Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2018-2019

Nr. 90

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2019

Op 25 maart 2019 heb ik overleg gevoerd met de provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland over de stand van zaken van het project Maaslijn. De provincies zijn gedurende het project op tegenvallers en vertraging gestuit. In goed overleg hebben Rijk en regio besloten om gezamenlijk de verantwoordelijk-heid te nemen om de ontstane situatie in het belang van de reiziger op te lossen. Zowel het Rijk als de regio onderschrijven het belang van de werkzaamheden aan de Maaslijn om een robuuste dienstregeling uit te kunnen voeren. Naast de verbetering van de robuustheid draagt dit project ook bij aan verduurzaming. Volgens de huidige planning kunnen de maatregelen op de Maaslijn in 2024 gereed zijn.

In 2008 zijn door de provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en Rijk afspraken gemaakt om versnellingsmaatregelen op de Maaslijn te realiseren. Het Rijk heeft hierin in totaal € 25 miljoen geïnvesteerd. Met de versnellingsmaatregelen wordt de robuustheid van de dienstregeling verbeterd en wordt de reistijd tussen de knooppunten Nijmegen, Venlo en Roermond verkort. Vervolgens hebben diezelfde partijen in 2014 afspraken gemaakt over elektrificatie van de Maaslijn. Het Rijk heeft € 25 miljoen geïnvesteerd voor deze maatregelen. Elektrificatie leidt tot minder CO2-uitstoot en lagere kosten voor brandstof en het onderhoud van treinen. Ook kunnen elektrische treinen sneller optrekken dan dieseltreinen waardoor de reistijd wordt verkort.

De inzet op verbetering van de Maaslijn past in de ambitie uit het Toekomstbeeld OV om op de verbindende assen naar onder andere het zuiden van het land en ook op regionale verbindingen te voorzien in een verdere kwaliteitsverbetering door nog meer in te spelen op de behoefte van de reiziger. Voor Zuid-Nederland richten we ons op de zwakke plekken in het netwerk, om de robuustheid te versterken en capaciteit op het spoor verder te vergroten. Met de provincies was de afspraak dat de regio het opdrachtgeverschap voor het project op zich zou nemen.

Het project Maaslijn heeft sindsdien te maken gehad met diverse wijzigingen binnen het project, die hebben geleid tot vertraging en meerkosten. De regio heeft moeten constateren niet in staat te zijn om een project van deze omvang als opdrachtgever tot een goed einde te kunnen brengen. Daarom heeft zij verzocht of het Rijk bereid is om de lopende planstudie en daarna de uitvoering van het project Maaslijn over te nemen.

In het overleg dat ik vorige week heb gevoerd met de betrokken bestuurders, is een principebesluit genomen over gezamenlijke sturing op de uitvoering van het project Maaslijn. Dit betekent dat het Rijk actief gaat meesturen om de verbetermaatregelen en de elektrificatie van de Maaslijn tijdig en binnen budget te realiseren. Doelmatige uitvoering en het verbeteren van de dienstverlening voor de reiziger staan daarbij voorop. Hiertoe zijn afspraken gemaakt over het gelijkelijk verdelen van risico’s die zich gedurende de verdere uitwerking van het project kunnen voordoen. Om het project te realiseren draagt de regio gezamenlijk € 153 miljoen bij aan het project en het Rijk € 60 miljoen. Dit betekent dat het Rijk additioneel € 10 miljoen beschikbaar stelt om het project Maaslijn te kunnen realiseren. Afspraken over de risicoverdeling en bijdrage aan het project zijn gebaseerd op een gedetailleerde kostenraming van ProRail.

Regio en Rijk zullen de komende weken gezamenlijk werken aan een bestuursovereenkomst om het principebesluit uit te werken. Hierover zal ik u bij de MIRT-brief van dit voorjaar nader informeren.

De afgelopen periode werd duidelijk dat de ambities voor de Maaslijn mogelijk niet tijdig gerealiseerd zouden kunnen worden, met alle nadelen die dit voor reizigers kan hebben. De afspraken die Rijk en regio nu met elkaar hebben gemaakt, geven een nieuw en helder perspectief. Ik heb er vertrouwen in dat samen met de regio dit project tot een goed einde kan worden gebracht.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
S. van Veldhoven-van der Meer