangetrokken, waarbij het herstel onder mbo-studenten het grootst is. Ik zal de deelnamepatronen de komende jaren blijven volgen, om te zien of het herstel consolideert.

In totaal startten ruim 125.000 studenten in 2016–2017 voor het eerst met een studie in het hoger onderwijs. Dit is een totale stijging van bijna acht procent ten opzichte van vorig jaar; zeven procent in het hbo en ruim negen procent in het wo. Ook het aantal studenten dat een ad-opleiding volgt, is dit jaar verder gestegen, naar 2000 studenten. Van deze groep volgt vijftig procent de voltijd, veertig procent de deeltijd, en tien procent de duale variant.

De instroom in de master stabiliseert in 2016, zowel in het hbo als in het wo.

De totale doorstroom naar de master, vanuit de wo-bachelor, is dit jaar licht toegenomen. De directe doorstroom van bachelor naar master, zowel in hbo als in wo, is licht afgenomen. Vanuit de wo-bachelor van 73% naar 68%; vanuit de hbo-bachelor van 30% naar 27%. Sinds de invoering van de harde knip in 2012–2013 is het minder vanzelfsprekend dat studenten binnen de eigen instelling direct doorstromen naar een verwante master. Ook selecteren meer masteropleidingen, en stromen studenten niet meer automatisch door. Dit kan eraan bijdragen dat studenten bewuster kiezen voor een masteropleiding, een tussenjaar inlassen, of hun master in het buitenland volgen.

De daling van het aandeel studenten in het wo dat na afronding van een bacheloropleiding direct aan een Nederlandse master begint, is een ontwikkeling die aandacht vraagt, zo laat de VSNU weten. Met de VSNU ben ik van mening dat het belangrijk is deze ontwikkeling nauw te blijven volgen om vast te stellen welke redenen hieraan ten grondslag liggen en of deze studenten op termijn wel een (Nederlandse of buitenlandse) masteropleiding afronden. Dit zal in de volgende monitor geadresseerd worden.

Nederlandse opleidingen zijn erg in trek bij internationale studenten. Hun aantal is ook dit jaar weer gegroeid, met name in het wo. De instroom van deze groep is daarmee in de laatste tien jaar verdrievoudigd. De instroom in het hbo is dit jaar stabiel gebleven. Maar over tien jaar bekeken, steeg ook in het hbo het aantal internationale studenten met 18% flink. In totaal stroomden in dit studiejaar 15.000 buitenlandse studenten in, gelijk verdeeld over hbo en wo. Ook masteropleidingen zijn erg populair onder internationale studenten. In 2016 kwam 28% van de totale wo-masterinstroom uit het buitenland.

Instroom Havisten

De LSVb en het ISO maken zich zorgen over de instroom van havisten, zo laten zij weten in de consultatie rond de monitor. De instroom van havisten blijft met twee procentpunten nog iets onder het niveau van voor de boeggolf. Zoals eerder aangegeven, verwacht ik zelf de komende jaren verder herstel hierin te zien.

1.2. Instroom mbo

Speciale aandacht is er voor de doorstroom van het mbo naar het hbo. Deze route heeft immers een belangrijke emancipatoire functie voor studenten, met name voor studenten met een lage sociaaleconomische status, eerste-generatiestudenten en studenten met een migratieachtergrond.

Bekijken we de mbo-doorstroom naar het hbo met diplomacohort 2012–2013 als referentiepunt, dan valt op dat de directe doorstroom nog niet op dat niveau ligt: deze is gedaald van 46% naar 41%. Ten opzichte van vorig jaar is de directe doorstroom gestabiliseerd. De indirecte doorstroom is ten opzichte van vorig jaar gestegen, en ligt nu wel weer op het niveau van 2012.

De grootste zorg bij het merendeel van de organisaties aan wie ik de monitor heb voorgelegd, met name bij JOB MBO, maar ook bij de VH en VSNU, ligt ook bij de instroom van deze groep, en op de uitkomsten van het motievenonderzoek onder mbo-studenten. De LSVb en het ISO en het Expertisecentrum handicap+studie delen deze zorgen; ik zelf ook. Uit het motievenonderzoek blijkt onder andere dat leenaversie onder mbo-studenten significant meer voorkomt, en dat dit hand in hand gaat met het (lagere) opleidingsniveau van de ouders. Dit is in lijn met de resultaten van het SCP-onderzoek dat voorafgaand aan de invoering van het studievoorschot is uitgevoerd, waarbij van de mbo-studenten 1 op de 5 aangaf de keuze voor een vervolgstudie nog eens goed te overwegen wanneer daar geen basisbeurs meer tegenover staat. Mede naar aanleiding daarvan, heb ik toen de sociale terugbetaalvoorwaarden versoepeld, en de aanvullende beurs verhoogd.

Het verdiepend survey van ResearchNed naar doorstroomintenties laat nu zien dat voor mbo-studenten die zeggen niet door te studeren, financiële motieven belangrijk zijn, waarbij ook de arbeidsmarkt een belangrijke rol speelt. Enerzijds trekt namelijk de arbeidsmarkt met een goede baan en een mooi salaris. Dit speelt des te meer nu het economisch beter gaat. De verwachting van hogere kosten die deze studenten hebben bij een hbo-opleiding, helpt anderzijds niet. Meer dan de helft van de mbo-studenten zegt weerstand te hebben tegen een studielening; de grootte van de leenaversie gaat ook hand in hand met het opleidingsniveau van de ouders, aldus de resultaten van dit onderzoek.

Als studenten een inhoudelijk bewuste keuze maken om niet door te studeren, dan heb ik daar begrip voor. Met een mbo-diploma kan een student goed aan de slag op de arbeidsmarkt. Er zijn op het moment ook veel banen voor mbo-studenten, en deze groep heeft een goede arbeidsmarktkwalificatie. Daarbij kan ik me voorstellen dat zij later in hun loopbaan alsnog besluiten een bachelor- of een ad-opleiding in het hbo te volgen, als zij wat geld hebben kunnen sparen of als hun werkgever de opleiding betaalt. Door het beleid gericht op flexibilisering van het deeltijd hoger onderwijs, is er ook steeds meer ruimte voor maatwerk-onderwijs voor werkenden, waardoor het beter is in te passen in werk en privéleven.

Het moet echter niet zo zijn dat de keuze voor het hoger onderwijs alleen bepaald wordt door leenaversie. Dit is in ons huidige stelsel, met sociale terugbetaalvoorwaarden en een lage rente, niet nodig. Bovendien is er voor studenten met ouders die niet of slechts ten dele financieel kunnen bijdragen aan de studie, een aanvullende beurs. De resultaten van het onderzoek laten alleen zien dat deze studenten daardoor niet over de streep getrokken lijken te worden. De kennis over de aanvullende beurs is wel hoger in deze groep dan onder vwo’ers en havisten die doorstromen, maar dit leidt niet tot een hogere doorstroomintentie. Daarbij is het niet duidelijk of de mbo-studenten concluderen dat zij niet in aanmerking komen voor de aanvullende beurs, dat zij de beurs zelf niet toereikend vinden, of dat ze niet weten waar zij recht op hebben. Die vragen zal ik volgend jaar in de monitor betrekken.

Kennis over de studielening helpt wel iets, maar niet significant, aldus de onderzoekers. Het belangrijkste element in de studiefinanciering voor mbo-studenten blijkt de ov-kaart te zijn: studenten met veel kennis over het studentenreisrecht, zijn sterker geneigd door te stromen dan anderen mbo-studenten. Dit verschil is significant.

De studentenorganisaties vragen aandacht voor deze ontwikkelingen, en vooral ook voor het kennisniveau van de aanvullende beurs. Ik zal in het najaar samen met de studentenorganisaties en de onderzoekers bekijken hoe we de vervolgvragen die dit onderzoek oproept, beantwoord kunnen krijgen, zodat we de leenaversie onder deze groep gerichter kunnen aanpakken. In de tussentijd zal ik onverminderd inzetten op financiële voorlichting, specifiek voor mbo-studenten, en het verbeteren van de doorstroom.

Uitval en switch na 1 jaar onder mbo-gediplomeerden

Positief is dat de dalende lijn in de uitval en switch doorzet, en er dit jaar een lichte daling zichtbaar is in de uitval en switch onder mbo-gediplomeerden (van 39% naar 38%). Dit percentage van studenten met mbo-achtergrond komt daarmee dicht in de buurt van dat onder die met een havo-achtergrond (36%).

De uitval en switch van studenten met een mbo-achtergrond komt voor een groot deel op conto van studenten met een mbo-economie achtergrond. Zij switchen en vallen relatief vaker uit; bijna 45% van deze studenten stopt of kiest voor een andere opleiding. Dit beeld komt overeen met de gesprekken die ik met hogescholen en mbo-instellingen in de regio Rotterdam heb gevoerd over de uitval van mbo-gediplomeerden in het hbo. Ook daar geldt dat de uitval en switch voor een groot deel veroorzaakt wordt door studenten in de economische sector. De komende jaren zetten deze instellingen in op het versterken van het studiesucces in het economisch domein. Dat doen zij onder andere door meer te investeren in maatwerk en begeleiding van studenten in het mbo en hbo.

Als we kijken naar de motieven van studenten met een mbo-achtergrond om binnen een jaar te stoppen met hun opleiding, dan valt op dat deze anders van aard zijn dan die van havisten en vwo’ers. Waar havisten en vwo’ers de verkeerde studiekeuze en het niet uitkomen van verwachtingen als belangrijkste redenen noemen, zijn een te zware studie en onvoldoende motivatie de belangrijkste redenen voor studenten met een mbo-achtergrond om te stoppen met hun opleiding. Uit het onderzoek blijkt dat studenten met een mbo-achtergrond ook zelf het minst tevreden zijn over de aansluiting.

Inzet op het verbeteren van de aansluiting mbo – hbo

Het versterken van de aansluiting tussen het mbo en hbo is een van de prioriteiten in mijn beleid geweest de afgelopen jaren. Ook de komende jaren moet daar meer aandacht naar uitgaan. Ik doe dat op verschillende manieren:

  • – 

    Het versterken van de regionale samenwerking tussen het mbo en het hbo.

    Samenwerken heeft een belangrijk positief effect op het studiesucces van studenten. Door samenwerking tussen het toeleverend en het vervolgonderwijs, zijn studenten beter voorbereid op het vervolgonderwijs, kunnen ze zich een betere voorstelling maken van wat er van hen wordt verwacht in het hoger onderwijs en vice versa, en krijgt het hoger onderwijs meer inzicht in de voorgeschiedenis van de leerling in het vo of mbo. Dat draagt bij aan een betere aansluiting en verkleint de kans op uitval en switch. Vanaf 2018 maak ik voor vier jaar een bedrag van in totaal € 32,1 miljoen beschikbaar vanuit de Strategische Agenda, voor het versterken van de samenwerking in de regio tussen onderwijssectoren vo, mbo en hoger onderwijs. Daarmee voer ik tegelijk de motie Mohandis / Jadnanansing uit.10 Ik kies voor een aanpak waarin ik de verantwoordelijkheid en het eigenaarschap bij de instelling en haar partners beleg. Ik vraag alle instellingen in het hoger onderwijs om samen met hun toeleverend onderwijs ambities te formuleren op het gebied van versterking van samenwerking tussen onderwijssectoren. Denk daarbij aan samenwerking aan curriculumontwikkeling, uitwisseling van docenten of de inzet van oud-studenten. De instelling bepaalt met haar partners zelf de inzet.
  • –  De invoering van keuzedelen. Vanaf het studiejaar 2016/2017 zijn de keuzedelen ingevoerd in het mbo. Studenten die de overstap naar het hbo willen maken, kunnen tijdens hun mbo-opleiding het keuzedeel «doorstroom hbo» volgen. Binnen dit keuzedeel worden studenten voorbereid op het hbo door bijvoorbeeld proeflessen op het hbo te volgen of hbo-vaardigheden op te doen. De hogescholen zijn intensief betrokken bij de keuzedelen en de uitwerking daarvan.
  • –  Kennisdeling. Hoewel er al veel kennis wordt gedeeld, valt het mij op dat extra inzet hierop wenselijk is. De komende jaren faciliteer ik kennisdeling en vraag ik instellingen dit eveneens te doen. Ik doe dat door het organiseren van bijeenkomsten, seminars en/of studiedagen die in het teken staan van regionale samenwerking, dan wel door een (financiële) bijdrage te leveren aan bijeenkomsten gericht op versterking van samenwerking van het toeleverend onderwijs met het hoger onderwijs. Ik heb hiervoor jaarlijks een bedrag van € 100.000 gereserveerd vanuit de Strategische Agenda. Als het gaat om kennisdeling zal synergie worden gezocht met datgene wat er al wordt georganiseerd en wat in het kader van het verbeteren van loopbaanoriëntatie en loopbaanbegeleiding (LOB) zal worden georganiseerd. Ik denk daarbij in het bijzonder aan het nog op te richten bovensectoraal expertisepunt LOB VO-MBO.
  • –  Pilot werken met doorstroomgegevens. Voor het verbeteren van het studiesucces is het van belang dat instellingen weten waar hun studenten vandaan komen en welke bagage zij meenemen naar het hoger onderwijs. Voor mbo-instellingen is het interessant om te weten of hun oud-leerlingen succesvol zijn in het hbo. Op dit moment ontbreken deze gegevens en bestaat er behoefte aan deze informatie. Om in deze behoefte te voorzien, heb ik het Expertise Centrum Beroepsonderwijs (ECBO) gevraagd om samen met een aantal mbo-instellingen en hogescholen een pilot te starten. Doel van de pilot is het inzichtelijk maken van wat nodig is om doorstroomgegevens effectief te gebruiken bij het verbeteren van de doorstroom van mbo naar hbo. Belangrijk daarbij is dat er naar doorstroom gekeken wordt vanuit mbo- én hbo-perspectief én dat ook andere instellingen en opleidingen van de uitkomsten kunnen leren.
  • –  Gelijke Kansen Alliantie. Voor de studiejaren 2017–2018 en 2018–2019 heb ik een totaalbedrag van € 11 miljoen beschikbaar gesteld voor projecten van mbo-instellingen en/of hogescholen gericht op het verbeteren van het studiesucces van mbo-gediplomeerden in het eerste jaar van het hbo. Ik heb de studenten – als ervaringsdeskundigen – hierbij een belangrijke stem gegeven. Mbo- en hbo-studenten zijn de afgelopen maanden met elkaar aan de slag gegaan om in Studentlabs plannen te ontwikkelen om de doorstroom van het mbo naar het hbo te verbeteren. De studenten hebben de plannen op 15 mei gepresenteerd. Mbo- en hbo-instellingen kiezen één of meerdere plannen uit die zij de komende jaren willen uitvoeren. Daarnaast staat het de instelling vrij om in het kader van dit subsidietraject andere plannen in te dienen die bijdragen aan het verbeteren van het studiesucces.
  • – 

    Onverminderd inzetten op voorlichting. Het belang van goede voorlichting heb ik van meet af aan onderstreept. Dit deed ik reeds in de aanloop naar de invoering van het studievoorschot, maar het blijft continu noodzakelijk: elk eindexamen- en studiejaar kent immers een nagenoeg volledig nieuwe doelgroep. Het verzorgen van goede voorlichting doe ik natuurlijk niet alleen. Ook decanen, mentoren, studiebegeleiders, docenten, ouders en verzorgers spelen hierin een belangrijke rol. Zelf heb ik in de afgelopen tweeënhalf jaar met de voorlichtingscampagne «Studeer met een plan» de verschillende fases die gepaard gaan met de stap naar het hoger onderwijs, constant onder de aandacht gebracht van de aspirant-student. De decanen van mbo-instellingen heb ik apart aangeschreven; in een brief heb ik hen opgeroepen alert te zijn op de groep mbo-studenten die mogelijk willen doorstuderen maar daar tegenop zien, en hen daarbij een aantal factsheets en tips en adviezen meegegeven.

    Nog meer dan vorig jaar ligt in de campagne dit jaar het accent op de groep mbo-4-studenten, conform de motie Duisenberg, Grashoff, Van Meenen en Mohandis vorig jaar tijdens het overleg naar aanleiding van de eerste studievoorschotmonitor.11 Gedurende het hele jaar voorafgaand aan de studie roep ik de aspirant-studenten (en hun ouders) op langs verschillende kanalen – thuis, op de radio, op school en online – om zich zorgvuldig te oriënteren, tijdig aan te melden en financieel goed voor te bereiden. Dit doe ik onder andere met een brief die ik naar het huisadres stuur, posters op scholen en video’s van populaire jongerenvloggers op bijvoorbeeld Instagram en YouTube. Daarin laat ik me adviseren door de Dienst Publiek en Communicatie van het Ministerie van Algemene Zaken en trek ik op met de scholieren- en studentenorganisaties.

    Een belangrijke toevoeging is dat het niet alleen een kwestie is van goed voorlichten, maar ook van faciliteren. Daarom heb ik in 2014 de website www.studeermeteenplan.nl gelanceerd, die als informatieportal dient. Deze heb ik in 2015 uitgebreid met een rekenhulp, waarmee (aspirant-)studenten hun recht op studiefinanciering kunnen berekenen. Vorig jaar heb ik de website uitgebreid met «Mijn Studieplan», een persoonlijke checklist die herinneringsberichten stuurt waarmee aspirant-studenten (zowel voor het mbo als voor het hoger onderwijs) het eigen voorbereidingstraject zelf in kaart kunnen brengen en doorlopen.

  • –  Voorlichting vergt onderhoud. Niet alleen door inzichten die de jaarlijkse monitor mij biedt, maar ook omdat het mediagebruik van jongeren verandert. Met de Vereniging Hogescholen, MBO Raad, LAKS, JOB, ISO en LSVb spreek ik daarom regelmatig over de mogelijkheden om de voorlichting te verbeteren voor mbo’ers die willen doorstromen naar het hbo.

1.3 Doelgroepen

Functiebeperking

In de Kamerbrief12 n.a.v. de motie Van Meenen13 heb ik aangekondigd dat ik de motieven van studenten met een functiebeperking om al dan niet door te studeren, nader in kaart zou brengen. Dat is met deze monitor gebeurd en ik rapporteer in deze brief over de uitkomsten daarvan.

De instroom van studenten met een functiebeperking heeft zich dit jaar hersteld. Dat is goed nieuws. In de vorige monitor meldde ik een daling van 26% naar 21% in het hbo; nu komt hun aandeel in de instroom op 23%. Vóór de boeggolf van het studievoorschot, lag de instroom op 24%. De boeggolf lijkt zich bij deze groep versterkt te hebben voorgedaan. In het wo zijn de daling na de boeggolf en de daaropvolgende stijging kleiner: 15% in het jaar voor invoering van het studievoorschot, 13% vorig jaar tegenover 14% nu. In de jaren vóór de boeggolf lag de instroom op 14 tot 15%.

Parallel aan deze monitor, heb ik breder gekeken naar de motieven van studenten om al dan niet door te studeren en hun overwegingen daarbij. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de doorstroomintentie van jongeren die belemmerd worden door een functiebeperking, niet verschilt van die van studenten zonder functiebeperking. Wel blijkt dat jongeren met een functiebeperking die niet de intentie te hebben om te gaan studeren of daarover twijfelen, vaak niet zo goed op de hoogte zijn van de voorzieningen die er voor hen zijn. De onderzoekers concluderen dat de voorlichting aan en begeleiding van jongeren met een functiebeperking in de overgang van mbo, havo en vwo naar het hoger onderwijs, over de gehele linie verbeterd kan worden.

Het Expertisecentrum handicap+studie en studentenorganisaties delen het belang van goede voorlichting voor deze groep. Studenten met een functiebeperking zijn bijvoorbeeld slecht op de hoogte van de voorzieningen die er voor hen zijn bij de instellingen, en kiezen ook significant minder vaak voor een studie met decentrale selectie. Het Expertisecentrum geeft daarbij aan dat deze studenten ook minder kansen hebben op de arbeidsmarkt. Het Expertisecentrum doet voorts een aantal constructieve aanbevelingen, die gericht zijn op de voorlichting en op de informatievoorziening bij en begeleiding door instellingen.

De resultaten van de monitor onderstrepen het belang van een intensivering van de voorlichting. Maar ze geven geen aanleiding tot andere beleidswijzigingen. De resultaten laten zien dat er te weinig kennis is over de bestaande regelingen, niet dat deze regelingen niet volstaan. Aan het kennisniveau moet dan ook gewerkt worden. In die context, en conform mijn toezegging aan de Tweede Kamer bij de begrotingsbehandeling van afgelopen jaar,14 is het goed om een update te geven van de concrete voorlichtingsacties die ik, vooruitlopend op dit onderzoek, al in gang heb gezet. In de eerder genoemde brief over studenten met een functiebeperking, heb ik een aantal concrete punten aangekondigd om de voorlichting te verbeteren. De basis hiervan was een factsheet, gezamenlijk te ontwikkelen met het expertisecentrum Handicap + studie en de studentenbonden. Dit handzame overzicht is inmiddels afgerond tot tevredenheid van alle betrokken partijen, en verspreid onder een grote groep relevante partijen met het verzoek het verder te verspreiden binnen hun respectievelijke netwerken. Het gaat dan niet alleen om DUO, Handicap + Studie en de studentenbonden zelf, maar ook om instellingen en decanenorganisaties die hebben toegezegd het verder te verspreiden naar bijvoorbeeld zorgcoördinatoren en decanen in hun netwerk.

In de volgende monitor zal het kennisniveau onder deze groep opnieuw bekeken worden, om te zien of de aangescherpte voorlichting effect heeft.

Met de VSNU, de VH en de studentenorganisaties ben ik daarnaast in gesprek over het ISO-rapport over student-psychologen en studenten met psychische problemen. De koepels gaan voortvarend aan de slag met dit thema, en betrekken daarbij de gegevens van de NSE en de Studentenmonitor. Samen met de koepels en de studentenorganisaties verken ik de mogelijkheden voor de uitwerking van de motie op dit thema.15

Eerste generatiestudenten

De studentenorganisaties vragen, samen met de Vereniging Hogescholen, aandacht voor de positie van eerste-generatiestudenten in het hoger onderwijs.

Ik begrijp de zorg van de studenten en de Vereniging Hogescholen, en deel het belang van kansengelijkheid, juist ook voor deze groep. Inmiddels is uit onderzoek echter ook gebleken dat er sinds 2006 significant minder laagopgeleide ouderparen zijn; dit aandeel zakte van 61% in 2006 naar 53% in 2016, zo laat de monitor zien. Ik zal daarom samen met de studentenbonden, de VH en de onderzoekers bekijken hoe we verder onderzoek naar deze groep in de komende monitor kunnen vormgeven, zodat we op basis daarvan eventuele vervolgstappen kunnen nemen.

Leven lang leren

Het aantal studenten dat op latere leeftijd een opleiding volgt, is sinds 2009 flink gedaald, maar liet vorig jaar een stijging zien. Dit jaar zet deze stijging door. Het aantal deeltijdstudenten groeide met tien procent ten opzichte van vorig jaar.

Veel hogescholen hebben de afgelopen tijd sterk ingezet op het verder flexibiliseren van het deeltijdonderwijs, zodat het aantrekkelijker wordt voor werkenden om een opleiding te gaan volgen. Om meer maatwerk mogelijk te maken, doen 21 hogescholen met ruim 500 deeltijd- en duale opleidingen mee aan pilots flexibilisering, waarin zij bijvoorbeeld inzetten op het benutten van de werkplek voor het onderwijs en het valideren van wat mensen al aan kennis en vaardigheden hebben.

In september 2016 zijn experimenten met vraagfinanciering gestart in een beperkt aantal opleidingen in de sector techniek en ict. Bij vraagfinanciering schrijven studenten zich in voor modules in plaats van voor een hele opleiding, en kan de student kiezen om een voucher in te zetten bij een private of een publieke hogeschool. In september 2017 gaat het experiment vraagfinanciering ook van start in de sector zorg & welzijn. Voorts is vanaf september 2017 het levenlanglerenkrediet beschikbaar voor deeltijdstudenten.

Meerjarige masters

De instroom in meerjarige wo-masters stabiliseert na een stijging in eerdere jaren; in meerjarige hbo-masters stijgt de instroom, mede veroorzaakt door een toename van het aanbod. De instroom in eerstegraads lerarenopleidingen c.q. onderwijsmasters in het hbo neemt af, terwijl de instroom in de meerjarige wo-masters stabiel blijft. Ruim drie procent van de wo-bachelors volgt een researchmaster; van de hbo-bachelors is dit minder dan een procent.

Wat betreft de studie geneeskunde bestaat er bij geneeskundestudenten zorg over de groep coassistenten. Hierover heb ik het afgelopen jaar veelvuldig met beide Kamers van gedachten gewisseld. Vorig jaar heb ik ook met studenten gesproken over de monitoring van de toegankelijkheid van de opleiding geneeskunde. In mijn brief aan de Eerste Kamer van 19 april 2017 meldde ik het voornemen van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) voor nader onderzoek rond de instroom van studenten.16 Inmiddels is duidelijk dat enkele geneeskundefaculteiten en één opleiding klinische technologie dit onderzoek gaan doen. Ik heb de Eerste Kamer ook toegezegd de voor coschappen relevante uitkomsten van de NVAO-accreditatierapporten op basis van de visitaties bij geneeskunde toe te zullen sturen.

Tweede Studies

Het aandeel studenten dat een tweede studie volgt, is de afgelopen vier jaar stabiel gebleven op ongeveer 3% (23.063 studenten in collegejaar 2016–2017). Studenten die na het afronden van een eerste studie nog een tweede studie gaan volgen, betalen het instellingscollegegeld, tenzij zij een opleiding volgen in de richting gezondheidszorg of onderwijs (wanneer zij hierin nog geen graad hebben). In dat geval betalen zij het wettelijk collegegeld. Het is daarom goed om deze twee groepen los van elkaar te zien. Het merendeel van de studenten die een tweede studie volgen, doet dit volgtijdelijk (nadat het diploma van de eerste studie is gehaald) en niet gelijktijdig met hun eerste studie. De afgelopen jaren is het aantal studenten dat volgtijdelijk een tweede studie doet, relatief stabiel (rond de 20.000 studenten). Het aantal studenten dat gelijktijdig met een tweede studie start, is het afgelopen jaar licht gestegen (1.852 studenten in collegejaar 2016–2017, ten opzichte van 1.627 studenten in collegejaar 2015–2016).

Ook is weer onderzocht wat de hoogte van het instellingscollegegeld is. In het studiejaar 2016–2017 bedraagt het instellingscollegegeld in het hbo in de bachelor € 7.138 en in de master € 6.697. Een gedifferentieerd tarief komt bij elf van de 37 hbo-instellingen voor. Vier van deze instellingen hanteren binnen de master wél een uniform tarief (Avans, HR, HKU en Saxion). Zeventien instellingen hanteren een uniform tarief voor de bachelors; negen instellingen bieden maar één (bekostigde) bacheloropleiding aan. Binnen universiteiten is er meer variatie in de hoogte van het instellingscollegegeld tussen instellingen, maar ook binnen de instelling. Het gemiddelde collegegeld komt uit op € 8.681 in de bachelor en € 11.779 in de master. Van de zeventien universiteiten (excl. OU) hanteren er twee een uniform tarief voor alle bacheloropleidingen (TU Eindhoven en Wageningen University; TU Delft m.u.v. één joint degree) en drie voor alle masteropleidingen (zelfde instellingen incl. Universiteit voor Humanistiek). De verschillen in tarieven hangen samen met instellingsbeleid en de sector waarin het onderwijs wordt gegeven. Naar aanleiding van motie Van Dijk/Mohandis heb ik het afgelopen jaar laten onderzoeken hoe het collegegeld voor een tweede studie (bachelor/master) gemaximeerd kan worden. Ik heb uw Kamer hierover recent per brief geïnformeerd.17

Selectie / numerus fixus

Vanaf studiejaar 2017–2018 is de loting bij numerusfixusopleidingen afgeschaft en selecteren de instellingen de kandidaten die zich aanmelden. Ik vind het van belang dat studenten zich niet laten afschrikken door een opleiding met numerus fixus. Voor alle kandidaat-studenten, ook voor diegenen voor wie de overstap naar het hoger onderwijs niet vanzelfsprekend is, moet deelname aan een selectieprocedure een reële optie zijn.

ResearchNed heeft studiekiezers gevraagd of zij de intentie hebben om een numerusfixusopleiding te gaan volgen. ResearchNed constateert dat de belangrijkste reden die studiekiezers aangeven om niet te kiezen voor een numerusfixusopleiding, is dat de opleiding van de voorkeur geen selectie toepast. Tussen de 14% en 18% van de ondervraagden twijfelt of hij door de selectie zou komen. Daarnaast valt op dat eerste generatie kandidaat-studenten van lager opgeleide ouders, minder vaak nadenken over het volgen van een numerusfixusopleiding dan studenten met hoger opgeleide ouders.

De resultaten van ResearchNed geven aan dat er aandacht nodig blijft voor aspiratieontwikkeling en voor transparante informatie over de moeilijkheidsgraad en de inhoud van de selectieprocedure. Dit is een belangrijke opdracht voor het onderwijs, die het onderwijs ook oppakt. Met de versterking van de LOB, de introductie van de (doorstroom)keuzedelen in het mbo, verbetering van de regionale samenwerking van ho-instellingen met vo- en mbo-instellingen en de verschillende initiatieven uit de Gelijke Kansen Alliantie, zet het onderwijs zich in om de toegankelijkheid en gelijke kansen bij selectieve opleidingen te borgen.

Zoals gezegd beschrijft de voorliggende monitorrapportage de intenties om al dan niet door te stromen naar een opleiding met numerus fixus. Voor de zomer doe ik u een eindrapport toekomen over decentrale selectie bij numerusfixusopleidingen, waarin naast deze intenties de resultaten van en ervaringen met de selectieprocedure zelf en het aanbieden van plaatsen tot dan toe aan bod komen.

Bèta

Het aantal studenten dat een bètarichting kiest, is de afgelopen jaren gestegen. Dit jaar stabiliseert de stijging bij de mannelijke studenten. Vrouwen kiezen nog steeds in toenemende mate voor bèta. Sinds 2006 is het aantal vrouwen dat een bètastudie kiest in het wo, gestegen van 21% naar 30%. Ook in het hbo zijn vrouwen bezig met een inhaalslag; daar steeg het percentage van 6% naar 13%.

Pabo

De monitor bevestigt het beeld dat de instroom op de pabo het afgelopen jaar is gestegen, na de forse daling in 2015. Zowel de instroom uit het mbo (15%) als uit de havo (11,5%) trok aan. De instroom zit nog niet op het niveau van voor 2015, maar zoals begin dit jaar aangegeven aan uw Kamer, hebben de aangescherpte toelatingseisen – die voor een groot deel de instroomdaling veroorzaakten – gezorgd voor een kwaliteitsimpuls en is het studiesucces op de pabo toegenomen: meer pabo-studenten stroomden afgelopen jaar door naar het tweede jaar van de opleiding. Voor het cohort 2015–2016 lag de uitval van de pabo daarmee ruim onder het landelijk gemiddelde. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Tegelijkertijd blijven we hard werken aan het verhogen van de instroom en de diversiteit hierbinnen.

1.4. Uitval, studiekeuze en studiesucces

Studiekeuze

Er is de laatste jaren veel geïnvesteerd in het studiekeuzeproces, en dit leidde tot positieve resultaten: een bewustere keuze voor de studie en een goede binding met de opleiding. Ik ben blij dat dit ook zijn vruchten heeft afgeworpen en dat ook dit jaar ruim 70% van de eerstejaarsstudenten in 2016–2017 naar eigen zeggen een weloverwogen studiekeuze heeft gemaakt. Ik verwacht dat dit nog verder verbeterd kan worden, mede met behulp van de middelen uit het studievoorschot. Daarnaast zal ook de loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) in het voortgezet onderwijs en het mbo verder worden verbeterd.18
Voorts werk ik samen met de koepelorganisaties, de jongerenorganisaties en de decanenverenigingen aan de uitwerking van de motie Duisenberg.19 In deze motie wordt gevraagd naar minimumnormen op het gebied van LOB, voorlichting en de studiekeuzecheck. Ik zal u binnenkort nader informeren over deze motie.

Studiesucces en studie-uitval

De uitval/switch in het eerste jaar hoger onderwijs is sinds studiejaar 2013–2014 aan het dalen; in het laatste jaar (2015–2016) van 32,5% naar 31,6% – in het hbo van 36% naar 35% en in het wo stabiel op 24%. Daarbij valt op dat deze percentages nauwelijks verschillen tussen studenten met hoger en lager opgeleide ouders. Wel is in het hbo de uitval en switch onder studenten met een aanvullende beurs wat hoger dan onder studenten zonder aanvullende beurs.

Ik ben blij dat de daling in de uitval en switch zich verder voortzet. Het is een proces van een lange adem, maar ik ben ervan overtuigd dat de vele investeringen zich ook de komende jaren terugbetalen door een verdere vermindering van het aantal studenten dat binnen een jaar stopt met de opleiding. Want we zijn er nog niet. Verbetering van de overgang van het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs voor de studiekiezer, vergt blijvende aandacht. De middelen uit het studievoorschot vanaf 2018 kunnen daaraan nog een extra impuls geven.

2. STUDIEGEDRAG EN STUDIEFINANCIERING

Studievoortgang

Sinds 2013 verandert het aandeel studenten dat een studieachterstand oploopt vrijwel niet. De gemiddelde studievoortgang van hbo-studenten is sinds 2013 geleidelijk gestegen van 88% naar 90% in 2015–2016.20 Het komt daarmee op het niveau van wo-studenten. Eerstejaars hbo-studenten met een studievoorschot in 2015–2016 lopen beduidend minder vaak studieachterstand op dan eerstejaars hbo-studenten met een basisbeurs een jaar eerder. In het wo is de studieachterstand onveranderd gebleven, en is dit verschil niet zichtbaar.

Net als de afgelopen drie studiejaren, is ongeveer 50% van de eerstejaarsstudenten met studieachterstand in 2015–2016 naar eigen zeggen actief aangesproken op deze achterstand. Ook het percentage ouderejaarsstudenten met studieachterstand dat hierop aangesproken is, bleef stabiel sinds 2013–2014 (30%).

De tevredenheid van studenten over de opleiding in het algemeen is in 2015–2016, net als in 2014–2015, gestegen. De groeiende tevredenheid over docenten zet ook door. De tevredenheid over de inhoud van de opleiding ligt al enige jaren rond de 70% in het hbo en net iets boven de 80% in het wo. Ook de tevredenheid over de mate waarin de studie hen uitdaagt, blijft stabiel over de jaren heen. In 2015–2016 was 55% van de hbo-studenten en 65% van de wo-studenten tevreden hierover.

Het aandeel ambitieuze studenten stijgt in 2015–2016 met drie procentpunten (wo) en twee procentpunten (ho) naar 21 procent voor zowel wo als ho.

Tijdsbesteding

De tijd besteed aan een baan, is stabiel gebleven in 2015–2016. De studievoortgang, afgezet tegen het aantal gewerkte uren, is in vergelijking met 2014–2015 stabiel gebleven of gestegen. Alleen de studievoortgang van wo-studenten die meer dan 16 uur werken, is gedaald. Het aandeel studenten met bestuurswerk is al jaren stabiel en bedraagt in 2015–2016 14% voor hbo en 25% voor wo.

Studiefinanciering

Het aandeel studenten dat onder het studievoorschot valt, is nog relatief klein. Het enige volledige studiejaar waarover gegevens beschikbaar zijn, is het jaar 2015/2016 en daarin valt 19% van alle studerenden onder het studievoorschot. Wanneer ook studiejaar 2016/2017 wordt meegenomen, gaat het om 34% van alle studenten. Van dit studiejaar zijn echter slechts vier maanden gegevens beschikbaar. Ontwikkelingen in het leengedrag van studenten die onder het studievoorschot vallen, moeten hierdoor nog steeds met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd.

Zoals eerder in deze brief gemeld – bij het beeld op hoofdlijnen – heeft ongeveer tweederde van de studievoorschotstudenten een lening opgenomen, tegenover 48% van de studenten met aanspraak op een basisbeurs. Gemiddeld was het bedrag dat door studenten onder het studievoorschot werd geleend ongeveer € 90 per maand hoger dan het bedrag dat studenten met recht op een basisbeurs leenden. Dit verschil is ten opzichte van de vorige monitor niet gewijzigd.

Na de invoering van het studievoorschot, is het gemiddelde leenbedrag per maand van alle lenende studenten (dus studenten met basisbeurs, studenten die hun basisbeursrechten hebben verbruikt en studievoorschotstudenten) met ongeveer € 44 gestegen. De stijging deed zich voor bij alle groepen studenten. Het aandeel studenten dat leent, is sinds de invoering van het studievoorschot gestegen van 38% (2014–2015) naar 47% (2016–2017).

Positief is dat ResearchNed concludeert dat studenten steeds bewuster lenen. Het aandeel studenten dat het maximale bedrag leende, lag in 2006 nog op 42%, maar is in de jaren daarna gedaald tot 31% in studiejaar 2015/2016. Waar in de vorige monitor nog een stijging te zien was naar 40% voor de eerste vier maanden van studiejaar 2015/2016, is die stijging in de nieuwe monitor weggeëbd wanneer het hele studiejaar in ogenschouw wordt genomen.

Het gebruik van de leenfaciliteit door studievoorschotstudenten ten opzichte van studenten die niet onder het studievoorschot vallen, lijkt redelijk in overeenstemming met de ramingen die vooraf door het Centraal Planbureau zijn gemaakt over de te verwachten gemiddelde studieschuld. De laatste jaren is wel een stijgende trend zichtbaar, ook buiten de groep studievoorschotstudenten, als het gaat om het aandeel leners en de gemiddelde leenbedragen. Dit is bijvoorbeeld ook te zien bij mbo-studenten met recht op studiefinanciering. Het is onzeker hoe dit leengedrag zich de komende jaren gaat ontwikkelen. Mogelijk zijn de lage rente en de gestegen publiciteit over studieleningen van invloed geweest op deze stijging.

Er zijn geen grote verschillen waarneembaar ten opzichte van vorig jaar in de motieven om wel of niet te gaan lenen. Opvallend is dat studievoorschot-studenten die afzien van een lening, minder vaak aangeven dat dit komt door principiële bezwaren dan de andere groepen studenten die afzien van een lening. Studenten die onder het studievoorschot vallen, zijn ook veel beter op de hoogte van hun studieschuld dan de andere groepen. Dit zijn signalen dat de inzet op de bevordering van het financieel bewustzijn bij het gebruik van studiefinanciering effect lijkt te hebben.

In het wo is er geen verschil in het leengedrag van studenten met hoog- of lager opgeleide ouders. In het hbo zien we dat 42% procent van studenten met hoogopgeleide ouders leent tegenover 38% van studenten met lager opgeleide ouders. Onder invloed van het studievoorschot is het verschil in leengedrag tussen beide groepen niet noemenswaardig veranderd.

3. STUDENTENREISRECHT

Studentenreisrecht minderjarige mbo-studenten

Sinds 1 januari 2017 hebben minderjarige mbo-BOL-studenten recht op een studentenreisproduct. Voorheen moesten zij zelf, of hun ouders, hun reiskosten betalen. De invoering van het studentenreisrecht onder deze groep is goed verlopen. De afgelopen maanden hebben ongeveer 100.000 van hen gebruik gemaakt van dit reisrecht en het studentenreisproduct op hun persoonlijke OV-chipkaart geladen. Met de invoering van deze kaart heb ik willen bereiken dat deze studenten voortaan een bewustere opleidingskeuze kunnen maken, en het zich kunnen veroorloven om ook buiten de eigen woonplaats te studeren of stage te lopen.

De afgelopen maanden heeft ResearchNed een eerste onderzoek gedaan naar de motieven van minderjarige (aankomende) mbo-studenten om te kiezen voor een bepaalde opleiding of stageplek en de rol die reiskosten en reisafstand hierin spelen. Een samenvatting daarvan is opgenomen in de tweede studievoorschotmonitor. Het rapport zelf, «Keuzemotieven van minderjarige mbo’ers en het studentenreisproduct», treft u als aparte bijlage bij deze brief aan. Uit het onderzoek komt naar voren dat de inhoud van de opleiding, de sfeer op de opleiding, een specifieke beroepswens en goede baankansen de belangrijkste rol spelen in de opleidingskeuze. Voor wat betreft de reiskosten, geldt dat 43% van de toekomstige mbo-studenten aangeeft dat zij door de invoering van het studentenreisproduct ook opleidingen heeft overwogen die anders te ver weg zouden zijn geweest. Verder geeft bijna een kwart van hen (24%) aan dat zij zonder het studentenreisproduct niet naar de mbo-instelling van zijn/haar eerste voorkeur zou zijn gegaan.

Ik ben blij met deze eerste onderzoeksresultaten, omdat ze voor mij duidelijk maken dat het studentenreisrecht nu ook veel minderjarige mbo-studenten helpt om zich bij hun studiekeuze minder belemmerd te voelen door reiskosten. In lijn met wat ResearchNed hierover in haar rapport heeft geschreven, vind ik het belangrijk om op een later tijdstip (bijvoorbeeld over twee jaar) nog eenmaal te onderzoeken wat de effecten zijn geweest van de invoering van het studentenreisproduct bij deze doelgroep.

Beter Benutten

In de brief die ik op 15 september 2016, mede namens de staatsecretaris van IenM, aan uw Kamer heb gestuurd, heb ik mijn reactie gegeven op het rapport van de Taskforce «Beter benutten onderwijs en openbaar vervoer» (onder leiding van mevrouw Jeannette Baljeu).21 In die reactie heb ik onder meer aangegeven dat ik wil inzetten op een regionale aanpak, waarbij per regio gekeken wordt wat er gedaan kan worden om knelpunten rondom de mobiliteit van studenten op te lossen en een besparing te realiseren op het OV-contract tussen OCW en de openbaarvervoersbedrijven.

Daarbij heb ik aangegeven dat dhr. Maarten van Poelgeest vanaf 1 oktober 2016 de rol van landelijk coördinator van deze aanpak vervult. De afgelopen maanden heeft Van Poelgeest veel gesprekken gevoerd met onderwijsinstellingen, studentenorganisaties, openbaarvervoersbedrijven en decentrale overheden, zowel op landelijk als op regionaal niveau. Ook heeft hij werkbezoeken aan regio’s afgelegd om te zien met welke pilots en experimenten regio’s aan de slag zijn om knelpunten in studentenmobiliteit aan te pakken. Nog nadrukkelijker dan eerder, is daarbij de relatie tussen twee beleidsdoelstellingen naar voren gekomen:

  • •  Het realiseren van een besparing waardoor geld beschikbaar komt om te investeren in de kwaliteit van (hoger) onderwijs.
  • •  Het verbeteren van de bereikbaarheid door de piekbelasting op specifieke OV-trajecten te verminderen.

Van Poelgeest heeft geconstateerd dat er bij de betrokken partijen voor het bereiken van de bereikbaarheidsdoelstelling meer enthousiasme bestaat dan voor het realiseren van de besparing. In verschillende regio’s wordt gewerkt aan experimenten voor het beïnvloeden van het reisgedrag van studenten. Het gaat dan om regio’s waar er grote piekdrukte is in de ochtendspits van het openbaar vervoer en/of waar de bereikbaarheid van onderwijsinstellingen onder druk staat. Deze regio’s willen graag onderzoeken in hoeverre studenten te verleiden zijn om op andere momenten en/of met andere vervoersmiddelen (bijvoorbeeld de fiets) te gaan reizen. Daarbij zal worden nagegaan, zoals ik heb besproken met de Staatssecretaris van IenM, of het mogelijk is dat vervoerders incentives kunnen geven aan onderwijsinstellingen of studenten die zich actief inzetten voor het oplossen van knelpunten, om daarmee anderen te stimuleren dat ook te doen.

Er zijn ook regio’s waar zich minder problemen voordoen rondom bereikbaarheid en studentenmobiliteit. In deze regio’s blijkt het heel lastig om betrokken partijen te motiveren met dit onderwerp (en daarbinnen bijvoorbeeld het aanpassen van studieroosters) aan de slag te gaan of om zich in te zetten voor een besparing op het bovengenoemde OV-contract.

Op basis van deze ervaringen, heb ik in afstemming met de Staatssecretaris van IenM, besloten de komende (demissionaire) periode een tussenfase in de aanpak «Beter Benutten voor Beter Onderwijs» in te bouwen. Ik heb Van Poelgeest gevraagd om zich in deze tussenfase vooral te richten op het ondersteunen en faciliteren van pilots en experimenten rondom het reisgedrag van studenten, in regio’s waar een intrinsieke motivatie bestaat om hiermee aan de slag te gaan. Zoals ik in mijn bovengenoemde brief van 15 september 2016 heb aangegeven, stel ik daarvoor de «Stimuleringsmiddelen onderwijs & OV» ter beschikking (maximaal € 500.000,– in 2017). De focus van de aanpak komt daarmee in eerste met name te liggen op het opdoen van kennis en ervaring rondom het beïnvloeden van het reisgedrag van studenten, en minder op het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van regionale samenwerkingsverbanden en minder sec op een besparing op het OV-contract.

Op basis van de ervaringen die de komende periode worden opgedaan met de pilots en experimenten in de regio, kan een nieuw kabinet vervolgens besluiten hoe de verdere invulling van de aanpak Beter Benutten voor Beter Onderwijs er het beste uit kan komen te zien.

Tot slot

De ontwikkelingen in het hoger onderwijs die deze monitor laat zien, stemmen mij hoopvol. Het hoger onderwijs in Nederland staat er goed voor, met een breed aanbod aan aansprekende en kwalitatief hoogstaande opleidingen, die nationale en internationale studenten goed weten te vinden. De voorzieningen in de studiefinanciering stellen elke student in staat om van dit aanbod gebruik te maken. Na de roerige tijden rond de stelselwijziging, zien we nu herstel van de traditionele deelnamepatronen. Ik verwacht dat dit herstel de komende jaren bestendigt.

Tegelijkertijd is er nog veel werk aan de winkel. Niet alleen aan de kwaliteit van ons hoger onderwijs, maar ook aan de emancipatoire functie van ons stelsel. De middelen die ik heb vrijgespeeld met de hervorming van de studiefinanciering, bieden de ruimte om daarin blijvend te investeren.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker

Noot 1: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 2: Kamerstuk 24 724, nr. 139, Kamerstuk 33 410, nr. 20.

Noot 3: Kamerstuk 24 724, nr. 131.

Noot 4: Kamerstuk 24 724, nr. 162.

Noot 5: Kamerstuk 33 410, nr. 20.

Noot 6: Kamerstuk 34 035, nrs. 45 en 46.

Noot 7: Kamerstuk 24 724, nr. 142.

Noot 8: Kamerstuk 34 550 VIII, F.

Noot 9: Handelingen II 2016/17, nr. 66, item 14.

Noot 10: Kamerstuk 31 288, nr. 520.

Noot 11: Kamerstuk 24 724, nr. 150

Noot 12: Kamerstuk 31 288, nr. 557.

Noot 13: Kamerstuk 24 724, nr. 152.

Noot 14: Handelingen II 2016/17, nr. 18, item 8, (bijlage).

Noot 15: Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 116.

Noot 16: Kamerstuk 34 035, Z.

Noot 17: Kamerstuk 31 288, nr. 583.

Noot 18: Kamerstuk 31 524, nr. 301.

Noot 19: Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 21.

Noot 20: Een studievoortgang van 100% wil zeggen dat iemand nominaal studeert.

Noot 21: Kamerstuk 23 645, nr. 634.