Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Woningcorporaties

29 453 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 12

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 14 maart 2005


Naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Commissie VROM (zie bijlage) deel ik u het volgende mede.

Op grond van de via een amendement in 2003 gewijzigde Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn woning-orporaties vrijgesteld van vennootschapsbelasting (vpb) ten aanzien van de hen op grond van het Bbsh toegestane werkzaamheden. Om de door het kabinet beoogde inperking van die vrijstelling te realiseren diende in het Bbsh te worden geregeld, dat voor bepaalde op grond van het Bbsh toegestane werkzaamheden vpb dient te worden betaald. Derhalve diende in het Bbsh een splitsing te worden aangebracht tussen werkzaamheden, die wél en niet vpb-plichtig zijn. Dit kan via het Bbsh slechts worden geregeld als dergelijke werkzaamheden moeten plaatsvinden in lichamen – in casu is gekozen voor dochter-maatschappijen welke de vorm van NV of BV hebben – die onderworpen zijn aan de plicht om vennoot-schapsbelasting te betalen.

De uitgangspunten voor een amvb tot wijziging van het Bbsh zijn met uw Kamer besproken tijdens het AO van 27 oktober 2004. Aldaar heb ik met uw Kamer afgesproken, dat ik de voorgenomen wijziging nog eens tegen het licht zal houden en het advies van de Raad van State (RvSt) wil afwachten. De Raad van State heeft in zijn advies van 10 december 2004, welk advies op grond van de Wet op de Raad van State nog niet openbaar is, terzake de splitsing opgemerkt, dat de huidige Woningwet – en daarmede het Bbsh – het niet mogelijk maakt om woningcorporaties te verplichten voor de uitvoering van de vpb-plichtige activiteiten dochtermaatschappijen op te richten, welke dochtermaatschappijen slechts bepaalde werkzaamheden mogen uitvoeren. Een oplossing voor dat probleem, waarover overleg is gepleegd met het Ministerie van Justitie, is nog niet gevonden. Indien geen oplossing kan worden gevonden, rest mij slechts wijziging van de Woningwet. In de Woningwet zal alsdan een artikel worden opgenomen, waardoor de voorgenomen wijziging van het Bbsh wél kan worden gerealiseerd. Zodra ik hierover definitief duidelijkheid heb verkregen, zal ik u – mede gezien mijn toezeggingen tijdens het AO van 27 oktober 2004 – inlichten over mijn standpunt inzake de voorgenomen wijziging van het Bbsh dan wel van de Woningwet. De algehele herziening van het Bbsh zal ik ter hand nemen, nadat de commissie-De Boer zijn advies heeft uitgebracht en Aedes en ik zelf daar een standpunt over hebben ingenomen, zoals ik eerder in mijn brief van 19 november 2004 over de verruiming van het huurbeleid heb gemeld.

Voorts zou ik advies inwinnen over mijn voornemen om in genoemde wijzigingsamvb over te gaan tot splitsing van de in het Bbsh genoemde werkzaamheden in werkzaamheden van de woningcorporatie en werk-zaamheden van dochtermaatschappijen van die woningcorporatie. Dat heb ik gedaan. Inhoudelijk wordt in alle adviezen dit uitgangspunt gedeeld. Wel is er op onderdelen verschil van mening: waar moet precies de knip liggen, mag – en zo ja onder welke omstandigheden – door de woningcorporatie financiering van haar dochtermaatschappijen plaatsvinden e.d. Over de door mij nog te trekken conclusies uit alle ontvangen adviezen en gevoerde gesprekken zal ik u binnenkort nader informeren.


Indien de Woningwet gewijzigd zal moeten worden teneinde de beoogde splitsing aan te brengen, zal ik de in het onderhavige wijzigingsamvb opgenomen verplichte verhuiskostenvergoeding nu reeds invoeren. Hiertoe zullen bij het nader rapport terzake het reeds genoemde advies van de Raad van State de nodige stappen worden gezet. Die verhuiskostenvergoedingsverplichting betekent dat woningcorporaties – conform de afspraken met uw Kamer – de verplichting krijgen om een verhuiskostenvergoeding van minimaal € 5 000 te betalen in die gevallen waar sprake is van een gedwongen verhuizing als gevolg van een zo ingrijpende renovatie van zelfstandige woonruimte, dat de bewoners aldaar niet kunnen blijven wonen of waar sprake is van een gedwongen verhuizing als gevolg van voorgenomen sloop van die zelfstandige woonruimte en de bouw van een nieuwe woning. Bij brief van 1 februari 2005, kenmerk DBO 200 500 0290, heb ik conform de met uw Kamer gemaakte afspraak de besturen van alle woningcorporaties verzocht om vooruitlopend op de wijziging van het Bbsh reeds nu overeenkomstig de voorgenomen wijziging te handelen.


Ik vertrouw er op u met het voorgaande voor de korte termijn voldoende te hebben ingelicht.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker

BIJLAGE

Den Haag, 1 maart 2005


Aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer


Namens de commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wil ik u verzoeken de Kamer uiterlijk 11 maart a.s. te informeren over de stand van zaken en het advies van de Raad van State betreffende de wijziging van het Besluit Beheer Sociale Huursector (inzake de werkzaamheden van woningcorporaties en de verhuiskostenvergoeding), zodat dat kan worden betrokken bij het Algemeen Overleg Woningcorporaties d.d. 16 maart 2005.


De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Van der Leeden