Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2017-2018

A/ nr. 1

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 april 2018

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 6 december 2017 te Brussel tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens overeenkomstig Richtlijn 2011/76/EU van het Europees parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (Trb. 2018, nr. 2).

Een toelichtende nota bij dit Protocol treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het Europese deel van Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,
S.A. Blok

TOELICHTENDE NOTA

1. Inleiding

Het Eurovignet is een gemeenschappelijk gebruiksrecht voor vrachtwagens met een toegestane maximummassa van 12 ton of meer die gebruik maken van de snelwegen en bepaalde hoofdwegen in de vier actief heffende lidstaten, te weten Denemarken, Luxemburg, Nederland en Zweden. Deze landen hebben samen met de inmiddels niet meer actief heffende lidstaat België en de voormalige lidstaat Duitsland daartoe op 9 februari 1994 te Brussel het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Trb. 1994, 69; hierna «het Verdrag») gesloten.

Het Verdrag voorziet in de mogelijkheid voor de verdragsluitende staten om af te zien van heffing van het gebruiksrecht1, maar wel partij te blijven bij het Verdrag. België heeft met ingang van 1 april 2016 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Duitsland, dat eerder deze keuze maakte, heeft per 1 januari 2018 de deelname aan het Verdrag volledig beëindigd.

Met het onderhavige Protocol (Trb. 2018, 2; hierna «het Protocol») wordt het Verdrag aangepast aan de hieronder genoemde Richtlijn 2011/76/EU, waarbij de tarieven worden geactualiseerd met een bijzondere regeling voor de schoonste vrachtauto’s. Verder wordt met het Protocol geformaliseerd dat België afziet van heffing van het gebruiksrecht vanwege de invoering van een kilometerheffing voor vrachtauto’s op 1 april 2016, en wordt benoemd dat Duitsland niet langer partij is bij het Verdrag met ingang van 1 januari 2018. Daarnaast wordt geregeld dat het Verdrag wordt verlengd met 10 jaar. De verlenging met 10 jaar laat onverlet dat Nederland op een eerder tijdstip kan afzien van heffing van het gebruiksrecht en in plaats daarvan een kilometerheffing voor vrachtauto’s kan invoeren, zoals afgesproken in het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst».

Het Protocol bevat naar het oordeel van de regering één bepaling die als eenieder verbindend aangemerkt zou kunnen worden. Deze bepaling betreft de tariefwijzigingen. Artikel 5 van het Protocol regelt een aanpassing van de tarieven van het Eurovignet, zoals opgenomen in artikel 8 van het Verdrag. Na afronding van de ratificatie van het Protocol zullen deze nieuwe tarieven worden opgenomen in de Wet belasting zware motorrijtuigen, waarin de heffing van het Eurovignet voor Nederland is geregeld.

2. EU-aspecten

Het Verdrag is gebaseerd op Richtlijn 93/89/EEG2. Die richtlijn is per 1 juli 2000 vervangen door Richtlijn 1999/62/EG3. Richtlijn 1999/62/EG is vervolgens gewijzigd door Richtlijn 2006/38/EG4 en door Richtlijn 2011/76/EU5. Met het Protocol wordt het Verdrag aangepast aan laatstgenoemde richtlijn.

3. Artikelsgewijze toelichting

Aanpassing verwijzing naar richtlijnen (artikel 1, 2, en 3 van het Protocol)

Met de artikelen 1 en 2 van het Protocol wordt in de aanhef en in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag de verwijzing naar de eerdere Richtlijn 2006/38/EG vervangen door een verwijzing naar de meer recente Richtlijn 2011/76/EU. Met artikel 2, tweede lid, van het Protocol wordt onder meer het begrip «voertuig», opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het Verdrag, aangepast als gevolg van de bij Richtlijn 2011/76/EU gewijzigde definitie van «voertuig» in artikel 2, onderdeel d, van Richtlijn 1999/62/EG. Artikel 3 van het Protocol actualiseert artikel 3, eerste lid, van het Verdrag voor wat betreft de verwijzing naar artikel 7 van Richtlijn 1999/62/EG, in verband met de wijziging van genoemd artikel 7 bij Richtlijn 2011/76/EU.

België ziet af van heffing gebruiksrecht (artikel 2 en 6 van het Protocol)

Het tweede lid van artikel 2 van het Verdrag bepaalt het grondgebied waarvoor het Verdrag van toepassing is. In de nieuwe formulering is het Koninkrijk België geschrapt. Daarmee wordt formeel vastgelegd dat België afziet van heffing van het gemeenschappelijk gebruiksrecht, zoals voorzien in artikel 17 van het Verdrag. Een dienovereenkomstige aanpassing wordt met artikel 6 aangebracht in artikel 13 van het Verdrag, dat de verdeling van de inkomsten vastlegt. Dit betreft de inkomsten van vrachtauto’s die niet zijn geregistreerd in één van de vier actief heffende lidstaten. Het Belgische aandeel in die inkomsten wordt herverdeeld overeenkomstig het bestaande aandeel in de inkomsten van de overige actief heffende lidstaten. In onderstaand overzicht is de oude verdeling van de inkomsten afgezet tegen de nieuwe verdeling. De nieuwe verdeling wordt overigens al toegepast met ingang van de datum per wanneer België heeft afgezien van de heffing van het gebruiksrecht, te weten 1 april 2016.

 

Oude verdeling

Nieuwe verdeling

België

39,92%

Denemarken

12,29%

20,456%

Luxemburg

3,14%

5,226%

Nederland

27,63%

45,989%

Zweden

17,02%

28,329%

Aanpassing verwijzing naar Europese Commissie (artikel 4 van het Protocol)

Met artikel 4 van het Protocol wordt in de artikelen 4, 6, 11 en 14 van het Verdrag conform Richtlijn 2011/76/EU in plaats van de eerdere term «Commissie van de Europese Gemeenschappen» het begrip «Europese Commissie» ingebracht.

Aanpassing heffingstarieven van artikel 8 van het Verdrag (artikel 5 van het Protocol)

Met artikel 5 van het Protocol worden de tarieven zoals opgenomen in artikel 8 van het Verdrag aangepast aan de nieuwe, verder gedifferentieerde maximumtarieven in Richtlijn 2011/76/EU. In het huidige Verdrag zijn nog oude maximumtarieven opgenomen, waarbij slechts wordt gedifferentieerd tussen de categorieën NIET-EURO, EURO I, en EURO II of schoner. Inmiddels geeft genoemde richtlijn nieuwe maximumtarieven, waarbij wordt gedifferentieerd tussen de categorieën NIET-EURO, EURO I, EURO II, EURO III en EURO IV en schoner. De EURO-classificatie hangt samen met de uitstoot van uitlaatgassen. Deze classificatie vloeit voort uit Richtlijn 88/77/EEG6 en de aanpassingen van die richtlijn in latere jaren.

Bij de aanpassing van de in artikel 8 van het Verdrag opgenomen tarieven wordt zoals hiervoor gemeld aangesloten bij de voor de betreffende categorieën geldende maximumtarieven van Richtlijn 2011/76/EU. Voor de schoonste vrachtauto’s (EURO V en EURO VI en schoner) wordt een eigen tarief opgenomen. Dit tarief ligt lager dan het maximumtarief opgenomen in Richtlijn 2011/76/EU. Tot 1 januari 2020 geldt voor EURO V en EURO VI en schoner het huidige tarief voor EURO II en schoner. Voor deze twee categorieën is dan ook geen sprake van een tariefsverhoging. Vanaf 1 januari 2020 wordt het tarief voor EURO V iets verhoogd.

De aangepaste tariefsdifferentiatie en tarieven dienen in de wetgeving van de afzonderlijke actief heffende lidstaten te worden verwerkt. Voor Nederland gaat het hierbij om de Wet belasting zware motorrijtuigen. De tariefsaanpassing is in lijn met de eerdere afspraken in het regeerakkoord van het kabinet Rutte II om het Eurovignet verder toe te spitsen op schonere vrachtauto’s.

Aanpassing formulering artikel 15 van het Verdrag (Artikel 7 van het Protocol)

In artikel 15 van het Verdrag staat nu nog een verwijzing naar artikel 182 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Dat verdrag heet sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon7 sinds 1 december 2009 echter het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daarin heeft die bepaling artikelnummer 273 gekregen. Verder heet het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen tegenwoordig het Hof van Justitie van de Europese Unie. Met artikel 7 van het Protocol worden deze wijzigingen in artikel 15 van het Verdrag doorgevoerd.

Verlenging van het Verdrag (artikel 8 van het Protocol)

Op grond van artikel 20 van het Verdrag geldt het Verdrag tot 31 december 2019. Artikel 8 van het Protocol verlengt het Verdrag met 10 jaar tot en met 31 december 2029. Met ingang van 2030 eindigt het Verdrag automatisch.

Niet-heffende lidstaat (artikel 9 van het Protocol)

Artikel 9, eerste lid, van het Protocol bepaalt dat de bepalingen van het Verdrag die rechtstreeks verband houden met het gemeenschappelijk gebruiksrecht zelf voortaan niet meer van toepassing zullen zijn op het Koninkrijk België, aangezien het Koninkrijk België overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag afziet van heffing van het gemeenschappelijk gebruiksrecht. Artikel 9, tweede lid, van het Protocol regelt in lijn daarmee dat de ondertekening van het Protocol van het Koninkrijk België niet van toepassing is op artikel 5 van het Protocol, dat de nieuwe tarieven van het gemeenschappelijk gebruiksrecht vastlegt.

Inwerkingtreding (artikel 10 van het Protocol)

Artikel 10 van het Protocol regelt de inwerkingtreding van het Protocol. Met uitzondering van artikel 5 treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de laatste ratificatie. In artikel 10, derde lid, van het Protocol is bepaald dat artikel 5, waarin de aanpassing van de tarieven is opgenomen, op een later tijdstip in werking treedt. Na inwerkingtreding van het Protocol dienen minimaal twee maanden te verstrijken. Dit geeft de betrokken vervoerders en de uitvoerende instanties een periode van ten minste twee maanden om zich in te stellen op de inwerkingtreding van de nieuwe tarieven. Na het verstrijken van die twee maanden, treden de nieuwe tarieven in werking op 1 juli van hetzelfde kalenderjaar of, indien die datum op dat moment al verstreken is, op 1 januari van het volgende kalenderjaar. Hiermee wordt aangesloten bij de gangbare verandermomenten voor dit soort fiscale wijzigingen. Gelet op deze inwerkingtredingsbepaling en de ratificatieprocedure die in de afzonderlijke lidstaten doorlopen moet worden staat wel vast dat de tarieven in artikel 5 niet eerder van toepassing zullen kunnen zijn dan per 1 juli 2018. Om eventueel toch levende twijfel op dit punt weg te nemen regelt artikel 10, derde lid, van het Protocol expliciet dat de in artikel 5 van het Protocol opgenomen nieuwe tarieven niet eerder in werking treden dan 1 juli 2018, en niet met terugwerkende kracht van toepassing zijn.

4. Uitvoeringswetgeving in Nederland

De lidstaten hebben afgesproken de implementatie in hun nationale wetgeving gelijktijdig te laten ingaan. De aanpassing van de Wet belasting zware motorrijtuigen zal naar verwachting in 2018 worden opgenomen in een fiscaal wetsvoorstel.

5. Koninkrijkspositie

Evenals het Verdrag zal het Protocol, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, alleen voor het Europese deel van Nederland gelden.

De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel

De Minister van Buitenlandse Zaken,
S.A. Blok

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Noot 1: Dit is geregeld in artikel 17 van het Verdrag.

Noot 2: Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de Lid-Staten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (PbEG 1993, L 279).

Noot 3: Richtlijn 1999/62/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEG 1999, L 187).

Noot 4: Richtlijn 2006/38/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 mei 2006 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEU 2006, L 157).

Noot 5: Richtlijn 2011/76/EU van het Europees parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEU 2011, L 269).

Noot 6: Richtlijn van de Raad van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEG 1988, L 36).

Noot 7: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Lissabon, 13 december 2007.