Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 372

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2018

In december 2016 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Uw Kamer het rapport van de evaluatie van de aanbevelingen van de commissie Gunning gezonden1. Uit het rapport van PricewaterhouseCoopers (PwC) kwam naar voren dat de veiligheid en de kwaliteit in de kinderopvang sinds de totstandkoming van de aanbevelingen zijn verbeterd. Bij brief van 10 februari 2017 heeft Uw Kamer een aanvullende rapportage ontvangen2. In de begeleidende brief is toegezegd Uw Kamer in het voorjaar van 2018 te informeren over de stand van zaken van de voorgenomen maatregelen ter verdere verbetering van de veiligheid en kwaliteit in de kinderopvang. Met deze brief kom ik tegemoet aan deze toezegging.
Ik deel de mening dat er de afgelopen jaren grote stappen zijn gezet in de verbetering van de veiligheid en kwaliteit in de kinderopvang. De eerste resultaten van de Landelijke Kwaliteitsmeting Kinderopvang (LKK) 2017, die ik begin dit jaar aan uw Kamer heb gezonden3, ondersteunen dit beeld. Betrokken partijen hebben de meeste aanbevelingen van de commissie Gunning ter harte genomen. Verder zijn er onlangs drie wetswijzigingen van kracht geworden die zonder meer bijdragen aan verdere verbeteringen in de veiligheid en kwaliteit: de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang, de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de Wet personenregister4. Met de brief van december 2016 bent u geïnformeerd over de voorgenomen maatregelen naar aanleiding van de evaluatie van PwC. In het vervolg van deze brief ga ik in op de stand van zaken van deze maatregelen en volg daarbij de indeling van de vorige brief.

Veiligheid en kwaliteit

Aanspreekcultuur

De evaluatie van PwC liet zien dat alle betrokken partijen onderschrijven dat een aanspreekcultuur in de kinderopvangorganisatie verreweg de belangrijkste waarborg is voor veiligheid en kwaliteit. Maar zij geven ook terug dat hiervoor een cultuuromslag nodig is en het daardoor niet eenvoudig is hier op korte termijn grote stappen in te zetten. Uit gesprekken met kinderopvangorganisaties en de brancheorganisaties blijkt dat dit onderwerp zeker de aandacht heeft. Kinderopvangorganisaties besteden in meer of mindere mate aandacht aan de aanspreekcultuur, bijvoorbeeld met behulp van cursussen in het geven en ontvangen van feedback. De brancheorganisaties brengen dit onderwerp onder de aandacht door het op de agenda te zetten bij themabijeenkomsten voor bestuurders en ondernemers en door in samenwerking met kennisinstituten trainingen te ontwikkelen over de aanpak van grensoverschrijdend gedrag. Onderdeel van het cao-akkoord kinderopvang is aandacht voor scholing op het terrein van ethiek. Hiermee kunnen het ethisch handelen voor pedagogisch medewerkers en de onderlinge verhoudingen in de organisaties verder gestimuleerd worden. Medewerkers krijgen zo handvatten aangereikt hoe om te gaan met lastige werksituaties.

Sinds een jaar bestaat er een beroepsvereniging voor medewerkers in de kinderopvang. Deze vereniging stelt zich als doel de beroepsinhoudelijke positie van de medewerkers te versterken. In de sector wordt deze ontwikkeling als een belangrijke stap gezien in verdere professionalisering van de sector, omdat deze bijdraagt aan een groeiende zelfverzekerd- en zelfbewustheid van pedagogisch medewerkers. Dit zal, zo wordt verwacht, eveneens een stimulans zijn voor een aanspreekcultuur over de volle breedte van de sector.

Ook bevat de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang maatregelen die bijdragen aan een aanspreekcultuur, zoals de inzet van een pedagogisch coach voor de medewerkers. Voor ouders wordt de drempel tot het geven van feedback verlaagd, doordat ze terecht kunnen bij een vaste mentor voor hun kind. Daarnaast is er bij de implementatie van de verbeterde meldcode extra aandacht voor een betere aanspreekcultuur.

Samenvattend zijn er veel goede initiatieven die bijdragen aan de bevordering van een aanspreekcultuur in de kinderopvang. Een aanspreekcultuur laat zich echter niet forceren en moet voortdurend gestimuleerd worden. Het betreft een aanbeveling waar de actie bij de sector zelf ligt. Ik roep de sector dan ook op hierin te blijven investeren gezien het belang ervan voor de kwaliteit en veiligheid in de kinderopvang.

Vierogenprincipe

Met de inwerkingtreding van de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang op 1 januari 2018 zijn kinderdagopvangorganisaties onder meer verplicht te beschikken over een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid. De toepassing van het vierogenprincipe is daarvan een belangrijk onderdeel. Kinderopvangorganisaties moeten hier in hun beleid – én de toepassing ervan – aandacht aan besteden. De vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft reeds toegezegd om twee jaar na inwerkingtreding van deze maatregel te bekijken of kinderopvangorganisaties hier op een adequate wijze invulling aan geven en of deze maatregel daadwerkelijk leidt tot een inperking van de veiligheidsrisico’s voor kinderen. Ik onderschrijf het belang van deze evaluatie en deze toezegging.

Uitbreiding continue screening

Op 1 maart 2018 is het personenregister kinderopvang (PRK) van start gegaan. Nu valt iedereen die op grond van de Wet kinderopvang een verklaring omtrent het gedrag nodig heeft onder de continue screening. Ook de stagiairs, uitzendkrachten, vrijwilligers en personen die (zonder arbeidsrelatie) structureel aanwezig zijn op het moment dat kinderen worden opgevangen. Met deze uitbreiding van de continue screening is een belangrijke stap gezet in de bevordering van de veiligheid in de kinderopvang. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft het personenregister kinderopvang met succes in uitvoering genomen. Kinderopvangondernemers hebben zich de afgelopen tijd hard gemaakt al hun medewerkers te informeren en te bewegen hun inschrijving te regelen. De inschrijvingen verlopen voorspoedig. Op 1 juli 2018 moeten alle huidige medewerkers zijn ingeschreven. Hierover is uitgebreid gecommuniceerd en ook in het toezicht en de handhaving is hier aandacht voor.

Meld- en overlegplicht

Uit de evaluatie van PwC bleek dat het veld positief is over de in 2013 ingevoerde meld- en overlegplicht en de meldcode. Deze instrumenten zijn van toepassing bij vermoedens van geweld- of zedendelicten gepleegd door een collega (meld- en overlegplicht), of bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in de thuisomgeving (meldcode). De Inspectie van het Onderwijs registreert binnen de kinderopvang meldingen van seksueel misbruik en intimidatie, fysiek geweld en psychisch geweld. Dit zorgt ervoor dat de meldingen centraal binnenkomen. De meld- en overlegplicht wordt steeds beter nageleefd en betrokkenen weten steeds beter de weg naar de vertrouwensinspecteur te vinden. Het aantal meldingen aan de Inspectie van het Onderwijs is in 2017 toegenomen. Om inzicht te geven in het effect van de meldplicht stuur ik Uw Kamer als bijlage bij deze brief de «Factsheet meldingen vertrouwensinspecteurs vanuit kinderopvang over de jaren 2015–2017»5 van de Inspectie van het Onderwijs. De wettelijke meld- en overlegplicht in de Wet kinderopvang richt zich tot medewerkers en houders in de kinderopvang. Uit de factsheet blijkt dat de vertrouwensinspecteur meldingen van verschillende betrokken partijen in de kinderopvang ontvangt. Dus behalve van houders en pedagogisch medewerkers, ook van ouders, GGD-inspecteurs of van medewerkers van bijvoorbeeld Veilig Thuis. Bij een melding over mogelijke tekortschietende kwaliteit (en/of veiligheid) in de kinderopvang, geeft de vertrouwensinspecteur een signaal aan de betrokken GGD. Dit gebeurt altijd na toestemming van de melder.

Ik stel vast dat de meld- en overlegplicht effect sorteert. De branche geeft aan dat kinderopvangorganisaties de introductie van de vertrouwensinspecteur zeer waardevol vinden vanwege zijn benaderbaarheid, ook als het gaat om het inwinnen van advies.

Meldcode

Kinderopvangorganisaties voldoen aan de wettelijke verplichting voor het opstellen van een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe om te gaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. Echter, in de toepassing van de meldcode is nog winst te behalen.

In 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over een voorstel om de regelgeving rondom de meldcode aan te vullen. Deze aanvulling is inmiddels gerealiseerd in het besluit van 23 juni 2017 (Stb. 2017, nr. 291). Aan de meldcode is een element toegevoegd, te weten een afwegingskader op basis waarvan een medewerker kan wegen of er sprake is van een zodanig sterk vermoeden van ernstig huiselijk geweld of kindermishandeling dat melden bij Veilig Thuis vereist is. Bij een melding bekijkt Veilig Thuis in overleg met de houder of ook handelen van Veilig Thuis nodig is, naast de hulp die mogelijk vanuit de houder van de kinderopvang kan worden geboden.

De afgelopen maanden zijn de sectoren, waaronder de sector Kinderopvang, bezig geweest om hun eigen afwegingskader op te stellen. Het afwegingskader is vanaf 1 januari 2019 een verplicht onderdeel van de meldcode (Verbeterde meldcode).

Na 1 januari a.s. zal blijken of de verbeterde meldcode bijdraagt aan de daadwerkelijke toepassing ervan. GGD GHOR Nederland besteedt in het toezicht aandacht aan (het belang van) de toepassing van de meldcode.

Herziening beleid gastouderopvang

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is, mede naar aanleiding van de aanbeveling van PwC, in gesprek gegaan met het veld om te bezien hoe de kwaliteit van de gastouderopvang bevorderd kan worden. De conclusie was dat de kwaliteitseisen van de gastouderopvang daar waar mogelijk gelijk getrokken moesten worden met die van de dagopvang.

De eerste resultaten van de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) van 2017, die ik begin dit jaar aan Uw Kamer heb gezonden6, laten zien dat de gemiddelde kwaliteit van de gastouderopvang vergelijkbaar is met die van andere opvangvormen (waaronder de dagopvang). Wel is het zo dat de variatie in kwaliteit in de gastouderopvang groter is, ook met opmerkelijke uitschieters naar beneden.

Vanwege de beperkte steekproef moeten de eerste resultaten van de LKK voorzichtig worden geïnterpreteerd. De LKK wordt – in ieder geval tot en met 2020 – jaarlijks herhaald en met iedere meting wordt het beeld van de kwaliteit robuuster en nauwkeuriger. Daarmee wordt het de komende jaren beter mogelijk om een onderbouwd antwoord te geven op de vraag of, waar en hoe de kwaliteit in de gastouderopvang in de toekomst kan worden verbeterd. Ook stel ik vast dat gastouderopvang, onder andere vanwege de kleinschaligheid, verschilt van de dagopvang. Er worden om die reden ook andere eisen aan gastouderopvang gesteld.

Ook (de resultaten van) het toezicht en handhaving in de gastouderopvang worden de komende jaren beter in beeld gebracht. De Inspectie van het Onderwijs zal in haar jaarlijkse Landelijke Rapportage Toezicht en Handhaving Kinderopvang uitgebreider ingaan op de gastouderopvang, onder meer door extra aandacht te besteden aan aantallen tekortkomingen en handhaving adviezen, ingezette handhavingsinstrumenten en herstel van de tekortkomingen.

De huidige wet- en regelgeving biedt voldoende mogelijkheden aan gemeenten en GGD’en voor toezicht en handhaving en laat ruimte aan gemeenten en GGD’en om de aantallen te inspecteren gastouders zelf te bepalen. De ene gemeente en GGD vult dit anders in dan de andere. Door ervaringen uit te wisselen op het gebied van toepassing van wet- en regelgeving kunnen gemeenten en GGD’en van elkaar leren en ook ontdekken waar de mogelijkheden zitten om meer en effectiever toezicht uit te oefenen. GGD GHOR Nederland en de VNG kunnen dit proces ondersteunen.

Met deze maatregelen ontstaat beter zicht op waar verbeteringen in (de kwaliteit van) het toezicht en handhaving in de gastouderopvang mogelijk zijn. En wie hiervoor aan zet is. Ik blijf bovenstaande punten dan ook nauwgezet volgen en zal steeds bekijken of nadere (kwaliteits)eisen in de toekomst nodig zijn.

Invloed van ouders vergroten

Zoals uit de evaluatie van PwC naar voren kwam, zijn er de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen, onder andere in wet en regelgeving, die bijdragen aan de positie van ouders. In aanvulling daarop is op 12 april jl. met de invoering van In-één-oogopslag7 een belangrijke stap voorwaarts gezet in de informatievoorziening voor ouders. Met In-één-oogopslag is het voor ouders makkelijker geworden om de kwaliteit van een opvanglocatie te beoordelen en om opvanglocaties met elkaar te vergelijken. Door deze informatie te betrekken bij de keuze voor een opvanglocatie of door hierover het gesprek aan te gaan met de huidige opvanglocatie kan dit bijdragen aan het verder vergroten van de kwaliteit van een opvanglocatie.
Op 25 april jl. heb ik uw Kamer per brief over In-één-oogopslag geïnformeerd8. Ik heb daarin toegezegd om, conform de wens van de betrokken partijen, werk te maken van de doorontwikkeling van In-één-oogopslag. De wensen van partijen worden hierbij betrokken. In mijn brief van 25 april jl. heb ik ook aangegeven een pas op de plaats te maken met het kwaliteitsoordeel en eerst te bezien in hoeverre In-één-oogopslag en de doorontwikkeling daarvan voorziet in de behoefte van ouders.

Hiermee zijn belangrijke voorwaarden gecreëerd om de invloed van ouders te vergroten. Uit het onderzoek van PwC blijkt dat, met name als het gaat om de vertaling van deze voorwaarden naar de praktijk, nog verbeteringen aan te brengen zijn. Daar is een belangrijke rol weggelegd voor kinderopvangorganisaties en hun brancheorganisaties. En daarnaast is het vanzelfsprekend ook aan de ouders zelf om gebruik te maken van de mogelijkheden die er zijn. Zij worden hierin ondersteund door hun belangenbehartigers.

Toezicht en handhaving

Een belangrijke wens van GGD’en en gemeenten is om beter te kunnen toezien en (indien nodig) handhaven op aantallen aanwezige kinderen en pedagogisch medewerkers. Zij pleiten daarom voor aangescherpte eisen aan de administratie en hoe lang deze gegevens bewaard moeten blijven. De vorige Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid heeft gemeld hier werk van te maken en dit mee te nemen in het wetsvoorstel nieuw financieringsstelsel kinderopvang. Hierover zijn in dit kader ook gesprekken gevoerd met GGD GHOR Nederland en de VNG. Met het besluit om het wetsvoorstel nieuw financieringsstelsel kinderopvang niet bij Uw Kamer in te dienen, komt de mogelijkheid om deze eisen in dat traject mee te nemen te vervallen. Ik onderschrijf het belang van deze aangescherpte eisen voor het toezicht en de handhaving en ben het met GGD GHOR Nederland eens dat uitstel hiervan niet gewenst is. Ik ben daarom voornemens de gesprekken met GGD GHOR Nederland en de VNG over dit onderwerp voort te zetten en ga hier actief mee aan de slag. Begin 2019 informeer ik Uw Kamer over de resultaten hiervan.

Binnen het huidige wettelijke kader wordt door GGD’en en gemeenten (en hun vertegenwoordigende organisaties) ook hard gewerkt aan het vergroten van de veiligheid en kwaliteit. Onder meer door de landelijke invoering in 2017 van Streng aan de Poort. Bij Streng aan de Poort toetsen GGD’en en gemeenten

voorafgaand aan de registratie aan de hand van een intensief onderzoek of nieuwe kinderopvangorganisaties voldoen aan alle kwaliteitseisen. GGD GHOR Nederland monitort de invoering hiervan en voert ook een effectmeting uit. Indien uit deze onderzoeken blijkt dat een verdere doorontwikkeling van Streng aan de Poort noodzakelijk is, ontwikkelen GGD GHOR Nederland en VNG hier activiteiten op.

GGD GHOR Nederland en de VNG werken ook aan de implementatie van het herstelaanbod. Bij een herstelaanbod krijgt een kinderopvangorganisatie de mogelijkheid om een tekortkoming binnen een door de toezichthouder bepaalde termijn te herstellen. Dit draagt bij aan een snel herstel van een tekortkoming en daarmee aan de veiligheid en kwaliteit. Ook wordt zo voorkomen dat er onnodig handhavingstrajecten worden gestart. De landelijke implementatie van het herstelaanbod is voorzien in 2019.

Tot slot zijn GGD GHOR Nederland en de VNG actief aan de slag met het verkennen van mogelijkheden om informatie over specifieke kinderopvangorganisaties/-ondernemers te delen. Dit met als doel te voorkomen dat slecht presterende kinderopvangorganisaties/-ondernemers die in de ene gemeente moeten stoppen, in een andere gemeente zomaar opnieuw kunnen beginnen.

Ik stel vast dat er met de genoemde maatregelen door alle betrokken partijen concrete stappen zijn en worden gezet om het toezicht en de handhaving in de kinderopvang verder te verbeteren.

Kennisdeling

PwC deed een tweetal aanbevelingen over het delen van kennis en signalen. GGD GHOR Nederland werd aanbevolen om een aanbod te ontwikkelen om kennis over kindermisbruik en de signalen hiervan bij de partijen die hiermee in aanraking komen te kunnen delen. Eerder werd al aangegeven dat deze aanbeveling breder geldt dan de sector kinderopvang. In verschillende sectoren heeft de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling ook de komende jaren prioriteit. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming hebben, samen met de VNG, op 25 april jl. het programma «Geweld hoort nergens thuis» gelanceerd. In het programma zijn maatregelen opgenomen die gericht zijn op het eerder en beter in beeld brengen van huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals de signalering van geweld door professionals. Daarnaast is het programma gericht op het duurzaam oplossen van geweld door het borgen van veiligheid van slachtoffers en het zorgen voor passende hulp. Ook wordt een onderzoeksprogramma gestart dat onder andere bestaat uit de onderdelen risicofactoren in beeld brengen op wijkniveau, informatie over effectieve interventies en deskundigheidsbevordering bij professionals.

PwC deed daarnaast richting de branche de aanbeveling om praktische kennis (beter) te delen. Branchepartijen hebben laten weten praktische kennis te delen met hun leden. Bijvoorbeeld aan de hand van themadiscussies en door de ontwikkeling van trainingen voor bestuurders en medewerkers over het aanpakken van grensoverschrijdend gedrag.

Op het terrein van kindermishandeling hebben het onderwijs, de kinderopvang en ouderorganisaties zich verenigd in een beweging tegen kindermishandeling, met

als doel samenwerken ter verbetering van de signalering en aanpak van kindermishandeling.

In het werkplan van de beweging tegen kindermishandeling staat het voornemen om in alle 26 Veilig Thuis-regio’s netwerken op te richten, bestaande uit de driehoek kinderopvang, onderwijs en Veilig Thuis. Komend jaar worden in iedere regio twee bijeenkomsten georganiseerd. Een van de ambities van de beweging is bevordering van de kennis en het gebruik van de (verbeterde) meldcode (zie eerder in deze brief).

Concluderend

Een veilige en kwalitatief goede kindervang is van zeer groot belang. Het afgelopen jaar hebben betrokken partijen de aan hen gerichte aanbevelingen ter harte genomen. Zij hebben zich hard gemaakt om concrete verbeterstappen te zetten. Er zijn aanbevelingen die lastiger uit te voeren zijn, zoals het realiseren van een aanspreekcultuur. Belangrijk is dat de sector het belang hiervan onderkent en gemotiveerd is om hierin te investeren.

Betrokken partijen blijven ook de komende jaren actief bezig met het verder verbeteren van de veiligheid en kwaliteit in de kinderopvang. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen veilig zijn in de kinderopvang en dat de kwaliteit van de opvang geborgd is. Zodat zij met een gerust hart naar hun werk kunnen gaan en de kinderen kunnen groeien in hun ontwikkeling.

Overig: harmonisatie peuterspeelzalen

Tijdens het AO Kinderopvang op 12 april jl. (Kamerstuk 31 322, nr. 362) heb ik toegezegd om Uw Kamer voor de zomer te informeren over het aantal gemeenten dat het beleid heeft aangepast aan de nieuwe wetgeving omtrent de harmonisatie. Hoewel de harmonisatie van peuterspeelzalen geen directe relatie heeft met de aanbevelingen van de Commissie Gunning, neem ik deze gelegenheid te baat om u te informeren over de stand van zaken.

Conform mijn toezegging treft u daarom als bijlage bij deze brief het rapport «Eindfase harmonisatie peuterspeelzaalwerk: facts & figures 2018»9 aan van Buitenhek management & consult. Het is een vervolgonderzoek op de eerdere onderzoeken naar de feiten en de cijfers rond peuteropvang.

In dit vervolgonderzoek zijn in de periode januari 2018 tot mei 2018 de gemeenten (167) en aanbieders onderzocht die eind 2017 nog niet waren omgevormd. Blijkens dit onderzoek is in vrijwel alle gemeenten de harmonisatie per januari 2018 doorgevoerd. Hierdoor kunnen ouders die daar recht op hebben kinderopvangtoeslag aanvragen voor het gebruik van voorschoolse opvang. Ouders die daar geen recht op hebben, krijgen een tegemoetkoming via de gemeente. Enkele (7) gemeenten zullen de harmonisatie later invoeren. Motieven daarvoor zijn onder andere een goede/betere informatievoorziening richting ouders, de samenhang met het onderwijsachterstandenbeleid en de nog onzekere financiering daarvan. Ook kan gemeentelijke herindeling een reden zijn de harmonisatie later in te voeren. Verder blijkt uit het onderzoek dat signalen over vraaguitval beperkt zijn. Aanbieders en gemeenten die begin 2018 zijn geharmoniseerd geven aan dat er door de harmonisatie niet of nauwelijks vraaguitval optreedt of wordt verwacht. 6% van de aanbieders geeft aan veel vraaguitval (meer dan 10%) te verwachten of te ervaren.

De vraaguitval heeft in die gevallen te maken met specifieke beleidskeuzes van gemeenten, zoals het beperken van het volume van gesubsidieerd aanbod voor kinderen zonder indicatie voor voorschoolse educatie van 4 naar 2 dagdelen en de aanpassing van de startleeftijd voor het gesubsidieerd aanbod van 2 jaar naar 2,5 jaar.

Ik blijf de ontwikkelingen en mogelijke vraaguitval als gevolg van de harmonisatie ook de komende tijd volgen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark

Noot 1: Kamerstuk 31 322, nr. 318.

Noot 2: Kamerstuk 31 322, nr. 326.

Noot 3: Kamerstuk 31 322, nr. 342.

Noot 4: Wet van 21 november 2015 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de mogelijkheid te komen tot meertalige buitenschoolse opvang (Stb. 2015, nr. 452).

Noot 5: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Noot 6: Kamerstuk 31 322, nr. 342.

Noot 7: In-één-oogopslag geeft ouders op een overzichtelijke, visuele manier inzicht in belangrijke bevindingen van een inspectie en is te raadplegen in het LRK.

Noot 8: Kamerstuk 31 322, nr. 352.

Noot 9: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.