Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF
1083 Vragen van het lid Grashoff (GroenLinks) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht van 29 november 2016 dat kansenongelijkheid op middelbare scholen de afgelopen jaren is toegenomen (ingezonden 2 december 2016). Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 30 januari 2017).

Hierbij zenden wij u het antwoord op de vragen van het lid Grashoff (GroenLinks) van uw Kamer inzake het bericht van DUO Onderwijsonderzoek op 29 november 2016 dat kansenongelijkheid op middelbare scholen de afgelopen jaren is toegenomen (ingezonden 2 december 2016).

Daarnaast heeft de Minister bij het wetgevingsoverleg over het Onderwijsverslag (22 juni 2016) toegezegd aanvullend onderzoek te doen naar schaduwonderwijs. De beantwoording van deze schriftelijke vragen is de uitwerking van deze toezegging.

De vragen werden Minister Bussemaker toegezonden bij uw hierboven aangehaalde brief met kenmerk 2016Z22932. Vanwege het feit dat de vragen het funderend onderwijs betreffen, zullen wij de vragen gezamenlijk beantwoorden.

Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kansongelijkheid op middelbare school neemt laatste jaren toe» en van het onderzoeksrapport van de Dienst uitvoering Onderwijs (DUO) «Kansengelijkheid in het onderwijs»?1
Antwoord 1

Ja. Met inachtneming dat bovengenoemd onderzoek niet is uitgevoerd door DUO – Dienst Uitvoering Onderwijs. Het onderzoeksrapport waar u naar verwijst is afkomstig van DUO Onderwijsonderzoek, een zelfstandig marktonderzoeksbureau te Utrecht.

Vraag 2

Uit het onderzoek van DUO blijkt dat financieel daadkrachtige ouders vaak buitenschoolse begeleiding, zoals bijlessen, inhuren; deelt u de mening van DUO dat de groei van de private onderwijsbegeleiding de ongelijkheid in het onderwijs doet toenemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2
Naast het onderzoek dat u aanhaalt zijn er nog meer onderzoeken over buitenschoolse begeleiding en de wijze waarop ouders hiervan gebruik maken. De uitkomsten van deze onderzoeken geven echter geen eenduidig beeld (in de bijlage bij deze antwoorden is een korte toelichting op deze onderzoeken opgenomen).2 Wij kunnen op dit moment dan ook nog geen uitspraken doen over deze stellingname van DUO Onderwijsonderzoek. Diepgaander onderzoek is nodig.
Vraag 3
Bent u van mening dat het publieke funderende onderwijs verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor een hoge kwaliteit in begeleiding zodat aanvullend privéonderwijs niet nodig zou moeten zijn, zoals ook geformuleerd in de motie Grashoff/Mohandis?3 Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3

Wij delen de mening dat het funderend onderwijs de verantwoordelijkheid heeft om alle leerlingen onderwijs en begeleiding van hoge kwaliteit aan te bieden. Het mag niet zo zijn dat de kwaliteit van het onderwijs en de begeleiding op de school niet op orde is. Privéonderwijs mag geen gevolg zijn van tekortschietend regulier onderwijs. Dit neemt niet weg dat ouders de vrijheid hebben om ervoor te kiezen buitenschoolse begeleiding in te schakelen, wanneer zij dit zinvol achten. Er heeft en zal altijd een particuliere markt voor bijlessen en huiswerkbegeleiding bestaan.

Vraag 4

Bent u bereid om een onderzoek te starten naar de omvang en implicaties van het schaduwonderwijs, ook op de zwarte markt? Bent u bereid om de Kamer hierover apart, bij voorkeur, halfjaarlijks te informeren?

Antwoord 4

Ja. Hierover zullen wij de Kamer rapporteren in het kader van het beleid betreffende gelijke kansen in het onderwijs. Bij het wetgevingsoverleg over het Onderwijsverslag (22 juni 2016) is door de Minister al toegezegd aanvullend onderzoek te doen naar vormen van private begeleiding buiten school.

Vraag 5

In het onderzoek van DUO noemen schooldirecteuren persoonlijke begeleiding en bijles op school als oplossing voor het terugdringen van ongelijkheid; welke financiële ruimte hebben scholen in het voortgezet onderwijs momenteel om dergelijke begeleiding aan te bieden?

Antwoord 5

De recent (per 1/8/2015) verruimde wettelijke kaders voor onderwijstijd bieden ruimte om wat het lesrooster betreft maatwerk te bieden aan leerlingen. Sommige leerlingen hebben meer baat bij wat minder onderwijstijd en juist meer persoonlijke begeleiding in plaats van extra lessen, terwijl andere leerlingen juist meer onderwijstijd nodig hebben. Bovendien tellen niet alleen «reguliere» lessen die voor alle leerlingen op het lesrooster staan mee als onderwijstijd: ook bijvoorbeeld extra ondersteuning die gevolgd wordt door een deel van de leerlingen kan worden ingepland en meegeteld als reguliere onderwijstijd. Zo hoeft «bijles» niet noodzakelijkerwijs naast het reguliere programma aangeboden te worden, maar kan het ook binnen het reguliere programma worden ingepland voor leerlingen die daar behoefte aan hebben.

Uit het rapport van de Inspectie van het Onderwijs blijkt bovendien dat er scholen zijn die aanvullende onderwijsactiviteiten aanbieden naast de reguliere onderwijstijd. In het voorgestelde onderzoek onder vraag 4 zullen wij onder andere onderzoeken welke rol scholen op dit moment hebben bij het aanbieden van aanvullende onderwijsactiviteiten. Het onderzoek zal zich daarom niet alleen richten op de omvang maar ook op de verschillende vormen van huiswerkbegeleiding en examentraining. Daaruit moet blijken welke leerlingen toegang hebben tot huiswerkbegeleiding en examentraining en welke gevolgen dit heeft voor kansengelijkheid. Ook gaan we onderzoeken of er een relatie is tussen privéonderwijs en de geboden kwaliteit van onderwijs door de school. Kiezen ouders voor extra begeleiding buiten de school, omdat ze vinden dat het onderwijs op de school van hun kind van onvoldoende kwaliteit is, of liggen hier andere motieven aan ten grondslag (bijvoorbeeld de inzet van bijles als vorm van buitenschoolse opvang)?

Noot 1: http://www.nu.nl/algemeen/4357707/kansongelijkheid-middelbare-school-neemt-laatste-jaren-toe.html?redirect=1

Noot 2: Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Noot 3: Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 52