Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2018-2019

C1

Vastgesteld 7 december 2018

De leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties2 hebben op 6 en 13 november 2018 gesproken over de uitkomst van het mondeling overleg d.d. 16 oktober met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties over het ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland.

Naar aanleiding hiervan zijn op 13 november 2018 gelijkluidende brieven gestuurd aan de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, heeft op 7 december 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 13 november 2018

De leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties hebben op 6 en 13 november 2018 gesproken over de uitkomst van het mondeling overleg d.d. 16 oktober met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties over het ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland.

De leden concluderen dat de motie-Ganzevoort c.s.3 om een sociaal minimum vast te stellen voor Caribisch Nederland op basis van ijkbedragen voor het noodzakelijke levensonderhoud tot op heden niet is uitgevoerd. De regering geeft weliswaar aan dat uitvoering van de motie haar streven blijft, maar stelt zich tegelijkertijd op het standpunt dat het vaststellen van een sociaal minimum voor Caribisch Nederland op dit moment niet mogelijk is. Zij hoopt dit bij de evaluatie van de aangekondigde maatregelen in 2020 alsnog te kunnen doen. In de tussentijd wenst de regering door maatregelen aan zowel de inkomstenkant als aan de kostenkant de in het Regioplan-rapport4 gekwantificeerde kloof tussen inkomens/uitkeringen en de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op korte termijn betekenisvol te verkleinen en op lange termijn te dichten.5

De commissie houdt onverkort vast aan uitvoering van de genoemde motie vanwege de rechtsgelijkheid binnen Nederland, de verantwoordelijkheid van de regering om het bestaansminimum van haar burgers te garanderen en de noodzaak om beleid te baseren op objectiveerbare gegevens. In het licht van het gehouden mondeling overleg en van de beantwoording van vragen door de Minister-President tijdens de algemene politieke beschouwingen, stelt de commissie voor om voor de ontwikkeling van beleid en de controle daarop – in afwachting van de vaststelling van een sociaal minimum in 2020 – te werken met een tweetal geobjectiveerde ijkbedragen (per huishoudenscategorie): enerzijds de door Regioplan vastgestelde noodzakelijke kosten voor levensonderhoud en anderzijds het inkomenspeil (op basis van de CBS inkomensstatistiek Caribisch Nederland). De mate waarin de kloof tussen deze twee bedragen wordt verkleind (hetzij door verlaging van de kosten van levensonderhoud, hetzij door verhoging van inkomens en uitkeringen), dient de toetssteen voor het gevoerde beleid te zijn. Op deze manier kan meer objectief worden beoordeeld of de door de regering in samenwerking met de openbare lichamen te nemen maatregelen inderdaad het effect hebben dat de regering de Kamer toezegt. De commissie wenst dit door de regering te zien uitgedrukt in een minimum- of streefpercentage waarmee deze kloof jaarlijks wordt verkleind en een daarbij behorende jaarlijkse rapportage. Tevens verneemt de commissie graag of de regering voornemens is – in aanvulling op de reeds aangekondigde maatregelen – aanvullende maatregelen te treffen voor de categorie huishoudens waar de kloof tussen beide ijkbedragen het grootst is en, zo ja, welke maatregelen dit betreft.

Met de cijfers in het Regioplan-rapport beschikken regering en parlement over onderzoeksresultaten die wetenschappelijk geobjectiveerd en gekwantificeerd de kloof tussen inkomens/uitkeringen en de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op de drie eilanden zichtbaar maken. Het parlement kan het effect van het geschetste regeringsbeleid op de kosten van levensonderhoud en de inkomens/uitkeringen op de verschillende eilanden enkel beoordelen, wanneer de regering in de toegezegde (jaarlijkse) monitoringsrapporten dezelfde geobjectiveerde en gekwantificeerde gegevens beschikbaar stelt over de kosten van levensonderhoud en de inkomensgegevens over 2019 en 2020, zonder dat wijzigingen plaatsvinden in de aard van de te benutten datasets en de gehanteerde onderzoeksmethodiek (bijvoorbeeld de samenstelling van het «mandje»). Anders gezegd, de commissie beschouwt de nu door Regioplan gepresenteerde cijfers, in het bijzonder die in de tabellen 5.1 en 5.26, als nulmeting en verwacht in de eerste monitoringsrapportage in de zomer 2019 (en daarna in 2020 (monitoring inclusief evaluatie)) dezelfde tabellen, teneinde te kunnen vaststellen of de door de regering beoogde effecten op inkomsten en uitgaven inderdaad zijn bereikt. De commissie verzoekt u dit toe te zeggen.

De commissie ziet uw antwoord graag vóór 7 december 2018 tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
R.R. Ganzevoort

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2018

Met deze brief wil ik mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties reageren op uw brief naar aanleiding van het mondeling overleg d.d. 16 oktober 2018 inzake het ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland (kenmerk: 164066.01u).

Allereerst wil ik uw Kamer bedanken voor het meedenken op dit belangrijke beleidsterrein. Ik waardeer uw betrokkenheid bij de mensen in Caribisch Nederland zeer. Uw Kamer en het kabinet zijn het eens dat we moeten komen tot een sociaal minimum voor Caribisch Nederland op basis van ijkbedragen voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Het kabinet is volop bezig met uitvoeren van de motie-Ganzevoort c.s.7.

Vaststellen sociaal minimum

In uw brief doet u twee voorstellen voor het monitoren van het gevoerde beleid rondom het bestaansminimum. Voordat ik inhoudelijk in ga op uw voorstellen, wil ik eerst nader ingaan op hoe ik het traject richting het vaststellen van het sociaal minimum voor Caribisch Nederland voor me zie.

Bij het vaststellen van het sociaal minimum op basis van de minimaal noodzakelijke kosten van levensonderhoud, de zogenaamde budgetmethode, is van belang dat objectief wordt vastgesteld wat de minimale behoeften en daarbij behorende kosten zijn. Ik onderschrijf de uitkomsten van het rapport van Regioplan en beschouw de door Regioplan gepresenteerde cijfers, net als uw Kamer, als nulmeting. Tegelijkertijd constateer ik dat de kosten voor een aantal noodzakelijke uitgaven sterk variëren. Uit het rapport van Regioplan blijkt bijvoorbeeld dat de maandelijkse woonlasten onder de geënquêteerde Bonairiaanse huishoudens uiteenlopen van 0 tot 900 dollar8. Voor het bepalen van de hoogte van het sociaal minimum is een vorm van normering van de uitgaven nodig. Voor het sociaal minimum zou namelijk de huurprijs van een sociale huurwoning richtinggevend moeten zijn.

Met de normering van uitgaven voor bijvoorbeeld wonen en kinderopvang is het kabinet voortvarend van start gegaan. Zo werkt mijn ministerie momenteel samen met de Ministeries van OCW, VWS en BZK en de drie openbare lichamen aan het programmaplan voor het verbeteren van de kwaliteit en (financiële) toegankelijkheid van de kinderopvang en voor- en naschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland. Belangrijk onderdeel van de aanpak is een regeling om -naast de investering in kwaliteit- de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te verbeteren.

Het verbeteren van de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang en normeren van de kosten van wonen kost tijd. Daarom zet ik alvast in op het verkleinen van de kloof tussen de inkomens en kosten van levensonderhoud. Ik vind het van belang om concrete stappen te zetten om ervoor te zorgen dat inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het beter krijgen. Enerzijds zet het kabinet in op een verhoging van de inkomens en de uitkeringen, waarbij de focus op korte termijn ligt op de groepen waar de problematiek het grootste is. Anderzijds zet het kabinet in op de verlaging van de kosten van levensonderhoud, met de nadruk op wonen, nutsvoorzieningen en levensmiddelen. Ik begrijp het belang dat uw Kamer hecht aan het vaststellen van het sociaal minimum. De aanpak is er dan ook op gericht om op termijn een sociaal minimum vast te kunnen stellen. Het kabinet geeft hiermee uitvoering aan de motie Ganzevoort c.s.

Conform de motie Van der Graaf c.s.9 zal ik beide Kamers in een voortgangsrapportage voor de zomer van 2019 informeren over de stappen die moeten worden gezet om een norm voor het sociaal minimum te kunnen vaststellen. Ik wil hierbij bezien of het dan mogelijk is om een ijkpunt voor het sociaal minimum te kiezen als referentiepunt voor gerichte maatregelen de komende jaren. Het gaat om een ijkpunt dat is voorzien van waarborgen en dat kan worden bijgesteld als bepaalde kostenposten in de toekomst hoger of lager worden.

Verbinden streefpercentage aan verkleinen kloof

Voor de ontwikkeling van beleid en de controle daarop heeft u voorgesteld om te werken met de door Regioplan vastgestelde noodzakelijke kosten voor levensonderhoud en het inkomenspeil (op basis van de CBS-inkomensstatistiek Caribisch Nederland) als ijkbedragen. U heeft gevraagd om een minimum- of streefpercentage vast te stellen waarmee de kloof jaarlijks wordt verkleind, zodat objectief kan worden vastgesteld of het beoogde doel wordt bereikt.

Net als u hecht ik er belang aan dat objectief wordt vastgesteld of het beoogde doel wordt bereikt en zal ik u hierover informeren. Ik zal daarom in de voortgangsrapportage cijfermatig de ontwikkeling van het inkomen van een aantal voorbeeld huishoudens laten zien. Het gaat om een illustratie van de inkomens voor zowel werkenden als niet werkenden op basis van de ontwikkeling van de wettelijk minimumloon en de uitkeringen. Hiermee wordt inzichtelijk wat de gevolgen zijn van alle maatregelen die we nemen om de inkomens te verhogen, nog bovenop de gebruikelijke correcties voor inflatie. Ik kies hierbij niet voor inkomensgegevens op basis van de CBS-inkomensstatistiek omdat deze achterlopen op de huidige situatie omdat belastingen en daarmee ook de inkomens pas met een vertraging van twee jaar definitief vastgesteld kunnen worden. Zo zijn de in het rapport van Regioplan gebruikte inkomensstatistieken uit het jaar 2015 en zijn in 2020 de definitieve inkomensgegevens over 2019 nog niet voorhanden. Ook wil ik opmerken dat informele inkomsten door het CBS niet worden meegenomen, maar wel vaak voorkomen. Zo is in het rapport van Regioplan te lezen dat het merendeel van Caribisch Nederlanders met een laag inkomen bijverdiensten heeft naast het reguliere werk10.
Om de effecten van het gevoerde beleid te kunnen meten, zal het kabinet in de voortgangsrapportage doelen met bijbehorende data stellen om de ontwikkeling van de inkomens en de kosten van de belangrijkste noodzakelijke uitgaven bij te houden. Op die manier kan het kabinet worden aangesproken op het gevoerde beleid. Tegelijkertijd wordt, conform de motie Van der Graaf c.s.11, inzichtelijk welke stappen aan de kostenkant nog moeten worden gezet om een norm voor het sociaal minimum definitief te kunnen vaststellen. Het kabinet wil aangesproken kunnen worden op deze mijlpalen inzake bijvoorbeeld het realiseren van wet- en regelgeving voor een vorm van tegemoetkoming in de huurlasten en het verbeteren van de kwaliteit en financiële toegankelijkheid van de kinderopvang.

Verder heeft u gevraagd of het kabinet voornemens is om – in aanvulling op de reeds aangekondigde maatregelen – aanvullende maatregelen te treffen voor de huishoudens waar de kloof tussen beide ijkbedragen het grootst is. Oftewel mensen met hoge uitgaven en lage inkomens. Met het pakket aan maatregelen dat het kabinet heeft genomen, wil het de situatie voor kwetsbare groepen als alleenstaande gepensioneerden, volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en (alleenstaande) ouders met kinderen verbeteren. Zo worden met de verhoging van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen, de verhoging van de kinderbijslag, de verhoging van de onderstand voor mensen die zelfstandig wonen, de verhoging van de inkomensgrens voor bijzondere onderstand, de toeslag voor alleenstaande AOV-gerechtigden en verhoging van de onderstand voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten aan de inkomenskant substantiële stappen gezet om de kloof tussen de inkomens en kosten voor levensonderhoud voor kwetsbare groepen te verkleinen. Met het pakket aan maatregelen zetten we nu een eerste substantiële stap om armoede in Caribisch Nederland te bestrijden. In 2020 zal vervolgens worden bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn.

Gebruik van objectieve en kwantitatieve gegevens in rapportages

Om het effect van het beleid van het kabinet op de kosten van levensonderhoud en de inkomens en uitkeringen te beoordelen, heeft u voorgesteld om in de toegezegde rapportages dezelfde geobjectiveerde en gekwantificeerde gegevens beschikbaar te stellen als in het onderzoek van 2018. U heeft mij daarom verzocht om in 2019 en 2020 dezelfde tabellen beschikbaar te stellen als in het onderzoek van 2018 zonder dat wijzigingen plaatsvinden in de aard van de te benutten datasets en de gehanteerde onderzoeksmethodiek (bijvoorbeeld de samenstelling van het «mandje»).

In lijn met uw verzoek zal ik jaarlijks de bedragen voor de waargenomen kosten voor levensonderhoud zoals gerapporteerd door Regioplan indexeren met de consumentenprijsindexcijfers. Daarbij wordt zoveel als mogelijk is rekening gehouden met de consumentenprijsindex voor de verschillende bestedingscategorieën per eiland. Ik beschouw de door Regioplan gepresenteerde cijfers daarmee als nulmeting. Door het jaarlijks indexeren voor de prijsontwikkeling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt inzichtelijk hoeveel duurder of goedkoper de kosten voor levensonderhoud op basis van het samengestelde mandje zijn geworden.

Uitgangspunt is om het verbeteren van bestaanszekerheid van inwoners van Caribisch Nederland over de volle breedte aan te pakken. Ik heb er vertrouwen in dat het kabinet met het pakket aan maatregelen betekenisvolle stappen zet en dat ik het effect daarvan al in de voortgangsrapportage van 2019 kan laten zien. In 2020 zal vervolgens worden bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark

Noot 1: Letter C heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 35 000 IV.

Noot 2: Samenstelling:Engels (D66), Van Bijsterveld (CDA), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Ester (CU), Ganzevoort (GL) (voorzitter), Engels (D66) (vice-voorzitter), Schouwenaar (VVD), Sent (PvdA), Kok (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Don (SP), P. van Dijk (PVV), Jorritsma-Lebbink (V(VD), Meijer (SP), Oomen-Ruijten (CDA), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Sini (PvdA), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV) Van Leeuwen (PvdD).

Noot 3: Kamerstukken I 2015/2016, 34 300 IV / CXIX, R.

Noot 4: Kamerstukken I 2017–2018, 34 775 IV / CXIX, S, Bijlage, Eindrapport van Regioplan, Onderzoek naar een ijkpunt voor het sociaal minimum in Caribisch Nederland, 28 juni 2018.

Noot 5: Kamerstukken I 2017–2018, 34 775 IV / CXIX, S, p. 4.

Noot 6: Kamerstukken I 2017–2018, 34 775 IV / CXIX, S, Bijlage, p. 67.

Noot 7: Kamerstukken I 2015–16, 34 300 IV, R.

Noot 8: Bijlage bij Kamerstukken II 2017–18, 34 775 IV / CXIX, S.

Noot 9: Kamerstukken II 2018–19, 35 000 IV, nr. 7.

Noot 10: Bijlage bij Kamerstukken II 2017–18, 34 775 IV / CXIX, S.

Noot 11: Kamerstukken II 2018–19, 35 000 IV, nr. 7.