Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid

27 111 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2003-2004

Nr. 15

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 2 juli 2004


Op 23 december 2003 heb ik mede namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kamervragen beantwoord inzake de wijzigingen van de Huisvestingswet en het Huisvestingsbesluit met betrekking tot de bescherming van woningzoekenden in opvanghuizen (27 111, nr. 13). Vervolgens heeft er op 4 februari 2004 over deze wijzigingen (ter uitvoering van de motie-Albayrak) een Algemeen Overleg plaatsgevonden (27 111, nr. 14). In dit overleg heb ik aangekondigd dat ik u, in afwachting van besluitvorming in het kader van de herijkingsoperatie van de VROM-regelgeving en na overleg met de VNG en de dertig grootste gemeenten, met betrekking tot deze wijzigingen van de regelgeving, nader zou informeren. Tevens heb ik daarbij aangegeven dat de mogelijkheden zullen worden onderzocht om COA-voorzieningen ter beschikking te stellen als opvangcapaciteit aan vrouwen in de opvang. Dit laatste is uitgevoerd door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Ik bericht u hieromtrent als volgt.

Huisvestingswet:

De wetswijziging, waarbij mishandelde allochtone vrouwen in opvanghuizen in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning maakt deel uit van de tweede novelle inzake het wetsvoorstel tot wijziging van de Huisvestingswet (Kamerstukken 1997–1998, 25 334, nr. 324 en novelle 1999–2000, 26 471, nr. 172). In mijn voorstellen tot herijking van de VROM-regelgeving (Kamerstukken 2003–2004, 29 200 XI, nr. 7) heb ik aangekondigd dat de huidige Huisvestingswet zal worden doorgelicht. Daarbij is aangegeven dat de lopende wetswijzigingen zullen worden heroverwogen en zonodig ingetrokken. Zie in dat kader ook mijn brief van 23 december 2003 (Kamerstukken 2003–2004, 29 383, nr. 1).

Bij deze heroverweging heb ik de regelgeving onder meer getoetst aan de uitgangspunten en criteria handhaafbaarheid, fraudebestendigheid en het terugdringen van regelgeving en bestuurslasten. Ik ben van mening dat de voorgenomen wijziging van de Huisvestingswet niet aan de uitgangspunten en criteria van de VROM-herijking voldoen. Met name speelt hier de te verwachten moeilijke handhaafbaarheid en fraudegevoeligheid een rol. Maar ook een toename van de gemeentelijke regelgeving en de bestuurslasten bij een eventuele wetswijziging acht ik niet wenselijk.

Tenslotte speelt bij mijn beslissing een rol dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de moties van de leden Adelmund c.s. en Bussemaker c.s. heeft overgenomen, waarin is gevraagd het desbetreffende beleid zodanig aan te passen dat het aantoonbaar slachtoffer zijn van (seksueel) geweld binnen de relatie een zelfstandige verblijfsgrond wordt voor personen die hun relatie beëindigen en in het bezit zijn van een afhankelijke verblijfstitel (zie brief aan de Tweede Kamer van 17 oktober 2003 met kenmerk: 5230689/03/DVB). Met deze beleidswijziging van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie komt een groep vrouwen, namelijk de groep die aantoonbaar slachtoffer is van huiselijk geweld, in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning, waardoor ze in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Wijziging van de Huisvestingswet is derhalve niet meer noodzakelijk.

Gezien het bovenstaande ben ik voornemens over te gaan tot intrekking van het reeds ingediende wijzigingsvoorstel. Dit ook in het licht van het kabinetsvoornemen met betrekking tot vereenvoudiging van de regelgeving. Bovendien zijn de resultaten van de evaluatie van de Huisvestingswet van dien aard dat ik van mening ben dat een fundamentele herziening van de Huisvestingswet op termijn noodzakelijk is. De uitkomsten van de evaluatie en mijn beleidsvoornemens ten opzichte van deze wet heb ik u enkele weken geleden toegezonden.

Huisvestingsbesluit:

Ten aanzien van de wijziging van het Huisvestingsbesluit, waarbij mishandelde vrouwen in opvanghuizen bij voorrang gehuisvest worden, heb ik in het Algemeen Overleg van 4 februari 2004 aangegeven dat inwerkingtreding hiervan afhankelijk is van de uitkomsten van het bestuurlijk overleg met de grootste gemeenten, de VNG, Aedes en het ministerie van V&I.

Tijdens het bestuurlijk overleg van 1 april 2004 heb ik er bij de VNG op aangedrongen dat de gemeenten een oplossing dienen te vinden voor de huisvesting van mishandelde vrouwen in opvanghuizen. Dit is in lijn met het kabinetsstandpunt inzake het interdepartementaal beleidsonderzoek maatschappelijke opvang, zoals verwoord bij schrijven van 21 november 2003 van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstukken 2003–2004, 29 325, nr. 1). Hierin is aangekondigd dat het kabinet met de VNG gaat praten over het goed benutten van bestaande gemeentelijke instrumenten om ook de doelgroep van de maatschappelijke opvang, waaronder de vrouwen die door hun (ex-)partner zijn mishandeld en in een opvanghuis wonen, te kunnen huisvesten. Ik heb in het genoemde bestuurlijk overleg benadrukt dat doorstroming van de volle opvanghuizen wordt bewerkstelligd indien onderhavige doelgroep door gemeenten bij voorrang gehuisvest gaan worden. Omdat de VNG mogelijkheden ziet om dit probleem binnen het bestaande urgentiesysteem van woningtoewijzing op te lossen, heb ik de bereidheid uitgesproken om de inwerkingtreding van het gewijzigde Huisvestingsbesluit voorlopig op te schorten. Ik heb de gemeenten daarbij tot 1 april 2005 de tijd gegeven om aan te tonen dat door middel van het huidige gemeentelijke woningtoewijzingssysteem de stagnatie in de volle opvanghuizen ook daadwerkelijk vermindert. Om de gemeente te wijzen op hun verantwoordelijkheid bij de huisvesting van deze doelgroep heb ik deze problematiek tevens schriftelijk uiteengezet aan de VNG1. Deze uiteenzetting zal als bijlage dienen voor een brief van de VNG aan de gemeenten in Nederland om deze problematiek onder de aandacht te brengen.

Gezien deze afspraak met de VNG zal ik het gewijzigde Huisvestingsbesluit tot die datum aanhouden.

COA-voorzieningen:

Overleg heeft plaatsgevonden tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het COA over het gebruik van asielzoekerscentra. Tijdens dit overleg heeft het COA aangegeven dat mogelijk gebruik gemaakt kan worden van een aantal panden dat het COA momenteel van gemeenten huurt. Naar aanleiding van het overleg met het COA zijn op 18 mei in het VNG overleg maatschappelijke opvang de 43 centrumgemeenten maatschappelijke opvang geïnformeerd over de centra die de komende vijf maanden beschikbaar komen. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten om hierop in te gaan. De verwachting is dat het beperkt soelaas zal bieden omdat de centra die vrij komen grotendeels buiten de centrumgemeenten liggen. De Federatie Opvang (koepelorganisatie voor dak- en thuislozenopvang en vrouwenopvang) is hierover geïnformeerd.


Ik vertrouw u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.