Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2003

28 600 XI VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vergaderjaar 2002-2003

Nr. 8 Vastgesteld 18 oktober 2002

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 3 oktober 2002 overleg gevoerd met minister Kamp van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de brief van de staatssecretaris van VROM van 4 juni 2002 (28 000-XI, nr. 54).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Bochove (CDA) merkt op dat de minister zich de eeuwige roem van alle studentenorganisaties kan verwerven als hij erin slaagt belangrijke knelpunten voor de studentenhuisvesting weg te nemen. Er is op dit terrein een groot aantal problemen en voor de oplossing daarvan zijn veel partijen nodig. Op dit moment blijkt niet dat aan structurele oplossingen wordt gewerkt. De pilot in Utrecht toont aan dat universiteiten en hbo-instellingen, gemeenten, volkshuisvesters en het Rijk erbij betrokken moeten worden. Maatregelen renderen pas als er een totaalpakket tot stand wordt gebracht. De pilot heeft tot vier aanbevelingen voor het Rijk geleid, namelijk huursubsidie voor niet-zelfstandige kamerbewoning, het zogenaamde «campuscontract», tijdelijke contracten in het kader van herstructurering en het faciliteren van constructies van eigendomsdeelname, waaronder de CV-constructie.

Op slechts twee aanbevelingen is de regering ingegaan. De minister wil huursubsidie voor niet-zelfstandige kamerbewoning niet toestaan omdat dit in feite objectsubsidie is. Moet de huursubsidie niet juist het sluitstuk van de ketenaanpak worden? Er is eerder sprake van subjectsubsidie omdat anders de kamers niet betaalbaar zijn. Voor een goede beoordeling van de inzet van het instrument huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte krijgt de CDA-fractie graag inzicht in de budgettaire consequenties hiervan.

In het beleid dient er rekening mee gehouden te worden dat studenten in de eerste jaren van hun studie vaak voor niet-zelfstandige woonruimte kiezen. De beschikbare ruimte wordt effectief gebruikt. Daarnaast moet er met het oog op de keuzevrijheid zelfstandige woonruimte zijn. Het bouwen van veel zelfstandige eenheden betekent een groter beroep op de huursubsidie. Hier is meer geld mee gemoeid dan met het eventueel toekennen van huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte. Het bevorderen van dit laatste lijkt daarom financieel aantrekkelijker. In de zorg kent men het systeem van aangewezen complexen waarvoor, in afwijking van de regelgeving, huursubsidie wordt verleend. Analoog daaraan kan in de steden met de grootste knelpunten ook voor studenten hiertoe worden overgegaan.

Waarom wordt in de brief niet ingegaan op de suggestie dat het Rijk constructies van eigendomsdeelname faciliteert? Ook in de begroting voor 2003 wordt hierop niet teruggekomen, maar er liggen wel mogelijkheden op dit terrein.

De CDA-fractie heeft er eerder voor gepleit bestaande panden beter en intensiever te gebruiken. Hiervoor is sanering van regelgeving nodig. Ook de gebruikseisen en de eisen van de brandweer verzetten zich hiertegen. Kan er niet in goed overleg tussen de vier betrokken partijen een oplossing hiervoor gevonden worden? In sommige steden realiseert men tijdelijke noodhuisvesting voor studenten. Is de minister bereid andere gemeenten hiertoe te stimuleren in afwachting van definitieve regelingen?


Mevrouw Verbugt (VVD) maakt uit de berichtgeving in de media op dat in sommige steden de studentenhuisvesting redelijk is geregeld, maar dat in andere steden de nood nog steeds hoog is. Het tekort aan studentenhuisvesting is geen generiek probleem, want er zijn regionaal grote verschillen. Dit neemt niet weg dat er al jarenlang sprake is van een structureel tekort. Het Rijk heeft een taak bij het wegnemen hiervan, maar ook de andere betrokken partijen – gemeenten, corporaties en onderwijsinstellingen – hebben een eigen verantwoordelijkheid.

Het is goed dat het onderwerp «studentenhuisvesting» aan de agenda voor de verstedelijkingsafspraken is toegevoegd. Kan in dat kader gestreefd worden naar prestatieafspraken voor de steden waar de problemen zeer groot zijn?

Corporaties moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Een goed voorbeeld is de corporatie uit Deurne die de bouw van studentenhuisvesting in Delft via collegiale financiering mogelijk maakt. Kunnen via het Centraal fonds voor de volkshuisvesting prikkels worden ingebouwd zodat rijke corporaties bijdragen in de onrendabele investeringen van minder draagkrachtige corporaties? Het geld blijft zo binnen de volkshuisvesting en komt terecht waar het nodig is. Wil de minister op dit terrein een aanjaagfunctie vervullen en is hij bereid de regelgeving hiervoor aan te passen?

De minister moet de andere partijen op hun verantwoordelijkheid aanspreken. Het Rijk heeft de specifieke taak belemmerende regelgeving aan te passen, zodat de verantwoordelijkheid op een ander niveau beter waargemaakt kan worden. Grote panden die jarenlang leeg staan in afwachting van sloop of reconstructie kunnen bijvoorbeeld heel goed een tijdelijke oplossing zijn. Dit biedt voordelen voor iedereen: de studenten hebben woonruimte, de eigenaar krijgt huur en de gemeente is blij omdat de verloedering wordt tegengegaan. De VVD-fractie verwacht veel van de tijdelijke huurcontracten en ziet graag op korte termijn voorstellen op dit terrein tegemoet.

Voor studenten zijn binnensteden vaak aantrekkelijke woonmilieus. Het is dan ook jammer dat daar zoveel ruimte leegstaat. Wil de minister bevorderen dat gemeenten het mogelijk maken dat de lege ruimte boven winkels door studenten bewoond kan worden? De onderwijsinstellingen hebben ook een rol. Het komt voor dat iemand al een baan met een lease-auto heeft, maar nog steeds woont in een door de instelling gesubsidieerde ruimte.

Er moet meer gebruikgemaakt kunnen worden van tijdelijke contacten, waarbij maatwerk geleverd moet worden. De flexibiliteit in huurcontracten dient vergroot te worden. Huurbescherming is natuurlijk goed, maar de regels kunnen zo strak zijn dat bepaalde vormen van huisvesting zijn uitgesloten. Studeren is per definitie tijdelijk en studenten zijn goed geïnformeerd. Zij vormen geen zwakke partij op de woningmarkt.


De heer De Ruiter (SP) meent dat met de pilot in Utrecht een goede stap is gezet, die mede is ingegeven door de kameruitspraak over de studeerbaarheid in relatie tot studentenhuisvesting. Het probleem kent echter ook een principiële kant. Nederland hecht veel waarde aan kennisoverdracht. Het Rijk financiert het onderwijs voor een zeer groot deel. Wat vindt de minister van de stelling dat het Rijk dan ook de studentenhuisvesting moet financieren? Is de minister bereid prestatieafspraken te maken met de partijen die verantwoordelijk zijn voor de huisvesting voor studenten?

De maatregelen die in de brief worden aangekondigd, kunnen op sympathie van de SP rekenen. Op deze wijze kan een klein deel van het probleem worden opgelost. Het Rijk faciliteert een en ander wel, maar neemt niet echt zijn verantwoordelijkheid als het gaat om wet- en regelgeving. De rijksoverheid neemt over het geheel een te afwachtende houding aan.

Het zou goed zijn als er weer huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte verleend kan worden. Hiertoe kunnen bepaalde complexen gecertificeerd worden. Inmiddels is enige ervaring opgedaan met de tijdelijke verhuur van woningen in herstructureringswijken, maar hier liggen nog veel meer mogelijkheden. In de zogenaamde probleemwijken – of liever: voorsprongwijken – kunnen complexen voor studenten beschikbaar worden gesteld. Dat is goed voor alle betrokkenen. Bovendien is het goedkoop. Dit kan nog goedkoper worden door tijdelijke stimuleringsmaatregelen voor corporaties.

Daarnaast zijn er wijken die in een periode van tien jaar geherstructureerd worden. De woningen die in deze wijken vrijkomen, kunnen bijvoorbeeld in vier kamereenheden gesplitst worden. Het voordeel daarvan is dat zelfs de maximaal redelijke huurprijs in rekening gebracht kan worden. Dit is voordelig voor de corporaties, maar ook voor het Rijk omdat geen huursubsidie verstrekt behoeft te worden. De studenten hebben hierdoor goede woonruimte voor een zeer acceptabele prijs.


Mevrouw Lambrechts (D66) meldt dat de informatie uit de brief alweer achterhaald lijkt te zijn. Ook in steden die niet genoemd worden, blijkt de nood hoog. Het Rijk moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Huisvesting hoort bij de voorwaarden voor een succesvolle scholingscarrière. Slechte huisvesting speelt vermoedelijk een rol in de hoge uitval, maar hierover zijn geen harde gegevens beschikbaar.

De pilot in Utrecht was een succes, maar het was onduidelijk wie uiteindelijk de regie heeft. Onderwijsinstellingen hebben behoefte aan meer zeggenschap over de studentenhuisvesting. Het is al acht jaar duidelijk dat de studentenhuisvesting met toenemende tekorten te maken krijgt, maar dit signaal is genegeerd. Een oorzaak daarvan kan zijn dat niet duidelijk is wie als eerste verantwoordelijkheid draagt. Daarbij komt dat de financiële prikkels, zoals de huursubsidie, op een verkeerde manier uitwerken.

Er moet meer gebouwd worden, maar de vraag is of dat alleen zelfstandige eenheden moeten zijn. De afgelopen vier jaar is er geen kamer bijgebouwd ondanks dat dit tot minder ruimtebeslag leidt dan de bouw van zelfstandige woonruimte. Dit is niet het gevolg van vraagsturing, maar wel van de financiële prikkel die leidt tot de bouw van zelfstandige eenheden. Veel studenten geven de voorkeur aan een kamer met gemeenschappelijke voorzieningen. De doorstroming is bij kamerbewoning beter gewaarborgd dan wanneer men in een vrij aardige flat woont.

Het verstrekken van huursubsidie is bepaald geen ideale oplossing. Het zou beter zijn om in plaats daarvan de studiefinanciering te verhogen omdat studenten dan zelfs over de besteding van dit bedrag kunnen beslissen. Als het waar is dat door het openstellen van de huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte, het totale beslag op deze regeling vermindert, is er nauwelijks een argument tegen deze maatregel. Welke mogelijkheden zijn er in het kader van objectsubsidies of stimuleringsmaatregelen nog meer om de studentenhuisvesting op korte termijn te bevorderen? Welke rol kan het Centraal fonds voor de volkshuisvesting spelen? Kan een deel van het budget dat overblijft van de Wet bevordering eigenwoningbezit worden aangewend voor extra woonruimte voor studenten?


Mevrouw Van Gent (GroenLinks) herinnert eraan dat de Kamer zich al jaren bezighoudt met het tekort aan woonruimte voor studenten, maar dat er tot nu toe zeer weinig resultaat is geboekt. Het aantal beschikbare kamers neemt af bij een toenemend aantal studenten. De in de brief aangekondigde maatregelen zullen geen zoden aan de dijk zetten. Het Rijk moet zijn verantwoordelijkheid op dit punt nemen. De pilot is positief verlopen, maar het probleem moet structureel worden aangepakt. Er moet gebouwd worden en daarvoor moet het Rijk middelen ter beschikking stellen.

De studentenhuisvesting blijkt in het gehele land te zijn verslechterd. Als geen passende maatregelen worden genomen, zullen de studenten de komende jaren moeilijk tot geen woonruimte kunnen vinden. Particuliere verhuurders verkopen hun panden. Hospita's haken af vanwege de verplichte inschrijving in het GBA-systeem van de onderhuurder. Daarbij komt dat men eventueel gekort wordt op de huursubsidie. De armoede onder studenten is groot. Gemiddeld betalen zij eenderde van hun inkomen aan woonlasten. Het is vreemd dat bepaalde groepen van huursubsidie zijn uitgesloten.

De maatregelen van het kabinet zijn een druppel op een gloeiende plaat. Het oprekken van de voorwaarden uit de Leegstandwet biedt geen structurele oplossing en bovendien wordt de rechtspositie erdoor verslechterd. Waarom moeten alleen voor studenten zogenaamde oprotcontracten gelden? Degenen die uit de bijstand een baan vinden, worden toch ook niet gedwongen uit hun huurhuis te vertrekken? Doorstroming is vrijwel onmogelijk gezien de beperkte beschikbaarheid van betaalbare woningen in de koop- en huursector, met name voor starters. Het is goed om rijke corporaties in studentencomplexen te laten investeren, maar dit is de afgelopen vier jaar nauwelijks gebeurd. Hoe wil de minister dit bevorderen?

Er is veel steun voor het voorstel van mevrouw Van Gent om huursubsidie voor kamerbewoners mogelijk te maken. Het is onzinnig, onrechtvaardig en onredelijk dat er onderscheid wordt gemaakt tussen zelfstandige en niet-zelfstandige woonruimte. Met gemeenschappelijk gebruik van keuken, toilet en badvoorzieningen kan wat ruimer gebouwd worden. Uit onderzoek blijkt dat tweederde van de studenten graag niet-zelfstandig wil wonen. Het verstrekken van huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte leidt tot daling van de woonlasten van studenten, normalisering van de markt voor kamerverhuur, uitbanning van excessen met dure, onveilige en ongezonde kamertjes en efficiënter gebruik van het geld van corporaties. In plaats van studio's moeten er eenheden voor twee tot vier personen worden gebouwd. Met eenzelfde investering kunnen anderhalf maal zoveel kamers worden gebouwd. Bovendien wordt het geld van de rijksoverheid beter benut. Een onderscheid naar regio is niet gewenst, want de problematiek speelt in het gehele land. Als de korting op huursubsidie bij kamerverhuur vervalt, zal het aanbod toenemen. Dit kan op grond van het principe van gelijke behandeling van kopers en huurders, terwijl het de schatkist niets kost.

Er staat 4 miljoen m2 kantoorruimte leeg, die kan dienen als tijdelijke maar ook als permanente oplossingen voor studentenhuisvesting. Waarom zijn de vragen van 7 augustus jl. op dit punt nog niet beantwoord?


De heer Duivesteijn (PvdA) constateert dat het pakket maatregelen zoals aangekondigd in de brief nogal mager is. De PvdA-fractie is voorstander van een tijdelijk contract mits dit duidelijk gekoppeld is aan studentenhuisvesting. Behalve dit voorstel is er nog het punt van collegiale financiering, maar daarmee houdt het op. Het is te begrijpen dat niet direct wordt overgegaan tot het verstrekken van huursubsidie voor niet-zelfstandige woonruimte, maar de vraag is wat er dan wel moet gebeuren.

Studentenhuisvesting moet een structureel onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid zijn, ook van het rijksbeleid terzake. Corporaties moeten op hun verantwoordelijkheid voor de huisvesting van studenten worden aangesproken. Het voorstel voor collegiale financiering is te vrijblijvend. Corporaties moeten jaarlijks een bepaalde prestatie in de studentenhuisvesting leveren. Voor het geval men daar niet aan voldoet, moeten in de toekomstige woonwet of in het Besluit beheer sociale huurwoningen sancties worden opgenomen. De gezamenlijk overeengekomen prestaties moeten afdwingbaar zijn. Dit betekent dat de relatie tussen Rijk en corporaties verstevigd moet worden.

Het Centraal fonds voor de volkshuisvesting moet niet langer alleen ingezet worden voor sanering, maar ook voor de gewone volkshuisvesting. Waarom hebben de corporaties niet de verplichting jaarlijks een bepaald bedrag aan dit fonds af te dragen? Met dit fonds kunnen corporaties die daartoe niet in staat zijn, geholpen worden om projecten uit te voeren voor de doelgroepen, waaronder studenten. Het is een simpele maatregel, maar de corporaties willen er niet aan en iedere bewindspersoon tot nu toe is te laf geweest om tegen de corporaties te zeggen dat de solidariteit op die manier georganiseerd moet worden. De betrokkenen mogen het eerst zelf proberen, maar als men dit niet van de grond krijgt, moet de rijksoverheid bevoegd zijn om dit af te dwingen. Als dat gebeurt, is de nieuwbouwstroom veiliggesteld. Bij de bouw van eenheden moet de kwaliteit centraal staan.

De regels voor huursubsidie kunnen in die zin opnieuw gedefinieerd worden dat huursubsidie van toepassing is op een «studentenhotel»; niet-zelfstandige eenheden die als geheel wel als zelfstandig gezien kunnen worden. Het begrip «zelfstandige huisvesting» kan verbreed worden naar analogie van de regeling voor verzorgingshuizen.


De heer Van As (LPF) erkent de problematiek van de studentenhuisvesting. Studenten dienen als een doelgroep te worden behandeld om te voorkomen dat zij tussen wal en schip terechtkomen vanwege hun lage inkomen. Er moeten zo snel mogelijk plannen worden ontwikkeld voor de bouw van wooneenheden voor studenten. Dit dient te gebeuren door de Stichting studentenhuisvesting of door andere toegelaten instellingen. Corporaties anticiperen op toekomstige woningbouw met miljoeneninvesteringen. Daarop gelet, kan men ook investeren in zelfstandige studenthuisvesting. Om de zaak inzichtelijk te houden, is het het beste om de toewijzing aan de SSH over te laten.

Bij nieuwbouw in de sociale sector is er een onrendabele top. Gemeenten hanteren met het oog hierop lagere grondprijzen dan bij de bouw voor de vrije sector. De kosten voor de onrendabele top moeten vooral transparant gehouden worden. Constructies via de huursubsidie kunnen ertoe leiden dat anderen op basis van het gelijkheidsbeginsel ook rechten doen gelden. Het beste lijkt dan ook de onrendabele top te subsidiëren onder de voorwaarde dat bij vervreemding een deel van de eventuele winst naar de schatkist terugvloeit. In een ander verband heeft de heer Van As al eens gesproken over een toeslag voor degenen die een socialehuurwoning bewonen, maar daar gezien hun inkomen niet meer voor in aanmerking komen. Met deze huurtoeslagen kan een fonds worden gevormd waaruit bepaalde kosten, zoals een onrendabele top bij studentenhuisvesting gedekt kunnen worden.

De huurcontracten moeten op een andere wijze worden geregeld en daartoe moet het Burgerlijk Wetboek worden aangepast. In Amsterdam blijkt op grote schaal sprake te zijn van onderverhuur. In Utrecht houden afgestudeerden met een behoorlijk inkomen studentenwoningen bezet. Het moet duidelijk zijn dat men uiterlijk een jaar na het afstuderen de woning moet hebben verlaten.

Het antwoord van de minister

De minister wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor de studentenhuisvesting allereerst bij de gemeenten en daarna bij de corporaties ligt. In de derde plaats komen de onderwijsinstellingen in beeld. Het Rijk heeft een eigen verantwoordelijkheid, vooral bij het wegnemen van belemmeringen en het aanspreken en stimuleren van partijen. Het probleem van de studentenhuisvesting groeit vooral onder druk van de toestroom van buitenlandse studenten. Onderwijsinstellingen die studenten uit het buitenland toelaten of aantrekken, moeten zich realiseren welke huisvestingsproblemen dit met zich brengt. Het aandeel buitenlandse studenten – op dit moment 20 000 – is substantieel te noemen. De minister wil dit punt apart met zijn collega van OCW bespreken. De studenten hebben ook zelf een verantwoordelijkheid. Zij moeten zich tijdig inschrijven bij de gemeenten waar zij na hun afstuderen willen wonen en werken. Soms is dit niet bekend, maar in Amsterdam blijven bijvoorbeeld veel studenten na hun studie wonen.

Tweederde van de betrokken gemeenten voert nog geen actief beleid op het terrein van studentenhuisvesting. Deze gemeenten moeten dan ook intensiever op hun taak gewezen worden. De studenten vormen een belangrijk onderdeel van de bevolking en zij dienen op een goede manier gehuisvest te worden. De minister zal de gemeenten hierop aanspreken tijdens de verstedelijkingsronde. In dat verband wordt overlegd over de inzet van de ISV-middelen en over de verdeling van de 440 mln euro voor de grootschalige lokatiesubsidie. Tevens kan in dit kader gewezen worden op de pilot die in Utrecht is gehouden. Utrecht heeft hier veel van geleerd, maar de andere studentensteden kunnen dat ook. Er zijn geen echte dwangmiddelen om de gemeenten te overtuigen dat zij tot actie moeten overgaan. Het komt vooral aan op de kracht van argumenten en op de druk uit het gebied zelf.

Het niveau van de nieuwbouw is te laag. De knelpunten worden per gemeente in beeld gebracht en vervolgens worden de desbetreffende gemeenten erop gewezen dat zij de achterstanden moeten wegwerken. De aanjaagteams zullen nagaan wie op welk onderdeel aangesproken moet worden. Daarbij komt ook de studentenhuisvesting aan de orde.

Corporaties beginnen zich ervan bewust te worden dat meer gedaan moet worden aan de huisvesting van studenten. In Eindhoven en Enschede wordt samengewerkt met de SSH. Het is toe te juichen dat de corporatie uit Deurne in Delft heeft geïnvesteerd, waardoor Delft 24 mln euro in studentenhuisvesting kan steken. Dit goede voorbeeld moet andere corporaties voorgehouden worden. Corporaties in de gebieden waar geïnvesteerd moet worden, zullen op de eigen mogelijkheden daartoe worden aangesproken. Als men niet voldoende geld heeft om de plannen uit te voeren, zal rijke corporaties elders in het land gevraagd worden om die projecten te adopteren. De rijke corporaties krijgen bezit terug voor hun investeringen. Dit is een manier om het maatschappelijk gebonden kapitaal van corporaties goed in te zetten.

Het Rijk bouwt zelf geen kamers, maar moet de ontwikkelingen in beeld brengen. De groei van de vraag in de komende jaren wordt op 13 000 eenheden geschat. De productie wordt op 8000 geraamd. Het tekort zal dus de komende jaren toenemen. In de voorlichting moet meer aandacht gegeven worden aan het feit dat een huiseigenaar voor een bedrag van € 3500 per jaar belastingvrij mag verhuren. Deze belangrijke maatregel zal de kamerverhuur sterk stimuleren. Het koppelen van bestanden kan geen probleem zijn, want op die manier wordt fraude tegengegaan. Het moet voor de overheid inzichtelijk zijn wat er in werkelijkheid gebeurt.

Bij huursubsidie wordt rekening gehouden met de werkelijke woonlasten. Huursubsidie is een vorm van bijstand die wordt verleend aan degenen die het nodig hebben. Als iemand een hoger inkomen verwerft door een kamer te verhuren, is het logisch dat die meerinkomsten met de huursubsidie worden verrekend. Het zou onverstandig zijn als de overheid subsidie verleent voor kosten die niet werkelijk door de betrokkene gedragen worden. Dit aspect komt ongetwijfeld terug in de discussie over de armoedeval. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid. In het ene geval gaat het om mensen die de kosten zelf dragen en in het andere geval zou er subsidie worden verleend voor kosten die de huurders niet meer zelf hebben. De belastingvrijstelling geldt voor huiseigenaren, maar ook voor huurders. Het is echter onjuist om de onderverhuur bij de bepaling van de hoogte van de huursubsidie buiten beschouwing te laten. Het is ook niet noodzakelijk om dit instrument in te zetten.

In herstructureringswijken staan vaak panden langere tijd leeg. Op dit moment mogen deze panden tot een periode van drie jaar tijdelijk verhuurd worden. Deze periode wordt tot vijf jaar verlengd. Een langere termijn is niet realistisch, want dergelijke processen moeten zeker niet langer duren. Er wordt naar gestreefd het desbetreffende wetsvoorstel nog dit jaar in de ministerraad te behandelen, zodat het volgend jaar door het parlement afgehandeld kan worden. Het opsplitsen van woningen is een goede mogelijkheid om meer kamers beschikbaar te krijgen. Eigenaren en corporaties zouden dit instrument wellicht vaker kunnen toepassen. De minister zegt toe dit punt in het overleg met de corporaties naar voren te brengen.

In een aantal steden speelt het probleem dat studenten na afloop van hun studie niet willen verhuizen. Huurbescherming is van belang, maar de extra energie en middelen die in studentenhuisvesting worden gestoken tezamen met de speciale eisen van de doelgroepen, rechtvaardigen de invoeringen van campushuurcontracten waarin de beëindiging van het contract samenvalt met de beëindiging van de studie. Ook op dat punt is wetswijziging in voorbereiding. Deze is tamelijk ingewikkeld omdat zij het BW betreft. De minister hoopt het wetsvoorstel terzake het komend voorjaar aan de ministerraad te kunnen voorleggen.

Er wordt ten onrechte gesuggereerd dat het probleem wordt opgelost als huursubsidie wordt gegeven voor niet-zelfstandige eenheden. Het probleem van de studentenhuisvesting is niet zozeer een betaalbaarheidsprobleem als wel een beschikbaarheidsprobleem. De middelen zijn beschikbaar. De gemeenten variëren de grondprijzen om de kosten van studentenhuisvesting te kunnen drukken. Het is bij uitstek de taak van corporaties om de onrendabele top voor hun rekening te nemen. De vermogens van de corporaties zijn toereikend om in het gehele land de onrendabele top van studentenhuisvesting te dekken. Het is vooral een kwestie van bereidheid en van organisatie.

Het verstrekken van huursubsidie aan studenten in een niet-zelfstandige woonruimte leidt tot objectsubsidie, terwijl het Rijk geen objectsubsidies meer verstrekt. Door de huursubsidie zou het mogelijk zijn om studenten een hogere huurprijs in rekening te brengen, waardoor de corporaties minder hoeven bij te dragen. De corporaties zijn echter gezamenlijk in staat om de investeringen in de sociale woningbouw, inclusief studentenhuisvesting, te dragen. De rijksoverheid hoeft hier geen extra geld in te steken. Er zijn overigens al 38 500 niet-zelfstandige wooneenheden voor studenten waarop de huursubsidie van toepassing is, omdat deze nog onder de oude wet vallen.

Men moet zich realiseren dat nieuwbouw gerelateerd is aan de toekomstige behoefte op de langere termijn, dus over 20 of 30 jaar. Als de vergrijzing doorzet, zullen er minder studenten komen. Nieuwbouw moet dus ook door andere groepen gebruikt kunnen worden. Daarop gelet, moeten de inspanningen vooral worden gericht op zelfstandige wooneenheden.

Met het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Van Gent wordt beoogd alle studenten voor huursubsidie in aanmerking te laten komen. Dit zou dan ook op termijn gelden voor particulieren die op een redelijke schaal kamers verhuren. Die markt is slecht te overzien. De hoogte van de huren is onoverzichtelijk en de inkomens van de studenten variëren nogal. Bovendien verhuizen betrokkenen vaak. Naast de inhoudelijke bezwaren, zijn er ook praktische redenen om dit voorstel af te wijzen.

De middelen die niet gebruikt worden in het kader van de Wet bevordering eigen woningbezit zijn nodig voor de huursubsidie. Beide regelingen werken als communicerende vaten.

Leegstaande kantoren zijn eigendom van particulieren. Op grond van het bestemmingsplan is bewoning van deze complexen vaak niet mogelijk. Daarbij komt dat zij alleen via grote investeringen bewoonbaar gemaakt kunnen worden. Die investeringen liggen niet voor de hand, omdat de kantorenmarkt op korte termijn weer kan aantrekken. Het is niet mogelijk op dit punt een algemeen beleid te ontwikkelen, want dit betreft de afweging van individuele eigenaren. Gemeenten kunnen dit wel stimuleren, bijvoorbeeld door wijziging van het bestemmingsplan.

De door de heer Duivesteijn opgeworpen discussie over de relatie tussen Rijk en corporaties kan beter in een ander verband gevoerd worden. De huidige opstelling van corporaties ten aanzien van studentenhuisvesting is op zichzelf hoopgevend, maar er wordt te weinig gedaan om de ernstiger wordende problematiek het hoofd te bieden. De corporaties zullen door de minister op hun rol in het geheel aangesproken worden.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) meent dat het Rijk in onvoldoende mate zijn verantwoordelijkheid neemt bij de oplossing van de problematiek. De argumenten van de minister tegen het verlenen van huursubsidie aan studenten in niet-zelfstandige woonruimte zijn niet steekhoudend. De minister verwijst naar de andere partners, maar ook het Rijk is een essentiële schakel in de keten. De kwestie van betaalbaarheid of beschikbaarheid is een kip-of-eidiscussie.

Er moet creatiever worden omgegaan met het benutten van leegstaande kantoren voor studentenhuisvesting. Hoeveel panden van de Rijksgebouwendienst staan er wel niet leeg?


Mevrouw Lambrechts (D66) is teleurgesteld over het antwoord van de minister. Hij doet zelf te weinig om meer kamers te realiseren. Hij zegt dat er geld genoeg is om de problematiek op te lossen, maar waarom is er dan zo'n nijpend tekort aan kamers? Waarom worden de financiële prikkels niet aangepast? Als het niet anders kan, moet het instrument van de huursubsidie gericht wordt ingezet. Er is wel degelijk sprake van een financieel probleem dat eerst opgelost moet worden.


De heer De Ruiter (SP) constateert dat de overheid niet of nauwelijks haar verantwoordelijkheid neemt. Er moet daadkrachtiger worden opgetreden. Het maken van afspraken heeft te weinig rendement. Op het niet nakomen van prestatieafspraken door corporaties zou een sanctie moeten staan.

De betaalbaarheid is wel een probleem. Ook onder studenten ontstaat een tweedeling tussen degenen met ouders die niet kunnen bijdragen en degenen met ouders die dat wel kunnen.

Het verlengen van de termijn tot vijf jaar in herstructureringswijken is een stap in de goede richting. Gemeenten kijken echter minimaal vijftien jaar vooruit, dus kunnen er ook afspraken op langere termijn gemaakt worden.


Mevrouw Verbugt (VVD) informeert of er een stok achter de deur is als gemeenten bij de prestatieafspraken hun verantwoordelijkheid niet nemen. Heeft de minister voldoende instrumenten om de corporaties te sturen? De onrendabele top mag niet via de huursubsidie gedekt wordt, want dat leidt tot rechtsongelijkheid.

De mogelijkheden om woonruimte tijdelijk aan studenten te verhuren, moeten beter benut worden, bijvoorbeeld via maatwerkcontracten.


De heer Van Bochove (CDA) heeft bewondering voor het vertrouwen dat de minister in alle betrokken partijen heeft. Zijn voorgangers zijn er niet in geslaagd de gemeenten ervan te overtuigen dat zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Het is nodig instrumenten te ontwikkelen om de naleving van afspraken af te dwingen.

Er is niet alleen sprake van een bereikbaarheidsprobleem. Als de corporaties zelf alle onrendabele toppen voor hun rekening moeten nemen, zal er een flinke discussie ontstaan over bestaande woningbouw. Kan de minister aantonen dat er werkelijk voldoende geld in de sector is om de problemen op te lossen?

De eerste opgave is om op korte termijn meer woonruimte voor studenten te realiseren. De tweede opgave is de financiering daarvan. Er moet creatief gezocht worden naar tijdelijke oplossingen.


De heer Duivesteijn (PvdA) vindt het overleg met de minister zonde van zijn tijd. Er is niets toegevoegd aan hetgeen in de stukken staat. Er was geen interactie tussen Kamer en minister. Het lijkt tijd voor enige kameruitspraken.


De minister wijst erop dat hij wel degelijk is ingegaan op de betogen van de kamerleden. Er is geen onderwerp aan de orde geweest waarover niet inhoudelijk van gedachten is gewisseld.

Op korte termijn is er geen winst te boeken met de aanpassing van weten regelgeving om corporaties te dwingen het maatschappelijk kapitaal in te zetten of om gemeenten ertoe aan te sporen meer aandacht te besteden aan studentenhuisvesting, want dat zal de nodige tijd kosten.

De rijksoverheid doet niet meer aan objectsubsidie voor sociale woningbouw. Gemeenten gebruiken het instrument van de grondprijs om de onrendabele top te verminderen. Corporaties beschikken over voldoende middelen om de rest te financieren. Er zijn overigens verschillende berekeningen van het oververmogen van de corporaties mogelijk, maar duidelijk is wel dat het geld dat voor sociale woningbouw nodig is, door de corporaties opgebracht kan worden. De minister zegt toe de Kamer de verschillende berekeningen van het vermogen van corporaties schriftelijk te doen toekomen.

De Rijksgebouwendienst heeft geen grote hoeveelheden kantoorgebouwen die leegstaan. Er is een kleine voorraad die gebruik wordt als overgangsruimte. Het is aan gemeenten om particuliere eigenaren van leegstaande kantoorruimte ertoe te bewegen deze te verhuren in de vorm van studentenkamers.

In herstructureringswijken is vijf jaar de uiterste termijn voor tijdelijke contracten. Transformatieprocessen moeten niet te lang duren.

De betrokken gemeenten zijn gemotiveerd om het probleem op te lossen, want ook zij voelen dat de nood hoog gestegen is. Zij krijgen steun van het Rijk om de corporaties te bewegen huisvesting te realiseren.


De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Buijs

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Van der Leeden

1  Samenstelling:Leden: Te Veldhuis (VVD), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Crone (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Buijs (CDA), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Van Gent (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Oplaat (VVD), Van As (LPF), ondervoorzitter, Van Oerle-van der Horst (CDA), Alblas (LPF), Van den Brink (LPF), Veling (ChristenUnie), Jense (Leefbaar Nederland), Van Bochove (CDA), De Ruiter (SP), Duyvendak (GroenLinks), Smolders (LPF), Koopmans (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA).Plv. leden: G. M. de Vries (VVD), Verbeet (PvdA), Van Hoof (VVD), Wolfsen (PvdA), Van der Ham (D66), Tichelaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), Rietkerk (CDA), Van den Brand (GroenLinks), Adelmund (PvdA), Cornielje (VVD), Schonewille (LPF), Ormel (CDA), De Jong (LPF), Groenink (LPF), Van der Staaij (SGP), Teeven (Leefbaar Nederland), Van Velzen (SP), Vos (GroenLinks), Wiersma (LPF), Vietsch (CDA), Ten Hoopen (CDA), Mastwijk (CDA).